direct naar inhoud van Regels

Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2020015-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van maximaal 11 woningen op het perceel naast Bosscheweg 158 te Tilburg. Het betreft het perceel dat kadastraal bekend staat als sectie V, nummer 86.

 

 [image]

Afbeelding 1: Schematische weergave van het beoogde bouwplan.

 

Het beoogde bouwplan kan onderverdeeld worden in twee deelplannen. Het eerste deelplan betreft de realisatie van een clusterbebouwing voor een vorm van co-wonen: elk huishouden heeft een eigen woonplek binnen een groter geheel dat gemeenschappelijk wordt gebruikt. In dit geval is het gemeenschappelijke het omliggende terrein en binnenplaats, die zoveel als mogelijk als tuin wordt ingericht. Deze clusterbebouwing bestaat uit maximaal 10 woningen die in een 'c-vormig' gebouw gerealiseerd worden. De maximale bouwhoogte bedraagt 7 meter, waardoor de woningen uit twee bouwlagen bestaan. Aan de buitenzijde wordt het 'c-vormige' gebouw afgedekt met een hellend dak. Daarnaast bevindt aan deze zijde bij elke woning een (deels afsluitbare) buitenruimte, vergelijkbaar met een terras bij een appartement. Het gebouw bevat meerdere woningtypes, waardoor verschillende typen doelgroepen (senioren, kleine gezinnen, 2-persoonshuishoudens) hier samen kunnen wonen. Fietsen en auto’s voor bewoners en bezoekers worden geparkeerd op het parkeerterrein aan de oostzijde van het plan. Het tweede deelplan betreft de realisatie van één vrijstaande woningen ter plaatse van de huidige garage naast het woonhuis op het perceel Bosscheweg 158.

 

Bovenstaande afbeelding geeft een schematische overzicht van het bouwplan weer. Het definitieve bouwplan wordt met de toekomstige bewoners ontwikkeld en is momenteel dan ook nog niet bekend. Dit bestemmingsplan legt daarom enkel de kaders vast waarbinnen de ontwikkeling plaats moet vinden.

 

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

De Bosscheweg betreft een oude verbindingsroute tussen Tilburg en Berkel-Enschot. Ongeveer ter hoogte van de spoorbrug van de spoorlijn Tilburg - Den Bosch bevindt zich aan de zuidzijde van de Bosscheweg een aftakking. Deze is ingericht als fietsstraat. Het plangebied bevindt zich aan de zuidzijde van deze aftakking en ligt daardoor ingeklemd tussen twee doorgaande spoorlijnen. Het betreft het perceel dat kadastraal bekend staat als sectie V, nummer 86. De begrenzing van het plangebied komt overeen met de kadastrale grenzen.

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding 2: plangebied

 

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het op 12 oktober 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008". In dat bestemmingsplan is het plangebied voorzien van de bestemming 'Wonen'. Omdat een bouwvlak ontbreekt, is het niet mogelijk om hoofdgebouwen op te richten. Daarnaast is in de planregels van het geldende bestemmingsplan bepaald, dat maximaal 2% van de gronden bebouwd mag worden. Daarom is deze herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

1.4 Ruimtelijke en functionele structuur

De Bosscheweg is een bebouwingslint dat wordt gekenmerkt door voornamelijk villa's op zeer grote percelen (2.000 tot 10.000 m2). Ten zuiden van de percelen aan de Bosscheweg (vanaf de Spoordijk) ligt Stadsregionaal park Moerenburg. Dit is een buitengebied waar recreatie, landbouw en natuurontwikkeling een belangrijke rol spelen. De relatie met dit achterland is een belangrijke woonkwaliteit van de percelen aan de Bosscheweg. Aan de achterzijde ten zuiden van de Bosscheweg ligt het historische Pelgrimspad.

