Bedrijventerrein Het Laar 2008, 1e herziening (Generaal Winkelmansstraat 175)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2020016-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van 68 Wlz-appartementen (Wet langdurige zorg) ten behoeve van uitbreiding van zorgcentrum Het Laar aan de Generaal Winkelmanstraat 175 te Tilburg. Het betreft de percelen sectie Z, nrs. 2892, 2893 en 2894.
Het Laar is een woonzorgorganisatie voor ouderen met een zorg- en ondersteuningsvraag. Zij kunnen gebruik maken van verschillende faciliteiten en voorzieningen. Op het terrein aan de Generaal Winkelmanstraat 175 te Tilburg heeft Het Laar drie gekoppelde woonzorggebouwen. In 2 van deze gebouwen, Laarakker en Laarhoven, wonen bewoners met een intensieve zorgvraag volgens de Wet langdurige zorg (verpleging en verzorging). In het derde gebouw, Laarzicht, zijn zelfstandige huurappartementen (met zorg) en Wlz- appartementen beschikbaar.
De 68 nieuwe Wlz appartementen worden gesitueerd in een nieuw (vierde) gebouw, Laarstede. Het gebouw 'Laarstede' bestaat uit 6 verdiepingen. Op de begane grond en 1e verdieping zijn appartementen en ontmoetingsruimten gepland. De derde tot en met zesde verdieping bestaat enkel uit appartementen.
De bewoners hebben de beschikking over een tweekamer-appartement. De nieuwbouw levert een bijdrage aan de groeiende vraag van ouderen tot somatische en/of psychogeriatrische zorg. Voor deze doelgroep is er de noodzaak tot verblijf met 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2020016-e001_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2020016-e001_402000.png)
Figuur: voorlopig ontwerp uitbreiding Het Laar
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied
Het plangebied is gelegen in het zuiden van Tilburg en omvat het perceel aan de Generaal Winkelmanstraat 175. Het perceel wordt globaal begrensd door Laarveld West en de Karel Doormanlaan in het noorden, de Generaal Winnkelmanstraat in het oosten en de Ringbaan-Zuid en Ringbaan-West in respectievelijk het zuiden en het westen.
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan vervang is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Het Laar 2008, dat op 21 augustus 2009 in werking is getreden.Het nieuwe gebouw is gesitueerd naast het huidige zorgcentrum op de bestemming 'groen'. Deze percelen zijn nu nog in eigendom van de gemeente Tilburg maar zullen worden verkocht aan Het Laar.
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur
Woonzorgcomplex Het Laar ligt in de oksel van Ringbaan-Zuid en West, in een groene omgeving die aan de west- en zuidzijde onder invloed staat van bedrijvigheid, verkeer en evenementen en aan de oostzijde grenst aan een typisch Tilburgse woonwijk (Korvel).
Het Woonzorgcomplex is in 1973 gebouwd als serviceflat. In 1975 is de serviceflat omgevormd tot een
zorgvoorziening voor ouderen. In november 2002 is een nieuw gebouwencomplex in gebruik
genomen. In dit, aan het bestaande gebouw gekoppelde complex, zijn 145 intentsieve zorgappartementen
gerealiseerd. Daarnaast is onder één dak een groot aantal voorzieningen samengebracht.
Nu is er behoefte aan een volgende uitbreiding.![i_NL.IMRO.0855.BSP2020016-e001_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2020016-e001_402001.png)
Figuur: ligging plangebied in Tilburg
Het plangebied ligt op het grensvlak tussen:
Woonwijk De Blaak ten westen van Ringbaan-west;
Bedrijventerrein het Laar ten zuiden van Ringbaan-Zuid;
Het evenemententerrein direct ten westen en ten oosten van het plangebied;
Woonwijk Korvel ten noordoosten van Laarveld-West:
Stadsafronding Ringbaan-West en Zuid.
Hierna volgt een korte typering van deze aangrenzende gebieden.
Woonwijk De Blaak:
Woonwijk De Blaak ligt relatief dichtbij, maar er is geen ruimtelijk relatie tussen deze wijk en het Woonzorgcomplex. Dat komt doordat Ringbaan-West een zeer royale groenstructuur kent met vijvers, wallen, parken en bosschages. De Blaak wordt getypeerd door laagbouw aan rond lopende straten. Deze structuur wordt doorkruist door vijvers en singels. 3 lanen vormen de hoofstructuur voor het verkeer. Los daarvan is een fijnmazige structuur van fietsroutes aangelegd.
Bedrijventerrein Het Laar:
De relatie met Bedrijventerrein Het Laar is groter. De gebieden zijn fysiek verbonden via de Generaal Winkelmanstraat, maar alleen voor langzaam verkeer en bussen. Het bedrijventerrein heeft een relatief groot aandeel kantoorachtige bedrijvigheid, wat een positieve invloed heeft op de ruimtelijke verschijningsvorm. De meest markante bebouwing wordt gevormd door de 4 torens aan de Hub van Doorneweg, die de westelijke stadsentree vanaf de A58 markeren.
Evenemententerrein Het Laar:
Het evenemententerrein grenst direct aan het plangebied. Deze gronden worden periodiek ingezet voor evenementen, trailers, auto’s en onderkomens van Kermisexpoitanten (Laarveld-West) en parkeren voor bezoekers van Willem II wedstrijden (Laarveld-Oost).
Woonwijk Korvel:
In de jaren ´50/´60 van de vorige eeuw hebben veel ontwikkelingen plaatsgevonden in Tilburg. In de jaren ´50 was de woningnood groot in Nederland. In veel steden werd aan grootschalige uitbreiding gedaan. Korvel kent wel enkele structuren en kenmerken uit die periode. Zo is het straten patroon rationeel en bestaat het uit korte (gebogen) straatjes met pleintjes (besloten stadsbeeld). De verkaveling bestaat veelal uit gesloten blokken. Op de kleine binnenterreinen worden de relatief ondiepe achtertuinen ontsloten en een deel van het parkeren opgelost. Dat Korvel echter niet een specifieke jaren ´50 wijk is, komt door het feit dat er niet op zeer grote schaal is uitgebreid in die tijd. De woningbouw werd in delen gerealiseerd tussen de lintbebouwing en de industriële activiteiten. Door de stedenbouwkundige opzet van dit gebied is er een variatie aan bouwblokvormen. De bouwstijlen van de woningen zijn uit de jaren ´30/´50 van de vorige eeuw.
