direct naar inhoud van Regels
Plan: Buitengebied Beesel (geconsolideerd)
Status: geconsolideerde versie
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0889.BPBuitengebiedCon-GC02

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Deze regels betreft de geconsolideerde versie van de regels van de bestemmingsplannen:

  • a. Buitengebied Beesel (NL.IMRO.0889.BPBuitengebied-VA03)
  • b. Veegplan Buitengebied gemeente Beesel (NL.IMRO.0889.BPVPBuitengebied-VA01)
  • c. Veegplan Buitengebied Beesel 2023 (NL.IMRO.0889.Buitengebied2023
  • d. De Beuckelen 2 (NL.IMRO.0889.BPDeBeuckelen2-VA01)

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan:

het bestemmingsplan 'Buitengebied Beesel (geconsolideerd)' van de gemeente Beesel met idenficatienummer NL.IMRO.0889.BPBuitengebiedCon-GC02 van de gemeente Beesel.

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 verbeelding:

de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied Beesel', bestaande uit de verbeelding NL.IMRO.0889.BPBuitengebiedCon-GC02.

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 aanvullende kwaliteitsverbetering:

verbetering van ruimtelijke kwaliteit ter compensatie van ontwikkelingen, al dan niet via een kwaliteitsbijdrage aan een gemeentelijk kwaliteitsfonds, met dien verstande dat:

  • a. deze fysiek ruimtelijk van aard is en ten goede komt aan de verbetering van de kwaliteit van het buitengebied;
  • b. het gaat om additionele verbeteringen. Zaken waarvoor al middelen zijn gereserveerd komen daarvoor niet in aanmerking;
  • c. deze in plaats en tijd een verband heeft met de ingreep / ontwikkeling;
  • d. deze kwantificeerbaar is.
1.6 achtererfgebied:

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,00 meter van de voorkant van het hoofdgebouw.

1.7 abiotische waarden:

het geheel van waarden in verband met de abiotische of niet-levende natuur, in de vorm van aardkundige en/of hydrologische kenmerken, zowel op zichzelf als in relatie tot de aanwezigheid of nabijheid van ontwikkelingsmogelijkheden voor een waardevolle biotische of levende natuur die wordt gevormd door organismen en leefgemeenschappen.

1.8 agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

1.9 agrarisch bedrijfsmatig gebruik:

het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, ten behoeve van een agrarisch bedrijf.

1.10 agrarische bedrijfsuitoefening:

de bedrijfsmatige activiteiten op een agrarisch bedrijf die erop zijn gericht om producten voort te brengen door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

1.11 agrarisch bouwperceel:

een bouwperceel waarop een concentratie van bebouwing ten behoeve van één agrarisch bedrijf is toegestaan.

1.12 agrarisch hobbymatig gebruik:

het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet zijnde bedrijfsmatig gebruik.

1.13 agrarisch loonbedrijf:

een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven, al dan niet in combinatie met activiteiten ten behoeve van cultuurtechnische werkzaamheden en grondverzet, anders dan ten behoeve van agrarische bedrijven als ondergeschikte activiteit.

1.14 agrarische waarden:

de waarden die rechtstreeks verband houden met de mogelijkheden voor de uitoefening van een doelmatige agrarische bodem-, en/of bedrijfsexploitatie.

1.15 agro-toeristisch bedrjif:

een agrarisch bedrijf, waarbij de activiteiten (mede) zijn gericht op het aanbieden van faciliteiten voor toeristen.

1.16 amk:

archeologische Monumentenkaart. Een kaart die per provincie alle bekende archeologische terreinen (monumenten), waaronder de wettelijk beschermde monumenten weergeeft door middel van een kleurcodering. Deze kleur verwijst naar de archeologische waardering van zo'n terrein. De kaart maakt onderscheid in vier categorieën:

  • a. terreinen van zeer hoge archeologische waarde beschermd;
  • b. terreinen van zeer hoge archeologische waarde;
  • c. terreinen van hoge archeologische waarde;
  • d. terreinen van archeologische waarde.
1.17 amk-terrein:

terrein dat is aangeduid op de archeologische monumentenkaart.

1.18 archeologisch deskundige:

een deskundige op het gebied van de archeologie en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie.

1.19 archeologisch monument:

terrein dat op basis van de Monumentenwet 1988 is aangewezen als beschermd archeologisch monument.

1.20 archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door een gecertificeerde dienst, bedrijf of instelling. Dit bedrijf moet beschikken over over een opgravingsvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet, of voor de betreffende werkzaamheden een vergunning hebben van de minister van OCW). Het onderzoek moet zijn uitgevoerd overeenkomstig de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). Het bevoegd gezag moet het programma van eisen voorafgaand aan het onderzoek goedkeuren.

1.21 archeologisch onderzoeksgebied:

gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde. Dit kan zijn een lage, middelhoge of hoge archeologische (verwachtings-)waarde. Deze waarde is toegekend op grond van de kennis en wetenschap van de in dat gebied verwachte overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.

1.22 archeologische verwachtingswaarde:

de aan een gebied toegekende verwachtingswaarde in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten (resten uit het verleden).

1.23 archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (menselijke sporen en of vondsten uit het verleden).

1.24 archeologisch waardevol gebied:

gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied, gedane vondsten en/of voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.

1.25 audio-video productiebedrijf:

een facilitair bedrijf dat diensten levert aan omroepen, productiebedrijven, producenten, overheden en bedrijfsleven in de vorm van geluid- en beeldopnamen.

1.26 autohandelsbedrijf:

een bedrijf dat is gericht op detailhandel in auto's.

1.27 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde.

1.28 bebouwingscluster:

een als zodanig op de verbeelding aangegeven vlakvormige verzameling van gebouwen.

1.29 bebouwingsconcentratie:

een bebouwingscluster of een bebouwingslint.

1.30 bebouwingslint:

een als zodanig op de verbeelding aangegeven lijnvormige verzameling van gebouwen langs een weg, doorgaans maar niet per definitie dubbelzijdig aanwezig, met gerine afstanden tussen de bouwvlakken, veelal met een historisch gegroeide menging van kleinschalige buitengebied- en niet buitengebiedfuncties.

1.31 bebouwingspercentage:

een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

1.32 bed en breakfast:

een voorziening, gericht op het bieden van mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als toeristisch-recreatieve activiteit, ondergeschikt aan de woonfunctie. Onder een bed en breakfast wordt niet verstaan overnachting noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.

1.33 bedrijf:
  • a. een niet-industrieel bedrijf of inrichting gericht op het verlenen van diensten of producten aan particulieren of bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van andere landbouwkundige methoden en derhalve door de aard van de activiteiten nauw verbonden is met het buitengebied. De activiteiten hebben betrekking op bewerking, verwerking, opslag, overslag, vervoer of verhandeling van agrarische producten voor derden, zoals:
    • 1. dierenklinieken;
    • 2. groencomposteringsbedrijven;
    • 3. hoveniersbedrijven;
    • 4. proefbedrijven;
    • 5. agrarisch loonbedrijf;
    • 6. bijenhouderij;
  • b. een niet-industrieel bedrijf of inrichting, gericht op het verlenen van diensten of producten aan particulieren of bedrijven, dat door de aard van de activiteiten niet verbonden is met het buitengebied en in de regel vooral voorkomt op bedrijventerreinen of in de bebouwde kom;

een en ander met uitzondering van beroepen aan huis en daaronder niet begrepen en niet zijnde een seksinrichting of een daaraan gerelateerde activiteit.

1.34 bedrijf aan huis:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot de beroepsmatige activiteiten, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat op kleine schaal in een woning of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, welke zijn opgenomen in bijlage 'Tabel bedrijfsactiviteiten'.

1.35 bedrijfsmatig:

deelnemen aan het economisch verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en regelmaat zijn gelijk te stellen.

1.36 bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten.

1.37 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.

1.38 bedrijfswoning:

een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen, wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is.

1.39 beeldkwaliteit:

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten.

1.40 beleidsregel arasteringen in het buitengebied:

de 'Beleidsregel afrasteringen in het buitengebied', vastgesteld door burgemeester en wethouders d.d. 21 juli 2014.

1.41 beroep aan huis:

een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, welke zijn opgenomen in bijlage 'Tabel bedrijfsactiviteiten'.

1.42 beschermingszone waterkering:

de gronden aan weerszijden van waterkeringen, die dienen ter bescherming daarvan en die zich uitstrekken tot 20 meter uit de grens van de waterkering, tenzij uit de legger van het waterschap een andere afstand blijkt.

1.43 bestaand:

situatie ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.

1.44 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.45 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.46 bevoegd gezag:

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

1.47 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak zoals overkappingen en carports.

1.48 bodemingreep:

werken of werkzaamheden die een bodemverstorende werking kunnen hebben op het aanwezige (archeologisch) bodemarchief.

1.49 boerderijwinkel:

detailhandel in al dan niet bewerkte agrarische producten, afkomstig van het eigen agrarische bedrijf of van andere (agrarische) bedrijven uit de streek, alsmede overige producten welke veelal deel uitmaken van een boerderij-/landwinkelassortiment, zoals exotische vruchten;

1.50 bosbouwbedrijf:

een bedrijf, gericht op het beheer van bos als natuurlijke hulpbron.

1.51 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel en/of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.52 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.53 bouwlaag:

een boven peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van de kelder en de zolder.

1.54 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de bij dit plan behorende regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.55 bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel.

1.56 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten en waarbinnen verhardingen en waterbassins kunnen worden gerealiseerd. Indien twee of meer bouwvlakken middels de aanduiding 'relatie' op de verbeelding aan elkaar zijn gekoppeld gelden deze bouwvlakken gezamenlijk als één bouwvlak.

1.57 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.58 bouwwerk geen gebouw zijnde:

een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel is (en niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf).

1.59 buitenbeschermingszone waterkering:

de als zodanig in de legger van het waterschap aangeduide gronden aan weerszijde van de waterkeringen, die zich uitstrekken vanaf 20 meter uit de grens van de waterkering tot 20 meter daarbuiten, tenzij uit de legger een andere afstand blijkt.

1.60 carport:

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een overkapping met tenminste een dak en niet, of aan maximaal twee zijden van wanden voorzien, inclusief bestaande wanden.

1.61 chalet:

een houten huis of snelbouw woning naar Zwitsers/Oostenrijks model, vaak nagebouwd voor gebruik als vakantiehuisje.

1.62 coffeeshop:

een horecabedrijf, waarin uitsluitend alcoholvrije dranken en eventueel kleine eetwaren worden verstrekt voor gebruik ter plaatse en waar softdrugs worden verstrekt voor gebruik ter plaatse of gebruik elders.

1.63 containerveld:

grond die is afgedekt met plastic, antiworteldoek en/of beton, eventueel in combinatie met andere materialen, ten behoeve van de teelt van gewassen. De gewassen worden op de afdeklaag los van de ondergrond geteeld in potten.

1.64 cultuur en ontspanning:

het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op spel, vermaak en ontspanning, waaronder:

  • a. ateliers;
  • b. attractieparken;
  • c. bioscopen;
  • d. bowlingbanen;
  • e. casino's;
  • f. creativiteitscentra;
  • g. dansscholen;
  • h. dierentuinen;
  • i. evenemententerreinen;
  • j. kinderboerderijen;
  • k. musea;
  • l. muziekscholen;
  • m. muziektheaters;
  • n. sauna;
  • o. speeltuinen;
  • p. sport- en spelvoorzieningen;
  • q. theater;
  • r. wellnesscentra.
1.65 cultuurhistorische waarde:

de waarde die aan een natuurobject, gebouw, bouwwerk of gebied is toegekend en wordt gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat natuurobject, gebouw, bouwwerk of gebied. Hieronder is ook begrepen de archeologische waarde.

1.66 cultuurhistorisch waardevol pand:

een rijks- of gemeentelijk monument, danwel een pand ten aanzien waarvan de monumentencommissie heeft geadviseerd dat dit pand cultuurhistorisch waardevol is.

1.67 dagrecreatie:

het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats zonder overnachtingsmogelijkheden.

1.68 dak:

een gesloten bovenbeëindiging van een bouwwerk c.q. gebouw.

1.69 dakhelling:

de hoek gemeten tussen het dakvlak en het horizontale vlak.

1.70 deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg:

een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie. Deze dient in ieder geval te voldoen aan de in de KNA gestelde kwalificaties van senior archeoloog.

1.71 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden met inbegrip van de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van zaken aan personen die de goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van horeca-activiteiten. Internetverkoop/een webshop wordt eveneens gezien als detailhandel.

1.72 dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.

1.73 duurzaam:

bestendig c.q. lang meegaand.

1.74 ecoduct:

een viaduct waarbij (meestal) de bovenste laag gereserveerd is om dieren een weg te laten kruisen. Ecoducten worden gebouwd als onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur, bedoeld om de teruggang van de biodiversiteit in Nederland af te remmen.

1.75 erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en voor zover het bestemmingsplan die inrichting niet verbiedt.

1.76 erfafscheiding:

afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst.

1.77 evenement:

een activiteit die plaatsvindt bij een voor publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg of het openbaar water met een openbaar dan wel besloten karakter, zoals buurtfeesten, straatfestivals, kermissen en concerten in de openlucht, maar ook bijzondere huldigingen, herdenkingen, sportwedstrijden en grote spektakels met een (inter)nationale uitstraling, zoals Draaksteken. Ook voor publiek toegankelijke gebeurtenissen met een besloten karakter die in de openbare ruimte plaatsvinden (bijvoorbeeld een feest voor uitsluitend genodigden), vallen binnen de definitie van een evenement.

1.78 evenemententerrein:

een terrein dat is bedoeld voor en dat qua ligging, toegankelijkheid, ondergrond en omvang geschikt is voor het houden van eenmalige dan wel periodiek terugkerende tijdelijke evenementen die een grote verkeersaantrekkende werking kunnen hebben.

1.79 extensieve recreatie:

die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals fietsen, vissen, wandelen, paardrijden, roeien en fietsen.

1.80 extensiveringsgebied:

een gebied waarbinnen (uitbreiding) natuur het primaat heeft en waarbinnen uitbreiding van een bouwvlak voor een intensieve veehouderij en nieuwvestiging van een intensieve veehouderij binnen een nieuw bouwvlak of binnen een bouwvlak waar voorheen géén intensieve veehouderij was gevestigd (omschakeling) niet mogelijk is.

1.81 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.82 gebruiksgerichte paardenhouderij:

een agrarisch verwant bedrijf waar overwegend handelingen aan en/of met paarden worden verricht en die primair zijn gericht op het stallen, africhten, trainen en verhandelen van paarden, niet zijnde een manege.

1.83 geluidgevoelig object:

gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit Geluidhinder.

1.84 geluidzoneringsplichtige inrichting/ terrein:

een inrichting of terrein waarbij een op grond van artikel 40 Wet geluidhinder rond de betrokken inrichting/ terrein gelegen zone in het bestemmingsplan moet worden vastgesteld waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

1.85 glastuinbouw:

een bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het telen van gewassen, waarbij de productie in glazen (schuur)kassen, kasschuren, bollentrekkassen en/of warenhuizen plaatsvindt.

1.86 groepsaccommodatie:

een (gedeelte) van een gebouw dat bestemd is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf en dat qua doel, omvang, toegankelijkheid en bereikbaarheid geschikt is voor tijdelijk (nacht)verblijf van groepen.

1.87 grondgebonden bedrijf:

een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt, waaronder:

  • a. akkerbouw;
  • b. fruitteelt;
  • c. bomenteelt;
  • d. houtteelt;
  • e. vollegrondstuinbouw
  • f. veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij.
1.88 grondgebonden veehouderij:

een grondgebonden bedrijf in de vorm van een veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij. Hiermee wordt in principe gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van bijvoorbeeld (melk)rundvee of schapenhouderij.

1.89 hartlijn:

het midden van een leiding.

1.90 hemelwaterproblematiek:

de problemen die ontstaan voor het afvoeren en bergen van hemelwater door toename van het verharde grondoppervlak.

1.91 historisch-geografische waarde:

de waarde die aan een natuurobject, gebouw, bouwwerk of gebied is toegekend en wordt gekenmerkt door de ontstaanswijze en bijzondere plekken van cultuurlandschappen, zoals polders en kavelstructuren.

1.92 hobbymatig:

het uitoefenen van activiteiten door particulieren en zonder winstoogmerk. Factoren die een rol spelen bij de vraag of de omvang van de activiteit vergelijkbaar is met een bedrijfsmatige activiteit danwel of sprake is van een hobbymatige activiteit zijn:
- continuïteit van de activiteit (hoelang duurt de activiteit);
- winstoogmerk van de activiteit (verhouding tussen kosten en opbrengsten);
- hinder die de activiteit veroorzaakt;
- omvang van de activiteit (hoeveel dieren en van welk soort);
- huisvesting (zijn er speciale voorzieningen getroffen);
- commerciële doeleinden (worden er bijvoorbeeld advertenties gezet);
- gebruik / de aanwending van dieren (voor hobby of eigen gebruik);
- perceelsgrootte;
- omgeving waar de dieren worden gehouden (in landelijk of stedelijk gebied).

1.93 hondenschool:

school waar honden worden afgericht en hun eigenaren worden opgeleid om op de juiste manier met de dieren om te gaan; school voor hondenafrichting.

1.94 hoofdgebouw:

een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. Indien het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, wordt die woning tevens als hoofdgebouw aangemerkt.

1.95 horeca:

het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.

1.96 horeca van categorie 1:

een horecabedrijf dat qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en waar, naast overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren, in hoofdzaak alcoholvrije drank wordt verstrekt.

1.97 horeca van categorie 2:

een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van (alcoholvrije) dranken voor consumptie ter plaatse en van maaltijden of etenswaren die ter plaatse kunnen worden genuttigd, waaronder:

  • a. cafetaria/snackbar;
  • b. fastfood en broodjeszaken;
  • c. lunchroom;
  • d. ijssalon, ijswinkel;
  • e. koffie- en/of theeschenkerij;
  • f. afhaalcentrum;
  • g. eetwinkels;
  • h. restaurant.
1.98 horeca van categorie 3:

een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden, alsmede de gelegenheid bieden tot dansen, waaronder:

  • a. café;
  • b. bar;
  • c. grand-café;
  • d. eetcafé;
  • e. pubs.
1.99 horeca van categorie 4a:

een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het bieden van vermaak, ontspanning, entertainment en/of het geven van gelegenheid tot dansen en het geven van feesten al dan niet met live muziek en waarbij alcoholische en niet-alcoholische dranken en kleine etenswaren en voedingsmiddelen ter plaatse kunnen worden versterkt en ter plaatse worden genuttigd, waaronder:

  • a. dancing;
  • b. danscafé;
  • c. dans- en zalencentra met nachtvergunning;
  • d. discotheek;
  • e. party- of zalencentrum met regulier gebruik voor feesten, muziek en dansevenementen.
1.100 horeca van categorie 4b:

een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van logies en nachtverblijf waarbij dranken, maaltijden en kleine etenswaren en voedingsmiddelen ter plaatse kunnen worden verstrekt en ter plaatse worden genuttigd, waaronder:

  • a. hotel;
  • b. motel;
  • c. pension.
1.101 huishouden:

een of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren.

1.102 hoveniersbedrijf:

een bedrijf dat gespecialiseerd is in het ontwerpen, aanleggen en/of bijhouden van tuinen of landschappen.

1.103 houtbewerkingsbedrijf:

een bedrijf dat zich richt op het vervaardigen, bewerken, verwerken of opslaan van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.

1.104 inrichting:

een op grond van de Wet milieubeheer als volgt gedefinieerd begrip: 'elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht'.

1.105 intensieve recreatie:

een vorm van vrijetijdsbesteding, gericht op ontspanningsmogelijkheden waarvoor veel voorzieningen nodig zijn en waaraan veel mensen tegelijkertijd op dezelfde plek deelnemen, waaronder:

  • a. attractieparken;
  • b. kampeerterreinen;
  • c. bungalowparken.
1.106 intensieve veehouderij:

een niet grondgebonden agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, waaronder:

  • a. rundveemesterij;
  • b. varkenshouderij;
  • c. vleeskalverhouderij;
  • d. pluimveehouderij;
  • e. melkgeitenhouderij;

of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen.

1.107 inwoning:

wonen in een deel van een gebouw, waarbij niet beschikt kan worden over een eigen keuken of toilet, maar waar van deze voorzieningen gebruik kan worden gemaakt in de in hetzelfde gebouw of op hetzelfde perceel aanwezige woning.

1.108 kamerverhuur:

het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de kamerverhuurder ter plaatse het hoofdverblijf heeft.

1.109 kampeerboerderij:

een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw dat is ingericht als groepsaccommodatie.

1.110 kampeermiddel:

een onderkomen dat of een voorziening die onder welke benaming ook uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot tijdelijk recreatief gebruik als logies-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen, niet zijnde een bouwwerk waarvoor bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vergunning vereist is, waaronder:

  • a. een caravan;
  • b. een camper;
  • c. een kampeerauto;
  • d. een stacaravan inclusief voortent;
  • e. een tent met bijzettent;
  • f. een tentwagen
  • g. of enig ander onderkomen of voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan;

een en ander voor zover deze kampeermiddelen geheel of ten dele blijvend zijn bedoeld of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor tijdelijk recreatief nachtverblijf.

1.111 kampeerplaats:

een in of op het terrein aangegeven, zichtbaar gemarkeerde plek voor het plaatsen of geplaatst houden van maximaal één kampeermiddel ten behoeve van tijdelijk recreatief nachtverblijf.

1.112 kampeerterrein:

terrein met daarbij horende voorzieningen en blijkens de inrichting bestemd en geschikt om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen.

1.113 kelder:

een ruimte in een gebouw welke geheel of in overwegende mate ondergronds gelegen is.

1.114 kernrandzone:

een overgangszone die grenst aan kern, met een bufferfunctie tussen woon- en leefkern en het buitengebied, ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de kernen, met:

  • a. relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een ondergeschikte en/of afnemende agrarische functie, óf
  • b. geen of relatief weinig bebouwing maar als zodanig aangewezen met het oog op mogelijk toekomstige uitbreiding van stedelijke functies.
1.115 kleinschalig kampeerterrein:

terrein met daarbij horende voorzieningen en blijkens de inrichting bestemd en geschikt om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van maximaal 15 kampeermiddelen.

1.116 kunstwerken:

civieltechnische constructies of -installaties in de infgrastructuur die één of meer functies vervullen zoals onderdoorgangen, duikers, overkluizingen.

1.117 kwaliteitscommissie:

een onafhankelijke commissie die burgemeester en wethouders adviseert over de kwalitatieve aspecten van ‘rode’ ontwikkelingen’ en over te leveren kwaliteitsverbeteringen, een en ander in het kader van het gemeentelijk kwaliteitsmenu in de structuurvisie.

1.118 landschappelijke waarde:

een waarde die aan een gebied is toegekend op grond van de bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object in de zin van aantrekkelijkheid, herkenbaarheid, identiteit en diversiteit bestaande uit abiotische, geologische, bodemkundige, biologische elementen en cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden afzonderlijk of in onderlinge samenhang die in dat gebied voorkomen.

1.119 logies:

het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de betreffende persoon het hoofdverblijf elders heeft.

1.120 maaiveld:

hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op het bouwwerk.

1.121 maatschappelijk:

het uitoefenen van activiteiten gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder:

  • a. asielzoekerscentra;
  • b. begraafplaatsen;
  • c. bibliotheken;
  • d. crematorium;
  • e. dierenasiel;
  • f. dierenpension;
  • g. drugsopvang;
  • h. gezondheidszorg;
  • i. jeugdopvang;
  • j. gemeenschapshuizen;
  • k. justitiële inrichtingen;
  • l. naschoolse opvang;
  • m. onderwijs;
  • n. openbare dienstverlening;
  • o. praktijkruimten;
  • p. religieuze voorzieningen;
  • q. uitvaartcentra;
  • r. verenigingsleven;
  • s. welzijnsinstellingen;
  • t. zorgboerderijen;
  • u. zorginstellingen.
1.122 manege:

een zelfstandig dagrecreatief bedrijf voor het beoefenen van de paardensport alsmede voor het stallen van paarden en pony's.

1.123 mantelzorg:

langdurige zorg (langer dan drie maanden of meer dan acht uur per week) die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevend persoon uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Mantelzorg is onbetaald en daarbij wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden.

1.124 mestbewerking:

behandeling van dierlijke mest zonder noemenswaardige veranderingen aan het product teweeg te brengen. Voorbeeld hiervan zijn mengen, roeren, homogeniseren en verwijderen van vreemde objecten zoals plastic folie en hoeven.

1.125 mestverwerking:

toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen. Voorbeelden hiervan zijn scheiding, bezinking, toevoeging van additieven, vergisting, beluchting, droging, compostering, indamping, vergassing en verbranding, met uitzondering van de bouw van een voorziening voor het opwekken van duurzame energie door middel van biomassavergisting.

1.126 natuurwaarde:

een waarde die aan een gebied is toegekend in verband met de aanwezige biotopen, bijzondere flora en fauna, ecologische samenhang en structuren van dat gebied.

1.127 molenbelt:

een kunstmatige heuvel of berg, opgeworpen rondom een molen om het voor de molenaar mogelijk te maken om buiten de molen de zeilvoering te regelen en de vang te bedienen

1.128 niet-grondgebonden bedrijf:

een agrarisch bedrijf, niet zijnde een intensieve veehouderij of een glastuinbouwbedrijf, waarvan de productie geheel of in overwegende mate plaatsvindt in gebouwen of los van het voortbrengend vermogen van de open grond, waaronder:

  • a. champignonkwekerij;
  • b. viskwekerij;
  • c. wormenkwekerij;
  • d. witlofkwekerij;
  • e. paardenfokkerij.
1.129 nutsvoorziening:

een voorziening voor een op het openbare net aangesloten voorziening van algemeen nut, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; alsmede containers voor glas, kleding, afval, plastic etc.

1.130 nieuwvestiging:

nieuw op te richten inrichting op een locatie waar eerder geen bebouwing bestond of waar bebouwing aanwezig was met een andere functie dan die van de nieuwe inrichting.

1.131 omgevingsvergunning:

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.132 ondergeschikt:

een functie die qua omvang en uitstraling ten dienste staat van een op dezelfde plaats voorkomende (hoofd)functie.

1.133 ondergronds bouwen:

bouwen onder peil.

1.134 ondergronds bouwwerk - ondergrondse ruimte:

een (gedeelte van een) gebouw of ruimte, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op minimaal 1,75 meter beneden peil, verticaal gemeten straks langs de omtrek van het gebouw. Ondergrondse bouwwerken en ruimten moeten voldoen aan de elders in de planregels voorgeschreven afstanden tot de perceelgrenzen.

1.135 ondersteunend glas:

een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden voornamelijk bestaan uit glas of een ander vergelijkbaar materiaal, dienend voor het (op)kweken, vermeerderen of overwinteren van vruchten, bloemen, groenten, planten of bomen. Boogkassen en daarmee visueel vergelijkbare voorzieningen welke langer dan 6 maanden aanwezig zijn worden tevens beschouwd als ondersteunend glas. Indien de oppervlakte van deze bedrijfsgebouwen meer dan 50% deel uitmaakt van de totale oppervlakte bedrijfsgebouwen van een grondgebonden bedrijf(stal) wordt het gebouw/de voorziening beleidsmatig niet meer beschouwd als 'ondersteunend glas', maar als glastuinbouw.

1.136 opslag:

het bewaren van goederen op gronden en/of in gebouwen, totdat ze verder bewerkt of verwerkt worden, danwel ter plaatse worden gebruikt in het kader van de reguliere bedrijfsvoering. Onder opslag valt niet het be- of verwerken van goederen, danwel reparatie- en/of onderhoudswerkzaamheden aan die goederen.

1.137 overkapping:

een bijbehorend bouwwerk, geen gebouw zijnde dat is omsloten door maximaal één wand en is voorzien van een gesloten dak.

1.138 overname van intensieve veehouderij:

hiervan is sprake als een bestaand agrarisch bouwvlak waar al een intensieve veehouderij is gevestigd, volledig wordt overgenomen door een ander bedrijf.

1.139 overtollige bebouwing:

de oppervlakte en/of inhoud van bebouwing waarmee de maximaal volgens de regels toegestane oppervlakte en/of inhoud bebouwing wordt overschreden.

1.140 paardenfokkerij:

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, gericht op het fokken en africhten van paarden, zoals hengstenstations, opfokbedrijven en paarden- en ponyfokbedrijven;

1.141 paardenhouderij:

een agrarisch bedrijf in de vorm van een gebruiksgerichte paardenhouderij waar overwegend handelingen aan en/of met paarden worden verricht en die primair zijn gericht op het stallen, africhten, trainen en verhandelen van paarden, niet zijnde een manege;

1.142 paardrijbak:

een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's.

1.143 peil:
  • a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. voor de molen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - molen': het hoogste punt van de molenbelt.
  • d. voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte maaiveld ter plaatse van de bouw;
  • e. voor bouwwerken in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het bouwwerk;
  • f. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil;
  • g. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.144 perceelsafscheiding:

afscheiding welke op een grens tussen twee percelen, niet zijnde erven, is geplaatst.

1.145 permanente teeltondersteunende voorziening:

een teeltondersteunende voorziening die langer dan 6 maanden per jaar aanwezig is, waaronder:

  • a. glastuinbouw;
  • b. kassen in de vorm van ondersteunend glas bij een grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • c. containervelden.
1.146 planperiode:

de periode gedurende welke dit bestemmingsplan geldt.

1.147 plattelandswoning:

een (voormalige) agrarische bedrijfswoning die -naast het gebruik als bedrijfswoning voor het agrarisch bedrijf waarbij de woning behoort- tevens mag worden gebruikt voor bewoning als burgerwoning door derden, en die niet wordt beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf.

1.148 productiegerichte paardenhouderij:

een niet grondgebonden agrarisch bedrijf, gericht op het fokken en africhten van paarden, zoals hengstenstations, opfokbedrijven en paarden- en ponyfokbedrijven.

1.149 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.150 recreatie:

activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding.

1.151 recreatief medegebruik:

recreatieve activiteiten die ondergeschikt zijn aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan en voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.

1.152 recreatief nachtverblijf:

een (deel van een) gebouw dat dient als verblijf gedurende de nachtperiode voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben.

1.153 recreatiewoning:

woning die blijkens de bestemming is bedoeld voor tijdelijk recreatief verblijf.