 

Het deel van het plangebied waar momenteel de huidige garage staat, heeft nog net een visuele relatie met de doorgaande Bosscheweg. Voor de rest van het plangebied geldt, dat er geen directe relatie met de Bosscheweg meer is. Dit deel ligt redelijk geïsoleerd tussen twee hoogsporen en bijhorende taluds. Ruimtelijk en gevoelsmatig maakt het dan ook geen onderdeel uit van de lintbebouwing aan de Bosscheweg. Verder valt op dat het plangebied alleen aan de noordzijde te bereiken is via een insteekstraat naast het spoor Tilburg - Den Bosch. Aan de westzijde wordt het plangebied omarmd door een fietspad tussen de Bosscheweg en Moerenburg.

 

Het beoogde bouwplan is toegesneden op de kenmerken van de directe omgeving. Het deel van het plangebied waarop de huidige garage staat, kan onderdeel gaan uitmaken van de Bosscheweg en krijgt een woning die hierbij past. Voor de rest van het plangebied is, door de geïsoleerde ligging en de omliggende verhoogde sporen, gekozen voor de typologie van een ‘woonburcht’: een gesloten geheel met een collectief binnenterrein.

 

Het voorgestelde plan van de woonburcht gaat uit van een vorm van co-wonen, waarbij mensen in een eigen huis wonen, maar waarbij collectief gebruik wordt gemaakt van het omliggende terrein en de binnenplaats. Vormen van co-wonen worden door de gemeente Tilburg omarmt vanwege het collectieve gedachtegoed, het sociale karakter en de mogelijkheid die het biedt voor verschillende generaties om samen te wonen. Deze locatie lijkt zich hier goed voor te lenen. De initiatiefnemer is voornemens een planteam van toekomstige bewoners aan te stellen, waarbij bewoners gezamenlijk meedenken over het architectonisch ontwerp en de indeling van hun eigen woning. Vandaar dat er nog geen uitgewerkt bouwplan is en dit bestemmingsplan alleen de kaders vastlegd waarbinnen het beoogde bouwplan gerealiseerd moet worden.

 

Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie (bijvoorbeeld in verband met in acht te nemen belemmeringenstroken of veiligheidszones). De bestaande gasleiding van de gasunie is gelegen in het openbaar gebied en ligt buiten het plangebied. Mede gelet op de breedte van 4 meter voor de belemmeringenstrook die in acht moet worden genomen ten aanzien van de gasleiding, is de gasleiding niet van invloed op het plangebied.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

 

2.1 Rijk

 

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking

getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch

wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is

op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de

inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van

de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

 

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een

bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

 

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing

zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe

ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet

een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een

of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten.

 

De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van

strijdigheid met nationale belangen.

2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.

 

De gemeente Tilburg maakt samen met acht andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord-Brabant afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. In de periode 2017-2027 is de bouwopgave voor Tilburg ongeveer 9.600 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, de huishoudenverdunning en in de groei door migratie.

Tot ongeveer 2030 is de gemeentelijke woningbouwopgave gemiddeld 1.100 woningen per jaar. In dat tempo worden ook de onttrekkingen in de stad jaarlijks gecompenseerd.

 

De woningbouwopgave voor Tilburg kan en wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Vanwege de gewenste kwalitatieve samenstelling daarvan, zoals de behoefte aan verschillende woonmilieus, komt het zeer beperkt voor dat daarbij ook locaties buiten het bestaand stedelijk gebied verkend worden.

 

Het plan tot de bouw van maximaal 11 woningen woningen aan de Bosscheweg 158 past binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context en is opgenomen in de planlijst (ingevolge artikel 3.1.6. Bro). Over de samenhang van dit plan met de kwalitatieve woningbouwopgave verderop meer.

2.2 Provincie

 

2.2.1 Brabantse omgevingsvisie

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.

 

De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:

  1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.

  2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.

  3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.

  4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?

  5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

 

Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm.

 

Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen.

2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een

actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke

onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant.

In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar

2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet

rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke

ordening biedt.

2.2.3 Interim omgevingsverordening

De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.

 

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.

 

Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.

 

De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).