In het gebied rondom het Rubensplein en ten zuiden van de Ruysdaelstraat is er meer variatie in de herhalende structuur gebracht door afwisseling in de kaprichtingen en verbijzonderingen van onderdoorgangen naar de (brand)poorten aan de achterzijden van de kavels. Voor het overige is binnen Westend sprake van geringe diversiteit binnen de stempelstructuur. De doorgang naar de achterzijde van de woningen via een poort geeft de binnenterreinen een semi-openbare sfeer. Dit deel van de wijk is erg dicht en stenig van karakter.
Ten zuiden van de Oerlesestraat ligt een buurt met een meer open opzet, met verschillende langwerpige plansoenen. De groenstructuur van de Ringbaan wordt zo verbonden met de wijk.
Stadsafronding Ringbaan-West en Zuid:
Aan het nabijgelegen deel van Ringbaan-West bepalen appartementengebouwen (flats) uit de jaren ’50 en ‘60 het stadsbeeld. De flats vormen een samenhangend ensemble en begeleiden de Ringbaan op een opvallende wijze. Dat komt door de verspringende verkaveling, het verzorgde en decoratieve gevelbeeld en het royale en volwassen groen. Door deze opzet vormen de flats een logische overgang naar de daarachter gelegen wijk. Het groen sluit aan op de groene pleinen van de achterliggende wijk.
Het gebied bij Ringbaan-Zuid werd in de jaren '50 afgerond door de bebouwing aan weerszijde van de Generaal Smutslaan. Dit samenhangende milieu vormt de overgang van de Ringbaan naar de achterliggende woonwijk.
M.F. Duintjer ontwierp (in een mix van Delftse school en Nieuwe Zakelijkheid) een serie U-vormige blokken met gestapelde woningen (portiek etageflats) in het groen langs de Ringbaan. Deze groenstrook wordt beëindigd door een haaks op de Ringbaan staand hoogbouwcomplex.
Met de herontwikkeling van het voormalige fabriekscomplex van HAVEP is deze structuur aan de zuidrand verder uitgebreid.
Woonzorgcomplex Het Laar vormt met zijn directe omgeving het knooppunt tussen de hiervoor omschreven Ringbaan milieus.
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
2.1 Rijk
2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking
getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch
wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is
op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de
inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van
de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op
doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels
opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en
deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan
bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een
bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing
zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe
ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet
een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een
of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde
projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden.
Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van
de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro
vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de
bij het Barro behorende kaarten.
De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen.
Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van
strijdigheid met nationale belangen.
2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.
De gemeente Tilburg maakt samen met acht andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord-Brabant afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. In de periode 2017-2027 is de bouwopgave voor Tilburg ongeveer 9.600 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, de huishoudenverdunning en in de groei door migratie.
Tot ongeveer 2030 is de gemeentelijke woningbouwopgave gemiddeld 1.100 woningen per jaar. In dat tempo worden ook de onttrekkingen in de stad jaarlijks gecompenseerd.
De woningbouwopgave voor Tilburg kan en wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Vanwege de gewenste kwalitatieve samenstelling daarvan, zoals de behoefte aan verschillende woonmilieus, komt het zeer beperkt voor dat daarbij ook locaties buiten het bestaand stedelijk gebied verkend worden.
Het plan tot de bouw van 68 Wlz appartementen die geschikt zijn voor bewoners met een intensieve zorgvraag, past binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context en is opgenomen in de planlijst (ingevolge artikel 3.1.6. Bro).
2.2 Provincie
2.2.1 Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:
De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?
Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm.
Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling spelen de volgende aandachtspunten een rol.
De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden.
De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten.
2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een
actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke
onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant.
In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar
2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet
rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke
2.2.3 Interim omgevingsverordening
De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.
Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.
De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).
Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied, zoals bedoeld in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
2.3 Gemeente
2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
3.2.1 Stedenbouwkundige aspecten
Het bestaande woonzorgcomplex bestaat uit een basis van 3 bouwlagen, een dubbelhoog entreevolume dat wordt opgespannen tussen een samengesteld accent van 14 lagen en een rechthoekig bouwvolume van 8 lagen dat onder een hoek staat.
Er zijn diverse stedenbouwkundige studies gedaan naar de mogelijke inpassing van de beoogde uitbreiding. Daarbij is een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van:
Stedenbouwkundige inpassing;
Landschappelijke inpassing;
Aansluiting bij de architectuur van het bestaande Woonzorgcomplex.
Er is gekozen voor een uitbreiding die een tegengestelde hoekverdraaiing heeft ten opzichte van het 8 laags bouwdeel. Daardoor ontstaat eenheid met het complex. De hoogte is en de hoekverdraaiing van de uitbreiding zijn daarmee vergelijkbaar, maar de architectonische verschijningsvorm wordt bepaald door het programma, de wens om een duurzaam gebouw te ontwikkelen en vanwege zoveel mogelijk ontzien van bestaand groen.
3.2.2 Hoogbouw
In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 (vastgesteld op 21 september 2015 door de gemeenteraad) is de actualisering van de Handreiking Hoogbouw als thematische uitwerkingsopdracht aangekondigd. De nieuwe Handreiking is door de raad vastgesteld op 11 september 2017 en vervangt de Handreiking uit 2007.
Hoogbouw (gebouwen hoger dan 15 meter) is meer dan een hoog gebouw. Hoogbouw willen we realiseren op die ocaties waar het meerwaarde oplevert voor de stad, in programmatische én in ruimtelijke zin. Hoogbouw kan positief bijdragen aan de 'leesbaarheid van de stad' door de oriëntatie en herkenbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de identiteit van de stad. Met hoogbouw kunnen we verdichting mogelijk maken en daardoor de levendigheid in de stad en draagvlak voor stedelijke voorzieningen verbeteren. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen bepalen mede op welke locaties hoogbouw gewenst is.
De Handreiking Hoogbouw is een praktisch en bruikbaar middel voor initiatiefnemers van hoogbouw. De Handreiking beschrijft de methodiek die gevolgd zal worden bij hoogbouwinitiatieven die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan/omgevingsplan.
De nieuwbouw 'Laarstede' krijgt een hoogte van 24 meter, waardoor sprake is van hoogbouw, waardoor op basis van de Handreiking Hoogbouw (Raad 2017) een aantal motiveringen wordt gevraagd. Daarbij maakt het hoogbouwbeleid onderscheid tussen een Gebiedsprofiel en een Projectprofiel.
Gebiedsprofiel:
Ruimtelijke oriëntatie en silhouet/skyline:
Hoogbouw moet ten goede komen aan de ruimtelijk oriëntatie in de stad, ook wel ‘leesbaarheid’ genoemd. Daarnaast moet het een positieve bijdrage leveren aan de skyline van de stad (indien hoger dan 35 m).
De uitbreiding speelt een relatief kleine rol in de ruimtelijke oriëntatie in de stad. Het plan kan worden gezien als een bescheiden uitbreiding van een gebouwencomplex dat al een bouwdeel met een aanzienlijk grotere hoogte kent.