1.154 risicovolle inrichting:

een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (BRZO'99) of het Vuurwerkbesluit.

1.155 schuilgelegenheid, -voorziening:

een gebouw waarvan dieren gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang met als doel bescherming tegen weersomstandigheden gedurende het gehele jaar. Opslag van voer en/of materialen en stalling van materieel is niet toegestaan.

1.156 seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden, waaronder:

  • a. bordeel;
  • b. erotische-massagesalon;
  • c. parenclub;
  • d. prostitutiebedrijf;
  • e. seksautomatenhal;
  • f. seksbioscoop;
  • g. sekssauna;
  • h. sekstheater.
1.157 selectiebesluit:

een besluit van het bevoegd gezag tot het al dan niet behouden van eventueel aanwezige archeologische waarden. Aan een slectiebesluit kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden. Het bevoegd gezag neemt een selectiebesluit op basis van een selectieadvies dat een rapport van een archeologisch onderzoek geeft. Dit besluit kan positief of negatief zijn.

  • a. Bij een positief selectiebesluit zijn er drie mogelijkheden:
    • 1. Behoud in situ: fysieke bescherming en ruimtelijke inpassing van archeologische waarden. De archeologische waarden blijven in de bodem bewaard. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door het treffen van technische maatregelen, zoals het ophogen van het maaiveld of door het toepassen van archeologievriendelijke bouwmethoden;
    • 2. Opgraven: indien behoud in situ niet mogelijk is, kan ervoor worden gekozen om het plangebied te laten opgraven;
    • 3. Begeleiden: er kan ook voor worden gekozen om bijv. de verstoring van de bodem (graafwerkzaamheden e.d.) te laten begeleiden door gekwalificeerde een archeoloog;
  • b. Negatief selectiebesluit. Het besluit om na archeologisch onderzoek het plangebied vrij te geven, omdat geen vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
1.158 stacaravan:

een kampeermiddel dat dient ten behoeve van recreatief nachtverblijf en voorzien is van een as/wielenstelsel en uit één geheel bestaat en voort te bewegen is als aanhanger en voorzien is van een dissel.

1.159 stiltegebied:

rustig en geluidarm gebied dat belangrijk is voor de bewoners van de betreffende gebieden en de rustzoekende mens. Het gebied heeft een duidelijke functie t.b.v. extensieve recreatie en ontspanning. Ook zijn stiltegebieden een noodzakelijke voorwaarde voor de aanwezigheid en instandhouding van bepaalde dieren, die weinig verstoring kunnen verdragen.

1.160 straalpad:

een optisch vrij pad met een breedte van ca. 200 m ten behoeve van de telecommunicatie tussen zend- en ontvangststations.

1.161 structurele voorziening tijdelijke huisvesting tijdelijke arbeidskrachten:
  • a. woningen en/of wooneenheden, hotel, pension, logiesgebouw of ander gebouw, als zodanig als woning bestemd en tevens geschikt en ingericht ten behoeve van tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten;
  • b. wooneenheden in een bedrijfsgebouw ten behoeve van een agrarisch bedrijf en tevens geschikt en ingericht ten behoeve van tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten.
1.162 teeltondersteunende voorziening:

voorziening of constructie ten denste van de teelt in de open grond met als doel het gewas te forceren tot meer groei, de oogst te spreiden en meer opbrengsten te genereren. Het gaat daarbij om zowel vervroegen als verlaten ten opzichte van normale teelt en/of beschermen tegen weersinvloeden, ziekten en plagen om een kwalitatief beter product te verkrijgen. Deze constructies of voorzieningen kunnen zowel hoog als laag zijn, met dien verstande dat:

  • a. een lage teeltondersteunende voorziening een hoogte heeft van maximaal 1,50 m;
  • b. een hoge teeltondersteunende voorziening een hoogte heeft van minimaal 1,50 m.
1.163 structuurvisie:

de Structuurvisie Beesel, vastgesteld door de raad van de gemeente Beesel op 13 oktober 2011 en vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0889.SVBeesel-vg01.

1.164 tijdelijke hoogzit:

een hoogzit die uitsluitend aanwezig is in de periode dat wildschade optreedt en wordt verwijderd nadat het schadeveroorzakende wild is afgeschoten en/of het voor schade gevoelige gewas is geoogst.

1.165 tijdelijke teeltondersteunende voorziening:

een teeltondersteunende voorziening die korter dan 6 al dan niet aaneengesloten maanden per jaar aanwezig is. Voorbeelden van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn:

  • a. acryldoek;
  • b. folie;
  • c. hagelnetten;
  • d. insectengaas;
  • e. plastic tunnels;
  • f. regenkappen;
  • g. schaduwhallen.
1.166 tijdelijke huisvesting tijdelijke arbeidskrachten:

voor een periode van maximaal 6 maanden per jaar huisvesten van tijdelijke arbeidskrachten van agrarische bedrijven die in een periode van grote arbeidsbehoefte enkele maanden op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn, voorzover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering. Bij tijdelijke huisvesting in een structurele of tijdelijke voorziening binnen het agrarisch bedrijf hoeven de te huisvesten tijdelijke werknemers niet in dienst te zijn van de desbetreffende agrariër, maar kunnen daar ook via een uitzendbureau of een bemiddelaar werkzaam zijn. Wel dienen zij in dat geval uitsluitend werkzaam te zijn op het bedrijf waar zij gehuisvest worden.

1.167 trekkershut:

een recreatief onderkomen met slaap- en kookgelegenheden, zonder verwarming of sanitaire voorzieningen, dat dienst doet in plaats van een zelf meegenomen tent of caravan.

1.168 verblijfsrecreatie:

het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats waarbij recreatief nachtgebruik centraal staat.

1.169 verkoopvloeroppervlakte:

de totale oppervlakte van het gedeelte van de bedrijfsvloeropppervlakte waarin de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank zich bevinden.

1.170 verwevingsgebied:

een gebied dat is gericht op de verweving van landbouw, wonen en natuur. In een verwevingsgebied is overname van intensieve veehouderij mogelijk en is uitbreiding van intensieve veehouderij mogelijk mits de ruimtelijke kwaliteit of de functies van het gebied zich daartegen niet verzetten.

1.171 volwaardig agrarisch bedrijf:

een agrarisch bedrijf van voldoende aard en omvang en arbeidsbehoefte en waarvan de continuïteit ook op de langere termijn (minimaal 10 jaar) gewaarborgd is. De criteria waaraan wordt getoetst om te bepalen of sprake is van een volwaardig bedrijf zijn als bijlage 'Beoordeling volwaardigheid agrarische bedrijven' bij deze regels gevoegd.

1.172 voorerfgebied:

erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.

1.173 voorgevel:

gevel aan de voorzijde van een gebouw die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd.

1.174 voorgevelrooilijn:

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van het hoofdgebouw tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.

1.175 voorzieningen van algemeen nut:

voorzieningen en constructies ten behoeve van de op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, riolering, kabels en leidingen, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.

1.176 vrijstaand bijgebouw

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een van het hoofdgebouw en aangebouwde bijbehorende bouwwerken vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.177 waterbassin:

een voorziening bij een glastuinbouwbedrijf, geen bouwwerk zijnde, bedoeld voor het opvangen van regenwater.

1.178 waterberging:

gebieden die integraal deel uitmaken van het watersysteem en die periodiek vanuit het oppervlaktewatersysteem kunnen overstromen.

1.179 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals:

  • a. duikers;
  • b. stuwen;
  • c. infiltratievoorzieningen;
  • d. gemalen;
  • e. inlaten.
1.180 weg:

een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerplaatsen.

1.181 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; overal waar wonen in de planregels is toegestaan gaat het om wonen in een woning.

1.182 woningsplitsing:

het treffen van voorzieningen in bestaande al dan niet gedeeltelijk of geheel te vernieuwen woningen, zodanig dat binnen de bestaande of te vernieuwen of te vergroten bouwmassa meerdere zelfstandige woningen ontstaan. De zelfstandigheid blijkt uit de aanwezigheid per woning van een eigen toegang, keuken, badkamer, woon- en slaapkamers. In de bouwmassa is /zijn één of meer geheel gesloten woningscheidende wand(-en) aanwezig.

1.183 zelfstandige horeca:

horeca als hoofdactiviteit, die niet als ondersteuning van een andere hoofdactiviteit/-bestemming dient.

1.184 zolder:

ruimte(n) onder een kap, voor zover de hoogte van de borstwering ter plaatse van de omtrekmuren minder dan 80 cm boven de vloer is gelegen.

1.185 zorgboerderij:

een agrarische (neven)activiteit waarbij tevens ruimte wordt geboden aan mensen die hulp, zorg of begeleiding nodig hebben.

1.186 zwembad:

een private voorziening behorende bij een woning waarin mensen voor hun plezier zwemmen.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane-grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Ondergrondse bouwwerken tellen derhalve niet mee bij het bepalen van de inhoud van een bouwwerk.

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, als bedoeld in artikel 44.2.

2.5 de lengte, breedte en hoogte van een bouwwerk:

buitenwerks, dit is de afstand gemeten tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren.

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7 de oppervlakte van een bodemingreep:

het gebied (zone) waarbinnen bodemingrepen plaatsvinden die een verstorende werking kunnen hebben op het (archeologisch) bodemarchief.

2.8 de afstand tot de bouwperceelsgrens

tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

2.9 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:

vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van een bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. agrarisch bedrijfsmatig gebruik;
    • 2. agrarisch hobbymatig gebruik;
    • 3. behoud, ontwikkeling en versterking van:
      • de agrarische waarden;
      • de aanwezige landschappelijke waarden;
      • de aanwezige cultuurhistorische waarden;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding 'zonneweide' een zonneweide, met dien verstande dat de aanduiding per 1 januari 2049 vervalt;

met daaraan ondergeschikt:

  • 1. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • 2. erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen en bosschages;
  • 3. voorzieningen van openbaar nut;
  • 4. groenvoorzieningen;
  • 5. bestaande paden, verkeers- en ontsluitingsvoorzieningen, verhardingen, parkeervoorzieningen en in- en uitritten;
  • 6. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder overkluizingen ten behoeve van bestaande watergangen;
  • 7. bestaande paardrijbakken.
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - Keulseweg - De Beuckelen te vervallen' vervalt de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - Keulseweg - De Beuckelen'.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, behoudens hoogzitten, mits wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.2.3.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. ondergeschikte bouwwerken, zoals afrasteringen met een hoogte van maximaal 1 meter en eenvoudige recreatief ondersteunende voorzieningen zoals wegwijzers, informatieborden, zitbanken, vogelkijkwanden en uitkijkvoorzieningen voor natuurvorsing;
  • b. nutsvoorzieningen waarvan de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt;
  • c. lichtmasten en omheiningen behorende bij paardrijbakken, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van de lichtmasten maximaal 8 meter mag bedragen;
    • 2. de lichtmasten geen onevenredige hinder opleveren voor de omgeving;
    • 3. de paardrijbak mag worden omheind door een open afscheiding met een bouwhoogte van maximaal 1,50 meter;
    • 4. de voorzieningen uitsluitend zijn toegestaan bij:
      • bestaande paardrijbakken;
      • nieuwe paardrijbakken, uitsluitend hiervoor tevens de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.6.2 is of wordt verleend;
  • d. hoogzitten, mits wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.2.3;

3.2.3 Hoogzitten

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden is het plaatsen van tijdelijke hoogzitten ten behoeve van het observeren en jagen op wilde dieren toegestaan, met dien verstande dat:

  • a. geen hoogzitten mogen worden geplaatst ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gebied waar hoogzitten niet zijn toegestaan';
  • b. de hoogzit wordt ingepast in het landschap door gebruik te maken van bedekte kleuren (groen en/of bruin);
  • c. de oppervlakte van de aanzitruimte maximaal 8 m² bedraagt;
  • d. de bouwhoogte maximaal 6 m' bedraagt';
  • e. binnen 100 meter van een woning mag op basis van privacy- en veiligheidsoverwegingen geen hoogzit worden geplaatst;
  • f. tussen 100 en 200 meter van een woning mag op basis van privacy- en veiligheidsoverwegingen enkel een hoogzit worden geplaatst na toestemming van de betreffende woningeigen(a)ar(en).
3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats, de afmetingen en de verschijningsvorm van de bebouwing en de inrichting van gronden en opstallen:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. in verband met de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing;
  • d. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing en/of verharding.
3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van de in dit lid genoemde ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden;
  • b. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;

3.4.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van schuilgelegenheden

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2.1 ten behoeve van het bouwen van schuilgelegenheden, met dien verstande dat:

  • a. bij direct aaneenliggende (aan elkaar grenzende en in eigendom zijnde) kadastrale percelen met een minimale oppervlakte van:
    • 1. 1 hectare maximaal één schuilgelegenheid voor het bedrijfsmatig houden van dieren wordt gebouwd, met dien verstande dat per agrarisch bedrijf maximaal twee schuilgelegenheden worden gebouwd;
    • 2. 0,5 hectare maximaal één schuilgelegenheid voor het hobbymatig houden van dieren wordt gebouwd;
  • b. de goot- en bouwhoogte maximaal respectievelijk 3 en 5 meter bedraagt;
  • c. de oppervlakte van een schuilgelegenheid maximaal bedraagt:
    • 1. 25 m² bij een kadastraal perceel met een oppervlakte van 0,5 hectare tot 1 hectare;
    • 2. 40 m² bij een kadastraal perceel met een oppervlakte groter dan 1 hectare;
  • d. de noodzaak van de schuilgelegenheid uit oogpunt van dierenwelzijn is aangetoond;
  • e. de schuilgelegenheid uitsluitend wordt gebruikt voor het stallen van dieren. Gebruik voor opslag is niet toegestaan;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied' uitsluitend schuilgelegenheden zijn toegestaan voor het bedrijfsmatig houden van dieren. Schuilgelegenheden voor het hobbymatig houden van dieren zijn niet toegestaan;
  • g. de schuilgelegenheid inpasbaar is ten opzichte van de ter plaatse aanwezige natuurlijke, landschappelijke, abiotische, archeologische en/of cultuurhistorische waarde van de gronden;
  • h. de schuilgelegenheid landschappelijk wordt ingepast met gebiedseigen beplanting;
  • i. de schuilgelegenheid zoveel mogelijk wordt gesitueerd in de nabijheid van bestaande massa-elementen, zoals gebouwen of opgaande beplanting;
  • j. de schuilgelegenheid wordt gebouwd van duurzaam, in de landelijke omgeving passend materiaal, zoals hout;
  • k. een perceelsafscheiding op het perceel waarop de schuilgelegenheid wordt gebouwd dient te worden gebouwd met natuurlijk materiaalgebruik, toepassing van kleuren passend in de omgeving en met een open en natuurlijke uitstraling, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'kernrandzone' ook andere perceelsafscheidingen kunnen worden toegestaan.

3.4.3 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van een voederberging of voederruif

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2 ten behoeve van het bouwen van een voederberging of voederruif voor de instandhouding van het wild, met dien verstande dat:

  • a. de inhoud van de voederberging of voederruif maximaal 3 m³ bedraagt;
  • b. de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt.

3.4.4 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2 ten behoeve van het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte maximaal 4 meter mag bedragen;
  • b. de voorzieningen niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'beekdal', 'bos en natuur', 'recreatieve ontwikkelingszone' en 'rivierdal';
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied' uitsluitend tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, mits wordt aangetoond dat daardoor de karakteristieke openheid van het gebied niet onevenredig wordt aangetast;
  • d. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;
  • e. de voorzieningen landschappelijk worden ingepast. Hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de omgevingsvergunning wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en voorzieningen is beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie;
  • f. de landschappelijke inpassing van hagelnetten eruit bestaat dat deze niet mogen doorlopen tot aan de grond aan de randen van de percelen waarop de hagelnetten worden geplaats. In dat geval is inwinning van advies bij de kwaliteitscommissie niet vereist;
  • g. de voorzieningen dienen te worden opgeruimd en verwijderd binnen 10 dagen na afloop van de (teelt)periode waarvoor deze nodig zijn, met dien verstande dat deze verplichting bij het gebruik van regenkappen alleen geldt voor de folie en niet voor de constructie.

3.4.5 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van afrasteringen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2.2 ten behoeve van het bouwen van afrasteringen, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak wordt aangetoond, zoals in het beland van het houden van dieren of in het belang van het voorkomen van wildschade;
  • b. de bouwhoogte maximaal 1,80 meter bedraagt
  • c. aangetoond wordt dat wordt voldaan aan de 'Beleidsregel afrasteringen in het buitengebied', met dien verstande dat, indien deze beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen, behoudens incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • b. detailhandel;
  • c. paardenbakken, behoudens bestaande paardrijbaken als bedoeld in artikel 3.1;
  • d. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens en materialen;
  • e. het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
  • f. het houden van evenementen;
  • g. het aanwezig hebben van afdekfolie die is of wordt gebruikt voor het telen van gewassen, indien die voorziening niet binnen 10 dagen na afloop van de (teelt)periode waarvoor deze nodig is, wordt opgeruimd en verwijderd;
  • h. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken, behoudens het bepaalde onder g;
  • i. (buiten)opslag, waaronder de opslag van mest(stoffen), behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik;
  • j. schuilgelegenheid voor het bedrijfsmatig en/of hobbymatig houden van dieren, indien een perceelsafscheiding zoals bedoeld in artikel 3.4.2 onder k. niet is gerealiseerd en in stand wordt gehouden overeenkomstig de daarbij genoemde kwaliteitseisen;
  • k. permanente bewoning van kampeermiddelen.
3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van de in dit lid genoemde ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de verkeersveiligheid;
    • 2. het woon- en leefklimaat;
    • 3. de milieusituatie;
    • 4. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • b. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden en/of stiltegebieden.
3.6.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van een paardrijbak

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.5.1 ten behoeve van de inrichting en het gebruik van gronden als paardrijbak, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak voor realisering van de rijbak wordt aangetoond;
  • b. de paardrijbak uitsluitend mag worden gerealiseerd aansluitend aan een bestemmingsvlak waarin volgens de daarbij horende regels een paardrijbak is toegestaan;
  • c. de eigenaar/gebruiker van de paardrijbak tevens de eigenaar/gebruiker dient te zijn van het aangrenzende bestemmings-/bouwvlak;
  • d. aangetoond moet worden dat binnen het bestemmingsvlak volgens de onder b. bedoelde bestemmingen geen reële mogelijkheden zijn voor realisering van een paardrijbak;
  • e. de oppervlakte -inclusief de oppervlakte van (het deel van) de paardrijbak binnen het aangrenzende bestemmingsvlak als bedoeld onder b- maximaal 20 x 40 m bedraagt.

3.6.3 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.5.1 voor het gebruik van gronden als kleinschalig kampeerterrein, met dien verstande dat:

  • a. het kampeerterrein uitsluitend wordt gerealiseerd direct aansluitend aan een bestemmingsvlak volgens de bestemmingen 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Niet grondgebonden' of 'Agrarisch - Paardenhouderij';
  • b. aangetoond moet worden dat binnen het agrarisch bestemmingsvlak geen reële mogelijkheden zijn voor realisering van het kampeerterrein;
  • c. het totaal aantal kampeermiddelen op het kampeerterrein inclusief het deel binnen het agrarisch bestemmingsvlak maximaal 15 bedraagt, met dien verstande dat stacaravans, chalets of trekkershutten niet zijn toegestaan;
  • d. er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is met afschermende randbeplanting zoals genoemde onder e.;
  • e. het kampeerterrein voldoende landschappelijk wordt ingepast door afschermende randbeplanting:
    • 1. met landschappelijk karakter;
    • 2. ter breedte van minimaal 5 meter;
    • 3. bestaande uit opgaande houtsoorten van gebiedseigen beplanting;
  • f. sanitaire en andere kampeervoorzieningen uitsluitend mogen worden gerealiseerd in bestaande gebouwen;
  • g. tussen de kampeermiddelen een onderlinge afstand dient te worden aangehouden van minimaal 3 meter.

3.6.4 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.5.1 ten behoeve van het gebruik van gronden voor het telen van gewassen met gebruikmaking van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken, met dien verstande dat:

  • a. de voorzieningen niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'beekdal', 'bos en natuur', 'recreatieve ontwikkelingszone' en 'rivierdal';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied' uitsluitend tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, mits wordt aangetoond dat daardoor de karakteristieke openheid van het gebied niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;
  • d. de voorzieningen landschappelijk worden ingepast. Hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en voorzieningen is beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie;
  • e. de voorzieningen dienen te worden opgeruimd en verwijderd binnen 10 dagen na afloop van de (teelt)periode waarvoor deze nodig zijn.
3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.7.1 Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kan hebben, behoudens bij wijze van verzorging.
  • c. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen.

3.7.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in artikel 3.7.1 geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn danwel het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
  • c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • d. het vellen en/of rooien van houtgewas in het kader van de normale bedrijfsuitoefening van een boom- of sierteeltbedrijf.

3.7.3 Afwegingskader

De vergunning als bedoeld in artikel 3.7.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden, zoals omschreven in artikel 3.1, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  • b. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden en/of stiltegebieden;
3.8 Wijzigingsbevoegdheid
3.8.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de in dit artikel onder 3.8.2, 3.8.3 en 3.8.4 genoemde ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden;
  • b. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • c. voorzieningen worden getroffen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en voorzieningen en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie. Uitgangspunt daarbij is dat altijd de uitbreiding van een bestemmings-/bouwvlak landschappelijk dient te worden ingepast. Daar waar in de regels is aangegeven dat tevens een aanvullende kwaliteitsverbetering dient te worden gerealiseerd dient niet alleen de uitbreiding, maar het gehele bestemmings-/bouwvlak landschappelijk te worden ingepast.

3.8.2 Nieuwvestiging van een grondgebonden bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzen in de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden' ten behoeve van de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:

  • a. wijziging uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied';
  • b. nieuwvestiging ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingslint' uitsluitend is toegestaan mits de doorzichten naar het achterliggend gebied niet onevenredig worden aangetast;
  • c. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • d. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  • e. de bestemming niet wordt gewijzigd ten behoeve van de vestiging van een grondgebonden veehouderij;
  • f. het bouwvlak maximaal 1,5 ha bedraagt;
  • g. een containerveld is toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. daardoor de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;
    • 2. het containerveld is gelegen in het bestemmingsvlak;
  • h. in afwijking van het bepaalde in lid 3.8.1 onder d. is landschappelijke inpassing van een containerveld niet vereist binnen de aanduiding 'open agrarisch gebied';
  • i. vestiging ter plaatse moet voor de ondernemer noodzakelijk zijn. Aangetoond moet worden dat de beoogde ontwikkeling niet kan plaatsvinden op een bestaand bouwvlak, al dan niet na uitbreiding daarvan;
  • j. in het in lid 3.8.1 onder d. genoemde inrichtingsplan een aanvullende kwaliteitsverbetering wordt opgenomen;
  • k. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 6.

3.8.3 Vergroting bestemmingsvlak ten behoeve van een grondgebonden bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden' ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en het bouwvlak van een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • b. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  • c. de bestemming niet wordt gewijzigd ten behoeve van de uitbreiding van een grondgebonden veehouderij;
  • d. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingslint' uitsluitend is toegestaan mits de doorzichten naar het achterliggend gebied niet onevenredig worden aangetast;
  • e. het bouwvlak mag worden uitgebreid tot maximaal 1,5 ha;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder e. de oppervlakte maximaal 2,5 ha. mag bedragen, mits een aanvullende kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd;
  • g. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bos en natuur' of 'rivierdal';
  • h. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied' uitsluitend is toegestaan mits de openheid van het landschap daardoor niet onevenredig wordt aangetast;
  • i. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied' uitsluitend is toegestaan, mits de uitbreiding past binnen de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden;
  • j. een containerveld is toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. daardoor de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;
    • 2. het containerveld is gelegen in het bestemmingsvlak;
  • k. in afwijking van het bepaalde in lid 3.8.1 onder d. is landschappelijke inpassing van een containerveld niet vereist binnen de aanduiding 'open agrarisch gebied';
  • l. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 6.

3.8.4 Vergroting bestemmingsvlak ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en het bouwvlak van een bestaand glastuinbouwbedrijf, al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijf, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • b. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  • c. de netto oppervlakte glas maximaal 3 ha. bedraagt;
  • d. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van:
  • e. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied' uitsluitend is toegestaan, mits:
    • 1. de kleinschaligheid van het landschap niet wordt aangetast
    • 2. de uitbreiding past binnen de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden;
  • f. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingslint' uitsluitend is toegestaan mits de doorzichten in het lint naar het achtergelegen gebied niet onevenredig worden aangetast;
  • g. elders tenminste twee keer zoveel bestaand glas wordt gesloopt dan met het wijzigingsplan aan nieuwe glasopstand mogelijk wordt gemaakt;
  • h. indien een (regionaal) fonds aanwezig is waaruit de sloop van bestaande glasopstanden wordt gefinancierd, in afwijking van het bepaalde onder g. een bijdrage kan worden gestort in dat fonds die overeenkomt met het in dat fonds afgesproken normbedrag per m2, vermenigvuldigd met twee keer de oppervlakte van de nieuwe glasopstand die met het wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt;
  • i. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 5.

3.8.5 Vergroting bestemmingsvlak ten behoeve van containervelden

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in:

ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak voor de aanleg van permanente teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van containervelden, met dien verstande dat:

  • a. indien de voorzieningen worden aangelegd op afstand van het bestemmingsvlak, beide bestemmingsvlakken samen worden beschouwd als één bestemmingsvlak, waarbij beide bestemmingsvlakken met elkaar worden verbonden door op de verbeelding de figuur 'relatie' op te nemen;
  • b. binnen de uitbreiding van het bestemmingsvlak géén bouwvlak wordt opgenomen;
  • c. binnen de uitbreiding van het bestemmingsvlak géén bouwwerken zijn toegestaan, behoudens perceelsafscheidingen met een maximale hoogte van 1 meter;
  • d. verzekerd is dat de containervelden landschappelijk worden ingepast, met dien verstande dat geen landschappelijke inpassing is vereist ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied';
  • e. ter voldoening aan het bepaalde onder d. een landschappelijk inrichtingsplan wordt overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de voorzieningen is beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie;
  • f. de oppervlakte van het containerveld maximaal 3 ha. bedraagt;
  • g. in afwijking van het bepaalde onder f. een grotere oppervlakte kan worden toegestaan, mits in het onder d. bedoelde inpassingsplan een aanvullende ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt opgenomen en verzekerd is dat deze kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd.

Artikel 4 Agrarisch - Agrotoerisme

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Agrotoerisme' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in een bedrijfswoning;
  • b. horeca van categorie 1en 2;
  • c. dagrecreatie;
  • d. educatie;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kamelenboerderij', agrarisch gebruik in de vorm van een kamelenboerderij;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 42.2;
  • g. het gebruik van bestaande gebouwen als caravanstalling overeenkomstig het bepaalde in artikel 42.5;
  • h. verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 42.7;
  • i. een terras met dien verstande dat de oppervlakte daarvan maximaal 60 m² mag bedragen.
  • j. tuinen, erven en terreinen;
  • k. groenvoorzieningen;
  • l. paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen;
  • m. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, inclusief waterbassins;
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Op de voor 'Agrarisch - Agrotoerisme' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 4.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. een bedrijfswoning;
  • c. bijbehorende bouwwerken;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde.

4.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. per bouwvlak is maximaal één agro-toeristisch bedrijf toegestaan;
  • b. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd;
  • c. het bouwvlak mag geheel worden bebouwd;
  • d. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in lid 4.2.3, 4.2.4, 4.2.5 en 4.2.6.

4.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en daarbij horende bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 6 en 11 meter;
  • b. de voorgevel dient te worden gebouwd achter de voorgevelrooilijn;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter.
4.2.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  • b. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 1.000 m³;
  • d. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6,5 en 9 meter;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m²;
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter;
  • g. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • h. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd.

4.2.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt,danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor 90% open zijn;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
    • 4. lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt, met dien verstande dat de lichtmasten geen onevenredige hinder mogen opleveren voor de omgeving;
  • b. per bedrijfswoning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning maximaal 40 meter bedraagt.
4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
4.4 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.2.3 en 4.2.4 voor het bouwen van gebouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dan 5 meter, met dien verstande dat:

  • a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter bedraagt;
  • b. de ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige aantasting van de openheid tussen bebouwing en daardoor het behoud van voldoende doorzichten in het straatbeeld naar achtergelegen open agrarisch gebied en/of natuurgebied niet in gedrang komt;
  • c. aangetoond wordt dat geen sprake is van onevenredige aantasting van de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden.
4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen;
  • b. overige verblijfsrecreatie;
  • c. detailhandel, behoudens toegestaan krachtens artikel 4.1;
  • d. horeca, behoudens toegestaan krachtens artikel 4.1, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kamelenboerderij' de oppervlakte van het terras bij de horecavoorziening maximaal 60 m² bedraagt.
  • e. permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak, met uitzondering van containervelden;
  • f. kamerverhuur;
  • g. huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten;
  • h. woningsplitsing;
  • i. evenementen;
  • j. seksinrichtingen;
  • k. permanente bewoning van gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde;
  • l. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn;
  • m. bewerking en/of verwerking van mest, afkomstig van andere bedrijven.

Artikel 5 Agrarisch - Glastuinbouw

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Glastuinbouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een glastuinbouwbedrijf, al dan niet met als ondergeschikte nevenactiveit een grondgebonden bedrijfstak;
  • b. wonen in een bedrijfswoning
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning', wonen in een plattelandswoning;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3;
  • e. kamperen op een kleinschalig kampeerterrein overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.5;
  • f. verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.6;
  • g. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - kwekerij', detailhandel in:
    • 1. pot- en perkplanten;
    • 2. groentenplanten;
    • 3. boomkwekerijproducten;
    • 4. plantenvoeding;
    • 5. potgrond;
    • 6. potten;
    • 7. aanverwante producten;
  • h. tuinen, erven en terreinen;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen;
  • k. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, inclusief waterbassins;
  • l. tijdelijke en permanente teeltondersteunende voorzieningen indien tevens een grondgebonden bedrijfstak aanwezig is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.2.5;
  • m. paardrijbakken voor het hobbymatig houden van paarden en/of pony's;
  • n. onder voorwaarden dat ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch - glastuinbouw 1' de volgende regels gelden:
    • 1. bij een uitbreiding boven de 3 ha netto oppervlakte glas wordt aangetoond dat elders tenminste twee keer zoveel bestaand glas wordt gesloopt dan met het wijzigingsplan aan nieuwe glasopstand mogelijk wordt gemaakt;
    • 2. indien een (regionaal) fonds aanwezig is waaruit de sloop van bestaande glasopstanden wordt gefinancierd kan een bijdrage wordt gestort in dat fonds die overeenkomt met het in dat fonds afgesproken normbedrag per m2,vermenigvuldigd met twee keer de oppervlakte van de nieuwe glasopstand groter dan 3 ha netto die met het wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Op de voor 'Agrarisch - Glastuinbouw' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. een bedrijfswoning;
  • c. bijbehorende bouwwerken;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde.