 

Plangebied

Het noordelijke deel van het plangebied is in de Interim Omgevingsverordening aangewezen als 'stedelijk gebied' (paars gearceerd in afbeelding 3). De provincie streeft hier naar zorgvuldig ruimtegebruik. Binnen dit deel van het plangebied is alleen de beoogde vrijstaande woning voorzien. Deze wordt gerealiseerd ter plaatse van de huidige garage. De ontwikkeling kan gezien worden als een duurzame stedelijke ontwikkeling. De woning wordt conform het geldende Bouwbesluit energieneutraal gebouwd. Daarnaast zijn de gronden reeds voorzien van een woonbestemming, waardoor geen sprake is van nieuwe ruimtebeslag. Met het bouwplan wordt tevens een open ruimte aan de Bosscheweg ingevuld. Geconcludeerd wordt, dat voldaan is aan het beginsel van zuinig ruimtegebruik.

 

Het overige deel van het plangebied bevindt zich in het 'gemengd landelijk gebied', waar ook de aanduiding 'Verstedelijking afweegbaar' (paars gestreepte arcering) van kracht is. In dit deel van het plangebied is de beoogde clusterbebouwing voor een vorm van co-wonen voorzien, bestaande uit maximaal 10 wooneenheden. Op grond van artikel 3.43 van de Interim Omgevingsverordening is het mogelijk om binnen deze aanduiding een stedelijke ontwikkeling te realiseren. Binnen de gemeente Tilburg zijn weinig locaties voorhanden waar de beoogde vorm van co-wonen gerealiseerd kan worden. Daarnaast blijkt uit paragraaf 3.4 blijkt, dat een dergelijke woonvorm wordt omarmd vanwege het collectieve gedachtegoed, het sociale karakter en de mogelijkheid die het biedt voor verschillende generaties om samen te wonen. In de actuele Woonagenda 2020-2025 wordt het bijzonder aandacht gevraagd voor dit soort initiatieven. De beoogde woningen passen binnen de gemeentelijke bouwopgave die in regionale context is afgestemdb (zie 2.1.3). Omdat bij de vormgeving van het beoogde bouwplan rekening is gehouden met de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting (zie 1.4) en voldaan wordt aan de afspraken ten aanzien van kwaliteitsverbetering landschap (zie hierna), wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de voorwaarden in artikel 3.43 van de Interim Omgevingsverordening.

 [image]

Afbeelding 3: Uitsnede kaart 3 behorende bij Interim Omgevingsverordening (plangebied oranje omkaderd).

 

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Voor het gedeelte van de beoogde ontwikkeling dat gelegen is binnen het 'verstedelijking afweegbaar' speelt kwaliteitsverbetering van het landschap een rol. Dit betekent dat de realisatie van een beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard moet gaan met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkelingen in hoofdlijnen heeft beschreven (artikel 3.9 Verordening).

De toelichting op het bestemmingsplan bevat hiertoe een verantwoording van de wijze waarop de bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is gewaarborgd.

 

In het kader van de regels die de Verordening voorschrijft met betrekking tot kwaliteitsverbetering landschap zijn werkafspraken gemaakt. In deze werkafspraken is een indeling in ruimtelijke ontwikkelingen gehanteerd, gebaseerd op de invloed die de beoogde ontwikkeling heeft op de omgeving.

 

De beoogde ontwikkeling wordt in overleg met de provincie Noord-Brabant aangemerkt als een categorie 3-project. Dit betekent, dat voor deze ontwikkeling 20% van de waardevermeerdering van de betreffende gronden moet worden geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiertoe is een landschapsinpassingsplan opgesteld die als bijlage aan de planregels is gekoppeld. Daarmee is in de planregels van dit bestemmingsplan geborgd dat de beoogde aanééngebouwde woningen pas in gebruik genomen mogen worden nadat de landschappelijke inpassing is gerealiseerd.

 

Om te verzekeren dat de initiatiefnemer zorg draagt voor de hiervoor genoemde kwaliteitsverbetering landschap is een 'overeenkomst kwaliteitsverbetering landschap' gesloten. In deze overeenkomst is gesteld welk bedrag minimaal door de initiatiefnemer voor de kwaliteitsverbetering landschap dient te worden geïnvesteerd en op welke wijze deze geïnvesteerd wordt. De kwaliteitsverbetering landschap is als kwalitatieve verplichting opgenomen in het bestemmingsplan.