De uitbreiding is lager dan 35 m, waardoor de invloed op de skyline van de stad zeer beperkt is.
Inpassing in de omgeving:
Hiermee wordt gevraagd om de inpassing in de gebouwde omgeving te motveren. Dit beleidsuitgangspunt is bedoeld om de bijdrage van hoogbouw aan het ensemble van de straat en/of omgeving te motiveren. Zoals eerder al is toegelicht gaat het hier om een relatief kleine toevoeging aan een gebouwencomplex dat al uit hoogbouw bestaat. De hoogte en hoekverdraaiing sluiten daarbij aan. Er is dus sprake van een goede inpassing in de omgeving. Bovendien is de afstand tot de bestaande woonomgeving enkele honderden meters. Daardoor is de invloed op die woonomgeving zeer beperkt.
Draagvlak en functiemenging:
Hoogbouw kan in de stad een positieve bijdrage leveren aan het draagvlak voor voorzieningen, bijvoorbeeld in een winkelcentrum of bij een vervoersknooppunt. Daarvan is hier geen sprake, dus dit beleidsuitgangspunt is niet van toepassing.
Projectprofiel:
Hierbij worden in het hoogbouwbeleid de volgende criteria gehanteerd: windhinder, schaduwwerking, uitzicht, privacy, schaalsprong, plint/ openbare toegankelijkheid. Deze criteria zijn grotendeels toegespitst op hoogbouwontwikkelingen in de bestaande woonomgeving. Omdat hier sprake is van uitbreiding van een complex dat een redelijk grote afstand van de bestaande woonomgeving staat, zijn alleen de eerste 4 criteria van toepassing, voor zover die invloed hebben op het woon- en gebruiksgenot van Woonzorgcentrum het Laar (binnen en buiten).
Windhinder:
De uitbreiding zal een aaneengesloten volume vormen met het bestaande 3 laags bouwdeel.
Door deze aaneengesloten massa zijn er geen openingen waartussen de wind hinder kan veroorzaken.
De uitbreiding zal met een 3 laags tussenlid aan de bestaande bebouwing gekoppeld worden.
In dit tussenlid zal de entree en de toegang tot de tuin gepositioneerd worden. Deze doorgangen zullen uitgevoerd worden met tochtsluizen om eventuele windhinder te voorkomen.
Schaduwwerking:
Voor de uitbreiding is een bezonningsstudie gemaakt (bijlage 1), hieruit zijn met oog op eventuele hinder de volgende punten voortgekomen:
Door de grote afstand tot de naastgelegen woonwijk heeft de schaduw van de uitbreiding geen invloed op de bezonning van deze woningen.
Gedurende de zomer heeft de schaduw pas aan het einde van de middag invloed op de bezonning van de eigen tuin van het Laar. Deze schaduw zal voor het grootste gedeelte geworpen worden op de plek van de bestaande vijver waardoor bewoners hier geen directe hinder van zullen ondervinden.
Gedurende de winter is de slagschaduw het langste doordat de zon op dat moment de laagste stand heeft. De schaduwwerking heeft midden in de winter vanaf 15.00 uur invloed op de tuin van het Laar. Doordat de bestaande bebouwing vanaf 15.00 uur ook al een lange slagschaduw op het eigen terrein werpt is de extra invloed beperkt.
Uitzicht:
Het effect op het uitzicht gezien vanaf de bestaande gebouwen is beperkt doordat het volume van de uitbreiding onder een hoek wegdraait van de bestaande gebouwen. Hierdoor blokkeert het gebouw het uitzicht niet. Een aantal appartementen in de onderste 6 lagen van het 14 laags bouwvolume zijn richting de uitbreiding georiënteerd, echter is dit bouwvolume op minimaal 100 meter afstand gelegen waardoor het uitzicht voor die appartementen slechts gedeeltelijk beïnvloed wordt.
Privacy:
De naastgelegen wijk is op minimaal 200m afstand gelegen waardoor de uitbreiding geen invloed zal hebben op de privacy.
Op het eigen terrein is de privacy gewaarborgd doordat inkijk in bestaande appartementen niet mogelijk is. Enkele appartementen van het 3 laags bouwvolume zijn binnen een straal van 25m gelegen. Echter zijn deze appartementen zo georiënteerd dat inkijk niet mogelijk is.
De afstand tussen de overige bestaande bouwdelen en de uitbreiding bedraagt meer dan 25 meter waardoor er geen invloed op de privacy is.
3.2.3 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.
Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.
Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
3.3.1 Historische geografie
Globale geografische situatie: het plangebied ligt in het zuiden van de Tilburgse binnenstad, direct ten noorden van de Ringbaan Zuid. Dit gebied ligt aan de zuidwestkant van het Tilburgs plateau, ruim ten zuiden van wat tot omstreeks 1875 een open akkergebied, de Schijf was.
Het plangebied bevindt zich op het meest zuidelijke deel van de hoge gronden waarop de verschillendenederzettingen van Tilburg lagen. De zuidgrens werd gevormd door het beekdal van De Katsbogte, een waterloop die ontsprong bij de huidige samenkomst van de Rielseweg en de Oude Rielseweg waar zich vroeger een uitgestrekt drassig gebied bevond. Van de bron stroomde de beek door een vrij breed beekdal nagenoeg pal naar het oosten om ten zuiden van Broekhoven uit te monden in de Leij. In het noordwesten van het plangebied lag het brongebied van de waterloop De Blaak. Zowel in dit gebied als in het beekdal van De Katsbogte lagen grote aantallen beemden (hooi- en graslanden), weidegronden en ‘moerassen’, van elkaar gescheiden door een groot aantal sloten. Het grootste deel van het plangebied behoorde echter tot de hooggelegen akkergronden van Het Laar (De Laersche Ackeren of Het Schijfke), die de westelijke uitloper vormde van het grootste, centrale akkercomplex van Tilburg (De Schijf). Er zijn aanwijzingen dat in dit gebied al in de twaalfde eeuw, en waarschijnlijk nog eerder, ontginningen plaatsvonden.
Historische objecten (lijnen en vlakken): het plangebied ligt ten zuiden van de Berkdijksestraat, een lijn van historisch geografische waarde. De Berkdijksestraat is een oude verbindingsas van laatmiddeleeuwse oorsprong, die in het noorden begrensd wordt door de voormalige Schijf. De Berkdijksestraat, de oude verbindingsweg tussen Korvel en Breda, is een straat die al in 1418 in diverse akten vermeld wordt. In de negentiende eeuw en eerste helft van de twintigste sloot de straat aan op de Bredaseweg.