5.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. per bouwvlak is maximaal één glastuinbouwbedrijf toegestaan, met dien verstande dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'relatie' gekoppeld zijn ten behoeve van één glastuinbouwbedrijf;
  • b. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd, met uitzondering van het bepaalde in artikel 5.2.5 onder b;
  • c. het bouwvlak mag geheel worden bebouwd, met dien verstande dat de bebouwing overwegend uit kassen dient te bestaan;
  • d. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.2.3, 5.2.4, 5.2.5 en 5.2.6.

5.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 8.1 en 11 meter, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte van kassen maximaal respectievelijk 6 en 8 meter bedraagt;
  • b. de voorgevel dient te worden gebouwd achter de voorgevelrooilijn;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter.

5.2.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding;
    • 3. voor de bepaling van de onder 1. en 2. genoemde maximum aantallen middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak;
  • b. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 1.000 m³;
  • d. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6,5 en 9 meter;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m²;
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter;
  • g. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • h. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd.

5.2.5 Teeltondersteunende voorzieningen

Voor het bouwen van teeltondersteunende voorzieningen gelden de volgende regels:

  • a. binnen het bouwvlak mogen worden gerealiseerd:
    • 1. permanente teeltondersteunende voorzieningen;
    • 2. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
  • b. buiten het bouwvlak mogen worden gerealiseerd:
    • 1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
    • 2. permanente teeltondersteunende voorzieningen, uitsluitend in de vorm van containervelden.

5.2.6 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter mits deze voor 90% open zijn;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
    • 4. lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt, met dien verstande dat de lichtmasten geen onevenredige hinder mogen opleveren voor de omgeving;
  • b. per bedrijfswoning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning maximaal 40 meter bedraagt.

5.2.7 Regels ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch - Glastuinbouw 1'

Ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch - Glastuinbouw 1' gelden de volgende regels:

  • a. in afwijking van lid 5.2.3 bedraagt de afstand van bedrijfsgebouwen en daarbij behorende bouwwerken tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter;
5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
5.4 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2.3 en 5.2.4 voor het bouwen van gebouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dan 5 meter, met dien verstande dat:

  • a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter bedraagt;
  • b. de ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige aantasting van de openheid tussen bebouwing en daardoor het behoud van voldoende doorzichten in het straatbeeld naar achtergelegen open agrarisch gebied en/of natuurgebied niet in gedrang komt;
  • c. aangetoond wordt dat geen sprake is van onevenredige aantasting van de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden.
5.5 Specifieke gebruiksregels
5.5.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen, behoudens:
    • 1. toegestaan krachtens 5.1;
    • 2. incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • b. overige verblijfsrecreatie;
  • c. detailhandel, behoudens toegestaan krachtens artikel 5.1;
  • d. horeca;
  • e. huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten;
  • f. permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak, met uitzondering van containervelden;
  • g. kamerverhuur;
  • h. woningsplitsing;
  • i. evenementen;
  • j. seksinrichtingen;
  • k. permanente bewoning van gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde en kampeermiddelen.
  • l. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn.
5.6 Wijzigingsbevoegdheid
5.6.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de in dit artikel onder 5.6.2 en 5.6.3 genoemde ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden;
  • b. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • c. voorzieningen worden getroffen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en voorzieningen en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie.
5.6.2 Vergroting bouwvlak ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen ten behoeve van de vergroting van een bouwvlak binnen een bestaand bestemmingsvlak voor een glastuinbouwbedrijf, met dien verstande dat:

  • a. het bouwvlak binnen het bestemmingsvlak mag worden uitgebreid tot een neto oppervlakte glas van maximaal 3 ha;
  • b. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • c. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  • d. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduidingen 'bos en natuur', 'kernrandzone', 'rivierdal' en 'open agrarisch gebied';
  • e. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied' uitsluitend is toegestaan, mits:
    • 1. de kleinschaligheid van het landschap niet wordt aangetast
    • 2. de uitbreiding past binnen de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden;
  • f. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingslint' uitsluitend is toegestaan mits de doorzichten in het lint naar het achtergelegen gebied niet onevenredig worden aangetast;
  • g. aangetoond wordt dat elders tenminste twee keer zoveel bestaand glas wordt gesloopt dan met het wijzigingsplan aan nieuwe glasopstand mogelijk wordt gemaakt;
  • h. indien een (regionaal) fonds aanwezig is waaruit de sloop van bestaande glasopstanden wordt gefinancierd kan, in afwijking van het bepaalde onder g. een bijdrage wordt gestort in dat fonds die overeenkomt met het in dat fonds afgesproken normbedrag per m2, vermenigvuldigd met twee keer de oppervlakte van de nieuwe glasopstand die met het wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt.
5.6.3 Omschakeling naar grondgebonden agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in:

mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • b. er sprake is van een volwaardig (agrarisch) bedrijf;
  • c. de bestemming niet wordt gewijzigd ten behoeve van de vestiging van een grondgebonden veehouderij;
  • d. uitsluitend het deel van het perceel met de voor het grondgebonden bedrijf benodigde bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende bedrijfswoning en bijbehorend erf/tuin mag worden gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden', met dien verstande dat de totale oppervlakte van het bouwvlak na wijziging maximaal 1,5 ha bedraagt. De resterende grond moet gelijktijdig worden gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden';
  • e. er dient verzekerd te zijn dat de aanwezige kassen worden gesloopt;
  • f. de aanduiding aantal toegestane bedrijfswoningen mag niet worden gewijzigd;
  • g. een containerveld is toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. daardoor de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;
    • 2. in het betreffende gedeelte van het bestemmingsvlak de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - containerveld' wordt opgenomen;
  • h. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 6.

Artikel 6 Agrarisch - Grondgebonden

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Grondgebonden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een overwegend grondgebonden bedrijf,
  • b. wonen in een bedrijfswoning;
  • c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij', een grondgebonden veehouderij;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'hovenier', een hoveniersbedrijf;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek', tevens voor het behoud en/of herstel van karakteristieke bebouwing;
  • f. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - tijdelijke huisvesting tijdelijke arbeidskrachten', tijdelijke huisvesting van maximaal 20 tijdelijke arbeidskrachten, uitsluitend voor medewerkers van het eigen bedrijf';
  • g. ter plaatse van de aanduidin 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - museum landbouwvoertuigen', een museum met oude landbouwvoer- en werktuigen.
  • h. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderij', een gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderij';
  • i. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - tijdelijke huisvesting tijdelijke arbeidskrachten', tijdelijke huisvesting van maximaal 20 tijdelijke arbeidskrachten;
  • j. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - monument', tevens voor het behoud en/of herstel van de monumentale waarde van bebouwing;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bakkershof':
    • 1. productie van brood- en banket;
    • 2. verkoop van bakkerijproducten (ter plaatse en via internet) en van ter plaatse vervaardigd brood en banket;
    • 3. horeca van categorie 1en 2;
    • 4. een terras;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'bed en breakfast' een bed en breakfast';
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - vrachtwagenstalling', een vrachtwagenstalling;
  • n. ter plaatse van de aanduiding 'zonneweide' een zonneweide', met dien verstande dat de aanduiding per 1 januari 2049 vervalt;
  • o. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - ijssalon', een ijssalon/koffieruimte met terras;
  • p. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie', een groepsaccommodatie;
  • q. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning', wonen in een plattelandswoning;
  • r. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderij 1' een gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderij voor maximaal 24 paarden;
  • s. binnen de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderij 1' worden in de nieuw op te richten bebouwing maximaal 2 inpandige longstay-appartementen toegestaan voor het verblijf van grooms en/of stagiaires bij de paardenhouderij met dien verstande dat:
    • 1. de longstay- appartementen noodzakelijk zijn ten behoeve van een doelmatig gebruik van de bestemming;
    • 2. de appartementen het gehele jaar gebruikt mogen worden;
    • 3. de oppervlakte per appartement bedraagt niet meer dan 55 m2;
    • 4. het wijzigen van een longstay-appartement naar een bedrijfswoning niet is toegestaan;
    • 5. uitsluitend huisvesting betreft van grooms en/of stagiaires;

met daaraan ondergeschikt:

  • t. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3;
  • u. het gebruik van bestaande gebouwen als caravanstalling overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.4;
  • v. kamperen op een kleinschalig kampeerterrein, overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.5;
  • w. verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.6;
  • x. een agrarisch loonbedrijf
  • y. ter oplaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderij', tevens een gebruiksgerichte en productiegerichte paardenhouderij;
  • z. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - boerderijwinkel', een boerderijwinkel;
  • aa. een terras ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - ijssalon', met dien verstande dat de oppervlakte daarvan maximaal 200 m² mag bedragen.
  • ab. tuinen, erven en terreinen;
  • ac. groenvoorzieningen;
  • ad. paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen;
  • ae. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, inclusief waterbassins;
  • af. permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en ondersteunend glas, overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.2.5;
  • ag. paardrijbakken voor het hobbymatig houden van paarden en/of pony's;
  • ah. be- en/of verwerken van mest, afkomstig van het eigen agrarisch bedrijf.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen

Op de voor 'Agrarisch - Grondgebonden' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 6.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. een bedrijfswoning;
  • c. bijbehorende bouwwerken;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde,

met dien verstande dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' uitsluitend wordt verleend nadat is aangetoond dat door het verlenen van die vergunning geen significant nadelige gevolgen zullen optreden op Natura 2000 gebieden.

6.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. per bouwvlak is maximaal één grondgebonden bedrijf toegestaan, met dien verstande dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'relatie' gekoppeld zijn ten behoeve van één grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • b. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd, met uitzondering van:
    • 1. het bepaalde in artikel 6.2.5 onder b;
    • 2. verhardingen in de vorm van voederplaten;
  • c. het bouwvlak mag geheel worden bebouwd;
  • d. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 6.2.3, 6.2.4, 6.2.5 en 6.2.6.

6.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en daarbij horende bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 6 en 11 meter, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte van ondersteunend glas maximaal respectievelijk 6 en 8 meter bedraagt;
  • b. de voorgevel dient te worden gebouwd achter de voorgevelrooilijn;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter.

6.2.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding;
    • 3. voor de bepaling van de onder 1. en 2. genoemde maximum aantallen middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak;
  • b. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 1.000 m³;
  • d. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6,5 en 9 meter;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m²;
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter;
  • g. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • h. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd.

6.2.5 Teeltondersteunende voorzieningen

Voor het bouwen van teeltondersteunende voorzieningen gelden de volgende regels:

  • a. binnen het bouwvlak mogen worden gerealiseerd:
    • 1. permanente teeltondersteunende voorzieningen;
    • 2. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
    • 3. ondersteunend glas;
  • b. buiten het bouwvlak mogen worden gerealiseerd:
    • 1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
    • 2. permanente teeltondersteunende voorzieningen, uitsluitend in de vorm van containervelden.

6.2.6 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor 90% open zijn;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
    • 4. lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt, met dien verstande dat de lichtmasten geen onevenredige hinder mogen opleveren voor de omgeving;
  • b. per bedrijfswoning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning maximaal 40 meter bedraagt.
6.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de
bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
6.4 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6.2.3 en 6.2.4 voor het bouwen van gebouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dan 5 meter, met dien verstande dat:

  • a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter bedraagt;
  • b. de ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige aantasting van de openheid tussen bebouwing en daardoor het behoud van voldoende doorzichten in het straatbeeld naar achtergelegen open agrarisch gebied en/of natuurgebied niet in gedrang komt;
  • c. aangetoond wordt dat geen sprake is van onevenredige aantasting van de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden.
6.5 Specifieke gebruiksregels
6.5.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen, behoudens:
    • 1. toegestaan krachtens artikel 6.1;
    • 2. incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • b. overige verblijfsrecreatie;
  • c. detailhandel, behoudens toegestaan krachtens artikel 6.1;
  • d. horeca, behoudens toegestaan krachtens artikel 6.1, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - ijssalon':
      • de ijssalon in de wintermaanden mag worden gebruikt voor feesten, vergaderingen of het geven van cursussen;
      • de bedrijfsvloeroppervlakte die wordt gebruikt ten behoeve van de ijssalon/kofieruimte maximaal 125 m2 bedraagt;
      • de oppervlakte van het terras bij de ijssalon/koffieruimte maximaal 200 m2 bedraagt;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - bakkershof':
      • de oppervlakte van de voor horeca gebruikte gebouwen maximaal 50 m² bedraagt;
      • de oppervlakte van het terras bij de horecavoorziening maximaal 50 m² bedraagt.
  • e. permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak, met uitzondering van containervelden;
  • f. kamerverhuur;
  • g. huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - tijdelijke huisvesting tijdelijke arbeidskrachten;
  • h. woningsplitsing;
  • i. evenementen;
  • j. seksinrichtingen;
  • k. permanente bewoning van gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde en kampeermiddelen;
  • l. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn;
  • m. bewerking en/of verwerking van mest, afkomstig van andere bedrijven.
6.6 Wijzigingsbevoegdheid
6.6.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de in dit artikel genoemde ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden;
  • b. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelelegen gronden en bebouwing;
  • c. voorzieningen worden getroffen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en voorzieningen en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie.

6.6.2 Vergroting bouwvlak ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen ten behoeve van de vergroting van een bouwvlak binnen een bestemmingsvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • b. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  • c. de bestemming niet wordt gewijzigd ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij', tenzij in het wijzigingsplan de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' wordt beperkt tot de bestaande gronden en gebouwen die voor de grondgebonden veehouderijtak worden gebruikt en het wijzigingsplan dus alleen betrekking heeft uitbreiding van de overige grondgebonden bedrijfsactiviteiten, niet zijnde de grondgebonden veehouderijtak;
  • d. het bouwvlak binnen het bestemmingsvlak mag worden uitgebreid tot maximaal 1,5 ha;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder c. het bouwvlak mag worden vergroot tot maximaal 2,5 ha., mits een aanvullende kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd;
  • f. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingslint' uitsluitend is toegestaan mits de doorzichten naar het achterliggend gebied niet onevenredig worden aangetast;
  • g. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bos en natuur' of 'rivierdal';
  • h. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'beekdal' uitsluitend is toegestaan, mits de kleinschaligheid van het landschap niet wordt aangetast;
  • i. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied' uitsluitend is toegestaan mits de openheid van het landschap daardoor niet onevenredig wordt aangetast;
  • j. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied' uitsluitend is toegestaan, mits de uitbreiding past binnen de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden.

Artikel 7 Agrarisch - Intensieve veehouderij

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Intensieve veehouderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een intensieve veehouderij, al dan niet met als ondergeschikte nevenactiviteit een grondgebonden bedrijfstak;
  • b. wonen in een bedrijfswoning;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning', wonen in een plattelandswoning;
  • d. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - monument', tevens voor het behoud en/of herstel van de monumentale waarde van bebouwing;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3;
  • f. het gebruik van bestaande gebouwen als caravanstalling overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.4;
  • g. kamperen op een kleinschalig kampeerterreinen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.5;
  • h. verkoop van zelfvoortgebrachte en/of streekeigen producten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.6;
  • i. tuinen, erven en terreinen;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen;
  • l. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, inclusief waterbassins;
  • m. permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en ondersteunend glas, indien tevens een grondgebonden bedrijfstak aanwezig is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.2.5;
  • n. paardrijbakken voor het hobbymatig houden van paarden en/of pony's;
  • o. be- en/of verwerken van mest, afkomstig van het eigen agrarisch bedrijf;
  • p. werken, geen bouwwerk zijnde ten behoeve van de veehouderij, zoals mestsilo's, sleufsilo's en mestbassins.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Op de voor 'Agrarisch - Intensieve veehouderij' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in lid 7.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. een bedrijfswoning;
  • c. bijbehorende bouwwerken;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde;

met dien verstande dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsgebouwen uitsluitend wordt verleend nadat is aangetoond dat door het verlenen van die vergunning geen significant nadelige gevolgen zullen optreden op Natura 2000 gebieden.

7.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. per bouwvlak is maximaal één intensieve veehouderij toegestaan, met dien verstande dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'relatie' gekoppeld zijn ten behoeve van één intensieve veehouderij;
  • b. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd, met uitzondering van:
    • 1. het bepaalde in artikel 7.2.5 onder b;
    • 2. verhardingen in de vorm van voederplaten;
  • c. het bouwvlak mag geheel worden bebouwd;
  • d. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 7.2.3, 7.2.4, 7.2.5 en 7.2.6.

7.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en daarbij horende bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 6 en 11 meter, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte van ondersteunend glas indien tevens een grondgebonden bedrijfstak aanwezig is maximaal respectievelijk 6 en 8 meter bedraagt;
  • b. de voorgeveldient te worden gebouwd achter de voorgevelrooilijn;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter.

7.2.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding;
    • 3. voor de bepaling van de onder 1. en 2. genoemde maximum aantallen middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak;
  • b. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 1.000 m³;
  • d. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6,5 en 9 meter;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m²;
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter;
  • g. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • h. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd.

7.2.5 Teeltondersteunende voorzieningen

Voor het bouwen van teeltondersteunende voorzieningen indien tevens een grondgebonden bedrijfstak aanwezig is gelden de volgende regels:

  • a. binnen het bouwvlak mogen worden gerealiseerd:
    • 1. permanente teeltondersteunende voorzieningen;
    • 2. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
    • 3. ondersteunend glas
  • b. buiten het bouwvlak mogen worden gerealiseerd:
    • 1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
    • 2. permanente teeltondersteunende voorzieningen, uitsluitend in de vorm van containervelden.

7.2.6 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter indien deze voor 90% open zijn:
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
    • 4. lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt, met dien verstande dat de lichtmasten geen onevenredige hinder mogen opleveren voor de omgeving;
  • b. per bedrijfswoning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning maximaal 40 meter bedraagt.
7.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
7.4 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.2.3 en 7.2.4 voor het bouwen van gebouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dan 5 meter, met dien verstande dat:

  • a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter bedraagt;
  • b. de ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige aantasting van de openheid tussen bebouwing en daardoor het behoud van voldoende doorzichten in het straatbeeld naar achtergelegen open agrarisch gebied en/of natuurgebied niet in gedrang komt;
  • c. aangetoond wordt dat geen sprake is van onevenredige aantasting van de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
7.5 Specifieke gebruiksregels
7.5.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen, behoudens:
    • 1. toegestaan krachtens artikel 7.1;
    • 2. incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • b. detailhandel, behoudens toegestaan krachtens artikel 7.1;
  • c. overige verblijfsrecreatie;
  • d. horeca;
  • e. intensieve veehouderij op de verdieping;
  • f. huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten;
  • g. permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak, met uitzondering van containervelden;
  • h. kamerverhuur;
  • i. woningsplitsing;
  • j. evenementen;
  • k. seksinrichtingen;
  • l. permanente bewoning van gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde en kampeermiddelen.
  • m. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn;
  • n. bewerking en/of verwerking van mest, afkomstig van andere bedrijven.

7.5.2 Situering functies

Een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan op de begane grond van gebouwen.

7.5.3 Verbod geitenhouderij
  • a. Verboden is:
    • 1. het (opnieuw) oprichten van een geitenhouderij;
    • 2. het uitbreiden van een bestaande geitenhouderij.
  • b. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een inrichting waar minder dan 10 geitenworden gehouden of na wijziging minder dan 10 geiten worden gehouden.
  • c. Dit verbod is niet van toepassing voor zover voor die activiteit voorafgaand aan 20 december 2018:
    • 1. een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer bij het bevoegd gezag is ingediend, of
    • 2. door het bevoegd gezag een omgevingsvergunning is verleend of een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd.
7.6 Wijzigingsbevoegdheid
7.6.1 Omschakeling naar grondgebonden agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in:

met dien verstande dat:

  • c. de noodzaak voor een doelmatige (agrarische) bedrijfsvoering is aangetoond;
  • d. er sprake is van een volwaardig (agrarisch) bedrijf;
  • e. de bestemming niet wordt gewijzigd ten behoeve van de vestiging van een grondgebonden veehouderij;
  • f. uitsluitend het deel van het perceel met de voor het bedrijf benodigde bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende bedrijfswoning en bijbehorend erf/tuin mag worden gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden', met dien verstande dat de totale oppervlakte van het bestemmingsvlak na wijziging maximaal 1,5 ha mag bedragen. De resterende grond moet gelijktijdig worden gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch' en/of in de bestemming 'Agrarisch met waarden';
  • g. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 6 of artikel 9.

Artikel 8 Agrarisch - Niet grondgebonden

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Niet grondgebonden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarische bedrijfsmatig gebruik in de vorm van een productiegerichte paardenhouderij, al dan niet met als ondergeschikte nevenactiviteit:
    • 1. een grondgebonden bedrijfstak;
    • 2. een gebruiksgerichte paardenhouderij;
  • b. wonen in een bedrijfswoning;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning', wonen in een plattelandswoning;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis, overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3;
  • e. het gebruik van bestaande gebouwen als caravanstalling overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.4;
  • f. kamperen op een kleinschalig kampeerterrein, overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.5;
  • g. verkoop van zelfvoortgebrachte en/of streekeigen producten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.6;
  • h. een recreatiewoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning';
  • i. een boerderijwinkel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - boerderijwinkel';
  • j. tuinen, erven en terreinen;
  • k. groenvoorzieningen;
  • l. paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen;
  • m. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, inclusief waterbassins;
  • n. permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en ondersteunend glas, indien tevens een grondgebonden bedrijfstak aanwezig is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.2.5;
  • o. be- en/of verwerken van mest, afkomstig van het eigen agrarisch bedrijf;
  • p. paardrijbakken.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Algemeen

Op de voor 'Agrarisch - Niet grondgebonden' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 8.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. een bedrijfswoning;
  • c. bijbehorende bouwwerken;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde;

met dien verstande dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsgebouwen uitsluitend wordt verleend nadat is aangetoond dat door het verlenen van die vergunning geen significant nadelige gevolgen zullen optreden op Natura 2000 gebieden.

8.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. per bouwvlak is maximaal één niet grondgebonden bedrijf toegestaan, met dien verstande dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'relatie' gekoppeld zijn ten behoeve van één niet grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • b. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd, met uitzondering van:
    • 1. het bepaalde in artikel 8.2.5 onder b;
    • 2. verhardingen in de vorm van voederplaten;
  • c. het bouwvlak mag geheel worden bebouwd;
  • d. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 8.2.3, 8.2.4, 8.2.5 en 8.2.6.

8.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en daarbij horende bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 6 en 11 meter, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte van ondersteunend glas indien tevens een grondgebonden bedrijfstak aanwezig is maximaal respectievelijk 6 en 8 meter bedraagt;
  • b. de voorgevel dient te worden gebouwd achter de voorgevellijn;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter.

8.2.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding;
    • 3. voor de bepaling van de onder 1. en 2. genoemde maximum aantallen middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak;
  • b. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 1.000 m³;
  • d. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6,5 en 9 meter;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m²;
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,l5 meter en 6 meter;
  • g. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • h. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd.
8.2.5 Teeltondersteunende voorzieningen

Voor het bouwen van teeltondersteunende voorzieningen indien tevens een grondgebonden bedrijfstak aanwezig is gelden de volgende regels:

  • a. binnen het bouwvlak mogen worden gerealiseerd:
    • 1. permanente teeltondersteunende voorzieningen;
    • 2. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
    • 3. ondersteunend glas;
  • b. buiten het bouwvlak mogen worden gerealiseerd:
    • 1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
    • 2. permanente teeltondersteunende voorzieningen, uitsluitend in de vorm van containervelden.
8.2.6 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter mits deze voor 90% open zijn;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
    • 4. lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt, met dien verstande dat de lichtmasten geen onevenredige hinder mogen opleveren voor de omgeving;
  • b. per bedrijfswoning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning maximaal 40 meter bedraagt.
8.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
8.4 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8.2.3 en 8.2.4 voor het bouwen van gebouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dan 5 meter, met dien verstande dat:

  • a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter bedraagt;
  • b. de ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige aantasting van de openheid tussen bebouwing en daardoor het behoud van voldoende doorzichten in het straatbeeld naar achtergelegen open agrarisch gebied en/of natuurgebied niet in gedrang komt;
  • c. aangetoond wordt dat geen sprake is van onevenredige aantasting van de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden.
8.5 Specifieke gebruiksregels
8.5.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen, behoudens:
    • 1. toegestaan krachtens artikel 8.1;
    • 2. incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • b. overige verblijfsrecreatie;
  • c. detailhandel, behoudens toegestaan krachtens artikel 8.1;
  • d. horeca;
  • e. permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak, met uitzondering van containervelden;
  • f. kamerverhuur;
  • g. woningsplitsing;
  • h. huisvesting van arbeidskrachten;
  • i. nieuwvestiging van een intensieve veehouderij;
  • j. evenementen;
  • k. seksinrichtingen;
  • l. permanente bewoning van gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde en kampeermiddelen;
  • m. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn;
  • n. bewerking en/of verwerking van mest, afkomstig van andere bedrijven.
8.6 Wijzigingsbevoegdheid
8.6.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de in dit artikel genoemde ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden;
  • b. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • c. voorzieningen worden getroffen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en voorzieningen en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie.
8.6.2 Omschakeling naar grondgebonden agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in:

mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • b. er sprake is van een volwaardig (agrarisch) bedrijf;
  • c. de bestemming niet wordt gewijzigd ten behoeve van de vestiging van een grondgebonden veehouderij;
  • d. uitsluitend het deel van het perceel met de voor het grondgebonden bedrijf benodigde bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende bedrijfswoning en bijbehorend erf/tuin mag worden gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden', met dien verstande dat de totale oppervlakte van het bouwvlak na wijziging maximaal 1,5 ha bedraagt. De resterende grond moet gelijktijdig worden gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden';
  • e. een containerveld is toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. daardoor de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;
    • 2. in het betreffende gedeelte van het bestemmingsvlak de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - containerveld' wordt opgenomen;
  • f. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 6 of artikel 9.

Artikel 9 Agrarisch - Paardenhouderij

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Paardenhouderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een gebruiksgerichte paardenhouderij, al dan niet met een neventak productiegebonden paardenhouderij;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - stalling boten en caravans', stalling van boten en caravans, mits deze voorzien is van een adequate afschermende (boom)beplanting;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - stalling boten en caravans te vervallen' vervalt de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - stalling boten';
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning', wonen in een plattelandswoning;
  • e. wonen in een bedrijfswoning;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3;
  • g. het gebruik van bestaande gebouwen als caravanstalling overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.4;
  • h. kamperen op een kleinschalig kampeerterrein, overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.5;
  • i. verkoop van zelfvoortgebrachte en/of streekeigen producten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.6;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'bed en breakfast', een bed en breakfast voor maximaal 8 personen in maximaal 4 kamers;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kapsalon' een kapsalon;
  • l. tuinen, erven en terreinen;
  • m. groenvoorzieningen;
  • n. paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen;
  • o. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • p. be- en/of verwerken van mest, afkomstig van het eigen bedrijf;
  • q. paardrijbakken.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Algemeen

Op de voor 'Agrarisch - Paardenhouderij' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 9.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. een bedrijfswoning;
  • c. bijbehorende bouwwerken;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde;

met dien verstande dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsgebouwen uitsluitend wordt verleend nadat is aangetoond dat door het verlenen van die vergunning geen significant nadelige gevolgen zullen optreden op Natura 2000 gebieden, en ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch - Paardenhouderij 1' wordt voldaan aan de wettelijk minimale afstanden tussen dierenverblijven en mestopslag met geurgevoelige objecten.

9.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. per bouwvlak is maximaal één paardenhouderij toegestaan, met dien verstande dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'relatie' gekoppeld zijn ten behoeve van één paardenhouderij;
  • b. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van verhardingen in de vorm van voederplaten;
  • c. het bouwvlak mag geheel worden bebouwd;
  • d. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 9.2.3, 9.2.4, en 9.2.5.

9.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en daarbij horende bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 6 en 11 meter;
  • b. de voorgevel dient te worden gebouwd achter de voorgevelrooilijn;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch - Paardenhouderij 1', minimaal 5 meter.

9.2.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding;
    • 3. voor de bepaling van de onder 1. en 2. genoemde maximum aantallen middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak;
  • b. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 1.000 m³;
  • d. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6 en 9 meter;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m²;
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter;
  • g. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • h. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd.

9.2.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor 90% open is;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
    • 4. lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt, met dien verstande dat de lichtmasten geen onevenredige hinder mogen opleveren voor de omgeving;
  • b. per bedrijfswoning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning maximaal 40 meter bedraagt.
9.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
9.4 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9.2.3 en 9.2.4 voor het bouwen van gebouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dan 5 meter, met dien verstande dat:

  • a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter bedraagt;
  • b. de ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige aantasting van de openheid tussen bebouwing en daardoor het behoud van voldoende doorzichten in het straatbeeld naar achtergelegen open agrarisch gebied en/of natuurgebied niet in gedrang komt;
  • c. aangetoond wordt dat geen sprake is van onevenredige aantasting van de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden.
9.5 Specifieke gebruiksregels
9.5.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen, behoudens:
    • 1. toegestaan krachtens artikel 9.1;
    • 2. incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • b. overige verblijfsrecreatie;
  • c. detailhandel, behoudens toegestaan krachtens artikel 9.1;
  • d. horeca;
  • e. kamerverhuur;
  • f. huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten;
  • g. woningsplitsing;
  • h. evenementen;
  • i. seksinrichtingen;
  • j. permanente bewoning van gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde en kampeermiddelen;
  • k. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn;
  • l. bewerking en/of verwerking van mest, afkomstig van andere bedrijven;
  • m. mantelzorg, ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch - Paardenhouderij 1';
  • n. het gebruik van gronden en/of bouwwerken als dierenverblijf voor zover niet wordt voldaan aan de wettelijke minimale afstand tussen een dierenverblijf en geurgevoelige objecten die niet tot het bedrijf behoren ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch - Paardenhouderij 1';
  • o. het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor mestopslag voor zover niet wordt voldaan aan de wettelijke minimale afstand tussen een dierenverblijf en geurgevoelige objecten die niet tot het bedrijf behoren ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch - Paardenhouderij 1'.