2.3 Gemeente

 

2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

 

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in

het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

Plangebied

Het plangebied ligt niet binnen een gebied met een bovenlokale of regionale betekenis. De Brabant- en regiostrategie zijn niet van toepassing. Het plangebied maakt onderdeel uit van het stedelijk gebied. De beoogde woningen dragen bij aan de differentiatie in woonmilieus, zoals volgt uit de stadsstrategie.

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

 

3.2.1 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.

 

Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

3.3.1 Historische geografie

Het plangebied ligt in aan de oostelijke zijde van Tilburg aan de oostzijde van het Wilhelminakanaal ten zuiden van de Bosscheweg in een driehoekige spie tussen de beide spoorlijnen. Het plangebied ligt op de kaart van Hendrik Verhees (ca. 1792) in een gebied met akkerland aan de zuidzijde van de vroegere doorgaande weg naar Enschot (globaal het tracé van de Kapitein Nemostraat). Vanaf de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw verliest het gebied steeds meer zijn agrarische functie en wordt er industrie gevestigd. In de late middeleeuwen bevond zich op enige afstand ten oosten van het plangebied het verdwenen gehucht Klein Loven. In de periferie van het plangebied zijn met name de lijnen van het tracé van de Bosscheweg, aangelegd vanaf 1826, de spoorlijnen naar 's-Hertogenbosch en Eindhoven, aangelegd vanaf 1865 en het Wilhelminakanaal, aangelegd tussen 1910 en 1923, van belang.

 

3.3.2 Archeologie

Het plangebied is gekarteerd op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE); er geldt een hoge verwachting. Het plangebied ligt op de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ArWaTi) in een gebied met hoge verwachting. Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een AMK-Terrein (Archeologische Monumenten Kaart). In het plangebied en de nabije omgeving zijn geen archeologische waarden of waarnemingen bekend. In de ruimere omgeving (Loven en Moerenburg) zijn wel archeologische waarnemingen bekend.

 

In een in 2003 door Oranjewoud uitgevoerde Standaard Archeologische Inventarisatie wordt aan het plangebied en zijn directe omgeving een middelhoge archeologische verwachting toegekend. Deze is vooral gebaseerd op de aanwezigheid van een nog relatief onverstoord esdek in de onbebouwde delen van het plangebied en de vermoede aanwezigheid van grotendeels intacte enkeerdgronden. Tevens lijken de terreinen niet geëgaliseerd of afgegraven te zijn, hoogstens opgehoogd. Verder geeft de vondstengeschiedenis van de regio geeft een verwachting voor archeologische resten vanaf de steentijden tot middeleeuwen.

 

In 2020 is ter voorbereiding op dit initiatief door BAAC een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd: Tilburg, Plangebied ten westen van Bosscheweg 158, BAAC Rapport V-20.0129, E.A.M. de Boer (zie bijlage 1). Het plangebied maakt al eeuwenlang deel uit van een akkergebied. Op basis hiervan wordt verwacht dat de natuurlijke bodem in het plangebied in de bouwvoor is opgenomen en door plaggenbemesting een dik cultuurdek is ontstaan. Er zijn geen aanwijzingen voor diepe bodemverstoringen in het plangebied. Op basis van het bureauonderzoek is een lage verwachting toegekend voor vindplaatsen van jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum tot neolithicum, een hoge verwachting voor archeologische resten van landbouwers (nederzettingen, graven, ontginningssporen e.d.) uit het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen en een lage verwachting voor archeologische resten uit de late middeleeuwen B en de nieuwe tijd. In het plangebied is een 60 tot 90 cm dik gelaagd cultuurdek aanwezig met direct daaronder de C-horizont. Er zijn geen begraven paleobodems, zoals de Laag van Usselo, aangetroffen.

 

Gezien de dikte van het cultuurdek wordt in ieder geval geadviseerd om bij bodemverstoringen dieper dan 40 cm –mv (buffer van minimaal 20 cm) een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren. Voorafgaand aan dit onderzoek dienen de eisen waaraan het onderzoek dient te voldoen, te worden vastgelegd in een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen.