Historisch en huidig landgebruik: tot ver in de twintigste eeuw bleef het plangebied een overwegend agrarisch gebied met bebouwing voornamelijk langs de weg bebouwing. Langs de oostgrens van het gebied werd in 1852 de Goirleseweg aangelegd waarlangs in de loop van de twintigste eeuw steeds meer huizen van gegoede Tilburgers werden opgetrokken. In 1947 is langs de zuidgrens van het plangebied de Ringbaan Zuid aangelegd als onderdeel van de Rijksweg 63 naar Breda. In 1958 werd een deel van deze weg in zuidelijke richting verlegd, waardoor het afgesneden deel van het oude tracé (de huidige straten Laarveld Oost en –West) in onbruik raakte. Pas in de jaren zeventig van de twintigste eeuw verdween het agrarische karakter door de aanleg van het bedrijventerrein Het Laar in het plangebied en de bouw van het nu uit te breiden zorgcentrum Het Laar.
3.3.2 Archeologie
AMK: in of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen terreinen gelegen die zijn opgenomen in de AMK.
IKAW: het plangebied is niet gekarteerd op de IKAW.
ArWaTi: het plangebied is gebied is gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachting.
Circa 600 meter ten oosten van het plangebied zijn 2006 en 2010 door Fontys Hogescholen BILAN en Archol (M. Van Zon en M.F.P. Dijkstra: 600 jaar middeleeuwse bewoning op het terrein van de voormalige textielfabriek HaVeP, ARCHOL 2015, aanvullend inventariserend veldonderzoek en opgraving in plangebied Puijacker te Tilburg verschillende onderzoeken uitgevoerd op het HaVeP-terrein. Hierbij werden bewoningssporen ontdekt vanaf uit de midden-bronstijd B (1500-1100 v.Chr.) tot de late middeleeuwen (ca. 1250).
In de omgeving van het plangebied zijn dus verschillende vindplaatsen aanwezig. Deze bestaan uit nederzettingen uit de midden-bronstijd, ijzertijd, Romeinse tijd, middeleeuwen en Nieuwe tijd en een grafveld uit de ijzertijd – Romeinse tijd. Verder zijn in de omgeving ook vondsten uit het neolithicum aangetroffen.
De archeologische verwachting op de planlocatie is vanwege de onbekende verstoringsgraad niet duidelijk, maar de ligging in het areaal van het akkergebied De Schijf kan een indicatie zijn voor de aanwezigheid van een intact esdek.
In verband met de voorgenomen ontwikkelingen heeft Transect b.v. een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend VeldOnderzoek in de vorm van verkennende boringen (IVO-o) uitgevoerd. Rap, J. & F.A. van der Sande 2020, Tilburg, Generaal Winkelmanstraat (ong.). Gemeente Tilburg (NB). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Transect-rapport 2507, Nieuwegein (zie bijlage 2). Op basis van dit onderzoek gold voor het plangebied een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Bij het daaropvolgende proefsleuvenonderzoek van het plangebied werd deze verwachting echter niet bevestigd. Er is dan ook geen vervolgonderzoek meer nodig.
3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
In of in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten. Dat is wel het geval aan het Korvelplein.
Ruim ten noordoosten van het plangebied bevindt zich op de hoek van het Korvelplein en de Laarstraat het van rijkswege beschermde complex van de pastorie en de kerk van de H.H. Dionysius en Antonius van Padua (nrs. 182-184). De pastorie dateert uit 1904, de kerk uit de jaren 1923 en 1924. Het kerkgebouw is een ontwerp van de Amsterdamse architect Eduard Cuypers. De vormentaal van het gebouw is verwant aan het neoromaans en het expressionisme. Nadat de eerste Korvelse kerk uit 1851, die zich midden op het plein bevond, was gesloopt, werd in 1923 begonnen met de bouw van het huidige kerkgebouw.
Aan de zuidoostelijke zijde van het Korvelplein bevindt zich op nr. 8 het uit het derde kwart van de negentiende eeuw daterende voormalige fabriekshuis van Van Dooren-Dams; eveneens een rijksmonument.
De panden Korvelplein 203, 207, 208 en 214 zijn beschermde gemeentelijke monumenten evenals de voormalige boerderij generaal Winkelmanstraat 2.
Aan het Korvelplein en aan de Laarstraat en de Oude Goirleseweg bevinden zich verschillende panden die zijn opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP. Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig.
Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is het Korvelplein, samen met de Laarstraat en de Oude Goirleseweg aangeduid als een gebied met hoge stedenbouwkundige waarden
3.3.4 Conclusie
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.
Voor wat betreft de archeologie wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkelingen. Er is hier geen archeologische verwachting meer.
3.4 Volkshuisvesting
Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015 en de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonagenda vragen wij in het bijzonder aandacht voor de voor ouderen geschikte woonvormen waaronder woonzorg concepten met zowel wonen voor ouderen als verpleegcapaciteit zoals Het Laar. De vraag naar deze woonvormen neemt toe en dit aanbod willen we stimuleren.
Met voorliggende ontwikkeling wordt woonruimte toegevoegd voor ouderen met een intensieve zorgvraag (somatisch / psychogeriatrisch). Daarnaast zijn in het zorgcentrum al zelfstandige huureenheden beschikbaar voor wonen met zorg nabij. Zo past deze ontwikkeling heel goed in de ambitie van de woonagenda.
De vraag uit de markt voor beide woningtypen (Wlz en Huur) is onverminderd groot. Dit uit zich ook in de wachtlijst van Het Laar. De wachtlijst voor de Wlz-appartementen is 102 wachtenden (op peildatum januari 2020). Gezien deze wachtlijst en de sterke toename van het aantal kwetsbare ouderen als gevolg van vergrijzing is het noodzakelijk om de huidige Wlz-capaciteit voor de Gemeente Tilburg ten minste te behouden.
3.5 Groen en speelruimte
3.5.1 Bomenbeleid Tilburg
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening 2017
Beoordelingscriteria houtopstanden
Nota 'overige houtopstanden'
Boomwaarde zoneringskaart 2017
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.
Bomenverordening
De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.
Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)
Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.
Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)
In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.
Maatregelen in bestemmingsplan
De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart.
De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.
Voor het plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (bijlage 3). Hierbij is rekening gehouden met de bestaande bomen en de berging van water.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2020016-e001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2020016-e001_402002.png)
Figuur: landschappelijke inpassing
Vanwege de nieuwbouw moeten 14 bomen worden gekapt. Ter compensatie van deze bomen en een goede inpassing van de nieuwbouw is een landschapsplan opgesteld. De te kappen bomen zijn geinventariseerd en gewaardeerd (bijlage 4(taxatierapport) en bijlage 5 (bomen effect analyse).