Artikel 10 Agrarisch met waarden

10.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik;
  • b. agrarisch hobbymatig gebruik;
  • c. behoud, ontwikkeling en versterking van:
    • 1. de aanwezige landschappelijke waarden;
    • 2. de aanwezige cultuurhistorische waarden;
    • 3. bestaande natuurwaarden, al dan niet in combinatie met agrarisch gebruik;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek', tevens voor het behoud en/of herstel van een veldkruis;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen en bosschages;
  • f. voorzieningen van openbaar nut;
  • g. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. bestaande paden, verkeers- en ontsluitingsvoorzieningen, verhardingen, parkeervoorzieningen en in- en uitritten;
  • j. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder overkluizingen ten behoeve van bestaande watergangen ;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - picknickplaats' een picknickplaats en halfverhardingen ten behoeve van het parkeren;
  • l. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kleindierensportvereniging', een dierenparkje voor kleindieren;
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'zonneweide' een zonneweide', met dien verstande dat de aanduiding per 1 januari 2049 vervalt;
  • n. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' een bijgebouw;
  • o. bestaande paardrijbaken;
  • p. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur' een veldschuur met dien verstande dat het gebouw en het gebruik hiervan uitsluitend is toegestaan als bijgebouw van de tegenovergelegen woning aan de Bakheide 6, zoals vastgelegd middels de figuur 'relatielijn';
  • q. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone groene buffer' een groene buffer';
  • r. ter plaatse van de aanduiding 'specifiek vorm van groen - landgoed' een landgoed'.

B. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - Keulseweg - De Beuckelen te vervallen' vervalt de functieaanduiding 'specifieke vorm va agrarisch - Keulseweg - De Beuckelen'

10.2 Bouwregels
10.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van;

  • a. een bijgebouw ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' met een maximale oppervlakte van 5 m2 en een maximale bouwhoogte van 2,5 meter;
  • b. een veldschuur ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur' met een maximale oppervlakte van 100 m2 en een maximale bouwhoogte van 4 meter;
  • c. hoogzitten, mits voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 10.2.3;
  • d. een zonnepanelen installatie met een maximale oppervlakte van 110 m2 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - zonneweide'.

10.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. ondergeschikte bouwwerken, zoals afrasteringen met een hoogte van maximaal 1 meter en eenvoudige recreatief ondersteunende voorzieningen zoals wegwijzers, informatieborden, zitbanken, vogelkijkwanden en uitkijkvoorzieningen voor natuurvorsing;
  • b. nutsvoorzieningen waarvan de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt;
  • c. lichtmasten en omheiningen behorende bij paardrijbakken, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van de lichtmasten maximaal 8 meter mag bedragen;
    • 2. de lichtmasten geen onevenredige hinder mogen opleveren voor de omgeving;
    • 3. de paardrijbak mag worden omheind door een open afscheiding met een bouwhoogte van maximaal 1,50 meter;
    • 4. de voorzieningen uitsluitend zijn toegestaan bij:
      • bestaande paardrijbakken;
      • nieuwe paardrijbakken, uitsluitend hiervoor tevens de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.6.2 is of wordt verleend;
  • d. hoogzitten, mits wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 10.2.3;

10.2.3 Hoogzitten

Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden is het plaatsen van hoogzitten ten behoeve van het observeren en jagen op wilde dieren toegestaan, met dien verstande dat:

  • a. geen hoogzitten mogen worden geplaatst ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gebied waar hoogzitten niet zijn toegestaan';
  • b. de hoogzit wordt ingepast in het landschap door gebruik te maken van bedekte kleuren (groen en/of bruin);
  • c. de oppervlakte van de aanzitruimte maximaal 8 m² bedraagt;
  • d. de bouwhoogte maximaal 6 m bedraagt'.
  • e. binnen 100 meter van een woning mag op basis van privacy- en veiligheidsoverwegingen geen hoogzit worden geplaatst;
  • f. tussen 100 en 200 meter van een woning mag op basis van privacy- en veiligheidsoverwegingen enkel een hoogzit worden geplaatst na toestemming van de betreffende woningeigen(a)ar(en).
10.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats, de afmetingen en de verschijningsvorm van de bebouwing en de inrichting van gronden en opstallen:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. in verband met de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing;
  • d. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing en/of verharding.
10.4 Afwijken van de bouwregels
10.4.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van de in dit lid genoemde ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden;
  • b. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;

10.4.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van schuilgelegenheden

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.2.1 ten behoeve van het bouwen van schuilgelegenheden, met dien verstande dat:

  • a. bij direct aaneenliggende (aan elkaar grenzende en in eigendom zijnde) kadastrale percelen met een minimale oppervlakte van:
    • 1. 1 hectare maximaal één schuilgelegenheid voor het bedrijfsmatig houden van dieren wordt gebouwd, met dien verstande dat per agrarisch bedrijf maximaal twee schuilgelegenheden worden gebouwd;
    • 2. 0,5 hectare maximaal één schuilgelegenheid voor het hobbymatig houden van dieren wordt gebouwd;
  • b. de goot- en bouwhoogte maximaal respectievelijk 3 en 5 meter bedraagt;
  • c. de oppervlakte van een schuilgelegenheid maximaal bedraagt:
    • 1. 25 m² bij een kadastraal perceel met een oppervlakte van 0,5 hectare tot 1 hectare;
    • 2. 40 m² bij een kadastraal perceel met een oppervlakte groter dan 1 hectare;
  • d. de noodzaak van de schuilgelegenheid uit oogpunt van dierenwelzijn is aangetoond;
  • e. de schuilgelegenheid uitsluitend wordt gebruikt voor het stallen van dieren. Gebruik voor opslag is niet toegestaan;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied' uitsluitend schuilgelegenheden zijn toegestaan voor het bedrijfsmatig houden van dieren. Schuilgelegenheden voor het hobbymatig houden van dieren zijn niet toegestaan;
  • g. de schuilgelegenheid inpasbaar is ten opzichte van de ter plaatse aanwezige natuurlijke, landschappelijke, abiotische, archeologische en/of cultuurhistorische waarde van de gronden;
  • h. de schuilgelegenheid landschappelijk wordt ingepast met gebiedseigen beplanting;
  • i. de schuilgelegenheid zoveel mogelijk wordt gesitueerd in de nabijheid van bestaande massa-elementen, zoals gebouwen of opgaande beplanting;
  • j. de schuilgelegenheid wordt gebouwd van duurzaam, in de landelijke omgeving passend materiaal, zoals hout en baksteen;
  • k. een perceelsafscheiding op het perceel waarop de schuilgelegenheid wordt gebouwd dient te worden gebouwd met natuurlijk materiaalgebruik, toepassing van kleuren passend in de omgeving en met een open en natuurlijke uitstraling, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'kernrandzone' ook andere erfafscheidingen kunnen worden toegestaan.

10.4.3 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van een voederberging of voederruif

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.2 ten behoeve van het bouwen van een voederberging of voederruif voor de instandhouding van het wild, met dien verstande dat:

  • a. de inhoud van de voederberging of voederruif maximaal 3 m³ bedraagt;
  • b. de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt.

10.4.4 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.2 ten behoeve van het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte maximaal 4 meter mag bedragen;
  • b. de voorzieningen niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'beekdal', 'bos en natuur', 'recreatieve ontwikkelingszone' en 'rivierdal';
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied' uitsluitend tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, mits wordt aangetoond dat daardoor de karakteristieke openheid van het gebied niet onevenredig wordt aangetast;
  • d. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;
  • e. de voorzieningen landschappelijk worden ingepast. Hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de omgevingsvergunning wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en voorzieningen is beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie;
  • f. de landschappelijke inpassing van hagelnetten eruit bestaat dat deze niet mogen doorlopen tot aan de grond aan de randen van de percelen waarop de hagelnetten worden geplaatst. In dat geval is inwinning van advies bij de kwaliteitscommissie niet vereist;
  • g. de voorzieningen dienen te worden opgeruimd en verwijderd binnen 10 dagen na afloop van de (teelt)periode waarvoor deze nodig zijn, met dien verstande dat deze verplichting bij het gebruik van regenkappen alleen geldt voor de folie en niet voor de constructie.

10.4.5 Afwijking ten behoeve van afrasteringen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.2.2 ten behoeve van het bouwen van afrasteringen, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak wordt aangetoond in het belang van het houden van dieren of in het belang van het voorkomen van wildschade;
  • b. de bouwhoogte maximaal1,80 m bedraagt.
  • c. aangetoond wordt dat wordt voldaan aan de 'Beleidsregel afrasteringen in het buitengebied', met dien verstande dat, indien deze beleidsregel wordt gewijzigd, rekening gehouden wordt met die wijziging.
10.5 Specifieke gebruiksregels
10.5.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen, behoudens incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • b. detailhandel;
  • c. paardrijbakken, behoudens bestaande paardrijbakken als bedoeld in artikel 10.1;
  • d. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens en materialen;
  • e. het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
  • f. evenementen;
  • g. het aanwezig hebben van afdekfolie die is of wordt gebruikt voor het telen van gewassen, indien die voorziening niet binnen 10 dagen na afloop van de (teelt)periode waarvoor deze nodig is, wordt opgeruimd en verwijderd;
  • h. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken, behoudens het bepaalde onder g;
  • i. (buiten)opslag, waaronder de opslag van mest(stoffen), behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik;
  • j. schuilgelegenheid voor het bedrijfsmatig en/of hobbymatig houden van dieren, indien een perceelsafscheiding zoals bedoeld in artikel 10.4.2 onder k. niet is gerealiseerd en in stand wordt gehouden overeenkomstig de daarbij genoemde kwaliteitseisen;
  • k. permanente bewoning van kampeermiddelen.
10.6 Afwijken van de gebruiksregels
10.6.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van de in dit lid genoemde ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de verkeersveiligheid;
    • 2. het woon- en leefklimaat;
    • 3. de milieusituatie;
    • 4. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • b. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden en/of stiltegebieden;

10.6.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van een paardrijbak

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.5.1 ten behoeve van de inrichting en het gebruik van gronden als paardrijbak, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak voor realisering van de rijbak wordt aangetoond;
  • b. de paardrijbak uitsluitend mag worden gerealiseerd aansluitend aan een bestemmingsvlak waarbinnen volgens de daarbij horende regels een paardrijbak is toegestaan;
  • c. de eigenaar/gebruiker van de paardrijbak tevens de eigenaar/gebruiker dient te zijn van het aangrenzende bestemmings-/bouwvlak;
  • d. aangetoond moet worden dat binnen het bestemingsvlak volgens de onder b. bedoelde bestemmingen geen reële mogelijkheden zijn voor realisering van een paardrijbak;
  • e. de oppervlakte -inclusief de oppervlakte van (het deel van) de paardrijbak binnen het aangrenzende bestemmingsvlak als bedoeld onder b- maximaal 20 x 40 m bedraagt.

10.6.3 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.5.1 voor het gebruik van gronden als kleinschalig kampeerterrein, met dien verstande dat:

  • a. het kampeerterrein uitsluitend wordt gerealiseerd direct aansluitend aan een bestemmingsvlak volgens de bestemmingen 'Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Agrarisch - Intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Niet grondgebonden' of 'Agrarisch - Paardenhouderij';
  • b. aangetoond moet worden dat binnen het agrarisch bestemmingsvlak geen reële mogelijkheden zijn voor realisering van het kampeerterrein;
  • c. het totaal aantal kampeermiddelen op het kampeerterrein inclusief het deel binnen het agrarisch bestemmingsvlak maximaal 15 bedraagt, met dien verstande dat stacaravans, chalets of trekkershutten niet zijn toegestaan;
  • d. er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is met afschermende randbeplanting zoals genoemde onder e.;
  • e. het kampeerterrein voldoende landschappelijk wordt ingepast door afschermende randbeplanting:
    • 1. met landschappelijk karakter;
    • 2. ter breedte van minimaal 5 meter;
    • 3. bestaande uit opgaande houtsoorten van gebiedseigen beplanting;
  • f. sanitaire en andere kampeervoorzieningen uitsluitend mogen worden gerealiseerd in bestaande gebouwen;
  • g. bebouwing ten behoeve van het kampeerterrein uitsluitend mag worden gebruikt voor kleinschalige recreatiedoeleinden voor de eigen kampeergasten;
  • h. tussen de kampeermiddelen een onderlinge afstand dient te worden aangehouden van minimaal 3 meter.

10.6.4 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.5.1 ten behoeve van het gebruik van gronden voor het telen van gewassen met gebruikmaking van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken, met dien verstande dat:

  • a. de voorzieningen niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'beekdal', 'bos en natuur', 'recreatieve ontwikkelingszone' en 'rivierdal';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied' uitsluitend tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, mits wordt aangetoond dat daardoor de karakteristieke openheid van het gebied niet onevenredig wordt aangetast; wordt aangetoond dat daardoor de karakteristieke openheid van het gebied niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;
  • d. de voorzieningen landschappelijk worden ingepast. Hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en voorzieningen is beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie;
  • e. de voorzieningen dienen te worden opgeruimd en verwijderd binnen 10 dagen na afloop van de (teelt)periode waarvoor deze nodig zijn.

10.6.5 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van een evenemententerrein en speeltuin

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 10.1 en 12.1 ten behoeve van de inrichting en het gebruik van gronden als evenemententerrein en speeltuin, met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat een evenemententerrein en speeltuin ecologisch en milieukundig aanvaardbaar zijn; en,
  • b. aangetoond wordt dat een evenemententerrein en speeltuin niet met de aanduiding Goudgroene natuurzone/Natuur Netwerk Limburg in strijd zijn; en,
  • c. aangetoond wordt dat de verkeersaantrekkende werking en het parkeren aanvaardbaar zijn.
10.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.7.1 Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, tenzij dit noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • d. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur;
  • e. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kan hebben, behoudens bij wijze van verzorging;
  • f. het bebossen van gronden;
  • g. het verwijderen van graften, bosstroken en/of grasbanen.

10.7.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in artikel 10.7.1 geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn danwel het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
  • c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • d. het vellen en/of rooien van houtgewas in het kader van de normale bedrijfsuitoefening van een boom- of sierteeltbedrijf.

10.7.3 Afwegingskader

De vergunning als bedoeld in artikel 10.7.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden, zoals omschreven in artikel 10.1, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  • b. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden en/of stiltegebieden;
10.8 Wijzigingsbevoegdheid
10.8.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de in dit artikel onder 10.8.2, 10.8.3, 10.8.4, 10.8.6 en 10.8.7 genoemde ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden;
  • b. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • c. voorzieningen worden getroffen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en voorzieningen en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie. Uitgangspunt daarbij is dat altijd de uitbreiding van een bestemmings-/bouwvlak landschappelijk dient te worden ingepast. Daar waar in de regels is aangegeven dat tevens een aanvullende kwaliteitsverbetering dient te worden gerealiseerd dient niet alleen de uitbreiding, maar het gehele bestemmings-/bouwvlak landsachappelijk te worden ingepast;

10.8.2 Nieuwvestiging van een grondgebonden bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzen in de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden' ten behoeve van de vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:

  • a. wijziging uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied';
  • b. nieuwvestiging ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingslint' uitsluitend is toegestaan mits de doorzichten naar het achterliggend gebied niet onevenredig worden aangetast;
  • c. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • d. de bestemming niet wordt gewijzigd ten behoeve van de vestiging van een grondgebonden veehouderij;
  • e. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  • f. het bouwvlak maximaal 1,5 ha bedraagt;
  • g. een containerveld is toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. daardoor de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;
    • 2. het containerveld is gelegen in het bestemmingsvlak;
    • 3. geen containerveld is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'recreatieve ontwikkelingszone';
  • h. in afwijking van het bepaalde in artikel 10.8.1 onder c. is landschappelijke inpassing van een containerveld niet vereist binnen de aanduiding 'open agrarisch gebied';
  • i. vestiging ter plaatse moet voor de ondernemer noodzakelijk zijn. Aangetoond moet worden dat de beoogde ontwikkeling niet kan plaatsvinden op een bestaand bouwvlak, al dan niet na uitbreiding daarvan;
  • j. in het in artikel 10.8.1 onder d. genoemde inrichtingsplan een aanvullende kwaliteitsverbetering wordt opgenomen;
  • k. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 6.

10.8.3 Vergroting bestemmingsvlak ten behoeve van een grondgebonden bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden' ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en het bouwvlak van een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • b. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  • c. de bestemming niet wordt gewijzigd ten behoeve van de vestiging van een grondgebonden veehouderij;
  • d. het bouwvlak mag worden uitgebreid tot maximaal 1,5 ha;
  • e. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingslint' uitsluitend is toegestaan mits de doorzichten naar het achterliggend gebied niet onevenredig worden aangetast;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder c. de oppervlakte maximaal 2,5 ha. mag bedragen, mits een aanvullende kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd;
  • g. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bos en natuur'of 'rivierdal';
  • h. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied' uitsluitend is toegestaan mits de openheid van het landschap daardoor niet onevenredig wordt aangetast;
  • i. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'beekdal' uitsluitend is toegestaan mits de kleinschaligheid van het landschap niet wordt aangetast;
  • j. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied' uitsluitend is toegestaan, mits de uitbreiding past binnen de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden;
  • k. een containerveld is toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. daardoor de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;
    • 2. het containerveld is gelegen in het bestemmingsvlak;
    • 3. geen containerveld is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'recreatieve ontwikkelingszone';
  • l. in afwijking van het bepaalde in artikel 10.8.1 onder c. landschappelijke inpassing van een containerveld niet is vereist binnen de aanduiding 'open agrarisch gebied';
  • m. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 6.

10.8.4 Vergroting bestemmingsvlak ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en het bouwvlak van een bestaand glastuinbouw-bedrijf, al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijf, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond;
  • b. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  • c. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van:
    • 1. de aanduidingen 'overige - zone goudgroene natuurzone te vervallen' en 'overige zone - bronsgroene landschapszone te vervallen' (ingevolge de Provinciale Omgevingsverordening Limburg 2014) en de aanduidingen 'overige zone - natuurnetwerk' en 'overige zone - groenblauwe mantel' (ingevolge de Provinciale Omgevingsverordening Limburg 2021).
    • 2. de aanduidingen 'kernrandzone', 'rivierdal' en 'open agrarisch gebied';
  • d. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied' uitsluitend is toegestaan, mits:
    • 1. de kleinschaligheid van het landschap niet wordt aangetast;
    • 2. de uitbreiding past binnen de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden;
  • e. uitbreiding ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingslint' uitsluitend is toegestaan mits de doorzichten in het lint naar het achtergelegen gebied niet onevenredig worden aangetast;
  • f. indien de netto oppervlakte glas meer dan 3 ha bedraagt, dient voor het oppervlak dat groter is dan 3 ha elders ten minste twee keer zoveel bestaand glas te worden gesloopt dan met het wijzigingsplan aan nieuwe glasopstand groter dan 3 ha mogelijk wordt gemaakt;
  • g. indien de netto oppervlakte glas minder dan 3 ha bedraagt, dan geldt de onder f. genoemde sloopverplichting niet;
  • h. indien een (regionaal) fonds aanwezig is waaruit de sloop van bestaande glasopstanden wordt gefinancierd, in afwijking van het bepaalde onder g. een bijdrage kan worden gestort in dat fonds die overeenkomt met het in dat fonds afgesproken normbedrag per m2, vermenigvuldigd met twee keer de oppervlakte van de nieuwe glasopstand groter dan 3 ha die met het wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt;
  • i. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 4.

10.8.5 Vergroting bestemmingsvlak ten behoeve van containervelden

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in:

ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak voor de aanleg van permanente teeltondersteunende vorozieningen in de vorm van containervelden, met dien verstande dat:

  • a. indien de voorzieningen worden aangelegd op afstand van het bestemmingsvlak, beide bestemmingsvlakken samen worden beschouwd als één bestemmingsvlak, waarbij beide bestemmingsvlakken met elkaar worden verbonden door op de verbeelding de figuur 'relatie' op te nemen;
  • b. binnen de uitbreiding van het bestemmingsvlak géén bouwvlak wordt opgenomen;
  • c. binnen de uitbreiding van het bestemmingsvlak géén bouwwerken zijn toegestaan, behoudens perceelsafscheidingen met een maximale hoogte van 1 meter;
  • d. verzekerd is dat de containervelden landschappelijk worden ingepast, met dien verstande dat geen landschappelijke inpassing is vereist ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied';
  • e. ter voldoening aan het bepaalde onder d. een landschappelijk inrichtingsplan wordt overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de voorzieningen is beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie;
  • f. de oppervlakte van het containerveld maximaal 3 ha. bedraagt;
  • g. in afwijking van het bepaalde onder f. een grotere oppervlakte kan worden toegestaan, mits in het onder d. bedoelde inpassingsplan een aanvullende ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt opgenomen en verzekerd is dat deze kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd.

10.8.6 Nieuwvestiging dagrecreatief bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Recreatie' ten behoeve van de vestiging van een dagrecreatief bedrijf, met dien verstande dat:

  • a. vestiging uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'recreatieve ontwikkelingszone';
  • b. verzekerd is dat een aanvullende kwaliteitsverbetering wordt geleverd;
  • c. indien het dagrecreatief bedrijf niet wordt gevestigd in vrijkomende bebouwing bestaat de onder b genoemde kwaliteitsverbetering uit realisering en instandhouding van minimaal 5 x zoveel nieuw groen als nieuwe oppervlakte bebouwing en verharding die met het wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt.

10.8.7 Uitbreiding recreatief bedrijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Recreatie' en/of de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' ten behoeve van de uitbreiding van een bestaand dag- en/of verblijfsrecreatief bedrijf, met dien verstande dat:

  • a. uitbreiding uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'recreatieve ontwikkelingszone';
  • b. verzekerd is dat een aanvullende kwaliteitsverbetering wordt geleverd.
  • c. indien de uitbreiding niet wordt gerealiseerd in vrijkomende bebouwing bestaat de onder b genoemde kwaliteitsverbetering uit realisering en instandhouding van minimaal 5 x zoveel nieuw groen als nieuwe oppervlakte bebouwing en verharding die met het wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt.

Artikel 11 Bedrijf

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven in de categorie 1 of 2 conform bijlage 'Tabel bedrijfsactiviteiten' met dien verstande dat ter plaatse van de navolgende aanduidingen uitsluitend de daarbij aangegeven soorten bedrijven, al dan niet in de milieucategorie 1 of 2, zijn toegestaan:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf', een agrarisch loonbedrijf;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'bosbouw', een bosbouwbedrijf;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'hovenier', een hoveniersbedrijf;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding 'opslag', opslag van materialen;
    • 5. ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij', een paardenhouderij als ondergeschikte activiteit ten behoeve van een bosbouwbedrijf.
    • 6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afsluiterschema', een afsluitervoorziening ten behoeve van een aardgastransportleiding;
    • 7. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - audio-videoproductie', een audio-videoproductiebedrijf;
    • 8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - autohandelsbedrijf': een autohandelsbedrijf;
    • 9. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - houtbewerking', een houtbewerkingsbedrijf;
    • 10. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - inzameling grof tuinafval', tevens een bedrijfstak voor inzameling van grof tuinafval van particulieren, aanvullend op het agrarisch loonbedrijf;
    • 11. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag zand, grond en tuinafval', tevens opslag van zand, grond en tuinafval;
    • 12. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - timmerbedrijf', een timmerbedrijf;
    • 13. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - inzameling grof tuinafval', tevens een bedrijfstak voor inzameling van grof tuinafval van particulieren, aanvullend op het agrarisch loonbedrijf;
    • 14. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag zand, grond en tuinafval', tevens opslag van zand, grond en tuinafval;
    • 15. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - inrit', tevens een inrit;
    • 16. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - weegbrug', tevens een weegbrug;
  • b. wonen in een bedrijfswoning;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. tuinen, erven en terreinen;
  • f. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • g. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. paardrijbakken voor het hobbymatig houden van paarden en/of pony's.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Algemeen

Op de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 11.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. een bedrijfswoning;
  • c. bijbehorende bouwwerken;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde.

11.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. per bouwvlak is maximaal één bedrijf toegestaan, met dien verstande dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'relatie' gekoppeld zijn ten behoeve van één bedrijf;
  • b. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde, zoals waterbassins, verhardingen en parkeervoorzieningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd;
  • c. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 11.2.3, 11.2.4 en 11.2.5.

11.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en daarbij horende bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 4,5 en 8 meter, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afsluiterschema' maximaal 4 meter bedraagt. De goot- en bouwhoogte bedraagt ter plaatse van de locatie Bussereindseweg 67 en 67a respectievelijk maximaal 5 m en 8,5 m;
  • b. de oppervlakte bedraagt maximaal de oppervlakte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage', met dien verstande dat daar waar die aanduiding niet aanwezig is, het bouwvlak geheel mag worden bebouwd;
  • c. de voorgevel dient te worden gebouwd achter de voorgevelrooilijn;
  • d. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter.
11.2.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding;
    • 3. voor de bepaling van de onder 1. en 2. genoemde maximum aantallen middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak;
  • b. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 1.000 m³;
  • d. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6,5 en 9 meter;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m²;
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter;
  • g. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • h. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd.

11.2.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor 90% open is;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. erf- en terreinafscheidingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afsluiterschema', waarvan de bouwhoogte maximaal 3,5 meter bedraagt;
    • 4. omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
    • 5. lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt, met dien verstande dat de lichtmasten geen onevenredige hinder mogen opleveren voor de omgeving;
  • b. per bedrijfswoning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning maximaal 40 meter bedraagt.
11.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
11.4 Specifieke gebruiksregels
11.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. detailhandel, behoudens detailhandel in auto's ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - autohandelsbedrijf;
  • b. horeca;
  • c. kamerverhuur;
  • d. woningsplitsing;
  • e. verblijfsrecreatie;
  • f. evenementen;
  • g. seksinrichtingen;
  • h. permanente bewoning van gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde.
  • i. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn.
11.5 Afwijken van de gebruiksregels
11.5.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van omschakeling naar een ander soort bedrijf

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.1 ten behoeve van omschakeling naar een ander bedrijf dan is aangeduid op de verbeelding, met dien verstande dat:

  • a. omschakeling uitsluitend is toegestaan naar een ander bedrijf in de categorie 1 of 2 volgens bijlage 'Tabel bedrijfactiviteiten' en
  • b. sprake is van een gelijke of lagere milieukundige en ruimtelijke impact.
11.5.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van ondergeschikte detailhandel

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.4.1 ten behoeve van het gebruik van gebouwen voor ondergeschikte detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten, mits:

  • a. maximaal 10% van de binnen het bouwvlak gelegen gebouwen mag worden gebruikt voor de detailhandelsfunctie tot een oppervlakte van maximaal 100 m²;
  • b. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking.

Artikel 12 Horeca

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 2', horeca van categorie 2;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 3', horeca tot en met categorie 3;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 4b', horeca tot en met categorie 4b;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - 1':
    • 1. horeca tot en met categorie 4b, met uitzondering van horeca van categorie 4a;
    • 2. detailhandel;
    • 3. verblijfsrecreatie;
    • 4. een kampeerterrein;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - 2':
    • 1. horeca tot en met categorie 3;
    • 2. detailhandel;
    • 3. verblijfsrecreatie;
  • f. wonen in een bedrijfswoning;

met daaraan ondergeschikt:

  • g. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. terrassen;
  • j. speelvoorzieningen;
  • k. tuinen, erven en terreinen;
  • l. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • m. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • n. paardrijbakken voor het hobbymatig houden van paarden en/of pony's.
12.2 Bouwregels
12.2.1 Algemeen

Op de voor 'Horeca' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 12.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. een bedrijfswoning;
  • c. bijbehorende bouwwerken;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde.

12.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. per bouwvlak is maximaal één horecabedrijf toegestaan;
  • b. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde in de vorm van parkeervoorzieningen en verhardingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd;
  • c. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 12.2.3, 12.2.4 en 12.2.5.

12.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 4,5 en 8 meter;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a. mag de bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - 1' bestaan uit maximaal één bouwlaag met een bouwhoogte van maximaal 8 meter;
  • c. de oppervlakte bedraagt maximaal de oppervlakte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage', met dien verstande dat daar waar die aanduiding niet aanwezig is, het bouwvlak geheel mag worden bebouwd;
  • d. de voorgevel dient te worden gebouwd achter de voorgevelrooilijn;
  • e. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter.

12.2.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding;
    • 3. voor de bepaling van de onder 1. en 2. genoemde maximum aantallen middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak;
  • b. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 1.000 m³;
  • d. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6,5 en 9 meter;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m²;
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter;
  • g. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • h. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd.
12.2.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor 90% open zijn;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. vlaggen-, reclame- en lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 15 meter bedraagt;
    • 4. omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
    • 5. lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt, met dien verstande dat de lichtmasten geen onevenredige hinder mogen opleveren voor de omgeving;
  • b. per bedrijfswoning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning maximaal 40 meter bedraagt.
12.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
12.4 Specifieke gebruiksregels
12.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. wonen, behoudens in een bedrijfswoning als bedoeld in artikel 12.1, sub g;
  • b. horeca op de verdieping;
  • c. kamerverhuur;
  • d. woningsplitsing;
  • e. verblijfsrecreatie, behoudens:
    • 1. verblijfsrecreatie als bedoeld in artikel 12.1, met dien verstande dat:
      • maximaal 5 recreatie-appartementen zijn toegestaan;
      • de oppervlakte per appartement maximaal 100 m² bedraagt;
    • 2. incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • f. detailhandel, behoudens detailhandel als bedoeld in artikel 12.1, met dien verstande dat de verkoopvloeroppervlakte maximaal 100 m² bedraagt;
  • g. evenementen;
  • h. seksinrichtingen;
  • i. permanente bewoning van gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde.
  • j. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn.
12.4.2 Terrassen

De oppervlakte van terrassen bedraagt maximaal 50 m², met dien verstande dat;

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca-1' de oppervlakte maximaal 750 m² mag bedragen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca-2' de oppervlakte maximaal 410 m² mag bedragen.