 

3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen

In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen op grond van Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde objecten of structuren gelegen en eveneens geen panden die zijn opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) of de inventarisatie van naoorlogse architectuur in de gemeente Tilburg. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn in de nabijheid van het plangebied twee lijnen opgenomen met redelijk hoge historisch geografische waarde. Dit zijn: het tracé van de Bosscheweg, aangelegd vanaf 1826, en het Wilhelminakanaal, aangelegd tussen 1910 en 1923.

 

3.3.4 Conclusie

Met de beoogde planontwikkeling worden er geen cultuurhistorische waarden aangetast of bedreigd. Vanwege de archeologische verwachting in het plangebied wordt een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk geacht waarna bepaald zal worden of definitief onderzoek noodzakelijk is.

3.4 Volkshuisvesting

 

Woonvisie, Woonagenda en Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek/KWBO

Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015 en de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie en woonagenda wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie.

 

Centraal in de Woonvisie staat de gemeentelijke opgave om te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus. De woonmilieus vormen de basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, waarin zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend bij de huishoudenssamenstelling, het inkomen en de mate van zelfredzaamheid van de inwoners. Maar ook passend bij de verschillende leefstijlen. Hierbij worden de volgende woonmilieus onderscheiden: 'Centrum-Stedelijk', 'Stedelijk buiten het centrum', 'Groenstedelijk', 'Dorps' en 'Landelijk'. Hierbij is sprake van een afnemende woningdichtheid, nabijheid en toegang tot voorzieningen en (OV-)bereikbaarheid. Binnen deze woonmilieus vinden verschillende leefstijlen een plek.

 

 

 

 

 

KADER:

In de verdere onderbouwing kunnen we verwijzen naar de 9 woonmilieus zoals onderscheiden in het KWBO: Binnenstad, Levendige Stadswijk, Rustige Stadswijk, Luxe Stadswijk, Woonwijk laag- en hoogbouw, Woonwijk laagbouw, Luxte woonwijk, Dorps en Landelijk.[image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met de beoogde ontwikkeling wordt gebouwd in een dorps woonmilieu. Het KWBO 2018 geeft aan dat aan dit type woonmilieu nog een tekort is. De beoogde ontwikkeling gaat uit van een vorm van co-wonen, waarbij mensen in een eigen huis wonen maar waarbij collectief gebruik wordt gemaakt van het omliggende terrein en de binnenplaats. Vormen van co-wonen wordt omarmd vanwege het collectieve gedachtegoed en sociale karakter en de mogelijkheid die het biedt voor verschillende generaties om samen te wonen. In de actuele Woonagenda 2020-2025 wordt het bijzonder aandacht gevraagd voor dit soort initiatieven. Aangezien co-wonen zich ook goed leent voor huisvesting voor ouderen en andere zorg-gerelateerde woonvormen, is het advies om de nieuwbouw zo veel mogelijk levensloopbestendig en nultreden te realiseren.

 

Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast en dat certificering plaatsvindt, zowel op woningniveau als op het niveau van de woonomgeving.

3.5 Groen en speelruimte

 

3.5.1 Bomenbeleid Tilburg

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:

Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.

 

Bomenverordening

De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.

 

Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)

Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.

 

Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)

Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.

Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)

In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.

 

Maatregelen in bestemmingsplan

De initiatiefnemer heeft een Bomen Effect Analyse (BEA) uit laten voeren bij bomen op en rond het perceel Bosscheweg 158 (zie bijlage 2). Daarbij zijn 11 bomen onderzocht. De conclusie is dat aanpassingen aan het project noodzakelijk zijn om drie bomen te kunnen behouden. Naar aanleiding daarvan is de situering van de toekomstige berging van het wooncomplex verplaatst.

3.5.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

3.5.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

  1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

  1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

  1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

 

In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).

3.6 Verkeer en parkeren

 

3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 

De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

 

Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:

3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.

Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.

 

Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

 

Voor keine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

 

3.6.4 Maatregelen in bestemmingsplan

Het plangebied ligt in oost Tilburg, aan de Bosscheweg. De locatie is ontsloten door de aftakking van de Bosscheweg richting het spoor. Dit is een, voor autoverkeer, doodlopende weg welke is uitgevoerd als fietsstraat.