Nu de bomen op een gewenste manier worden gecompenseerd, bestaat tegen de kap geen bezwaar.
3.5.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
3.5.3 Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.
De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de
mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.
Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.
In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.
Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).
3.6 Horeca
3.6.1 Ondersteunende horeca
Ondersteunende horeca is een zeer wenselijk onderdeel van andere (maatschappelijke) voorzieningen zoals een schouwburg, buurthuis , verzorgingstehuis of sportvoorziening. Deze horeca staat ten dienste van een andere hoofdfunctie. Deze hoofdfunctie is dan ook opgenomen in het bestemmingsplan. De oppervlakte van de horeca is beperkt en de horeca-activiteit mag niet zelfstandig worden uitgevoerd. Het schenken van alcohol is enkel toegestaan middels een Drank- en Horecavergunning.
3.7 Verkeer en parkeren
3.7.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.7.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;
Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt;
Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.7.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' (bijlage 8) zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.
3.7.4 Parkeren in het bestemmingsplan
Voor het bestemmingsplan is een parkeeronderzoek (bijlage 6) in de omgeving gedaan en een notitie parkeren (bijlage 7) opgesteld.
In de huidige situatie heeft 't Laar op eigen terrein 166 parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie is sprake van 68 nieuwe appartementen met een parkeernorm van 0,8 pp per appartemente. Dit komt neer op een parkeerbehoeft van 56 extra parkeerplaatsen.
In de huidige situatie staat het parkeerterrein nooit vol. Wanneer er 56 extra parkeerplaatsen zouden aan moeten worden gelegd, terwijl die zelden of nooit gebruikt gaan worden, gaat dit af van ruimte die nodig is voor groen. Daarom is het huidige werkelijke gebruik van de parkeerplaatsen in kaart gebracht.
Op het piekmoment staan maximaal 131 auto's geparkeerd. Hierbij dient aan te worden getekend dat op werkdagen ook geparkeerd wordt door mensen die 't Laar niet bezoeken, aangezien het hier om een vrij toegankelijk parkeerterrein gaat.
Wanneer uit wordt gegaan van het piekmoment zijn momenteel voor 310 appartementen 131 parkeerplaatsen nodig. Bij een uitbreiding van 68 apprtementen, totaal 380 appartementen, betekent dit een toename van 23%. In totaal zouden dan 161 parkeerplaatsen benodigd zijn. Met de huidige 166 parkeerplaatsen wordt aan deze parkeerbehoefte voldaan.
Daarnaast is onderzoek gedaan naar de parkeerdruk in de omgeving. Hiervoor zijn op 4 momenten (dinsdagmiddag, donderdagmiddag, donderdavond en zondagmiddag) parkeertellingen in de buurt gehouden. Uit deze tellingen blijkt dat over het geheel genomen de parkeerdruk in de buurt gemiddeld is. Het eventueel parkeren van bezoekers van 't Laar in het openbare gebied levert op dit moment geen problemen op. De verwachting is niet dat deze ontwikkeling extra parkeerdruk in de omliggende straten zal opleveren.
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
4.1 Inleiding
4.2 Milieueffectrapportage
4.2.1 Vormvrije m.e.r beoordeling
Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (bijlage 9). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten
Op 28 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat voor het bouwen van 68 zorgappartementen aan de Generaal Winkelmanstraat 175 geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld.
4.3 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG-brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Indien functies direct naast elkaar gelegen zijn, kan gesproken worden van een 'gemengd gebied'. In onderhavig geval is hiervan sprake. Derhalve kan de aan te houden richtafstand verlaagd worden met een trap.
In de notitie bedrijven en milieuzonering is de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied in beeld gebracht en beschouwd (bijlage 10). Er wordt voldaan aan de (indicatieve) hinderafstanden. Ten aanzien van Bosch en het nabijgelegen evenemententerrein is vanwege de specifieke geluidssituatie ter plaatse van de beoogde uitbreiding een akoestisch onderzoek opgesteld (paragraaf 5.5). Hieruit volgt dat er ook akoestisch sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.
4.4 Externe veiligheid
4.4.1 Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
4.4.2 Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In de bij dit plan gevoegde Notitie externe veiligheid (Tritium, december 2020, bijlage 11) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding, de Rijksweg A58 en het spoortraject Breda - Tilburg.
De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. Tevens is een groepsrisicoberekening uitgevoerd ten aanzien van de hogedruk aardgastransportleiding, zoals beschreven in Externe veiligheid buisleidingen (Kragten, november 2020).
4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:
Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk;
Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;
Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk;
Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk;
Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
4.4.4 Conclusie en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding, de Rijksweg A58 en het spoortraject Breda–Tilburg. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Notitie externe veiligheid). Er is gebruik gemaakt van het standaardadvies van de Brandweer Midden- en West-Brabant. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief;
De hoogte van het groepsrisico van de verschillende risicobronnen neemt niet toe in de toekomstige situatie niet toe ten opzichte van de huidige situatie;
De bereikbaarheid van het plangebied is goed;
Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit;
Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem) en NL-Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen;
De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten via de bestaande infrastructuur;
Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing;
De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.5 Vuurwerk
Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.6 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
4.6.1 Wegverkeerlawaai
De uitbreiding van het verzorgingstehuis, zijnde een "ander geluidsgevoelig gebouw" als bedoeld in artikel 1.2 van het besluit geluidhinder, wordt gerealiseerd binnen zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen"). Dit betreft de Ringbaan Zuid, de Generaal Winkelmanstraat, het Laarveld West en de Doctor Hub. van Doorneweg. Ingevolge de Wgh geldt een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. De maximale waarde waarvoor ontheffing kan worden verleend bedraagt 63 dB.
Voor de uitbreiding van het verzorgingstehuis is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen van de Wet geluidhinder. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch rapport opgesteld door Tritium Advies BV d.d. 16 december 2019 met documentkenmerk 1909/216/JOW-01 (versie 2) (bijlage 12).
Uit de rekenresultaten blijkt dat met uitzondering van de Ringbaan Zuid de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Ringbaan Zuid op de nieuwbouw bedraagt maximaal 58 dB inclusief wettelijke aftrek artikel 110 g Wgh. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor een binnenstedelijke situatie wordt niet overschreden.
Uit paragraaf 4.2 en 4.3 van het akoestisch onderzoek blijkt dat maatregelen aan de bron en in de overdacht om de geluidbelasting terug te brengen tot aan de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet doelmatig zijn. Om de nieuwe zorgappartementen akoestisch mogelijk te maken is het noodzakelijk om hogere grenswaarden vast te stellen voor de Ringbaan Zuid en heeft het college van burgemeester en wethouders voor dit bestemmingsplan een hogere waarde besluit genomen dat bij het bestemmingsplan is gevoegd.