Artikel 13 Maatschappelijk

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een zorgboerderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij';
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek', tevens voor het behoud en/of herstel van karakteristieke bebouwing;
  • c. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - monument', tevens voor het behoud en/of herstel van de monumentale waarde van bebouwing;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening', een nutsvoorziening;
  • e. wonen in een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij';

met daaraan ondergeschikt:

  • f. groenvoorzieningen;
  • g. tuinen, erven en terreinen;
  • h. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • i. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen
  • j. paardrijbakken voor het hobbymatig houden van paarden en/of pony's.
13.2 Bouwregels
13.2.1 Algemeen

Op de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 13.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde.

13.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 13.2.3, 13.2.4 en 13.2.5.
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' bedraagt de afstand van bebouwing tot de as van een nabijgelegen weg minimaal 15 meter en tot de overige perceelsgrenzen minimaal 3 meter, uitgezonderd erfafscheidingen en grafzerken e.d..

13.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 4,5 en 8 meter;
  • b. de oppervlakte bedraagt maximaal de oppervlakte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage', met dien verstande dat daar waar die aanduiding niet aanwezig is, het bouwvlak geheel mag worden bebouwd;
  • c. de voorgevel van de bedrijfsgebouwen dient te worden gebouwd achter de voorgevellijn;
  • d. de afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter, behoudens het bepaalde onder 13.2.2 onder c.

13.2.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding;
    • 3. voor de bepaling van de onder 1. en 2. genoemde maximum aantallen middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak;
  • b. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 1.000 m³;
  • d. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6,5 en 9 meter;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m²;
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter;
  • g. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • h. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd.

13.2.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor 90% open is;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt, danwel 2,25 meter ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats';
    • 3. vlaggen- en lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 15 meter bedraagt;
    • 4. omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
    • 5. lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt, met dien verstande dat de lichtmasten geen onevenredige hinder mogen opleveren voor de omgeving;
13.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
13.4 Specifieke gebruiksregels
13.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. detailhandel;
  • b. zelfstandige horeca;
  • c. evenementen;
  • d. seksinrichtingen;
  • e. permanente bewoning van gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde.
  • f. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn.

Artikel 14 Natuur

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en/of abiotische waarden;
  • b. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke waarde en/of ecologische waarde;
  • c. ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van groen – landgoed' een landgoed;
  • d. waterlopen, waterpoelen en waterpartijen;
  • e. instandhouding van bos met de daarop afgestemde bosbouw en houtproductie;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • g. bosbouwkundig medegebruik voor wat betreft bossen en houtopstanden;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. nutsvoorzieningen;
  • j. bestaande paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • k. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
14.2 Bouwregels
14.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Natuur' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, behoudens hoogzitten, mits wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 14.2.3.

14.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Op de voor 'Natuur' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. ondergeschikte bouwwerken, zoals afrasteringen met een hoogte van maximaal 1 meter en eenvoudige recreatief ondersteunende voorzieningen zoals wegwijzers, informatieborden, zitbanken, vogelkijkwanden en uitkijkvoorzieningen voor natuurvorsing;
  • b. waterstaatkundige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming, noodzakelijk voor het beheer en onderhoud van waterlopen;
  • c. nutsvoorzieningen waarvan de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt;
  • d. hoogzitten, mits wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 14.2.3;

met dien verstande dat als gevolg van het te verwachten gebruik van de genoemde bouwwerken de bestaande natuurwaarden niet onevenredig worden geschaad.

14.2.3 Hoogzitten

Op de voor 'Natuur' aangewezen gronden is het plaatsen van hoogzitten ten behoeve van het observeren en jagen op wilde dieren toegestaan, met dien verstande dat:

  • a. geen hoogzitten mogen worden geplaatst ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gebied waar hoogzitten niet zijn toegestaan';
  • b. de hoogzit wordt ingepast in het landschap door gebruik te maken van bedekte kleuren (groen en/of bruin);
  • c. de oppervlakte van de aanzitruimte maximaal 8 m² bedraagt;
  • d. de bouwhoogte maximaal 6 m bedraagt'.
  • e. binnen 100 meter van een woning mag op basis van privacy- en veiligheidsoverwegingen geen hoogzit worden geplaatst;
  • f. tussen 100 en 200 meter van een woning mag op basis van privacy- en veiligheidsoverwegingen enkel een hoogzit worden geplaatst na toestemming van de betreffende woningeigen(a)ar(en).
14.3 Afwijken van de bouwregels
14.3.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van de in dit lid genoemde ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat aangetoond wordt dat:

  • a. de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;

14.3.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van een voederberging of voederruif

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 14.2.1 en 14.2.2 ten behoeve van het bouwen van een voederberging of voederruif voor de instandhouding van het wild, met dien verstande dat:

  • a. de inhoud van de voederberging of voederruif maximaal 3 m³ bedraagt;
  • b. de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt.

14.3.3 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van een observatie- of schuilhut voor natuurvorsing
  • a. dit gebouw ter plaatse noodzakelijk is voor de beoefening van natuurvorsing;
  • b. de goothoogte maximaal 3 meter bedraagt;
  • c. de oppervlakte maximaal 10 m² bedraagt;
  • d. de afstand tot de perceelsgrens aan de zijde van de weg minimaal 10 meter bedraagt;
  • e. de afstand tot de overige perceelsgrenzen minimaal 5 meter bedraagt.

14.3.4 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van afrasteringen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 14.2.2 ten behoeve van het bouwen van afrasteringen, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak wordt aan getoond in het belang van het houden van dieren of in het belang van het voorkomen van wildschade;
  • b. de bouwhoogte maximaal 1,80 meter bedraagt;
  • c. aangetoond wordt dat wordt voldaan aan de 'Beleidsregel afrasteringen in het buitengebied', met dien verstande dat, indien deze beleidsregel wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
14.4 Specifieke gebruiksregels
14.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen, behoudens incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • b. overige verblijfsrecreatie;
  • c. het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
  • d. evenementen;
  • e. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • f. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
14.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.5.1 Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, tenzij dit noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • d. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur;
  • e. het vellen en/of rooien van houtgewas, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kan hebben, behoudens bij wijze van verzorging;
  • f. het bebossen van gronden;
  • g. het verwijderen van graften, bosstroken en/of grasbanen.
14.5.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in artikel 14.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn danwel het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
  • c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd kracxhtens een reeds verleende vergunning.
14.5.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in artikel 14.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden, zoals omschreven in artikel 14.1, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  • b. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden en/of stiltegebieden;

Artikel 15 Natuur - Landgoed 1

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur - Landgoed 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 1', wonen in maximaal 8 woningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 2', uitsluitend een bijbehorend bouwwerk, behorende bij de onder a. genoemde aanduiding;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument', tevens voor het behoud en/of herstel van de monumentale waarde van bebouwing;
  • d. natuur met behoud en herstel van de aldaar voorkomende landschappelijke, cultuurhistorische en monumentale waarden;
  • e. cultuurhistorische manifestaties;
  • f. een samenhangend beheer van de gronden met de daarbij behorende bouwwerken;

met daaraan ondergeschikt:

  • g. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3;
  • h. bosbouwkundig medegebruik voor wat betreft bossen en houtopstanden;
  • i. recreatief medegebruik van wegen en paden; tuinen, erven en terreinen;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • l. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
15.2 Bouwregels
15.2.1 Algemeen

Op de voor 'Natuur - Landgoed 1' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 15.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde.
15.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 1' mogen maximaal 7 woningen worden gebouwd, met dien verstande dat uitsluitend wordt gebouwd binnen de afmetingen van de bestaande gebouwen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 2' mogen uitsluitend bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, behorende bij de binnen het landgoed toegestane woningen, met dien verstande dat uitsluitend wordt gebouwd binnen de afmetingen van de bestaande gebouwen.
15.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor maximaal 90% open zijn;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. vlaggen-, reclame- en lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 15 meter bedraagt;
15.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
15.4 Specifieke gebruiksregels
15.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen, behoudens incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • b. overige verblijfsrecreatie;
  • c. het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
  • d. evenementen;
  • e. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • f. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
15.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
15.5.1 Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verharden of halfverharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanleggen of inrichten van dagcampings, picknickplaatsen, speel- en ligweiden;
  • c. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem;
  • d. het vellen en/of rooien van houtgewas, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kan hebben, behoudens bij wijze van verzorging.
15.5.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in artikel 15.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn danwel het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
  • c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • d. het vellen en/of rooien van houtgewas in het kader van de normale bedrijfsuitoefening van een boom- of sierteeltbedrijf;
  • e. werkzaamheden binnen het bouwvlak.
15.5.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in artikel 15.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden, zoals omschreven in artikel 15.1, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  • b. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden en/of stiltegebieden;

Artikel 16 Natuur - Landgoed 2

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur - Landgoed 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden', een grondgebonden agrarisch bedrijf
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardrijbak', een paardrijbak;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 3', wonen in maximaal 13 woningen;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 4', 'wonen in maximaal één woning;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 5', uitsluitend bijbehorende bouwwerken, behorende bij de binnen het landgoed toegestane hoofdgebouwen;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 4b', horeca van categorie 4b;
  • g. verkeer, ter plaatse van de aanduiding 'verkeer';
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument', tevens voor het behoud en/of herstel van de monumentale waarde van bebouwing;
  • i. natuur met behoud en herstel van de aldaar voorkomende landschappelijke, cultuurhistorische en monumentale waarden;
  • j. een samenhangend beheer van de gronden met de daarbij behorende bouwwerken;

met daaraan ondergeschikt:

  • k. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3
  • l. bosbouwkundig medegebruik voor wat betreft bossen en houtopstanden;
  • m. groenvoorzieningen;
  • n. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • o. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
16.2 Bouwregels
16.2.1 Algemeen

A. Op de voor 'Natuur - Landgoed 2' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 16.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde.

B. In afwijking van het bepaalde sub a. gelden ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden' de bouwregels van de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden' (artikel 5, lid 5.2).

16.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 3' mogen maximaal 9 woningen worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 4' mogen worden gebouwd:
    • 1. maximaal één woning;
    • 2. bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat:
      • de oppervlakte per woning maximaal 50 m² bedraagt;
      • de goothoogte maximaal 2,75 en de bouwhoogte maximaal 4,75 meter bedraagt;
  • c. de bestaande goot- en bouwhoogte van de onder a en b bedoelde woningen mag niet worden overschreden;
  • d. de bestaande bebouwde oppervlakte van de onder a en b bedoelde woningen mag eenmalig met maximaal 10% worden vergroot;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 5' mogen uitsluitend bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, behorende bij de binnen het landgoed toegestane hoofdwoningen;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 4b' mag een hotel worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de bestaande goot- en bouwhoogte niet mag worden overschreden;
    • 2. het bouwvlak voor 100% mag worden bebouwd.
16.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter mits deze voor 90% open zijn;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. vlaggen-, reclame- en lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 15 meter bedraagt;
    • 4. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardrijbak':
      • omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
      • lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt
16.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
16.4 Specifieke gebruiksregels
16.4.1 Strijdig gebruik

A. Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamperen, behoudens incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • b. overige verblijfsrecreatie;
  • c. het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
  • d. evenementen;
  • e. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • f. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

B. In afwijking van het bepaalde sub a. gelden ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden' de specifieke gebruiksregels van de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden' (artikel 5, lid 5.5).

16.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
16.5.1 Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verharden of halfverharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanleggen of inrichten van dagcampings, picknickplaatsen, speel- en ligweiden;
  • c. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem;
  • d. het vellen en/of rooien van houtgewas, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kan hebben, behoudens bij wijze van verzorging.
16.5.2 Uitzondering

Het verbod als bedoeld in artikel 16.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn danwel het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
  • c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • d. het vellen en/of rooien van houtgewas in het kader van de normale bedrijfsuitoefening van een boom- of sierteeltbedrijf;
  • e. werkzaamheden ter plaatse van de aanduidingen:
    • 1. 'specifieke vorm van wonen - landgoed 3';
    • 2. 'specifieke vorm van wonen - landgoed 4';
    • 3. 'specifieke vorm van wonen - landgoed 5';
    • 4. 'horeca van categorie 4b'.
16.5.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in artikel 15.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden, zoals omschreven in artikel 16.1, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  • b. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden en/of stiltegebieden;
16.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 5', ten behoeve van het gebruik van grond en gebouwen voor educatieve en/of recreatieve doeleinden, met dien verstande dat:

  • a. de vloeroppervlakte per appartement maximaal 100 m² mag bedragen;
  • b. de goot- en bouwhoogte maximaal de hoogte bedragen van de gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landgoed 3';
  • a. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden.

Artikel 17 Recreatie

17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. dagrecreatieve voorzieningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'golfbaan', een golfbaan;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - molen', tevens voor behoud en herstel van de bestaande beltmolen en de daarmee verband houdende, monumentale en culturhistorische waarden;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dierenpark', een dierenpark en tevens voor behoud van het groene en open karakter van het gebied.
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument', tevens voor het behoud en/of herstel van de monumentale waarde van bebouwing;
  • f. wonen in een bedrijfswoning;

met daaraan ondergeschikt:

  • g. horeca van categorie 1 en 2 als ondergeschikte nevenactiviteit ten dienste van de dagrecreatieve voorziening;
  • h. detialhandel in ter plaatse geproduceerde en aanverwante artikelen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - molen'.
  • i. terrassen, behorende bij de onder f. genoemde horeca;
  • j. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3;
  • k. groenvoorzieningen;
  • l. tuinen, erven en terreinen;
  • m. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • n. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
17.2 Bouwregels
17.2.1 Algemeen

Op de voor 'Recreatie' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 17.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. een bedrijfswoning;
  • c. bijbehorende bouwwerken;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde;

met dien verstande dat geen bebouwing is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin'.

17.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 17.2.3, 17.2.4 en 17.2.5.
17.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 4,5 en 8 meter, met dien verstande dat de hoogte van de molen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - molen', maximaal de bestaande hoogte bedraagt;
  • b. de oppervlakte bedraagt maximaal de oppervlakte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage', met dien verstande dat daar waar die aanduiding niet aanwezig is, het bouwvlak geheel mag worden bebouwd;
  • c. de voorgevel dient te worden gebouwd achter de voorgevellijn;
  • d. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder a tot en met d dient de bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - molen' uitsluitend te worden gebouwd binnen de afmetingen van de bestaande gebouwen.
17.2.4 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding;
    • 3. voor de bepaling van de onder 1. en 2. genoemde maximum aantallen middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak;
  • b. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 1.000 m³;
  • d. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6,5 en 9 meter;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m²;
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter;
  • g. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • h. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd.
17.2.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 12 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor 90% open zijn,
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. vlaggen-, reclame- en lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 15 meter bedraagt;
  • b. per bedrijfswoning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning maximaal 40 meter bedraagt.
17.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
17.4 Specifieke gebruiksregels
17.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. zelfstandige horeca;
  • b. geluidszoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen;
  • c. kamerverhuur;
  • d. woningsplitsing;
  • e. verblijfsrecreatie, behoudens incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • f. detailhandel behoudens het bepaalde in lid 17.1;
  • g. evenementen;
  • h. seksinrichtingen;
  • i. permanente bewoning van gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde;
  • j. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn.

Artikel 18 Recreatie - Verblijfsrecreatie

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. recreatiewoningen en chalets, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning', met dien verstande dat geen chalets zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - lommerbergen';
  • b. een groepsaccomodatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie';
  • c. een kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein';
  • d. een trekkershut, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - trekkershut';
  • e. dagrecreatieve voorzieningen en voorzieningen ten dienste van de verblijfsrecreatieve inrichting, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatieve voorzieningen';
  • f. zorgaciiviteiten in dagbesteding, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - dagbesteding';
  • g. wonen in een bedrijfswoning;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening', een nutsvoorziening;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - rioolwatergemaal', een rioolwatergemaal voor de afvoer van rioolwater;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - landhoeve Rijkel':
    • 1. een recreatiewoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning';
    • 2. maximaal 5 trekkershutten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - trekkershutten';
    • 3. een kampeerterrein;

met daaraan ondergeschikt:

  • k. dagrecreatie;
  • l. horeca van categorie 1 en 2 ten behoeve van de verblijfsrecreatieve en de dagrecreatieve functie;
  • m. terrassen, behorende bij de onder j. genoemde horeca;
  • n. ondergeschikte detailhandel in de vorm van een campingwinkel ten behoeve van een kampeerterrein;
  • o. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3;
  • p. groenvoorzieningen;
  • q. tuinen, erven en terreinen;
  • r. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • s. aan de verblijfsrecreatie ondersteunende gebouwen/voorzieningen, zoals kantoren, sanitaire voorzieningen en kantines;
  • t. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
18.2 Bouwregels
18.2.1 Algemeen
  • a. Op de voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 18.1 genoemde bestemming worden gebouwd:
    • 1. gebouwen;
    • 2. bedrijfswoning;
    • 3. bijbehorende bouwwerken;
    • 4. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - rioolgemaal' mogen uitsluitend ten dienste van de afvoer van rioolwater gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd die qua aard en afmetingen passen bij deze aanduiding, met dien verstande dat:
    • 1. de goothoogte van gebouwen en de bouwhoogte van andere bouwwerken maximaal 3 meter bedraagt;
    • 2. de gebouwen geen woning of woonruimte bevatten.

18.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein'

Ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd, met dien verstande dat voor sanitaire en andere voorzieningen gebruik dient te worden gemaakt van bestaande (voormalige agrarische) gebouwen, welke uitsluitend gebruikt mogen worden voor kleinschalige recreatiedoeleinden voor de eigen kampeergasten;
  • b. er mag uitsluitend bebouwing worden opgericht van ondergeschikte betekenis met een maximale bouwhoogte van 3 meter en uitsluitend ten behoeve van de verblijfsrecreatie;
  • c. stacaravans en chalets zijn niet toegestaan;
  • d. de oppervlakte van bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' aangeduide bebouwde oppervlakte, met dien verstande dat daar waar die aanduiding niet aanwezig is, het bouwvlak geheel mag worden bebouwd;
  • e. het aantal standplaatsen bedraagt maximaal het aantal zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal standplaatsen';
  • f. tussen de kampeermiddelen dient een onderlinge afstand te worden aangehouden van minimaal 3 meter;
  • g. voor het overige dient te worden voldaan aan het bepaalde in de artikelen 18.2.7, 18.2.8 en 18.2.9.

18.2.3 Regels ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning'

Ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning' gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. recreatiewoningen en chalets zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal recreatiewoningen', met dien verstande dat:
    • 1. de goot- en bouwhoogte respectievelijk maximaal 3 en 5 meter bedraagt;
    • 2. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 5 meter bedraagt;
  • c. de oppervlakte van gebouwen bedraagt maximaal de oppervlakte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage', met dien verstande dat daar waar die aanduiding niet aanwezig is, het bouwvlak geheel mag worden bebouwd ;
  • d. de oppervlakte per recreatiewoning of chalet bedraagt maximaal 100 m²;
  • e. de dakhelling van een recreatiewoning of chalet bedraagt minimaal 12o en maximaal 45o;
  • f. voor het overige dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 18.2.7, 18.2.8 en 18.2.9.

18.2.4 Regels ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning' in combinatie met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - lommerbergen'

Ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning', waarbij tevens de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - lommerbergen' is opgenomen, gelden de volgende regels:

  • a. recreatiewoningen worden uitsluitend binnen het bestemmingsvlak gebouwd, met dien verstande dat in totaal niet meer dan 20% van het bestemmingsvlak mag worden bebouwd;
  • b. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 4 en 7 meter;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • d. de oppervlakte per recreatiewoning bedraagt, inclusief bijbehorende bouwwerken, maximaal 250 m²;
  • e. bij de (her)bouw van recreatiewoningen mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de milieutechnische en/of bedrijfseconomische gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; 
  • f. voor het overige dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 18.2.7, 18.2.8 en 18.2.9.

18.2.5 Regels ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatieve voorzieningen'

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatieve voorzieningen' gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen ten behoeve van recreatieve voorzieningen mogen uitsluitend worden opgericht ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatieve voorzieningen;
  • b. het bebouwingspercentage bedraagt maximaal 35% van het vlak met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-recreatieve voorzieningen';
  • c. de hoogte mag maximaal 15 meter bedragen.

18.2.6 Regels ter plaatse van de aanduiding 'groepsaccommodatie'

Ter plaatse van de aanduiding 'groepsaccommodatie' gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. de oppervlakte van bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal de oppervlakte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage', met dien verstande dat daar waar die aanduiding niet aanwezig is, het bouwvlak geheel mag worden bebouwd;
  • c. voor het overige dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 18.2.7, 18.2.8 en 18.2.9.

18.2.7 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, niet zijnde recreatiewoningen, chalets of groepsaccommodaties, gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 6 en 11 meter;
  • b. de oppervlakte bedraagt maximaal de oppervlakte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage', met dien verstande dat:
    • 1. daar waar die aanduiding niet aanwezig is, het bouwvlak geheel mag worden bebouwd;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - lommerbergen' in totaal maximaal 20% van het bestemmingsvlak mag worden bebouwd;
  • c. de voorgevel dient te worden gebouwd achter de voorgevelrooilijn;
  • d. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter.

18.2.8 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding;
    • 3. voor de bepaling van de onder 1. en 2. genoemde maximum aantallen middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak;
  • b. de voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 1.000 m³, met dien verstande dat de inhoud van bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - lommerbergen' maximaal 400 m³ bedraagt;
  • d. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6,5 en 9 meter, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - lommerbergen' respectievelijk maximaal 3,5 en 6 meter bedraagt;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m², met dien verstande dat de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - lommerbergen' maximaal 35 m² bedraagt;
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter;
  • g. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;
  • h. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd.

18.2.9 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 5 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor 90% open zijn;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. luifels, waarvan de hoogte maximaal 7 meter bedraagt;
    • 4. vlaggen-, reclame- en lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 15 meter bedraagt;
  • b. per bedrijfswoning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning maximaal 40 meter bedraagt.
18.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
18.4 Specifieke gebruiksregels
18.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. zelfstandige horeca;
  • b. kamerverhuur;
  • c. woningsplitsing;
  • d. detailhandel;
  • e. evenementen;
  • f. seksinrichtingen;
  • g. permanente bewoning van gebouwen, geen (bedrijfs)woning zijnde;
  • h. het plaatsen van stacaravans.

Artikel 19 Sport

19.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'modelvliegtuigbaan', een modelvliegtuigbaan.
  • b. een vijver ten behoeve van de hengelsport, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - hengelsport';
  • c. een hondensportterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifeke vorm van sport - hondensport';
  • d. een schutterij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - schutterijterrein';
  • e. een zwembad, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zwembad';

met daaraan ondergeschikt:

  • f. horeca van categorie 1 en 2 als ondergeschikte nevenactiviteit ten dienste van de de sportvoorzieningen;
  • g. terrassen, behorende bij de onder e. genoemde horeca;
  • h. sportevenementen;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. tuinen, erven en terreinen;
  • k. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • l. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
19.2 Bouwregels
19.2.1 Algemeen

Op de voor 'Sport' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 19.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. gebouwen, geen bedrijfswoning zijnde;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde.
19.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.
19.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 6 en 9 meter;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de maximale goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - schutterijterrein' en de aanduiding 'specifieke vorm van sport - hondensport', respectievelijk 2,75 en 4,75 meter;
  • c. de oppervlakte van bedrijfsgebouwen bedraagt maximaal de oppervlakte zoals aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage', met dien verstande dat:
    • 1. daar waar die aanduiding niet aanwezig is, het bouwvlak geheel mag worden bebouwd;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'sportveld' de maximale bebouwingsoppervlakte 200 m² bedraagt;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'zwembad' de maximale bebouwingsoppervlakte 500 m² bedraagt;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - hengelsport', de maximale bebouwingsoppervlakte 150 m² bedraagt;
  • d. de voorgevel dient te worden gebouwd achter de voorgevelrooilijn;
  • e. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter.
19.2.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 2 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor 90% open blijven;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. schietbomen, al dan niet met kogelvangers, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport – schutterijterrein', waarvan de hoogte maximaal 20 meter bedraagt;
    • 4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - hondensport', waarvan de hoogte maximaal 3 meter bedraagt;
    • 5. vlaggen- en lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 15 meter bedraagt.
19.3 Specifieke gebruiksregels
19.3.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. zelfstandige horeca;
  • b. geluidszoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen;
  • c. detailhandel;
  • d. kamperen, behoudens incidenteel kamperen buiten kampeerterreinen gedurende maximaal 10 dagen aaneengesloten en maximaal 3 keer per jaar;
  • e. evenementen, behoudens sportevenementen;
  • f. seksinrichtingen;
  • g. permanente bewoning van gebouwen;
  • h. opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak;
  • i. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn.
19.3.2 Terrassen

De oppervlakte van terrassen bedraagt maximaal 50 m², met dien verstande dat:

  • a. ter plaatse van het perceel Bösdaellaan 2 de oppervlakte maximaal 130 m² mag bedragen;
  • b. ter plaatse van het perceel Muizenhoekerweg 2 de oppervlakte maximaal 100 m² mag bedragen;
  • c. ter plaatse van het perceel Polderweg 3 de oppervlakte maximaal 500 m² mag bedragen.
  • d. ter plaatse van het perceel Rijksweg 1 de oppervlakte maximaal 100 m² mag bedragen.

Artikel 20 Tuin

20.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuinen;
  • b. een hondenschool ter plaatse van de aanduiding 'hondenschool';
  • c. een speeltuin ter plaatse van de aanduiding 'speeltuin';

met de daarbij behorende

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. erven;
  • c. water(voorzieningen);
  • d. verhardingen;
  • e. parkeerplaatsen.
20.2 Bouwregels
20.2.1 Bijbehorende bouwwerken in de vorm van bijgebouwen

Op de voor 'Tuin' aangewezen gronden mogen geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd.

20.2.2 Erkers

Uitbouwen zoals een erker bij het hoofdgebouw van de op de aangrenzende gronden gelegen woning mogen worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. de ligging vóór de voorgevel maximaal 1,5 m bedraagt;
  • b. de ligging uit de voorste perceelsgrens minimaal 2 m bedraagt;
  • c. de breedte niet groter is dan 2/3 van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw;
  • d. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt.

20.2.3 Overkappingen (zoals carports)

Overkappingen zoals een carport bij het hoofdgebouw van de op de aangrenzende gronden gelegen woning mogen worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. de ligging vóór het verlengde van de voorgevel maximaal 2 m bedraagt;
  • b. de ligging uit de voorste perceelsgrens minimaal 2 m bedraagt;
  • c. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt;
  • d. de overkapping vóór het verlengde van de voorgevel niet met enige wand wordt omsloten.

20.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
  • a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt:
    • 1. bij erf- en terreinafscheidingen:
      • in voorerfgebied maximaal 1 meter met dien verstande dat bij een minimaal 90% open constructie de hoogte maximaal 1,80 meter mag bedragen;
      • in achtererfgebied maximaal 2 meter;
    • 2. bij overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 m;
    • 3. bij vlaggenmasten maximaal 10 m;
  • b. reclame-uitingen ten dienste van een beroep of bedrijf aan huis zijn toegestaan in de voor- of zijtuin op een hoogte van maximaal 2 meter. Neon- of andere lichtreclame is in dit kader niet toegestaan.

Artikel 21 Verkeer - Railverkeer

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Railverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. spoorwegen met ten hoogste 2 sporen (exclusief eventuele rangeersporen);
  • a. spoorwegvoorzieningen;
  • b. wegen en paden;
  • c. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting;
  • d. straatmeubiliair;
  • e. voorzieningen van algemeen nut;
  • f. geluidwerende voorzieningen;
  • g. waterlopen en waterpartijen, waaronder ook duikers.
21.2 Bouwregels
21.2.1 Gebouwen
  • a. Er mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd.
  • b. De bouwhoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen.
  • c. De oppervlakte van voorzieningen van algemeen nut mag niet meer dan 15 m² bedragen.
21.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter;
  • b. de maximale bouwhoogte van voorzieningen ten behoeve van het railverkeer bedraagt 12 meter;
  • c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 3 meter.
21.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover dit noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover dit noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

Artikel 22 Verkeer - Wegverkeer

22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Wegverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie;
  • b. voet- en rijwielpaden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting;
  • e. geluidwerende voorzieningen;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. kunstwerken;
  • h. waterlopen en waterpartijen;
  • i. vervoersvoorzieningen, zoals bushokjes/abri's;
  • j. straatmeubilair;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'ecoduct', tevens voor het behoud van de mogelijkheid om dieren te kunnen laten oversteken over de weg;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek', tevens voor het behoud en/of herstel van een veldkruis;
  • m. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
  • n. landschappelijke voorzieningen ter afscherming en inpassing van wegen, aansluitingen en bijkomende werken in het landschap;
  • o. onderdoorgangen, zoals wild- en faunapassages, ecovoorzieningen en dassentunnels;
  • p. water(gangen) ten behoeve van detail- en hoofdontwatering en watergangen met een ecologische functie;
  • q. met deze wegen verband houdende voorzieningen (daaronder begrepen bouwwerken, geen gebouwen zijnde), zoals op- en afritten, kruisingen/aansluitingen, bruggen, ecoducten, viaducten, voertuigkeringen, duikers, groenvoorzieningen, bermsloten, taluds, verlichting, overkluizingen ten behoeve van bestaande watergangen, verkeersregelinstallaties, verkeersgeleiders, signaleringsportalen, grondkerende voorzieningen en bewegwijzering.
22.2 Bouwregels
22.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Verkeer - Wegverkeer' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen en openbaar vervoer voorzieningen, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte maximaal 4 meter bedraagt;
  • b. de maximale oppervlakte 15 m² bedraagt.
22.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 10 meter, met uitzondering van lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 12 meter bedraagt;
  • b. het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde in de vorm van kunstwerken en voorwerpen betreffende de beeldende kunst is toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. deze qua aard en omvang in de omgeving passen;
    • 2. de bouwhoogte maximaal 15 meter bedraagt.
22.3 Specifieke gebruiksregels
22.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. kamperen;
  • b. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens en materialen;
  • c. evenementen;
  • d. het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
  • e. buitenopslag;
  • f. verkeer ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - ecoduct', behoudens het gebruik als wandel- en/of ruiterpad.

