direct naar inhoud van Artikel 3 Wonen
Plan: Landelijk Gebied, herziening Hackerom
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0860.LG01aa520000BP2010-OH01

Artikel 3 Wonen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. de uitoefening van een beroep aan huis in hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen door de hoofdbewoner(s) van het hoofdgebouw tot een oppervlakte van maximaal 40% op het begane grondvloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van:
    • 1. in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 750 m², maar niet groter dan 1.250 m², 60 m²;
    • 2. in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 1.250 m², 75 m²;
    • 3. in alle andere gevallen, 45 m²;

met de daarbij behorende:

  • c. tuinen, erven en terreinen opgenomen in een goede landschappelijke inpassing in de vorm van erfbeplanting met een visueel afschermende functie naar het omliggende gebied;
  • d. groen- en speelvoorzieningen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. waterlopen en waterpartijen;
  • g. werken, geen bouwwerken zijnde zoals de aanleg van verhardingen ten behoeve van paden (waaronder brandgangen), in- en uitritten, terrassen en de aanleg van siertuin en/of gazon, alsmede parkeerplaatsen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
  • a. Op de gronden als bedoeld in lid 3.1 mag uitsluitend gebouwd worden indien voldaan wordt aan een goede landschappelijke inpassing zoals vervat in een erfinrichtingsplan.
  • a. Op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd, welke hydrologisch neutraal ontwikkeld worden indien sprake is van nieuwbouw.
  • b. Geen bebouwing is toegestaan in een strook van 10 meter breed gemeten vanaf de noordelijke plangrens, met uitzondering van bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.2.2 Hoofdgebouw

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. als hoofdgebouw mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd ;
  • c. per bouwvlak is één woning toegestaan;
  • d. de maximale inhoud van de woning bedraagt 750 m³;
  • e. de maximale goot- en bouwhoogte van de woning mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte'is aangegeven;
  • f. de woning bevat 1,5 bouwlaag en is afgedekt met een kap.

3.2.3 Bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning mag maximaal 100 m2 bedragen;
  • b. de maximale goothoogte van bijgebouwen bedraagt 3 meter en de maximale hoogte 6 meter;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan één zijde minimaal 3 meter te bedragen;
  • d. een bijgebouw dient op een minimale afstand van 3 meter achter de voorste bouwvlakgrens te worden opgericht;
  • e. de maximale afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de woning bedraagt 30 meter.

3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de maximale hoogte bedraagt 3 meter, met uitzondering van het bepaalde in sub b en c;
  • b. de maximale hoogte van erf- en terreinafscheiding voor de voorste bouwvlakgrens bedraagt 1 meter;
  • c. de maximale hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorste bouwvlakgrens bedraagt 2 meter.

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de milieusituatie;
  • e. de situering van en het aantal parkeervoorzieningen op eigen terrein;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Oppervlakte bijgebouwen mindervaliden

Het bevoegd gezag is bevoegd door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 3.2.3 sub a en toe te staan dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een hoofdgebouw wordt vergroot met maximaal 50 m2 ten behoeve van mindervaliden. Hierbij dient artikel 3.2.3 in acht te worden genomen. Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag advies in omtrent de (medische) noodzaak bij een deskundige.

3.4.2 Voorwaarden

De hiervoor genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de parkeervoorzieningen op eigen terrein;
  • g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Bedrijf aan huis

Het bevoegd gezag is bevoegd door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 6.2 voor de uitoefening van een bedrijf aan huis in het hoofdgebouw en/of bijgebouwen, met dien verstande, dat:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
  • b. bedoeld gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de omgeving; dit betekent onder meer dat:
    • 1. geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid die milieuvergunningplichtig is;
    • 2. het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn en het geen publieksgerichte voorzieningen betreft;
    • 3. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, d.w.z. dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is;
  • c. het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten;
  • d. het onttrekken van (een deel van) het bij de desbetreffende hoofdgebouw behorende garage aan de bestemming slechts is toegestaan, indien op het bij het hoofdgebouw behorende erf minimaal één parkeerplaats aanwezig is of gelijktijdig wordt aangelegd;
  • e. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop in het klein in verband met de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit;
  • f. opslag buiten de gebouwen ten behoeve van de activiteiten niet is toegelaten;
  • g. vast dient te staan dat het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden.

Dit betekent dat maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijgebouwen voor bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn tot een maximum van: 45 m²;

  • 1. 45 m²;
  • 2. in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 750 m², maar niet groter dan 1.250 m², 60 m²;
  • 3. in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 1.250 m², 75 m².

3.5.2 Mantelzorg

Het bevoegd gezag is bevoegd door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 6.2 voor het gebruik van een deel van het hoofdgebouw of bijgebouwen bij een woning als afhankelijke woonruimte (inwoning), met dien verstande, dat:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg, hetgeen aangetoond dient te worden door een verklaring van een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige;
  • b. op het perceel een woning aanwezig dient te zijn;
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven;
  • d. per woning maximaal één omgevingsvergunning ten behoeve van inwoning voor mantelzorg mag worden verleend;
  • e. inwoning in beginsel dient plaats te vinden bij, in of direct aansluitend aan de woning, waarbij de afhankelijke woonruimte een onderlinge verbinding met de woning dient te hebben; het gebruik van een vrijstaand bijgebouw als afhankelijke woonruimte is uitsluitend toegestaan indien realisering van de inwoning in of aan het hoofdgebouw voor de inwoner of andere bewoner(s) onredelijk bezwarend is;
  • f. maximaal 60 m² van hoofdgebouw en/of bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van de inwoning;
  • g. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning intrekt indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.

3.5.3 Logies en ontbijt

Het bevoegd gezag is bevoegd door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in de regels en logies en ontbijtvoorzieningen testaan, onder de volgende voorwaarden:

  • a. de activiteit vind plaats in het hoofdgebouw en/of aangebouwd bijgebouw, en is niet toegestaan in een vrijstaand bijgebouw;
  • b. zelfstandige wooneenheden zijn niet toegestaan;
  • c. het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden;
  • d. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven;
  • e. er mag geen onevenredige milieubelasting of belemmering ontstaan voor nabijgelegen bestemmingen.