Gemeentelijk geluidbeleid april 2015
Het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen in het document ‘Hogere waarde beleid’ van april 2015. Uitgangspunt van het gemeentelijk geluidbeleid is dat op geluidbelaste locaties sprake moet zijn van een "acceptabel woon- en leefklimaat". In het geluidbeleid is aangegeven wanneer het zinvol is om aanvullende eisen te stellen. Deze aanvullende eisen zijn van toepassing als de geluidbelasting op de gevel van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen meer bedraagt dan 53 dB voor wegverkeerslawaai respectievelijk 60 dB voor spoorweglawaai. Reden hiervoor is dat uit onderzoek is gebleken dat pas boven deze geluidbelastingen er sprake kan zijn van substantiële hinder.
Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwbouw meer bedraagt dan 53 dB. Dit betekent dat er aanvullende voorwaarden aan de nieuwe zorgappartementen gesteld worden om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening te borgen. In het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen dat voor verzorgingstehuizen geen voorwaarden gesteld worden voor wat betreft de verplichte aanwezigheid van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte per appartement. Wel dient de uitwendige scheidingsconstructie van de nieuwe zorgappartementen over voldoende gevelwering te beschikken om te kunnen voldoen aan het vereiste binnenniveau conform het Bouwbesluit. Deze voorwaarde is in het hogere waarde besluit opgenomen. In het hogere waarde besluit is tevens de verplichting gesteld dat in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning bouwen aan de hand van een gevelweringsonderzoek wordt aangetoond dat aan het vereiste binnenniveau conform het Bouwbesluit wordt voldaan.
4.6.2 Railverkeerlawaai
De uitbreiding van het verzorgingstehuis ligt ver buiten het ‘aandachtsgebied’ van 600 meter van het spoortraject Breda-Tilburg zoals bedoeld in lid 1 van artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder.
Dit betekent dat niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wet-/Besluit geluidhinder.
4.6.3 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.
De uitbreiding van het verzorgingstehuis is niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld.
Bosch
Uit het voor Bosch opgestelde rapport ‘Akoestisch onderzoek Bosch Transmission Technology B.V. te Tilburg’ met kenmerk H.00.103.10 d.d. 19 januari 2012 van Adviesbureau de Haan bv (bijlage 13) blijkt dat de beoogde nieuwbouw op de rand van de 50 dB(A) etmaalwaarde-contour van Bosch is gelegen. Aan de hand van de het door Bosch verstrekt akoestisch rekenmodel van het onderzoek van De Haan uit 2012 is door Tritium Advies BV de geluidimmissie op de gevels van de beoogde zorgappartementen bepaald en is beoordeeld of de uitbreiding van het verzorgingstehuis Bosch mogelijk akoestisch beperkt en of een akoestisch goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd ter plaatse van de beoogde zorgwoningen. Aangezien er voor het maximale geluidniveau (LAmax) geen overschrijding valt te verwachten ter plaatse van de nieuwbouw, is in het onderzoek van Tritium (rapport 8 oktober 2020 met documentkenmerk 2004/144/JOW-02, bijlage 14) enkel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) beschouwd. Beoordeeld is of de geluidimmissie van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege Bosch aan de grenswaarden van 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode kan voldoen.
Uit de resultaten van het Tritium onderzoek blijkt dat enkel op rekenpunt t05 in de nachtperiode niet kan worden voldaan aan de grenswaarde van 40 dB(A). Ter plaatse van dit rekenpunt is in de nachtperiode een overschrijding van 1 dB vastgesteld. Om Bosch niet te beperken in haar bedrijfsvoering wordt door Tritium geadviseerd ter plaatse van rekenpunt t05 een ‘dove gevel’ te realiseren. Uit de plattegrondtekening van de beoogde nieuwbouw blijkt dat ter plaatse van rekenpunt t05 in een ontmoetingsruimte is voorzien. Omdat een ontmoetingsruimte geen geluidgevoelige ruimte is hoeft de berekende geluidbelasting niet te worden getoetst aan het toetsingskader. Wanneer ter plaatse van rekenpunt t05 een ontmoetingsruimte is voorzien is het niet nodig om aldaar een ‘dove gevel’ te realiseren.
Geconcludeerd kan worden dat Bosch niet wordt beperkt in haar bedrijfsvoering en dat de geluidimmissie vanwege Bosch een goed woon- en leefklimaat op de nieuwbouw niet in de weg staat.
4.6.4 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.6.5 Evenementen
Naast de uitbreiding van het verzorgingstehuis ligt evenemententerrein Het Laar. Op dit terrein worden maximaal 8 keer per jaar incidentele evenementen met versterkte muziek georganiseerd met een geluidnorm van maximaal 70 dB(A)/85 dB(C). Deze geluidnorm wordt opgenomen in de evenementenvergunning en geldt op de gevel van omliggende geluidgevoelige gebouwen en op de uitbreiding van het verzorgingstehuis. Conform het bouwbesluit dient de geluidwering van nieuwbouw van een gevel van een verblijfsgebied minimaal 20 dB te bedragen. Dit betekent dat het equivalente geluidniveau in een verblijfsgebied van de nieuwbouw tijdens een evenement maximaal 50 dB(A) kan bedragen. Dit binnenniveau wordt aanvaardbaar geacht mede vanwege het gegeven dat het een incidentele situatie betreft die maximaal 8 keer per jaar optreedt. Bovendien worden de evenementen vroegtijdig kenbaar gemaakt door deze te plaatsen op de evenementenkalender zodat omwonenden weten dat er een evenement aan zit te komen.
4.6.6 Trillingen
Het plangebied ligt ver buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder niet te verwachten is en onderzoek hierna niet noodzakelijk is.
4.7 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer (zie ook bijlage 15, quickscan luchtkwaliteit uitbreiding zorgcentrum Het Laar Tilburg). et plan voorziet in de realisatie van 68 zorgappartementen waardoor het plan kan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.8 Geur
4.8.1 Industriële geurhinder
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden.
Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.
Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.
In het kader van bedrijven en milieuzonering (zie paragraaf 5.2) is dit aspect meegewogen en er blijkt geen sprake van industriële geurhinder over de nieuw te bouwen woningen
4.8.2 Agrarische geurhinder
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
In het kader van bedrijven en milieuzonering (zie paragraaf 5.2) is dit aspect meegewogen en er zijn geen agrarische bedrijven gelegen in of nabij het plangebied. Er is geen sprake van agrarische geurhinder over de nieuw te bouwen woningen.
4.9 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de onderzoeksprotocol NEN 5740, die niet ouder is dan 5 jaar.