Artikel 23 Water

23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterberging, wateraanvoer en/of -afvoer;
  • b. waterhuishouding;
  • c. behoud en ontwikkeling van ecologische waarden van natuurlijk oppervlaktewater in de vorm van plassen, vennen en beken;
  • d. primaire en secundaire waterlopen en daarbij behorende oevervoorzieningen;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - secundaire watergang', een secundaire watergang, waarop de Keur van het waterschap van toepassing is;
  • f. kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden;
  • g. beheer- en onderhoudsstroken;

met daaraan ondergeschikt:

  • h. kunstwerken;
  • i. nutsvoorzieningen.
23.2 Bouwregels
23.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Water' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

23.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Op de voor 'Water' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van de bestemming welke naar aard en afmetingen bij deze bestemming passen, zoals pijlers, bruggen, damwanden en oeverbeschoeiingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt;
  • b. voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de waterloop met een maximale hoogte van 3 meter;
  • c. steigers.
23.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, voor het aanleggen, aanmeren of als ligplaats innemen van woonschepen;
  • b. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voorzover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • c. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, als opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voertuigen, goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen.

Artikel 24 Water - Rivier

24.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water - Rivier' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de scheepvaart;
  • b. waterberging;
  • c. waterstaatswerken en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. behoud en herstel van ecologische en natuurwaarden;
  • e. waterlopen en daarbij behorende oevervoorzieningen;
  • f. beheer- en onderhoudsstroken;
  • g. kunstwerken;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. lichten en bakens ten behoeve van de scheepvaart;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'jachthaven', een recreatiejachthaven voor maximaal 40 ligplaatsen.
24.2 Bouwregels
24.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Water - Rivier' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

24.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Op de voor 'Water - Rivier' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van de bestemming welke naar aard en afmetingen bij deze bestemming passen, zoals pijlers, bruggen, damwanden en oeverbeschoeiingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt;
  • b. voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de waterloop met een maximale hoogte van 3 meter;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a en b zijn ter plaatse van de aanduiding 'jachthaven' uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen toegestaan in de vorm van geleidepalen met een maximale bouwhoogte van 21,50 meter +NAP.
24.3 Afwijken van de bouwregels
24.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van openbare aanlegplaatsen en steigers

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 24.2.2 ten behoeve van de bouw van openbare aanlegplaatsen en/of steigers ten behoeve van bestaande bebouwing en functies die grenzen aan het water, mits:

  • a. geen steigers worden aangebracht in rietkragen en groene oeverzones met een breedte van meer dan 2 meter;
  • b. geen onevenredige (blijvende) schade worden toegebracht aan ter plekke aanwezige rietkragen of andere met oever- en moerasplanten begroeide oevers;
  • c. toestemming wordt gevraagd bij de vaarwegbeheerder;
  • d. ingeval het geen openbare aanlegplaats betreft dient de eigenaar van de betreffende oeverzone en/of het water schriftelijk toestemming te verlenen;
  • e. de lengte van de steiger maximaal 2 meter en de breedte maximaal 1 meter bedraagt;
  • f. de steiger mag niet meer dan 0,75 meter boven de wateroppervlakte (streefpeil) uitsteken;
  • g. per steiger niet meer dan 2 afmeerpalen worden gerealiseerd met een onderlinge afstand van maximaal 4 meter;
  • h. de steiger 'onderloops' dient te zijn, hetgeen betekent dat het water onder de steiger en het plankier vrije doorloop moet hebben;
  • i. de steiger wordt aangelegd in combinatie met een natuurvriendelijke inrichting achter de steiger.
24.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, voor het aanleggen, aanmeren of als ligplaats innemen van woonschepen;
  • b. gebruik van de grond, daaronder begrepen wateren, ter plaatse van de aanduiding 'jachthaven' als ligplaats voor voor meer dan 40 recreatievaartuigen;
  • c. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voorzover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • d. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, als opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voertuigen, goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen.

Artikel 25 Wonen

25.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in een woning;
  • b. een recreatiewoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek', tevens voor het behoud en/of herstel van de karakteristieke waarde van bebouwing;
  • d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij', een zorgboerderij;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'speeltuin' een speeltuin;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 45.3 met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'beroep aan huis' maximaal 85 m2 van de vloeroppervlakte van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor beroep of bedrijf aan huis;
  • g. bestaande mantelzorgvoorzieningen;
  • h. stalling van caravans in bestaande (voormalige) bedrijfsgebouwen;
  • i. hobbymatige opslag ten behoeve van de woonfunctie, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hobbymaige opslag';
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. tuinen en erven;
  • l. paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • m. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • n. paardrijbakken voor het hobbymatig houden van paarden en/of pony's.
25.2 Bouwregels
25.2.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 25.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen in de vorm van woningen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde.
25.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. de woning, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'wonen' uitsluitend mag worden gebouwd ter plaatse van die aanduiding en dat vervangende nieuwbouw enof uitbreiding buiten die aanduiding niet is toegestaan;
  • b. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 25.2.3 en 25.2.4.
25.2.3 Woning en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van woningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' woningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding;
    • 2. voor de bepaling van het onder 1. genoemde maximum aantal middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak;
  • b. de voorgevel van de woning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn;
  • c. de inhoud van de woning bedraagt maximaal 1.000 m³, met dien verstande dat bestaande woningen met een grotere inhoud dan 1.000 m³ gedurende de planperiode éénmalig met maximaal 10% mogen worden vergroot;
  • d. de goot- en bouwhoogte van woningen bedraagt respectievelijk maximaal 6,5 en 9 meter;
  • e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal de oppervlakte zoals aangegeven in onderstaande tabel, met dien verstande dat:
    • 1. het perceel, voor maximaal 50% mag worden bebouwd;
    • 2. onder perceel wordt verstaan het bestemmingsvlak volgens de bestemming 'Wonen' en het eventuele direct daaraan grenzende bestemmingsvlak volgens de bestemming 'Tuin',
      Oppervlakte perceel:   Oppervlakte bijbehorende bouwwerken:  
      tot en met 500 m²   70 m²  
      tot en met 600 m²   75 m²  
      tot en met 700 m²   80 m²  
      tot en met 800 m²   85 m²  
      tot en met 900 m²   90 m²  
      tot en met 1.000 m²   95 m²  
      tot en met 1.100 m²   100 m²  
      tot en met 1.200 m²   105 m²  
      tot en met 1.300 m²   110 m²  
      tot en met 1.400 m²   115 m²  
      tot en met 1.500 m²   120 m²  
      meer dan 1.500 m²   125 m²  
  • f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter;
  • g. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd;

25.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 2 meter, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor 90% open zijn;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
    • 4. lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt;
  • b. per woning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de woning maximaal 40 meter bedraagt.
  • c. er is maximaal één paardrijbak toegestaan met een maximale oppervlakte van 20 x 40 meter.
25.3 Afwijken van de bouwregels
25.3.1 Sloop- bonusregeling

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 25.2.3 voor het bouwen van een grotere oppervlakte bijbehorende bouwwerken, mits overtollige bebouwing wordt gesloopt, met dien verstande dat:

  • a. de te slopen bebouwing op hetzelfde perceel ligt als het perceel waarop de bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd;
  • b. de te slopen bebouwing legaal aanwezig is;
  • c. maximaal 50% van de te slopen bebouwing mag worden teruggebouwd;
  • d. de maximaal volgens de tabel in artikel 25.2.3 toegestane oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken met maximaal 50% mag worden overschreden.
25.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek;
  • d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
25.5 Specifieke gebruiksregels
25.5.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. kamerverhuur;
  • b. mantelzorg;
  • c. kamperen;
  • d. woningsplitsing;
  • e. bedrijfsmatige opslag;
  • f. het gebruik van het perceel Bussereindseweg 42 voor woondoeleinden ('Wonen') met bijbehorende tuin/erf;
  • g. het bepaalde onder f. geldt niet indien en nadat is aangetoond dat ter plaatse geen sprake is van een bodeverontreiniging;
  • h. detailhandel;
  • i. evenementen;
  • j. seksinrichtingen;
  • k. ander gebruik dan gebruik voor hobbymatig opslag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hobbmatige opslag';
  • l. permanente bewoning van gebouwen, geen woning zijnde;
  • m. opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak;
  • n. buitenopslag voor de voorgevelrooilijn.

Artikel 26 Leiding - Brandstof

26.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Brandstof' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en),mede bestemd voor een hogedrukgastransportleiding met de daarbij behorende beschermingszones, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'hartijn leiding - gas' de hartlijn van de leiding voor gastransport is gelegen.

26.2 Bouwregels
26.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Leiding - Brandstof' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

26.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:
    • 1. bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de instandhouding, het beheer en onderhoud van de leidingen;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde om de schakelgebouwen, met een bouwhoogte van maximaal 2,5 meter;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding – brandstof' is het niet toegestaan om te bouwen binnen 4 meter van de hartlijn;
26.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 26.2 voor het bouwen van gebouwen in de andere bestemming, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  • b. de veiligheid van de leiding niet wordt geschaad;
  • c. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de desbetreffende leidingbeheerder.
26.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
26.4.1 Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Brandstof' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen;
  • c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
  • e. diepploegen;
  • f. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en daarme verband houdende constructies;
  • g. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.

26.4.2 Uitzondering

Het in artikel 26.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden die:

  • a. niet dieper gaan dan -0,4 meter beneden maaiveld;
  • b. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en);
  • c. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • e. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

26.4.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in artikel 26.4.1 wordt slechts verleend, mits:

  • a. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de functie van de gronden en de leidingen, zoals omschreven in artikel 26.1 niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • b. vooraf de beheerder van de leiding is gehoord.

Artikel 27 Leiding - Gas

27.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een hogedrukgastransportleiding met de daarbij behorende beschermingszones, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding – gas' de hartlijn van de leiding voor gastransport is gelegen'.

27.2 Bouwregels
27.2.1 Gebouwen

Op of in de voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

27.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:
    • 1. bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de instandhouding, het beheer en onderhoud van de leidingen;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
    • 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van hekwerken om de schakelgebouwen, met een bouwhoogte van maximaal 2,5 meter;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding – gas' is het niet toegestaan om te bouwen binnen een op de verbeelding aangegeven strook van 4 of 5 meter van de hartlijn;
27.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 27.2.1 ten behoeve van het bouwen van gebouwen, mits:

  • a. aangetoond wordt dat geen aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  • b. de veiligheid van de leiding niet wordt geschaad;
  • c. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de desbetreffende leidingbeheerder.
27.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
27.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen;
  • b. het aanleggen van watergangen, het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen;
  • c. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen;
  • d. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en daarme verband houdende constructies;
  • e. het aanbrengen, vellen en/of rooien van bomen en/of diepwortelende beplantingen.

27.4.2 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 27.4.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en);
  • c. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning mogen worden uitgevoerd.

27.4.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in 27.4.1 wordt slechts verleend, mits:

  • a. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de functie van de gronden en de leidingen, zoals omschreven in artikel 27.1 niet (kunnen) worden geschaad;
  • b. vooraf de beheerder van de leiding is gehoord.

Artikel 28 Leiding - Leidingstrook

28.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Leidingstrook' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor een buisleidingenstrook, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding – leidingstrook' de hartlijn van de leiding voor buisleidingentransport is gelegen.

28.2 Bouwregels
28.2.1 Gebouwen

Op of in de voor 'Leiding - Leidingstrook' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

28.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:
    • 1. bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de instandhouding, het beheer en onderhoud van de leidingen;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding – leidingstrook' is het niet toegestaan om te bouwen binnen 4 meter van de hartlijn;
28.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 28.2.1 ten behoeve van het bouwen van gebouwen, mits:

  • a. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  • b. de veiligheid van de leidingstrook niet wordt geschaad;
  • c. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de desbetreffende leidingbeheerder.
28.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
28.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Leiding - Leidingstrook' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen;
  • b. het aanleggen van watergangen, het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen;
  • c. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverharding;
  • d. het aanleggen van kabels en/of leidingen en daarmee verband houdende constructies;
  • e. het aanbrengen, vellen en/of rooien van bomen en/of diepwortelende beplantingen.

28.4.2 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 28.4.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leidingstrook;
  • c. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning mogen worden uitgevoerd.

28.4.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in 28.4.1 wordt slechts verleend, mits hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de functie van de gronden en de leidingstrook, zoals omschreven in artikel 28.1 niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;

Artikel 29 Leiding - Leidingstrook te vervallen

29.1 Bestemmingsomschrijving

ter plaatse van de voor 'Leiding - Leidingstrook te vervallen' bestemde gronden, vervalt de dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook'.

Artikel 30 Leiding - Pekel

30.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Pekel' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een pekelleiding, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding – pekel' de hartlijn van de leiding voor pekelransport is gelegen.

30.2 Bouwregels
30.2.1 Gebouwen

Op of in de voor 'Leiding - Pekel' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

30.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:
    • 1. bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de instandhouding, het beheer en onderhoud van de leidingen;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt en deze op minimaal 1,50 meter uit de lengte-as van de leiding worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding – pekel' is het niet toegestaan om te bouwen binnen 5 meter van de hartlijn;
30.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 30.2.1 ten behoeve van het bouwen van gebouwen, mits:

  • a. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  • b. de veiligheid van de leiding niet wordt geschaad;
  • c. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de desbetreffende leidingbeheerder.
30.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
30.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Leiding - Pekel' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen;
  • b. het aanleggen van watergangen, het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen;
  • c. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen,
  • d. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en daarme verband houdende constructies;
  • e. het aanbrengen, vellen en/of rooien van bomen en/of diepwortelende beplantingen.

30.4.2 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 30.4.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • c. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en);
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning mogen worden uitgevoerd.

30.4.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in 30.4.1 wordt slechts verleend, mits:

  • a. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de functie van de gronden en de leidingen, zoals omschreven in artikel 30.1 niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • b. vooraf de beheerder van de leiding is gehoord.

Artikel 31 Leiding - Riool

31.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor een rioolleiding, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding – riool' de hartlijn van de leiding voor riooltransport is gelegen.

31.2 Bouwregels
31.2.1 Gebouwen

Op of in de voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

31.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:
    • 1. bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de instandhouding, het beheer en onderhoud van de leidingen;
    • 2. erf- en terreinafscheidingen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding – riool' is het niet toegestaan om te bouwen binnen 2,50 meter van de hartlijn;
31.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 31.2.1 ten behoeve van het bouwen van gebouwen, mits:

  • a. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  • b. de veiligheid van de leiding niet wordt geschaad;
  • c. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de desbetreffende leidingbeheerder.
31.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
31.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen;
  • b. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverharding,
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en daarme verband houdende constructies;
  • d. heien of anderszins inbrengen van voorwerpen in de grond;
  • e. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • f. het aanbrengen, vellen en/of rooien van bomen en/of diepwortelende beplantingen.

31.4.2 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 31.4.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • c. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en);
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning mogen worden uitgevoerd.

31.4.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in artikel 31.4.1 wordt slechts verleend, mits:

  • a. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de functie van de gronden en de leidingen, zoals omschreven in artikel 31.1 niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • b. vooraf de beheerder van de leiding is gehoord.

Artikel 32 Waarde - Archeologie

32.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen zijn bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.

32.2 Bouwregels
  • a. Op of in de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mogen ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn, tenzij het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en alleen de bestaande fundering wordt benut en geen grondwerk wordt verricht dieper dan 0,40 meter onder maaiveld;
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'zeer hoge archeologische verwachtingswaarde' zijn bodemingrepen dieper dan 0,40 beneden maaiveld uitsluitend toegestaan nadat het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek;
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'hoge archeologische verwachtingswaarde' zijn bodemingrepen dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld uitsluitend toegestaan:
    • 1. indien het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m² en
    • 2. niet ligt binnen een straal van 50 meter van AMK-terreinen van hoge of zeer hoge archeologische waarden en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis;
    • 3. het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek;
  • d. Ter plaatse van de aanduiding 'middelhoge archeologische verwachtingswaarde' zijn bodemingrepen dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld uitsluitend toegestaan:
    • 1. indien het te verstoren gebied kleiner is dan 1.000 m² en
    • 2. niet ligt binnen een straal van 50 meter van AMK-terreinen van hoge of zeer hoge archeologische waarden en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis;
    • 3. het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek;
  • e. Ter plaatse van de aanduiding 'lage archeologische verwachtingswaarde' zijn bodemingrepen dieper dan 0,40 meter uitsluitend toegestaan:
    • 1. indien het te verstoren gebied kleiner is dan 5.000 m² en
    • 2. niet ligt binnen een straal van 50 meter van AMK-terreinen van hoge of zeer hoge archeologische waarden en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis;
    • 3. het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek;
  • f. Ter plaatse van de voor 'archeologisch waardevol gebied' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd:
    • 1. Binnen een wettelijk beschermd AMK-terrein zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) op grond van artikel 11 Monumentenwet 1988;
    • 2. Binnen een niet wettelijk beschermd AMK-terrein. tenzij het bevoegd gezag een selectiebesluit heeft genomen om het terrein vrij te geven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek.
32.3 Nadere eisen
  • a. Het bevoegd gezag kan binnen de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden nadere eisen stellen die betrekking kunnen hebben op de situering en uitvoering van bouwwerken en werkzaamheden, de inrichting en het gebruik van gronden. Het bevoegd gezag baseert nadere eisen op de resultaten van voorafgaand archeologisch onderzoek;
  • b. De nadere eisen zijn erop gericht om de archeologische waarden zoveel mogelijk in situ te behouden of zo weinig mogelijk aan te tasten;
  • c. Nadere eisen kunnen inhouden, dat de bodemverstorende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd onder begeleiding van een (senior) archeoloog. Nadere eisen kunnen ook inhouden dat amateurarcheologen de mogelijkheid moet worden geboden tijdens de bodemverstorende werkzaamheden waarnemingen te doen.
32.4 Afwijken van de bouwregels
  • a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 32.2, ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, danwel behouden kunnen worden door inpassing in het bouwplan;
  • b. Aan een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kunnen voorschriften worden verbonden tot:
    • 1. het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn:
      • alternatieven voor heiwerk;
      • het niet bouwen van kelders;
      • het aanbrengen van een beschermende bodemlaag;
      • andere voorzieningen met het doel om archeologische waarden zo weinig mogelijk te schaden;
    • 2. het doen van opgravingen door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie;
    • 3. het begeleiden van de activiteiten of het doen van waarnemingen bij de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden;
    • 4. het doen van waarnemingen door amateurarcheologen;
  • c. De vergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport van archeologisch onderzoek heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • d. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld onder a., kan het schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige. Het advies heeft betrekking op de volgende vragen:
    • 1. of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden;
    • 2. welke voorwaarden in de omgevingsverguinning dienen te worden gesteld.
32.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
32.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), ophogen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen van het waterpeil;
  • c. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • d. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • e. het aanleggen van bos of bomgaard, of het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • f. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • g. het aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur

32.5.2 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 32.5.1 is niet van toepassing:

  • a. op werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 0,40 meter onder het bestaande maaiveld;
  • b. op werkzaamheden in de bodem over een maximale oppervlakte van 30m2;
  • c. indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad en het bevoegd geza de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van het archeologisch onderzoek;
  • d. indien het archeologisch erfgoed zodanig zal worden behandeld dat conservering in de bodem is gewaarborgd;
  • e. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • f. indien objectief   wordt aangetoond dat de bodem al zodanig is verstoord door in het verleden uitgevoerde werkzaaamheden dat geen sprake meer is van archeologische verwachtingswaarde.

32.5.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in artikel 32.5.1 wordt slechts verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de aanwezige archeologische waarden worden door de uitvoering niet onevenredig aangetast danwel kunnen niet worden aangetast;
  • b. alvorens te beslissen kunnen burgemeester en wethouders advies inwinnen van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'zeer hoge archeologische verwachtingswaarde' zijn bodemingrepen dieper dan 0,40 beneden maaiveld uitsluitend toegestaan nadat het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'hoge archeologische verwachtingswaarde' zijn bodemingrepen dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld uitsluitend toegestaan:
    • 1. indien het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m² en
    • 2. niet ligt binnen een straal van 50 meter van AMK-terreinen van hoge of zeer hoge archeologische waarden en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis;
    • 3. het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'middelhoge archeologische verwachtingswaarde' zijn bodemingrepen dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld uitsluitend toegestaan:
    • 1. indien het te verstoren gebied kleiner is dan 1.000 m² en
    • 2. niet ligt binnen een straal van 50 meter van AMK-terreinen van hoge of zeer hoge archeologische waarden en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis;
    • 3. het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'lage archeologische verwachtingswaarde' zijn bodemingrepen dieper dan 0,40 meter uitsluitend toegestaan:
    • 1. indien het te verstoren gebied kleiner is dan 5.000 m² en
    • 2. niet ligt binnen een straal van 50 meter van AMK-terreinen van hoge of zeer hoge archeologische waarden en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis;
    • 3. het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek;
  • g. ter plaatse van de voor 'archeologisch waardevol gebied' aangewezen gronden zijn werken en/of werkzaamheden zoald bedoeld in artikel 32.5.1 niet toegestaan:
    • 1. Binnen een wettelijk beschermd AMK-terrein zonder of in afwijking van een vergunning van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) op grond van artikel 11 Monumentenwet 1988;
    • 2. Binnen een niet wettelijk beschermd AMK-terrein. tenzij het bevoegd gezag een selectiebesluit heeft genomen om het terrein vrij te geven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek.
32.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door:

  • a. op de verbeelding de bestemming 'Waarde - Archeologie' en de daarbij behorende aanduidingen zoals aangegeven in artikel 46.11, 46.17, 46.15 en 46.1, geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is;
  • b. op gronden alsnog de bestemming 'Waarde - Archeologie' en een of meer van de in artikel 46.11, 46.17, 46.15 of 46.1 genoemde aanduidingen te leggen, indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op de ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 33 Waarde - Beschermd dorpsgezicht

33.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende cultuurhistorische, beeldkwalitatieve, bouwkundige of ruimtelijke waarden.

33.2 Bouwregels
33.2.1 Algemeen

Op de voor 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden mag slechts worden gebouwd indien en voor zover dit nodig en verenigbaar is met het beheer, de ontwikkeling en het behoud van de karakteristiek van het beschermd dorpsgezicht en het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing, met dien verstande dat:

  • a. geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundig beeld;
  • b. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming;
  • c. het beschermd dorpsgezicht en het cultuurhistorisch evenwicht niet wordt aangetast.
33.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
33.3.1 Vergunningplichtig

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' of de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument', zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het opslaan, deponeren, lozen en/of storten van al dan niet afgedankte en/of aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en/of producten, alsmede het aanleggen en/of inrichten van opslag-, stort- en/of bergplaatsen;
  • b. het rooien van bomen, hagen en andere beplanting, anders dan nodig is voor de uitvoering van een rechtsgeldige bouwvergunning;
  • c. het verwijderen, wijzigen of aanleggen van verharding c.q. bestrating;
  • d. het dempen van beken, sloten en/of andere waterlopen;
  • e. het afgraven en/of ophogen van gronden;
  • f. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse leidingen.
  • g. het verven van gevels, ramen, deuren, kozijnen, luiken, goten en/of sieronderdelen, ter vervanging van de bestaande verflaag;
  • h. het wijzigen en/of herstellen van gevels, ramen, deuren, kozijnen, luiken, goten, sieronderdelen en/of dakbedekking, voor zover daarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist;
  • i. het verwijderen en/of het aanbrengen van gevelpleisterwerk.

33.3.2 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 33.3.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. het verven van gevels, ramen, deuren, kozijnen, luiken, goten en/of sieronderdelen, indien het kleurgebruik niet wijzigt;
  • c. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken en/of werkzaamheden die strekken tot behoud of herstel van de cultuurhistorische waarde van gronden en bouwwerken;
  • e. werken en/of werkzaamheden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument';
  • f. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning mogen worden uitgevoerd;
  • g. werken of werkzaamheden waarbij gevolg wordt gegeven aan een aanschrijving van burgemeester en wethouders.

33.3.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in artikel 33.3.1 wordt slechts verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

33.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
33.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen ouder dan 50 jaar geheel of gedeeltelijk te slopen.

33.4.2 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 33.4.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • c. werken en/of werkzaamheden die strekken tot behoud of herstel van de cultuurhistorische waarde van gronden en bouwwerken;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning mogen worden uitgevoerd.

33.4.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in artikel 33.4.1 wordt slechts verleend:

  • a. nadat de gemeentelijke monumentencommissie is gehoord;
  • b. indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in artikel 33.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

33.4.4 Voorschriften omgevingsvergunning

Indien de sloopwerkzaamheden direct of indirect de verstoring van de beeldkwaliteit van het dorpsgezicht en de daartoe behorende bouwwerken in cultuurhistorische of bouwkundige zin tot gevolg hebben, kan het bevoegd gezag aan de in artikel 33.4.1 genoemde vergunning de volgende voorwaarden verbinden:

  • a. voorwaarde dat wordt gesloopt op de wijze die door of vanwege het bevoegd gezag tijdens de sloop wordt aangegeven;
  • b. voorwaarde dat de sloop wordt begeleid door een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige op het gebied van monumenten en cultuurhistorische waarden, aan wiens instructies tijdens de sloop gevolg dient te worden gegeven.

Artikel 34 Waarde - Ecologische Hoofdstructuur te vervallen

34.1 Bestemmingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'Waarde - Ecologische Hoofdstructuur te vervallen' verval de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologische Hoofdstructuur'.

Artikel 35 Waarde - Natura 2000

35.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Natura 2000' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de op en/of in deze gronden voorkomende ecologische waarden.

35.2 Bouwregels
35.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

35.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van deze bestemming, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt.

35.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
35.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Natura 2000' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen;
  • b. het aanleggen van watergangen, het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen;
  • c. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverharding, het aanleggen van kabels en/of leidingen en daarmee verband houdende constructies;
  • d. het aanbrengen, vellen en/of rooien van bomen en/of diepwortelende beplantingen.

35.3.2 Uitzondering

Het bepaalde in artikel 35.3.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning mogen worden uitgevoerd;
  • d. werken of werkzamaheden in de vorm van het planten en/of verwijderen van bomen op percelen welke op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan legaal in gebruik zijn voor de boom- of sierteelt, danwel waarvoor na inwerkingtreding van dit bestemingsplan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 35.3.1 is verleend.

35.3.3 Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld in artikel 35.3.1 wordt slechts verleend, indien:

  • a. door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de ecologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, of de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  • b. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen verstoring, verslechtering of significant nadelige effecten heeft op de instandhoudings- en uitbreidingsdoelstellingen van aanwezige Natura-2000 gebieden.

Artikel 36 Waarde - Provinciale ontwikkelingszone groen te vervallen

36.1 Bestemmingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'Waarde - Provinciale ontwikkelingszone groen te vervallen' vervalt de dubbelbestemming 'Waarde - Provinciale Ontwikkelingszone Groen'.

Artikel 37 Waterstaat - Beschermingszone watergang

37.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de waterloop.

37.2 Bouwregels

Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de genoemde bestemming worden opgericht.

37.3 Specifieke gebruiksregels

Op de gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' is de Keur van het Waterschap van toepassing.

37.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' van de verbeelding verwijderen indien uit overleg met de waterbeheerder blijkt dat de bescherming overbodig is geworden.

Artikel 38 Waterstaat - beschermingszone waterkering

38.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - beschermingszone waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming, het beheer en het onderhoud van de waterkering.

38.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten behoeve van de waterstaat en/of waterkering met een maximale bouwhoogte van 4 meter.

38.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het verbod in artikel 38.2 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits de bouw verenigbaar is met de belangen van de waterstaat en/of waterkering en de beheerder van de waterkering hiervoor toestemming heeft verleend.

38.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
38.4.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • b. het indrijven van voorwerpen in de grond zoals damwanden, heipalen, reclamezuilen, lichtmasten, verkeersborden, verkeerssignaleringen enz.;
  • c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • e. het vellen of rooien van houtgewas.

38.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 34.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;
  • b. op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn, dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagd vergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.

38.4.3 Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 38.4.2 zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan, hetzij direct, hetzij indirect, te verwachte gevolgen de in de aanhef van dit artikel omschreven doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning wordt de beheerder van de waterkering gehoord.

Artikel 39 Waterstaat - Meanderzone

39.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Meanderzone' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor primair water dat door natuurlijke verplaatsing zijn bedding kan verleggen.

39.2 Bouwregels

Op de voor 'Waterstaat - Meanderzone' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de genoemde bestemming worden opgericht.

39.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 39.2 ten behoeve van het oprichten van bouwwerken binnen de beschermingszone, met dien verstande dat:

  • a. het belang van de meanderzone niet onevenredig wordt aangetast;
  • b. bebouwing mogelijk is op grond van de onderliggende bestemming;
  • c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, advies wordt ingewonnen bij de waterbeheerder zijnde het waterschap.
39.4 Specifieke gebruiksregels

Op de gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Meanderzone' is de Keur van het Waterschap van toepassing.

Artikel 40 Waterstaat - Rivierbed

40.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van het waterbergend rivierbed.

40.2 Bouwregels
40.2.1 Gebouwen

Op of in de voor 'Waterstaat - Rivierbed' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

40.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op of in de voor 'Waterstaat - Rivierbed' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van deze bestemming, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt.

40.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 40.2 ten behoeve van het bouwen van gebouwen, met dien verstande dat:

  • a. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van het bouwwerk dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd wordt;
  • b. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit;
  • c. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van het bouwwerk, dat:
    • 1. de waterstandsverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
    • 2. de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert;
  • d. de resterende waterstandeffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd, waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn;
  • e. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij Rijkswaterstaat. .
40.4 Wijzigingsbevoegdheid

In afwijking van het bepaalde in de afzonderlijke artikelen kan op de voor 'Waterstaat - Rivierbed' aangewezen gronden uitsluitend gebruik worden gemaakt van de in de afzonderlijke artikelen opgenomen wijzigingsbevoegdheden indien daarbij een of meer van de volgende activiteiten worden mogelijk gemaakt:

  • a. de aanleg of wijziging van waterstaatkundige kunstwerken;
  • b. de verwezenlijking van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- of recreatievaart;
  • c. de verwezenlijking en het beheer van natuurterreinen;
  • d. de verwezenlijking van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden;
  • e. de verwezenlijking van voorzieningen van groot openbaar belang die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
  • f. activiteiten van een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
  • g. een functieverandering binnen de bestaande bebouwing;
  • h. andere bestemmingen dan bedoeld onder e, f en g, mits daarbij activiteiten mogelijk worden gemaakt die per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een vanuit rivierkundig oogpunt bezien zo gunstig mogelijke locatie;
  • i. aan het bepaalde onder h wordt slechts toepassing gegeven voor zover in het wijzigingsplan is vastgelegd welke maatregelen worden genomen die per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren.