Ten westen van de bebouwing van "het Laar" wordt een deel van het openbaar groen dat nu deel uitmaakt van Laarveld-West in de toekomst bebouwd met appartementen voor bejaarden.
Bodemgegevens locatie:
Er is geen bodemonderzoek bij het bestemmingsplan ingediend. Wel is door de gemeente voor de beoogde uitbreiding een bodemonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek, uitgevoerd in 2020, zijn maximaal licht verhoogde gehalten gemeten. De bodemkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de beoogde nieuwbouw van de locatie.
Bodemgegevens omgeving:
Voor zover bekend zijn in de directe omgeving van de nieuwbouwlocatie geen slootdempingen of erfverhardingen aanwezig. Tevens zijn geen bodembedreigende activiteiten bekend. In 2000 is ter plaatse van het zorgcentrum een bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetroffen.
Conclusie:
Voor de herbestemming van de locatie is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Wel zal voor de aanvraag van een omgevingsvergunning in verband met de nieuwbouw een actueel bodemonderzoek worden geëist. Het bodemonderzoek dat door de gemeente Tilburg is uitgevoerd kan hiervoor worden gebruikt. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
4.10 Natuur en ecologie
4.10.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
4.10.2 Analyse plangebied
Voor het plan 'Zorgcentrum 't Laar' is door Tritium Advies een quickscan flora en fauna opgesteld (Griffioen, R., 2019,, bijlage 16). In deze quickscan zijn adviezen en conclusies over de toetsing van het plan aan de natuurwetgeving te lezen. Deze ecoparagraaf neemt de conclusies en adviezen uit deze quickscan over.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op afstand (2,7 kilometer) van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (De Regte Heide & Riels Laag). Vanwege deze afstand en de lokale aard van de werkzaamheden, zijn negatieve effecten als gevolg van fysieke aantasting, verstoring door geluid, trilling licht etc. op het Natura 2000-gebied uit te sluiten. Door de voorgenomen werkzaamheden komt stikstof vrij dat eveneens een negatief effect kan hebben op Natura 2000-gebieden. Om te bepalen of en in hoeverre stikstof een probleem vormt voor deze beschermde gebieden, is een AERIUS-berekening uitgevoerd (bijlage 17). Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2020 blijkt dat er ten gevolge van de beoogde planontwikkeling geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Bovendien moet worden opgemerkt dat er rekening is gehouden met een mix van ouder en moderner materieel én alle werkzaamheden in één rekenjaar zijn gemodelleerd. Een vergunning in het kader van de Wnb is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien voor het beoogde planvoornemen.
Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 750 meter afstand (Wilhelminakanaal) van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.
Soortenbescherming
Conform de uitgevoerde quickscan door Tritium advies zijn geen beschermde dier- en plantensoorten (met uitzondering van vogels) in het plangebied te verwachten. De voorgenomen werkzaamheden hebben ook geen effecten op in de omgeving mogelijk aanwezige beschermde dier- en plantensoorten.
Vogels
Het plangebied kan door enkele algemene vogelsoorten als nestlocatie gebruikt worden. Het gaat daarbij om broedvogels waarvan het nest tijdens het broedseizoen (vanaf bouw nest, tot uitvliegen jongen) beschermd is. Er wordt vaak gesproken van een regulier broedseizoen tussen half maart en half juli. In feite kunnen (sommige soorten) broedvogels echter het gehele jaar tot broeden komen. Met name de meest algemene soorten zoals houtduif en turkse tortel kunnen vrijwel jaarrond tot broeden komen. Een advies is dan ook om voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op aanwezige broedvogels te doen. Vanuit de quickscan wordt aanbevolen om de werkzaamheden, indien mogelijk, te starten buiten de meest kritische periode (half februari tot half oktober).
Vleermuizen
Hoewel de werkzaamheden geen negatieve effecten hebben op vleermuizen, ligt het plangebied binnen de begrenzing van het Soortmanagementplan voor de oude stad Tilburg. In het soortmanagementplan is geregeld dat initiatieven binnen de oude stad uitgevoerd kunnen worden als voldaan wordt aan maatregelen ten behoeve van huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Eerst is een quickscan nodig. Als daaruit blijkt dat deze soorten te verwachten zijn, dienen aanvullende maatregelen genomen te worden. Door te werken conform de ontheffing voor het Soortmanagementplan, hoeft niet iedere initiatiefnemer apart een ontheffing aan te vragen. Als maatregel dient hiervoor voorafgaand aan de werkzaamheden een check op aanwezigheid van deze soorten te gebeuren. Indien de aanwezigheid is uitgesloten kunnen de werkzaamheden starten. Een voorwaarde is dat tijdens de werkzaamheden verblijfplaatsen voor genoemde soorten worden ingebouwd in de nieuwbouw. Hoewel deze soorten in het plangebied voor 't Laar niet te verwachten zijn, is het vanuit de gemeente wel wenselijk om inbouwvoorzieningen voor vleermuizen mee te nemen in de werkzaamheden. Zo kan een plus gecreëerd worden voor de vleermuizen in de conclusie.
Conclusie
Hieronder volgen puntsgewijs de conclusies voor het voornemen:
Het plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden
Het plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde Natuurnetwerk Nederland-gebieden
Het plan leidt mogelijk tot negatieve effecten op vleermuizen, maar hiervoor kan via de gebiedsgerichte ontheffing voor de Oude Stad Tilburg gewerkt worden;
Het plan leidt mogelijk tot negatieve effecten op nesten van broedvogels, maar hiervoor zijn maatregelen zoals een broedvogelcontrole te nemen;
Het plan is uitvoerbaar conform de regels uit de Wet natuurbescherming.
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
Door Tritium advies is een waterparagraaf opgesteld (bijlage 18) om de nieuwbouw hydrologisch neutraal te kunnen realiseren. In het uitgevoerde bronneonderzoek is gekeken naar het vigerend waterbeleid voor onderhavig plangebied. Hierbij zijn de belangen van het Rijk, waterschap Brabantse Delta, provincie Noord-Brabant en de gemeente Tilburg meegenomen.
Daarnaast is een waterplan (bijlage 19) opgesteld, waarin wordt beschreven hoe wordt omgegaan met de opvang van regenwater binnen het plan.
5.1 Bestaand watersysteem
Het Tilburgs stedelijke watersysteem is omschreven in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. De gebiedskenmerken van dit plangebied zijn weergegeven in tabel 1.
Tabel 1. Gebiedskenmerken
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap Brabantse Delta |
|
Terreinhoogte |
Ca. 14,2 m+NAP |
|
Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) |
Ca. 12,2 m+NAP |
|
Ontwateringdiepte |
2 m |
|
Bodem |
sterk lemig, matig fijn zand |
|
Riolering |
Gemengd stelsel |
|
Oppervlaktewater |
n.v.t. |
|
Keur beschermde gebieden |
Niet relevant |
Het afvalwater en het regenwater worden in de huidige situatie gecombineerd ingezameld en getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg. Bij hevige neerslag treden de riooloverstorten in werking. Het met regenwater verdunde afvalwater wordt dan geloosd op oppervlaktewater.
5.2 Beleidskader
Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.
Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
5.3 Toekomstige situatie
De ontwikkeling bestaat uit de uitbreiding van het zorgcomplex. Hierbij neemt het verharde oppervlak toe met 2.162 m² waarvoor een waterbergingseis van 60 mm geldt. Dit komt neer op een wateropgave van 130 m³.
Duurzaam watersysteem
De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:
voldoende ontwateringdiepte;
de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte;
aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte);
geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen;
afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.
De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.
Regenwater
Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren).
Mogelijkheden hiervoor zijn:
Minder terrein verharden;
Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen;
Groene daken;
Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.;
Waterdoorlatende verharding.
Alle beetjes helpen, andere/innoverende ideeën zijn mogelijk.
Het regenwater op deze locatie zal worden geborgen in een ondergrondse bergingsvoorziening. Deze bergingsvoorziening zal bestaan uit een krattenveld met een hoogte van 1,2 m en een oppervlakte van 110 m² en heeft een inhoud van 130 m³. Het krattenveld wordt aangelegd onder de entree van de oostzijde van het bestaande parkeerterrein.
Aanbevelingen en advies voor een duurzame invulling van het watersysteem:
Stel op basis van veldonderzoek vast of het plangebied geschikt is voor het toepassen van infiltratievoorzieningen;
Beperk de hoeveelheid verharde oppervlakte;
Pas groene daken toe, een combinatie van een groendak met zonnepanelen is goed mogelijk en leidt tot een hoger rendement van de panelen;
Voer (een deel van) de terreinverhardingen zoals parkeervakken uit in een halfverharding/grastegels;
Pas voor de resterende opgave ondergrondse waterberging toe in een centraal elementensysteem of een waterbergende verhardingsfundering.
Een overloop van de waterbergingsvoorziening(en) mag worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Het regenwater en het huishoudelijk afvalwater moeten separaat worden aangesloten zodat de stromen makkelijk gescheiden kunnen worden als de omgeving van de planlocatie wordt voorzien van een gescheiden stelsel.
Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.
Huishoudelijk afvalwater
Het afvalwater kan, separaat van de regenwateroverloop, worden aangesloten op het bestaande rioolsteltel.
5.4 Watertoets
De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 6 Opzet planregels
6.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.2 Bestemmingen en aanduidingen
In het bestemmingsplanis de bestemming 'maatschappelijk' opgenomen. Binnen deze bestemming mogen maatschappelijke voorzieningen worden opgericht. De uitbreiding van het verzorgingstehuis past binnen deze bestemming.
Daarnaast is de dubbelbestemming 'archeologie' op het perceel opgenomen. Op het gedeelte waar de uitbreiding plaats vindt, heeft reeds een archeologisch onderzoek plaatsgevonden en kan het terrein archeologisch vrij worden gegeven. Dit onderzoek strekt zich niet tot het bestaande perceel, daarom ligt de dubbelbestemming 'archeologie' nog op dat gedeelte van het plangebied.
De volgende gebiedsaanduidingen zijn opgenomen:
luchtvaartverkeerszone
milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied
veiligheidzone - aandachtsgebied leiding
In artikel 8: algemene aanduiduingsregels zijn voor deze gebiedsaanduidingen specifieke regels opgenomen.
6.3 Bouw- en gebruiksregels
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Op de verbeelding zijn binnen de verschillende maatvoeringsvlakken de maximale bouwhoogten en bebouwingspercentages aangeduid.
Gebruiksregels
Daarnaast worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden.
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van zorgappartementen aansluitend aan reeds bestaande zorgappartementen het Laar. Het betreft de bouw van 68 zorgappartementen op gemeentegrond in 7 bouwlagen.
Gezien er voldoende behoefte is naar zorgappartementen in dit segment wordt het plan financieel-economisch uitvoerbaar geacht. Het is in deze sprake van een realistische verwachting dat tijdens de levensduur van dit bestemmingsplan (10 jaar) de ontwikkelingen die dit plan mogelijk maken, ook daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd.
Kostenverhaal
Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld.
Dit bestemmingsplan wordt vastgesteld ten behoeve van een te realiseren ontwikkeling op gemeentelijke grond. Het verhaal van kosten die de gemeente moet maken is 'anderszins verzekerd' door de gemeentelijke gronduitgifte. Voor de beoogde ontwikkeling heeft de gemeente reeds anterieure afspraken vastgelegd. Hierin is een verkoopprijs van de grond afgesproken conform taxatie. In de grondprijs is het gemeentelijke kostenverhaal verzekerd.
Gezien het bovenstaande wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht en is het kostenverhaal verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 5 juni 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
8.2 Omgevingsdialoog
De initiatiefnemer heeft omwonenden ingelicht over het plan. Aan de omwonenden is een informatiebrief gestuurd (bijlage 20). Vanwege de COVID-19 maatregelen was een fysieke informatiebijeenkomst niet mogelijk. Omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld vragen te stellen of reacties te geven. Er is 1 reactie ontvangen. Deze reactie betrof een omwonende die vragen had over de schaduwwerking van het gebouw, het aantal parkeerplaatsen en maatregelen tijdens de bouw. Deze vragen zijn beantwoord door Het Laar (bijlage 21).
Naar aanleiding van de vragen over het parkeren is een extra parkeeronderzoek uitgevoerd, om de parkeerdruk in de omgeving te bepalen. Hieruit is gebleken dat het eventueel parkeren van personeel en bezoek in het openbaar gebied in de huidige situatie niet tot problemen leidt. Daarnaast is een bezonningsstudie uitgevoerd, waaruit blijkt dat de schaduw van het nieuwe gebouw op geen enkel moment over de omliggende woningen valt.
Zodra het voorlopig ontwerp van de nieuwbouw is afgerond, worden omwonenden nogmaals uitgenodigd om kennis te nemen van de vormgeving en uitstraling. Afhankelijk van de dan geldende maatregelen zal een fysieke of digitale bijeenkomst plaatsvinden.
8.3 Zienswijzen
Het ontwerp bestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van maandag 10 mei 2021 tot en met maandag 21 juni 2021. Tijdens deze periode is er 1 zienswijze ingediend. In de notitie behandeling zienswijzen wordt een zakelijke puntsgewijze samenvatting van de ingekomen zienswijze weergegeven en het standpunt van de gemeente hierop.