Artikel 41 Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed

41.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. riviergebonden activiteiten;
  • b. het waarborgen van een veilige afvoer van en berging van rivierwater onder normale en maatgevende hoogwaterstanden, sediment en ijs;
  • c. de waterhuishouding;
  • d. de aanleg, het onderhoud en de verbetering van de waterkering;
  • e. het vergroten van de afvoercapaciteit.

Onder riviergebonden activiteiten wordt verstaan:

  • a. de aanleg of wijziging van de waterstaatkundige kunstwerken;
  • b. de realisatie van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart;
  • c. de bouw of wijziging van waterkrachtcentrales;
  • d. de vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer over de rivier;
  • e. de realisatie en het beheer van natuurterreinen;
  • f. de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met waterrecreatie zijn verbonden;
  • g. de winning van oppervlaktedelfstoffen.
41.2 Bouwregels

Op of in de voor 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

41.3 Afwijken van de bouwregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het waterbergend en stroomvoerend vermogen van het gebied kan, mits gehoord Rijkswaterstaat, bij het verlenen van een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 41.2 ten behoeve van:

  • a. riviergebonden activiteiten;
  • b. niet-riviergebonden activiteiten;
  • c. activiteiten ten behoeve van rivierbeheer of rivierverruiming
  • d. rivierkundige bouwwerken van ondergeschikt belang;
  • e. een eenmalige uitbreiding van ten hoogste 10 % van de bestaande bebouwing, mede conform de onderliggende bestemming,

met dien verstande dat slechts een omgevingsvergunning wordt verleend:

  • a. voor riviergebonden bouwwerken, indien:
    • 1. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van het bouwwerk dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft;
    • 2. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier;
    • 3. er sprake is van een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
    • 4. er sprake is van een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert;
    • 5. de resterende waterstandeffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.
  • b. voor niet-riviergebonden activiteiten, indien:
    • 1. het een functieverandering binnen de bestaande bebouwing betreft of;
    • 2. het een activiteit betreft die per saldo meer ruimte voor de rivier oplevert op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie of;
    • 3. het een groot openbaar belang betreft en het bouwwerk niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd of;
    • 4. er een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang is voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en het bouwwerk redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd;
    • 5. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van het bouwwerk dat het veilig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft;
    • 6. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier;
    • 7. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van het bouwwerk dat de waterstandverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
    • 8. er sprake is van een zodanige situering van het bouwwerk dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert;
    • 9. en onder de voorwaarde dat:
      • de resterende waterstandeffecten duurzaam worden gecompenseerd of;
      • de afname van het bergend vermogen duurzaam wordt gecompenseerd of;
      • de rivierverruimende maatregelen worden genomen,

waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gewaarborgd zijn;

  • c. voor rivierkundige bouwwerken van ondergeschikt belang, activiteiten ten behoeve van rivierbeheer of rivierverruiming en voor een eenmalige uitbreiding van ten hoogste 10 % van de bestaande bebouwing indien:
    • 1. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig en doelmatig functioneren van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft;
    • 2. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier;
    • 3. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
    • 4. er sprake is van een zodanige situering van de activiteit dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert.
41.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en opstallen wordt in elk geval verstaan het gebruik voor zowel riviergebonden als niet-riviergebonden activiteiten.

41.5 Afwijken van de gebruiksregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het waterbergend en stroomvoerend vermogen van het gebied kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 41.4 ten behoeve van zowel riviergebonden als niet-riviergebonden activiteiten, met dien verstande dat slechts een omgevingsvergunning wordt verleend:

  • a. voor riviergebonden activiteiten, indien:
    • 1. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft;
    • 2. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit;
    • 3. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
    • 4. er sprake is van een zodanige situering van de activiteit dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert;
    • 5. de resterende waterstandeffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn;
  • b. voor niet-riviergebonden activiteiten, indien:
    • 1. het een functieverandering binnen de bestaande bebouwing betreft of;
    • 2. het een activiteit betreft die per saldo meer ruimte voor de rivier oplevert op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie of;
    • 3. het de verwezenlijking van voorzieningen van groot openbaar belang betreft en het bouwwerk niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd of;
    • 4. er een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang is voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en het bouwwerk redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd;
    • 5. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig en doelmatig functioneren van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft;
    • 6. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier;
    • 7. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
    • 8. er sprake is van een zodanige situering van de activiteit dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert;
    • 9. en onder voorwaarde dat:
      • de resterende waterstandseffecten duurzaam worden gecompenseerd of;
      • de afname van het bergend vermogen duurzaam wordt gecompenseerd of;
      • de rivierverruimende maatregelen worden genomen,

waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gewaarborgd zijn.

Artikel 42 Waterstaat - Waterkering

42.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn in eerste instantie bestemd voor het onderhoud en de instandhouding van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering en daarnaast voor de overige daar voorkomende bestemmingen. Op deze gronden is de Keur van het waterschap van toepassing.

42.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten behoeve van dijken, kaden en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering, met dien verstande dat:

  • a. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 10 m.;
  • b. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m.
42.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 42.2 ten behoeve van het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de voor deze gronden geldende onderliggende bestemmingen, mits daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van dijken, kaden en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering en ter zake vooraf advies van de waterbeheerder is ingewonnen.

42.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
42.4.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden op de in artikel 42.1 bedoelde gronden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het wijzigen van het profiel van de bodem en de dijken;
  • b. het aanleggen of verharden van wegen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het vellen of rooien van het houtgewas of het verrichten van werkzaamheden, welke de dood of ernstige beschadiging van het houtgewas ten gevolge kunnen hebben;
  • d. het bebossen of het aanleggen van kruitachtige of houtachtige gewassen op gronden die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan niet met een dergelijke vegetatie begroeid waren;
  • e. het aanleggen van leidingen en andere ondergrondse constructies;
  • f. het graven van sleuven.

42.4.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 41.4.1 is niet van toepassing:

  • a. op werken of werkzaamheden waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend;
  • b. op werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend;
  • c. op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en beheer betreffen.

42.4.3 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in sub a mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 43 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 44 Algemene bouwregels

44.1 Ondergronds bouwen
44.1.1 Ondergrondse werken

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

44.1.2 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens de in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, dan wel onder een bestaand hoofdgebouw/bijbehorend bouwwerk;
  • b. het oppervlak van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil;
  • c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil;
  • d. bij het berekenen van de blijkens de verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte en de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet in aanmerking genomen;
  • e. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan indien door middel van onderzoek is aangetoond dat de uitvoering van het bouwwerk geen afbreuk doet aan archeologische waarden.

44.1.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 44.1.2 onder c. voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een diepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarde dat:

  • a. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
  • b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
44.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen maximaal 1 meter bedraagt.

44.3 Parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van de functie van gebouwen en gronden wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering welke is opgenomen in het 'Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2012-2015', en wordt voldaan aan de Parkeerbijdrageregeling Beesel 2013. Indien dit plan en de normering ten aanzien van parkeren daarin en/of deze regeling, gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient rekening te worden gehouden met deze wijziging.

44.4 Algemene regels over bestaande afstanden en andere maten en over bestaand gebruik
44.4.1 Maximale maatvoering

Indien afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan op grond van hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.

44.4.2 Minimale maatvoering

In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan minder bedragen dan op grond van hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

44.4.3 Heroprichting

In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in 44.4.1 en 44.4.2 uitsluitend van toepassing indien dit geschiedt op dezelfde plaats.

Artikel 45 Algemene gebruiksregels

45.1 Algemeen gebruiksverbod
  • a. Het is verboden de gronden en bouwwerken in dit bestemmingsplan te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en);
  • b. Als strijdig gebruik als bedoeld onder a. wordt niet beschouwd het bestaand gebruik van grond en gebouwen voor activiteiten waarvoor volgens deze regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan, uitsluitend indien wordt voldaan aan de voorwaarden bij de betreffende afwijkingsbevoegdheid.
45.2 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  • b. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  • c. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens;
  • d. als opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden.
45.3 Beroep of bedrijf aan huis

Een beroep of bedrijf aan huis, als opgenomen in het 'Overzicht beroep of bedrijf aan huis' (bijlage bij deze regels) of hiermee naar aard en omvang gelijk te stellen beroepen en bedrijven, wordt geacht in overeenstemming te zijn met:

en is toegestaan, met dien verstande dat:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft;
  • b. degene die gebruiker van de woning is tevens degene is die het beroep of bedrijf aan huis uitoefent;
  • c. maximaal 50 m² van de vloeroppervlakte van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor beroep of bedrijf aan huis;
  • d. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert c.q. geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt;
  • e. het gebruik geen dusdanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft welke kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • f. detailhandel in de vorm van internetverkoop slechts is toegestaan indien:
    • 1. er geen uitstalling ten verkoop plaatsvindt;
    • 2. de te verkopen producten niet ter plaatse bezichtigd en afgehaald kunnen worden;
    • 3. er geen reclame-uitingen op het perceel worden aangebracht;
  • g. er geen buitenopslag plaatsvindt;
  • h. reclame-uitingen ten dienste van het beroep of bedrijf aan huis beperkt blijven tot het plaatsen van een bord met als maximale afmetingen 1 meter x 0,5 meter aan de voor- of zijgevel of in de voor- of zijtuin op een hoogte van maximaal 2 meter. Neon- of andere lichtreclame is in dit kader niet toegestaan.
45.4 Caravanstalling

Het gebruik van bestaande (voormalige) bedrijfsgebouwen voor het stallen van caravans is toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit binnen de bestemmingen 'Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Niet grondgebonden', 'Agrarisch - Paardenhouderij' en 'Wonen', met dien verstande dat:

  • a. de stalling uitsluitend in bestaande (voormalige) bedrijfsgebouwen mag worden ondergebracht;
  • b. de stalling uitsluitend is toegestaan in gesloten bebouwing en niet in kassen;
  • c. uitsluitend stalling van caravans is toegestaan. Stalling van auto's en/of boten of andere vervoermiddelen of werktuigen van derden is niet toegestaan;
  • d. reparatie- en/of onderhoudswerkzaamheden aan gestalde caravans niet is toegestaan.
45.5 Kleinschalig kamperen

Verblijfsrecreatie in de vorm van kleinschalig kamperen is toegestaan binnen de bestemmingen 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Niet grondgebonden' en 'Agrarisch - Paardenhouderij', met dien verstande dat:

  • a. het totaal aantal kampeermiddelen op het kampeerterrein maximaal 15 bedraagt;
  • b. stacaravans, chalets of trekkershutten niet zijn toegestaan;
  • c. er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is met afschermende randbeplanting zoals genoemde onder d.;
  • d. het kampeerterrein voldoende landschappelijk wordt ingepast door afschermende randbeplanting:
    • 1. met landschappelijk karakter;
    • 2. ter breedte van minimaal 5 meter;
    • 3. bestaande uit opgaande houtsoorten van gebiedseigen beplanting;
  • e. sanitaire en andere kampeervoorzieningen uitsluitend mogen worden gerealiseerd in bestaande gebouwen;
  • f. bebouwing ten behoeve van het kampeerterrein uitsluitend mag worden gebruikt voor kleinschalige recreatiedoeleinden voor de eigen kampeergasten;
  • g. tussen de kampeermiddelen een onderlinge afstand dient te worden aangehouden van minimaal 3 meter.
45.6 Verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten

Verkoop van zelfvoortgebrachte en/of streekeigen producten is toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit binnen de bestemmingen 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Niet grondgebonden' en 'Agrarisch - Paardenhouderij' tot een maximale oppervlakte van 25% van het vloeroppervlak van de totale bestaande bebouwing, tot maximaal 100 m².

Artikel 46 Algemene aanduidingsregels

46.1 archeologisch waardevol gebied
46.1.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'archeologisch waardevol gebied' zijn de gronden tevens bestemd voor instandhouding van de archeologische waarden van AMK-terreinen;

46.2 bebouwingscluster
46.2.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscluster' zijn de gronden tevens bestemd als een bebouwingscluster.

46.3 bebouwingslint
46.3.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingslint' zijn de gronden tevens bestemd als een bebouwingslint.

46.4 beekdal
46.4.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'beekdal' zijn de gronden tevens bestemd voor instandhouding van beekdalen.

46.5 bos en natuur
46.5.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'bos en natuur' zijn de gronden tevens bestemd voor instandhouding en/of herstel van bos en natuur.

46.6 cultuurhistorie Meerlebroek
46.6.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorie Meerlebroek' zijn de gronden tevens bestemd voor behoud en/of herstel van de historisch-geografische waarde van het gebied.

46.6.2 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats, de afmetingen en de verschijningsvorm van bebouwing en de inrichting van gronden en opstallen:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de historisch-geografische waarde;
  • b. in het belang van het behoud, versterking en/of herstel van de historisch-geografische waarde.

46.6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden
  • a. Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

    • 1. het wijzigen van de verkaveling van gronden;
    • 2. het aanpassen van de erfinrichting;
    • 3. het verwijderen van beplanting;
    • 4. het aanbrengen van beplanting.
  • b. Uitzondering.

Het verbod als bedoeld onder a. geldt niet voor het uitvoeren van:

    • 1. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn danwel het normale onderhoud en beheer betreffen;
    • 2. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan in werking treedt, in uitvoering zijn;
    • 3. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
    • 4. werken en/of werkzaamheden in de vorm van het planten en/of verwijderen van bomen en struiken op percelen welke op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan legaal in gebruik zijn voor de boom- of sierteelt, danwel waarvoor na inwerkingtreding van dit bestemingsplan een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. is verleend.
  • c. Afwegingskader.

De vergunning als bedoeld onder a.wordt slechts verleend indien:

    • 1. door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de historisch-geografische waarde van het gebied niet onevenredig wordt verkleind;
    • 2. de werken en/of werkzaamheden mede zijn gericht op het behoud, het versterken of herstel van de voor het gebied karakteristieke structuren, landgebruik, watersystemen, wegen en beplanting.
46.7 cultuurhistorie Rijkel
46.7.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorie Rijkel' zijn de gronden tevens bestemd voor behoud en/of herstel van de cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren in het buurtschap Rijkel.

46.7.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen gelden de volgende regels:

  • a. het aantal bouwlagen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal bouwlagen, met dien verstande dat bij voorkeur wordt gebouwd in één bouwlaag;
  • b. gebouwen dienen te worden voorzien van een kap;
  • c. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de bestaande goot- en bouwhoogte;

46.7.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats, de afmetingen en de verschijningsvorm van bebouwing en de inrichting van gronden en opstallen:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de bestaande openheid die bijdraagt aan het waardevolle agrarische karakter van het gebied;
  • b. in het belang van het behoud, versterking en/of herstel van de streekeigen kenmerken van de karakteristieke bebouwing, waarbij dient zoveel mogelijk rekening dient te worden gehouden met de bestaande karakteristiek van de hoofdvorm, nokrichting en materiaalgebruik.

46.7.4 Specifieke gebruiksregels

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. verandering van het wegen- en padenpatroon, bestaande uit de Kerkweg, Klerkenhofweg, Rijkel, Donderbergweg, Gubbelsweg, Caeffertweg, Bovenste Solbergweg, Sint Antoniusstraat en Vreebergweg;
  • b. verandering van het bestaande dwarsprofiel van de onder a. genoemde wegen;
  • c. het verharden van bestaande onverharde wegen;
  • d. het wijzigen van de bestaande kavelrichting.

46.8 geluidzone - industrie
46.8.1 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' mogen geen geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd.

46.8.2 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 46.8.1 ten behoeve van het bouwen van geluidgevoelige objecten, met dien verstande dat de geluidbelasting vanwege industrielawaai op de gevels van de te realiseren geluidgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan de daarvoor geldende voorkeurgrenswaarde of een verleende hogere grenswaarde.

46.9 geluidzone - spoor
46.9.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - spoor' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de geluidbelasting van de spoorweg.

46.9.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag geen nieuw geluidgevoelig gebouw worden gebouwd.

46.9.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 46.9.2 voor het bouwen van nieuwe geluidgevoelige gebouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits de geluidbelasting vanwege de spoorweg aan de gevels van deze geluidgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

46.10 groene buffer
46.10.1 Aanduidingsomschrijving

ter plaatse van de aanduiding 'groene buffer' zijn de gronden tevens bedoeld voor de instandhouding van de groene buffer.

46.11 hoge archeologische verwachtingswaarde
46.11.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'hoge archeologische verwachtingswaarde' zijn de gronden tevens bestemd voor voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde;

46.12 karakteristiek
46.12.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' zijn de gronden tevens bestemd voor het behouden en/of herstel van de karakteristieke waarde van gemeentelijke monumenten.

46.12.2 Instandhoudingsregels
  • a. Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen;
  • b. Het is verboden zonder een omgevingsvergunning:
    • 1. een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
    • 2. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;
  • c. Het verbod en de vergunningsplicht als bedoeld onder b. gelden niet indien door burgemeester en wethouders nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd;
  • d. Een omgevingsvergunning voor een monument met een religieuze bestemming wordt alleen verleend in overeenstemming met de eigenaar indien en voorzover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn;
  • e. Een vergunning als bedoeld onder b. wordt slechts verleend:
    • 1. nadat de monumentencommissie heeft geadviseerd omtrent de aanvraag om vergunning. Daarbij gelden de volgende regels:
      • het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning aan de monumentencommissie;
      • de monumentencommissie brengt binnen 8 weken na de datum van verzending van het afschrift schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag;
    • 2. indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet, waarbij het bevoegd gezg rekening houdt met het gebruik van het monument;
  • f. Een vergunning als bedoeld onder b. kan worden ingetrokken indien:
    • 1. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
    • 2. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen.
46.13 kernrandzone
46.13.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'kernrandzone' zijn de gronden tevens bestemd als een kernrandzone.

46.14 kleinschalig agrarisch gebied
46.14.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied' zijn de gronden tevens bestemd voor de instandhouding van het kleinschalig agrarisch gebied.

46.15 lage archeologische verwachtingswaarde
46.15.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'lage archeologische verwachtingswaarde' zijn de gronden tevens bestemd voor gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde.

46.16 landgoed
46.16.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'landgoed' zijn de gronden tevens bedoeld voor de instandhouding van het landgoed.

46.17 middelhoge archeologische verwachtingswaarde
46.17.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'middelhoge archeologische verwachtingswaarde' zijn de gronden tevens bestemd voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde;

46.18 milieuzone - stiltegebied
46.18.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - stiltegebied' geldt een natuurlijk heersend geluidsniveau van 40 dB(A). Er zijn binnen de aanduiding geen activiteiten toegestaan die het geluidsniveau structureel aantasten, tenzij hiervoor een ontheffing is verleend volgens de Omgevingsverordening Limburg.

46.19 milieuzone - stiltegebied te vervallen
46.19.1 Aanduidingsomschrijving

ter plaatse van de voor 'milieuzone - stiltegebied te vervallen' bestemde gronden, vervalt de aanduiding 'milieuzone - stiltegebied'.

46.20 open agrarisch gebied
46.20.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'open agrarisch gebied' zijn de gronden tevens bestemd voor de instandhouding van het open agrarisch gebied.

46.21 overige zone - bronsgroene landschapszone te vervallen
46.21.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bronsgroene landschapszone te vervallen' vervalt de aanduiding 'overige zone - bronsgroene landschapszone'.

46.22 overige zone - gebied waar hoogzitten niet zijn toegestaan
46.22.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gebied waar hoogzitten niet zijn toegestaan' is het plaatsen van tijdelijke hoogzitten niet toegestaan.

46.23 overige zone - goudgroene natuurzone te vervallen
46.23.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - goudgroene natuurzone te vervallen' vervalt de aanduiding '. 'overige zone - goudgroene natuurzone'.

46.24 overige zone - groenblauwe mantel
46.24.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' zijn de gronden tevens bestemd voor behoud en of versterking van de kernkwaliteiten binnen de 'Groenblauwe mantel' volgens de 'Provinciale Omgevingsvisie Limburg'.

46.24.2 Bouwregels

46.24.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van lid 46.24.2 sub a., voor het bouwen van bouwwerken welke zijn toegestaan volgens de onderliggende bestemmingen, niet zijnde de in lid 46.24.2 sub b. genoemde bestemmingen, mits:

  • a. verzekerd is dat de in het gebied voorkomende kernkwaliteiten voldoende worden beschermd en/of hersteld, danwel -bij aantasting van die kernkwaliteiten- worden gecompenseerd;
  • b. indien het bevoegd gezag (Provincie Limburg) daarover positief heeft geadviseerd.

46.24.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

46.24.4.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  • b. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders;
  • c. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • d. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  • e. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • f. het dempen van sloten of greppels;
  • g. het planten van bomen en/of struiken;
  • h. het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen);
  • i. het aanbrengen van tijdelijke lage tunnels en een ondergrond voor containervelden.

46.24.4.2 Uitzonderingen

Het in lid 45.24.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden:

46.24.4.3 Afwegingskader

Een in lid 46.24.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend:

  • a. indien verzekerd is dat de in het gebied voorkomende kernkwaliteiten voldoende worden beschermd en/of hersteld, danwel -bij aantasting van die kernkwaliteiten- worden gecompenseerd;
  • b. indien het bevoegd gezag (Provincie Limburg) daarover positief heeft geadviseerd.
46.25 overige zone - herziening planregels

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - herziening planregels' wordt het plangebied begrensd waarop de herziening van de regels betrekking heeft.

46.26 overige zone - kleinschalig agrarisch gebied te vervallen
46.26.1 Aanduidingsomschrijving

ter plaatse van de voor 'overige zone - kleinschalig agrarisch gebied te vervallen' bestemde gronden, vervalt de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied'.

46.27 overige zone - lage archeologische verwachtingswaarde te vervallen
46.27.1 Aanduidingsomschrijving

ter plaatse van de voor 'overige zone - lage archeologische verwachtingswaarde te vervallen' bestemde gronden, vervalt de aanduiding 'lage archeologische verwachtingswaarde'.

46.28 overige zone - natuurnetwerk
46.28.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk' zijn de gronden tevens bestemd voor behoud en of versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden binnen het 'Natuurnetwerk' volgens de 'Provinciale Omgevingsvisie Limburg'.

46.28.2 bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk' niet worden gebouwd.

In afwijking van het bepaalde onder a. is het toegestaan om bouwwerken te bouwen die zijn toegestaan op grond van de onderliggende bestemmings- en/of bouwvlakken volgens de bestemmingen 'Agrarisch - Agrotoerisme', 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Niet grondgebonden', 'Agrarisch - Paardenhouderij', 'Bedrijf', 'Horeca', 'Maatschappelijk', 'Natuur - Landgoed 1', 'Natuur - Landgoed 2', 'Recreatie', 'Recreatie - Verblijfsrecreatie', 'Sport', 'Tuin' en 'Wonen'.

46.28.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

46.28.3.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven);
  • b. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders;
  • c. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • d. het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling);
  • e. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • f. het dempen van sloten of greppels;
  • g. het planten van bomen en/of struiken;
  • h. het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen);
  • i. het aanbrengen van tijdelijke lage tunnels en een ondergrond voor containervelden.

46.28.3.2 Uitzonderingen

Het in lid 46.28.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden:

46.28.3.3 Afwegingskader

Een in lid 46.85.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend:

  • a. indien verzekerd is dat de in het gebied voorkomende wezenlijke kenmerken en waarden voldoende worden beschermd en/of hersteld, danwel -bij aantasting van die kenmerken en/of waarden- worden gecompenseerd;
  • b. indien het bevoegd gezag (Provincie Limburg) daarover positief heeft geadviseerd.
46.29 overige zone open agrarisch gebied te vervallen
46.29.1 Aanduidingsomschrijving

ter plaatse van de voor 'overige zone open agrarisch gebied te vervallen' bestemde gronden, vervalt de aanduiding 'open agrarisch gebied'.

46.30 overige zone - waterstaat - rivierbed te vervallen
46.30.1 Aanduidingsomschrijving

ter plaatse van de voor 'overige zone - waterstaat - rivierbed te vervallen' bestemde gronden, vervalt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Rivierbed'.

46.31 overige zone - waterstaat - stroomvoerend deel rivierbed te vervallen
46.31.1 Aanduidingsomschrijving

ter plaatse van de voor 'overige zone - waterstaat - stroomvoerend deel rivierbed te vervallen' bestemde gronden, vervalt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed'.

46.32 reconstructiewetzone - extensiveringsgebied te vervallen
46.32.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied te vervallen' vervalt de aanduiding 'reconstrutiewetzone - extensiveringsgebied'.

46.33 reconstructiewetzone - verwevingsgebied te vervallen
46.33.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied te vervallen' vervalt de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'.

46.34 recreatieve ontwikkelingszone
46.34.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiging 'recreatieve ontwikkelingszone' zijn de gronden tevens bestemd als recreatieve ontwikkelingszone.

46.35 rivierdal
46.35.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'rivierdal' zijn de gronden tevens bedoeld voor de instandhouding van het rivierdal.

46.36 specifieke bouwaanduiding - monument

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument' zijn de gronden tevens bestemd voor het behouden en/of herstel van de monumentale waarde van bebouwing. Op deze gronden is de Monumentenwet 1988 van toepassing.

46.37 veiligheidszone - leiding
46.37.1 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - leiding' mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd.

46.38 vrijwaringszone - molenbiotoop
46.38.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn de gronden tevens bestemd voor het beschermen van:

  • a. de functie als werktuig van de beltmolen 'De Grauwe Beer';
  • b. de waarde van de onder a. genoemde molen als landschapsbepalend element.

46.38.2 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden de volgende regels:

  • a. binnen een straal van 100 m1, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht, hoger dan de hoogte van de belt van de molen, zijnde 3,20 m;
  • b. binnen een straal van 100 tot 400 m1, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht met een grotere hoogte dan de maximum hoogte conform de formule zoals opgenomen in Bijlage 2 Molenbiotoop.
46.38.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 46.38.2, mits vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de molen over de vraag of het bouwplan ter plaatse aanvaardbaar is in verband met de belangen van de molen.

46.38.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Verbod

Het is verboden op of in de ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren;

    • 1. binnen een straal van 100 m1, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, hoger dan de hoogte van de belt van de molen, zijnde 3,20 m;
    • 2. binnen een straal van 100 tot 400 m1, gerekend vanaf het middelpunt van de molen, met een grotere hoogte dan de maximum hoogte conform de formule zoals opgenomen in Bijlage 2 Molenbiotoop.
  • b. Uitzonderingen

Het bepaalde onder .a is niet van toepassing op:

    • 1. normale onderhoudswerkzaamheden;
    • 2. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning mogen worden uitgevoerd;
    • 3. het planten van bomen en struiken op percelen welke op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan legaal in gebruik zijn voor de boom- of sierteelt, danwel waarvoor na inwerkingtreding van dit bestemingsplan een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. is verleend.
  • c. Afwegingskader

Een vergunning als bedoeld onder a. wordt slechts verleend, mits:

    • 1. daardoor de functie van de molen als werktuig en de waarde als landschapsbepalend element niet onevenredig worden geschaad;
    • 2. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de molen over de vraag of verlening van de omgevingsvergunning aanvaardbaar is in verband met de belangen van de molen.
46.39 vrijwaringszone - reserveringszone spoor
46.39.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - reserveringszone spoor' zijn de gronden tevens bestemd voor reservering ten behoeve van eventueel toekomstige uitbreiding van de spoorlijn'.

46.39.2 Bouwregels
  • a. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - reserveringszone spoor' geen bouwwerk worden gebouwd waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist;
  • b. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op een omgevingsvergunning voor een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder a, van het Besluit omgevingsrecht of een ‘bijbehorend bouwwerk’ als bedoeld in bijlage II, artikel 1, eerste lid, bij het Besluit omgevingsrecht'.
46.40 vrijwaringszone - spoor
46.40.1 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - spoor' is het niet toegestaan om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten, behoudens het bepaalde in artikel 21.

46.40.2 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 46.40.1 voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat:

  • a. voldaan wordt aan de Wet geluidhinder;
  • b. voldaan wordt aan de wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid;
  • c. er geen sprake is van afleidende verlichting en reclame voor de railgebruiker;
  • d. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de beheerder van de spoorlijn.

46.40.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Verbod.

Het is verboden op of in de ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - spoor' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

    • 1. het aanleggen van aarden wallen;
    • 2. het planten van bomen, heesters en andere opgaande beplanting,

behoudens het bepaalde in artikel 21.

  • a. Uitzonderingen.

Het bepaalde onder a.is niet van toepassing op:

    • 1. normale onderhoudswerkzaamheden;
    • 2. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning mogen worden uitgevoerd.
  • b. Afwegingskader.

Een vergunning als bedoeldonder a. wordt slechts verleend, mits:

    • 1. daardoor de gebruiksmogelijkheden van het spoor niet onevenredig worden geschaad;
    • 2. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de spoorlijn.
46.41 vrijwaringszone - straalpad
46.41.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' zijn de gronden tevens bestemd voor een straalpad.

46.41.2 Bouwregels

Voorzover gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die zijn toegestaan op grond van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen, zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - straalpad', mag de hoogte van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 35,00 m bedragen.

46.42 vrijwaringszone - vaarweg
46.42.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' zijn de gronden tevens bestemd voor het voorkomen van belemmeringen voor:

  • a. de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte;
  • b. de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart;
  • c. het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten;
  • d. de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten;
  • e. het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg.

46.42.2 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' mogen geen bouwwerken worden gebouwd, behoudens bouwwerken die direct verband houden met mogelijke toekomstige reconstructies en/of uitbreidingen aan de nabij gelegen vaarweg, alsmede voor het creëren van een optimale nautische omgeving.

46.42.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 46.42.2 voor het bouwen van bouwwerken welke zijn toegelaten krachtens de onderliggende bestemming:

  • a. mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van het vaarverkeer;
  • b. nadat de vaarwegbeheerder is gehoord.

46.42.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden, voorzover dit de in artikel 46.42.1 bedoelde belangen aantast. In ieder geval wordt daaronder verstaan het gebruik van gronden voor opslagdoeleinden, tenzij daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van het vaarverkeer.

46.43 vrijwaringszone - waterstaatswerk 1
46.43.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - waterstaatswerk 1' zijn de gronden mede bestemd als beschermingszone voor de waterkerende functie van waterkeringen. Op deze gronden is de Keur van het waterschap van toepassing.

46.44 vrijwaringszone - waterstaatswerk 2
46.44.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - waterstaatswerk 2' zijn de gronden mede bestemd als buitenbeschermingszone voor de waterkerende functie van waterkeringen. Op deze gronden is de Keur van het waterschap van toepassing.

46.45 vrijwaringszone - weg 1
46.45.1 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg 1' mag niet worden gebouwd binnen een afstand van 50 meter uit de as van de meest nabijgelegen rijstrook van de Rijksweg A73, met uitzondering van bouwwerken welke nodig zijn voor het wegverkeer.

46.46 vrijwaringszone - weg 2
46.46.1 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg 2' mag niet worden gebouwd binnen een zone tussen 50 en 100 meter uit de as van de meest nabijgelegen rijbaan van de Rijksweg A73, met uitzondering van bouwwerken welke nodig zijn voor het wegverkeer.

46.46.2 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 46.46.1 en toestaan dat in de andere voor die gronden aangewezen bestemming, bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. het bouwwerk in overeenstemming is met de ter plaatse aangegeven bestemming en door de bouw of situering van het bouwwerk het verkeersbelang niet onevenredig wordt aangetast;
  • b. de wegbeheerder wordt gehoord.
46.47 zeer hoge archeologische verwachtingswaarde
46.47.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'zeer hoge archeologische verwachtingswaarde' zijn de gronden tevens bestemd voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde;

Artikel 47 Algemene afwijkingsregels

47.1 Maatvoeringen / grenzen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

  • a. de bestemmingsregels en worden toegestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de omgevingsvergunning gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  • b. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en worden toegestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde wordt vergroot tot maximaal 10 meter.
  • c. afmetingen in de planregels en op de verbeelding met een maximum van 10%.
47.2 Afwegingskader maatvoeringen / grenzen

Een in artikel 47.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • e. aanwezige en/of potentiële gebiedskwaliteiten.
47.3 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van de in dit artikel onder 47.6, 47.8, 47.10, en 47.11 genoemde activiteiten/ontwikkelingen onder de daarbij genoemde voorwaarden en met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de verkeersveiligheid;
    • 2. het woon- en leefklimaat;
    • 3. de milieusituatie;
    • 4. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • b. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden en/of stiltegebieden.
47.4 Inpandige uitbreiding van (bedrijfs)woningen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 5.2.4, 6.2.4, 7.2.4, 8.2.4, 9.2.4, 11.2.4, 12.2.4, 17.2.4, 18.2.8 en 25.2.3 voor het vergroten van de (bedrijfswoning) door het geheel inpandig verbouwen van het hoofdgebouw tot woning, met dien verstande dat:

  • a. de (bedrijfs)woning moet zijn gelegen in een bestaand hoofdgebouw;
  • b. het bestaande agrarisch en stedenbouwkundig karakter van het gebouw niet wezenlijk wordt aangetast;
  • c. herbouw van (een deel van het hoofdgebouw alleen is toegestaan in de oude verschijningsvorm;
  • d. het aantal woningen gelijk blijft. Woningsplitsing is niet toegestaan;
  • a. aangetoond wordt dat sprake is van een gebouw met cultuurhistorische waarde;
  • b. aangetoond wordt dat de inpandige uitbreiding noodzakelijk is in verband met behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarde van het pand;
  • c. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van:
    • 1. de woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de sociale veiligheid;
    • 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing.
47.5 Vestiging recreatiewoningen in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van dit plan voor het realiseren van maximaal drie vakantie-appartementen en/of vakantiewoningen in bestaande gebouwen, met dien verstande dat:

  • d. het bestaande agrarisch en stedenbouwkundig karakter van het gebouw niet wezenlijk wordt aangetast;
  • a. aangetoond wordt dat sprake is van een gebouw met cultuurhistorische waarde;
  • b. aangetoond wordt dat de realisering van de vakantie-appartementen of -woningen noodzakelijk is in verband met behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarde van het pand;
  • c. de oppervlakte per vakantie-appartement of -woning maximaal 100 m² bedraagt;
  • d. op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid aanwezig is;
  • e. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van:
    • 1. de woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de sociale veiligheid;
    • 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing.
47.6 Evenementen
47.6.1 Incidentele evenementen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 3.5.1, 5.5.1, 6.5.1, 7.5.1, 8.5.1, 9.5.1, 10.5.1, 11.4.1, 12.4.1, 13.4.1, 15.4.1, 16.4.1, 17.4.1, 18.4.1, 19.3.1 en 22.3.1 ten behoeve van het gebruik van gronden voor incidentele evenementen, met dien verstande dat:

  • a. het een tijdelijk of periodiek terugkerend tijdelijk evenement is, per locatie maximaal drie keer per jaar voor een aaneengesloten periode van vijftien dagen, inclusief op- en afbouw;
  • b. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - stiltegebied' voor het evenement tevens een vergunning kan worden verleend volgens de provinciale Omgevingsverordening;
  • d. aangetoond wordt dat het evenement geen nadelige invloed heeft op Natura 2000- en/of stiltegebieden.

47.6.2 Evenemententerrein

Ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein' kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 10.5.1, 12.4.1 en 14.4.1 ten behoeve van de inrichting en het gebruik van gronden als evenemententerrein, met dien verstande dat:

  • a. deze activiteiten:
    • 1. geen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg; of
    • 2. niet kunnen leiden tot een vermindering van kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Limburg;
  • b. de motivering bij de omgevingsvergunning bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden uit sub a is voldaan;
  • c. aangetoond wordt dat de verkeersaantrekkende werking en het parkeren aanvaardbaar zijn.
47.7 Speeltuin

Ter plaatse van de aanduiding 'speeltuin' kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 10.5.1, 12.4.1 en 14.4.1 ten behoeve van de inrichting en het gebruik van gronden als speeltuin, met dien verstande dat:

  • a. deze activiteiten:
    • 1. geen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg; of
    • 2. niet kunnen leiden tot een vermindering van kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Limburg;
  • b. de motivering bij de omgevingsvergunning bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden uit sub a is voldaan;
47.8 Nevenactiviteiten en verbrede landbouw

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 5.5.1, 6.5.1, 7.5.1, 8.5.1 en 9.5.1 ten behoeve van nevenactiviteiten en verbrede landbouw, met dien verstande dat:

  • a. de agrarische bedrijvigheid als hoofdfunctie aanwezig is en blijft;
  • b. het gezamenlijk oppervlak van de bedrijfsbebouwing van het desbetreffende agrarisch bedrijf niet mag worden vergroot;
  • c. verblijfsrecreatie in de vorm van kleinschalig logeren is toegestaan tot maximaal 25% van het bouwvlak, met dien verstande dat de totale oppervlakte van de hiervoor benodigde gebouwen maximaal 50 m² bedraagt;
  • d. dagrecreatie is toegestaan tot maximaal 25% van het bouwvlak;
  • e. ondergeschikte horeca is toegestaan tot maximaal 25% van het bouwvlak tot maximaal 50 m², al dan niet gecombineerd met een terras, met dien verstande dat:
    • 1. uitsluitend horeca in de categorieën 1 en/of 2 is toegestaan;
    • 2. het terras is gelegen binnen het bestemmingsvlak waarbinnen de ondergeschikte horecafunctie is gelegen;
    • 3. de oppervlakte van het terras maximaal 50 m² bedraagt;
  • f. aan het agrarisch bedrijf verbonden zorgfuncties zijn toegestaan tot 25% van het bouwvlak tot maximaal 100 m²;
  • g. een educatiefunctie is toegestaan tot maximaal 25% van het bouwvlak tot maximaal 100 m²;
  • h. de hiervoor genoemde maximaal toegestane oppervlakten cumulatief van aard zijn, wat impliceert dat bij cumulatie van meerdere vormen van verbrede landbouw en/of nevenactiviteiten het maximum van 100 m² niet mag worden overschreden. Zorgfuncties en caravanstalling zijn van de cumulatie uitgesloten;
  • i. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte;
  • j. bij beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering de niet-agrarische activiteiten alleen kunnen worden voortgezet na wijziging van de bestemming overeenkomstig artikel 48.7 en uitsluitend indien wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden;
  • k. er aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de sociale veiligheid;
    • 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. .
47.9 Plattelandswoning

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 5.5.1, 6.5.1, 7.5.1, 8.5.1 en 9.5.1 voor het gebruik van de bedrijfswoning als plattelandswoning, met dien verstande dat:

  • a. de woning als bedrijfswoning blijft gelden voor het bouwvlak waarbinnen deze is gelegen;
  • b. het verlenen van de vergunning niet leidt tot de mogelijkheid om een nieuwe bedrijfswoning te bouwen binnen het bestemmingsvlak;
  • c. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing.
47.10 Tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten
  • a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 5.5.1, 6.5.1, 7.5.1, 8.5.1 en 9.5.1 ten behoeve van tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten, met dien verstande dat:
    • 1. de huisvesting noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf;
    • 2. het uitsluitend arbeidskrachten betreft, die alleen binnen het bedrijf waar ze zijn gehuisvest werkzaamheden verrichten. Indien een bedrijf meerdere locaties heeft mag de huisvesting voor die locaties geconcentreerd op één bedrijfslocatie plaatsvinden;
    • 3. de huisvesting niet structureel van aard is en per werknemer niet langer duurt dan 6 maanden per kalenderjaar;
    • 4. per huisvestigingslocatie de vloeroppervlakte per werknemer minimaal 10 m² bedraagt;
    • 5. het maximum aantal te huisvesten arbeidskrachten is afgestemd op de omvang en ligging van het bedrijf, de bereikbaarheid van de locatie en parkeervoorzieningen, met dien verstande dat per bedrijf maximaal 20 werknemers mogen worden gehuisvest;
    • 6. de huisvesting plaatsvindt in de vorm van appartementen/kamers voor één of twee personen, waarbij per 8 personen minimaal één toilet en één douche aanwezig is;
    • 7. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • de verkeersveiligheid;
      • het woon- en leefklimaat;
      • de parkeerbalans in de directe omgeving. In voldoende mate dient te worden voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein;
      • de milieusituatie;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
    • 8. het gebruik van de gebouwen voor tijdelijke bewoning dient te worden beëindigd als de behoefte aan huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten niet meer aanwezig is;
    • 9. de verleende omgevingsvergunning na beëindiging van het gebruik zal worden ingetrokken en geplaatste woonunits dienen te worden verwijderd, tenzij wordt aangetoond dat deze gebruikt kunnen worden voor andere doeleinden, passend binnen de agrarische bestemming;
    • 10. de afwijking geen significant nadelige effecten mag hebben op Natura-2000 gebieden;
    • 11. voor huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten in bedrijfsgebouwen aanvullend op het bepaalde onder 1.a tot en met 10. de volgende voorwaarden gelden:
      • in combinatie met huisvesting in bedrijfsgebouwen mogen daarnaast maximaal 3 woonunits worden geplaatst en gebruikt voor tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten gedurende maximaal 3 maanden per jaar, mits het maximum aantal toegestane tijdelijke arbeidskrachten op het bedrijf zoals aangegeven onder 5. daardoor niet wordt overschreden;
      • er dient te worden aangetoond dat binnen de bestaande bebouwing op het agrarisch bedrijf onvoldoende ruimte kan worden vrijgemaakt voor de huisvesting van de eigen arbeidskrachten;
    • 12. voor huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten in woonunits aanvullend op het bepaalde onder 1. tot en met 10. de volgende voorwaarden gelden:
      • de ontwikkeling moet in voldoende mate zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de omgevingsvergunning wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie;
      • er dient te worden aangetoond dat de bestaande bebouwing op het agrarisch bedrijf in zijn geheel noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering, althans dat de beschikbare ruimte in bestaande bebouwing niet kan worden vrijgemaakt voor de huisvesting van de eigen arbeidskrachten;
      • per bedrijfslocatie zijn maximaal 5 woonunits toegestaan;
    • 13. ten aanzien van het plaatse van woonunits als bedoeld onder 11. en 12. de volgende voorwaarden gelden:
      • de woonunits dienen binnen het bouwvlak, op hetzelfde perceel als en op een afstand van maximaal 50 meter van de bedrijfswoning, op een van de openbare weg bereikbare plaats, te worden geplaatst;
      • stacaravans en andere kampeermiddelen zijn niet toegestaan;
      • de oppervlakte van de woonunits per agrarisch bedrijf bedraagt maximaal 150 m2 in de situatie als bedoeld onder 11. en maximaal 250 m² in de situatie als bedoeld onder 12. Binnen deze oppervlakte dienen ook de sanitaire voorzieningen te worden gerealiseerd;
      • per 8 personen dient minimaal één toilet en één douche aanwezig te zijn;
  • b. In afwijking van het bepaalde in sub a onder 2 kan in de onder sub a bedoelde omgevingsvergunning worden toegestaan dat permanente voorzieningen voor tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten kunnen worden gebruikt voor tijdelijke huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten van andere agrarische bedrijven, met dien verstande dat:
    • 1. huisvesting uitsluitend is toegestaan in permanente voorzieningen. Huisvesting in woonunits of stacaravans is niet toegestaan;
    • 2. tijdelijke huisvesting uitsluitend is toegestaan indien het agrarisch bedrijf waar de te huisvesten tijdelijke arbeidskrachten werkzaam zijn, zelf geen of onvoldoende huisvestingsvoorzieningen heeft;
    • 3. het gebruik mag niet leiden tot een toename van het aantal huisvestingsvoorzieningen dat aanwezig is ten behoeve van de huisvesting van het maximale aantal werknemers voor de bedrijfsvoering van het eigen bedrijf;
    • 4. het gebruik niet mag leiden tot een toename van het aantal te huisvesten tijdelijke arbeidskrachten ten behoeve van het agrarisch bedrijf waar de tijdelijke arbeidskrachten werkzaam zijn;
    • 5. geen huisvesting is toegestaan van tijdelijke arbeidskrachten van andere dan agrarische bedrijven;
    • 6. het gebruik minimaal 10 werkdagen voor aanvang dien te worden gemeld bij burgemeester en wethouders, onder opgave van:
      • het aantal te huisvesten tijdelijke arbeidskrachten;
      • het/de agrarisch(e) bedrijf/bedrijven waar de tijdelijke arbeidskrachten werkzaam zijn.
47.11 Vergroten bebouwd oppervlak bedrijfsgebouwen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 11.2.3, 12.2.3, 13.2.3, 17.2.3, 18.2.2, 18.2.3, 18.2.6, 18.2.7en 19.2.3 ten behoeve van het vergroten van de bestaande bebouwde oppervlakte van bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak, met dien verstande dat:

  • a. de oppervlakte eenmalig met maximaal 10% mag worden vergroot;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a de oppervlakte mag worden uitgebreid indien alle bebouwing die niet nodig is voor het bedrijf wordt gesloopt. In dat geval mag 2/3e van de inhoud van de te slopen bebouwing worden teruggebouwd tot een maximale inhoud van 1500 m³;
  • c. de uitbreiding noodzakelijk is in verband met de continuïteit van het bedrijf;
  • d. in voldoende mate wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, dan wel in een andere vorm van kwaliteitsverbeterende maatregelen;
  • e. parkeren ten behoeve van het bedrijf plaatsvindt op eigen terrein;
  • f. er aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van:
    • 1. de woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing.
47.12 Bed en breakfast

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van de inrichting en het gebruik van (bedrijfs)woningen ten behoeve van bed en breakfast, met dien verstande dat:

  • a. het gebouw waarin de bed en breakfast wordt gerealiseerd een bestaande woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken betreft;
  • b. het gebruik ten behoeve van de bed en breakfast gekoppeld en ondergeschikt moet zijn aan de woonfunctie ter plaatse;
  • c. er tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in maximaal vier kamers bed en breakfast wordt geboden;
  • d. de bed en breakfastvoorziening door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kan functioneren als een zelfstandige woning en niet beschikt over een kookvoorziening;
  • e. de landschappelijke, cultuurhistorische, monumentale en/of architectonische waarden van de woning niet worden aangetast;
  • f. de parkeerbalans in de directe omgeving van de woning niet nadelig wordt beïnvloed;
  • g. geen onevenredig nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven;
  • h. in de woning waarin de bed en breakfast wordt gerealiseerd geen detailhandel plaatsvindt;
  • i. op of nabij de woning waarin de bed en breakfast wordt gerealiseerd geen reclame-uitingen, anders dan die welke zijn vrijgesteld in het gemeentelijk reclamebeleid, worden aangebracht.

Artikel 48 Algemene wijzigingsregels

48.1 Algemene wijziging

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van:

  • a. overschrijding van bestemmingsgrenzen:
    • 1. voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken of
    • 2. voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein en
    • 3. voor zover dit noodzakelijk is in het kader van de optimalisering van de bedrijfsvoering. Er mag geen sprake zijn van schaalvergroting

met dien verstande dat het bestemmingsvlak met niet meer dan 10% wordt vergroot;

  • b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
  • c. het wijzigen van de in bijlage ''Tabel bedrijfsactiviteiten' opgenomen, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten hiertoe aanleiding geven;
  • d. het aanpassen van opgenomen regels in de voorgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de inwerkingtreding van het ontwerpplan worden gewijzigd
  • e. een en ander met dien verstande dat aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van:
    • 1. de woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de sociale veiligheid;
    • 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing.
48.2 Algemene wijzigingsbevoegdheid naar 'Natuur' of 'Water'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen in de bestemmingen 'Natuur'en/of 'Water´, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. wijziging vindt pas plaats nadat verzekerd is dat een aaneengesloten natuur- of bosgebied van voldoende omvang en zodanige begrenzing kan ontstaan dat de aangrenzende/omringende gronden, met een blijvende agrarische bodemexploitatie, doelmatig als zodanig geëxploiteerd kunnen blijven worden;
  • b. de regels van de bestemmingen 'Natuur' (artikel 14), danwel 'Water' (artikel 23), worden van overeenkomstige toepassing verklaard, met dien verstande dat wanneer gewijzigd wordt in de bestemming 'Water´, dit uitsluitend ten behoeve van beekdalontwikkeling mag geschieden.
48.3 Algemene wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vergroten/verkleinen dubbelbestemming Leiding

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een dubbelbestemming Leiding te vergroten of verkleinen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de noodzaak van de aanleg/verplaatsing van leidingen is aangetoond;
  • b. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelen van de betreffende bestemming;
  • c. bij de keuze van een traject rekening wordt gehouden met de (externe) veiligheid van andere nabijgelegen bestemmingen.
48.4 Bouw van een bedrijfswoning

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan ter plaatse van de bestemmingen 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Niet grondgebonden'en 'Agrarisch - Paardenhouderij' te wijzigen ten behoeve van het bouwen van een bedrijfswoning binnen een bouwvlak door de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' te wijzigen in de aanduiding 'maximum aantal woonheden' voor maximaal één bedrijfswoning, met dien verstande dat:

  • a. er per volwaardig agrarisch bedrijf maximaal één bedrijfswoning kan worden gebouwd;
  • b. aan de hand van een bedrijfsontwikkelingsplan wordt aangetoond dat sprake is van een bestaand volwaardig agrarisch bedrijf dat als zodanig in gebruik is;
  • c. aangetoond wordt dat de bedrijfswoning uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • d. aangetoond wordt dat de bodem geschikt is voor de woonfunctie en dat wordt voldaan aan de regels met betrekking tot wegverkeerslawaai in de Wet geluidhinder;
  • e. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de verkeersveiligheid;
    • 2. het woon- en leefklimaat;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de milieusituatie;
    • 5. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • f. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie;
  • g. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden;
  • h. wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 5.2.4, 6.2.4, 7.2.4, 8.2.4 en 9.2.4.
48.5 Wijziging in de bestemming ' Wonen'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter plaatse van een bouwvlak en een bestaande bedrijfswoning de bestemmingen 'Agrarisch - Glastuinbouw', ' Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Niet grondgebonden', 'Agrarisch - Paardenhouderij', 'Bedrijf', '', 'Horeca', 'Maatschappelijk', 'Recreatie' en 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' te wijzigen in:

  • a. de bestemming 'Wonen';
  • b. de gebiedsbestemming waarin het bestemmingsvlak ligt voor de resterende grond;

met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat het huidige gebruik als (agrarisch) bedrijf/ voorziening niet meer mogelijk is;
  • b. het huidige gebruik als (agrarisch) bedrijf c.q. van de huidige voorziening dient te zijn beëindigd;
  • c. uitsluitend het deel van het perceel met de woning en het daarbijbehorende erf mag worden gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. De resterende grond moet gelijktijdig worden gewijzigd in de gebiedsbestemming waarin het perceel ligt met de daarbij behorende gebiedsaanduiding(en);
  • d. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie;
  • e. overtollige bedrijfsbebouwing dient zo veel mogelijk te worden gesloopt, enzij sprake is van cultuurhistorische waardevolle bebouwing. De oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken dient -daar waar mogelijk- in overeenstemming te worden gebracht met de maximaal toelaatbare oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij de woning volgens de bestemming 'Wonen'
  • f. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • g. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden;
  • h. indien sprake was van nevenactiviteiten bij het beëindigde agrarisch bedrijf en deze activiteiten worden voortgezet de bestemming niet wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. In dat geval dient gebruik te worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid volgens artikel 48.7. Dit geldt niet indien de nevenactiviteiten bestonden uit het stallen van caravans. Dat gebruik mag worden voortgezet na wijziging in de bestemming 'Wonen'.
48.6 Woningsplitsing

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het splitsen van bestaande (bedrijfs)woningen in maximaal twee woningen, met dien verstande dat:

  • a. aangetoond wordt dat sprake is van een gebouw met cultuurhistorische waarde;
  • b. aangetoond wordt dat de splitsing noodzakelijk is in verband met behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarde van het pand;
  • c. de maatvoering van de woning niet wordt vergroot. Splitsing dient plaats te vinden binnen de bouwmassa van de bestaande woning;
  • d. na wijziging ter plaatse uitsluitend twee aaneengebouwde woningen aanwezig mogen zijn. Daartoe wordt op de verbeelding ter plaatse van de wijzigingslocatie de aanduiding 'twee-aaneen' opgenomen;
  • e. de bestaande (agrarische) verschijningsvorm gehandhaafd dient te blijven;
  • f. de inhoud na wijziging per woning minimaal 350 m³ bedraagt;
  • g. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de naaste omgeving aanwezige ruimtelijke functies en waarden;
  • h. de woning dient te zijn gelegen buiten een milieucirkel;
  • i. de nieuwe woning dient te voldoen aan de geldende geluidsnormering;
  • j. overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, tenzij sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken dient in overeenstemming te worden gebracht met de maximaal toelaatbare oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij de woning volgens de artikelen 5.2.4, 6.2.4, 7.2.4, 8.2.4, 9.2.4, 11.2.4, 12.2.4, 17.2.4, 18.2.8 of 25.2.3;
  • k. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie;
  • l. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van:
    • 1. de woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing.
48.7 Vrijkomende agrarische bebouwing

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Niet grondgebonden' en 'Agrarisch - Paardenhouderij' te wijzigen in:

  • de bestemming 'Bedrijf', ten behoeve van de vestiging van een niet agrarisch bedrijf van categorie 1 of 2 conform de lijst van bedrijfsactiviteiten als opgenomen in bijlage 'Tabel bedrijfsactiviteiten';
  • de bestemming 'Maatschappelijk', ten behoeve van de vestiging van een zorgfunctie;
  • de bestemming 'Recreatie' of 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' ten behoeve van de vestiging van een recreatief bedrijf;
  • de gebiedsbestemming waarin het bestemmingsvlak ligt voor de resterende grond;

mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. aangetoond wordt dat het gebruik als agrarisch bedrijf redelijkerwijs niet meer mogelijk is;
  • b. het agrarisch bedrijf dient te zijn beëindigd;
  • c. wijziging niet is toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'beekdal' en 'rivierdal';
  • d. bij wijziging in de bestemming 'Bedrijf' of 'Maatschappelijk' mag uitsluitend het deel van het perceel met de voor het bedrijf benodigde gronden en bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende bedrijfswoning en erf worden gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf' (bouwvlak op maat) of 'Maatschappelijk'. De resterende grond moet gelijktijdig worden gewijzigd in de gebiedsbestemming waarin het bestemmingsvlak ligt;
  • e. ter plaatse van de aanduidingen 'kleinschalig agrarisch gebied' en 'open agrarisch gebied' is wijziging in de bestemming 'Bedrijf' uitsluitend toegestaan ten behoeve van de vestiging van een agrarisch verwant bedrijf. Daartoe wordt op de verbeelding de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch verwant bedrijf' opgenomen;
  • f. behoudens ter plaatse van de aanduiding 'recreatieve ontwikkelingszone' is wijziging in de bestemming 'Recreatie' of 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' uitsluitend toegestaan voor de volgende kleinschalige recreatieve functies:
    • 1. een bestaand kleinschalig kampeerterreinen, met dien verstande dat:
      • uitsluitend de bestaande vorm en omvang van het kleinschalig kampeerterrein mag worden voortgezet;
      • uitbreiding van de activiteit niet mogelijk is, met dien verstande dat binnen bestaande bebouwing wel een groepsaccommodatie mag worden gerealiseerd;
    • 2. vakantie-appartementen voor maximaal 10 bedden/slaapplaatsen;
    • 3. een bed & breakfast voor maximaal 10 bedden/slaapplaatsen;
    • 4. dagrecreatie tot maximaal 500 m2 totale oppervlakte
    • 5. ondergeschikte horeca in de categorie 1 en/of 2, tot maximaal 100m2 totale bedrijfsvloeroppervlakte;
  • g. het hergebruik dient uitsluitend beperkt te blijven tot de voormalige agrarische bedrijfslocatie;
  • h. hergebruik mag uitsluitend plaatsvinden in de bestaande bebouwingsmassa;
  • i. overtollige bedrijfsbebouwing dient zoveel mogelijk te worden gesloopt;
  • j. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • k. detailhandel is uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit toegestaan in relatie tot de hoofdfunctie en uitsluitend in ter plaatse vervaardigde en/of bewerkte producten;
  • l. caravanstalling is uitsluitend toegestaan in gesloten bebouwing en niet in kassen;
  • m. bij wijziging in de bestemming 'Maatschappelijk' dient een afweging plaats te vinden met betrekking tot de wenselijkheid van vestiging van de zorgfunctie buiten de kern;
  • n. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden ;
  • o. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • p. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 11.
48.8 Vormverandering bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Agrarisch' en/of de bestemming 'Agrarisch met waarden' te wijzigen ten behoeve van de wijziging van de vorm van een bouwvlak en/of een bestemmingsvlak met de bestemmingen 'Agrarisch - Glastuinbouw', 'Agrarisch - Grondgebonden', 'Agrarisch - Intensieve veehouderij', 'Agrarisch - Niet grondgebonden', 'Agrarisch - Paardenhouderij', 'Bedrijf', '', 'Horeca', 'Maatschappelijk', 'Recreatie', 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' of 'Sport', mits:

  • a. de noodzaak voor een doelmatige bedrijfsvoering moet worden aangetoond;
  • b. de oppervlakte van het bouwvlak en/of het bestemmingsvlak niet toeneemt;
  • c. er sprake is van een volwaardig bedrijf of een volwaardige voorziening;
  • d. de gronden die buiten het bouwvlak en/of het bestemmingsvlak komen te liggen gelijktijdig worden gewijzigd in de bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden';
  • e. een vormverandering van een bouwvlak en/of een bestemmingsvlak volgens de bestemmingen 'Agrarisch - Intensieve veehouderij' of 'Agrarisch - Glastuinbouw' is alleen mogelijk indien de vormverandering leidt tot een verbetering van de natuurlijke en/of landschappelijke waarden of van een goed woon- en leefklimaat voor nabijgelegen woningen en/of kernen;
  • f. een vormverandering van een bouwvlak en/of een bestemmingsvlak volgens de bestemming 'Agrarisch - Intensieve veehouderij' is alleen mogelijk indien:
    • 1. de bestaande bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn;
    • 2. de door de ondernemer gewenste vormverandering geen negatieve invloed heeft op de reconstructie ter bevordering van een goede ruimtelijke structuur van de concentratiegebieden, in het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, alsmede ter verbetering van een goed woon-, werk- en leefklimaat en van de economische structuur;
  • g. een vormverandering van een bouwvlak en/of een bestemmingsvlak volgens de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden' met de functieaanduiding 'grondgebonden veehouderij' is alleen mogelijk indien de bestaande bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn;
  • h. gebouwen mogen door de wijziging niet buiten het bouwvlak komen te liggen;
  • i. het bouwvlak en/of bestemmingsvlak dient voor tenminste 50% dezelfde gronden te bevatten als aangegeven op de verbeelding;
  • j. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij de kwaliteitscommissie;
  • k. de ontwikkeling dient hydrologisch neutraal te zijn;
  • l. aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant nadelige effecten heeft op aanwezige Natura-2000 gebieden;
  • m. aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
    • 4. de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
  • n. voldaan wordt aan de voorwaarden van de bestemming waarin gewijzigd wordt.
48.9 Wijziging in de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Overige zone - wijzigingsbevoegdheid Recreatie - Verblijfsrecreatie' de bestemming 'Natuur' te wijzigen in: de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' met dien verstande dat:

  • a. deze activiteiten
    • 1. geen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg; of
    • 2. niet kunnen leiden tot een vermindering van kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Limburg.
  • b. de motivering bij de wijziging bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden uit sub a is voldaan.
  • c. het kampeerterrein voldoende landschappelijk wordt ingepast door afschermende randbeplanting:
    • 1. met landschappelijk karakter; en,
    • 2. ter breedte van minimaal 5 meter; en,
    • 3. bestaande uit opgaande houtsoorten van gebiedseigen beplanting.

Artikel 49 Overige regels

49.1 Wetten/wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

49.2 Prioriteit van dubbelbestemmingen

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 50 Overgangsrecht

50.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen 2 jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
50.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a. te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
50.3 Hardheidsclausule

Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan kan de gemeenteraad ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht ontheffing verlenen.

Artikel 51 Slotregel

Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Beesel (geconsolideerd)'.