 

De bouw van 11 woningen genereert een aantal van circa 80 verkeersbewegingen per etmaal. Dit kan zonder problemen voor doorstroming, leefbaarheid of verkeersveiligheid op de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld. De rijbaan waarop de planlocatie is ontsloten is een gemeentelijke sternetfietsroute, welke een directe verbinding vormt met de snelfietsroute Tilburg – Oisterwijk.

 

De Bosscheweg is ter plaatse uitgevoerd als fietsstraat. Een fietsstraat is een weg/straat met een hoofdfietsroute als voornaamste functie. De auto is daar te gast. Dat betekent dat auto’s er mogen rijden maar rekening moeten houden met de fietsers. Het zeer beperkt aantal auto’s wat van en naar de woningen rijdt kan zeer goed en veilig op deze fietsstraat worden afgewikkeld. Een aantal voertuigbewegingen per etmaal levert in de spits niet meer dan ca. 8 auto’s op. Dat is 1 auto per ruim 7 minuten. Aangezien er in die periode een paar honderd fietsers rijden, zijn die veruit in de meerderheid en is de automobilist min of meer gedwongen rekening te houden met de fietsers. Dit is zeker voldoende verkeersveilig af te wikkelen.

 

De fietsstraat is goed geschikt om naast fietser en enkele auto’s ook voetgangers te faciliteren. Wandelaars zullen over dezelfde rijbaan lopen. Er is dan met de beschikbare 4,5 meter voldoende ruimte om tegelijkertijd een auto en een fiets te passeren. Deze situatie zal zich echter beperkt voordoen. Wandelaars lopen meestal op momenten buiten de spits. De kans op ontmoetingen is daarmee beperkt.

 

Het gebied is goed met openbaar vervoer bereikbaar. Op circa 160 meter afstand ligt een bushalte.

 

Het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de vastgestelde normen van de gemeente Tilburg zoals vastgelegd in de parkeernotitie gemeente Tilburg. Verder zijn goede voorzieningen voor het stallen van fietsen nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Naast voldoende fietsstallingsruimte voor bewoners moet er rekening gehouden worden met voldoende fietsstallingsplekken voor bezoekers.

 

Het openbaar gebied moet altijd bereikbaar zijn voor de noodhulpdiensten. Daarbij geldt dat,

analoog aan de bestaande situatie, een fysieke afsluiting mogelijk is, mits er een aantal inzinkbare

palen zijn voorzien.

 

Het terrein moet goed bereikbaar zijn voor afvalinzameling. Een vuilniswagen moet altijd vooruit kunnen rijden bij arriveren en bij het wegrijden.

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

 

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

4.2 Milieueffectrapportage

 

4.2.1 Algemeen

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet

worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  1. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;

  2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

 

ad a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke

activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt

zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid

worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.

beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer

dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het

plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk

genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na

het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.

 

ad b.

Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied bevindt zich binnen de mogelijke effectafstand van Natura 2000-gebieden waarbij sprake is van een stikstofgevoelige habitat. Dit wordt in paragraaf 4.11onderzocht en beoordeeld.Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase en de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. In beide situaties bedraagt de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jr.

 

Er heeft een vormvrije mer beoordeling plaatsgevonden (zie bijlage 15 en 16). Uit dit rapport blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving.

 

Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.

4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling

De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten.

 

Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen:

  1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven.

  2. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

 

Ad 1: Plan-m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r.:

Voor deze ruimtelijke onderbouwing/ dit bestemmingsplan is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, te weten:

D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.

 

Het beoogde bestemmingsplan behelst de bouw van maximaal 11 woningen. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig.

 

Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e,r,-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit.

 

Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen.

 

Ad 2: Plan-m.e.r.-plicht vanwege passende beoordeling.

Geconcludeerd kan worden dat voor het opstellen van een plan-MER als bedoeld in artikel 7.2a Wm geen aanleiding bestaat. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en ligt op ruime afstand ca. 2,3 en 5 km van gebieden die wel als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Het plangebied maakt eveneens geen deel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN).

 

Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden zijn geen negatieve effecten op de nabijgelegen NNB (voorheen EHS) en Natura2000-gebieden te verwachten. Ook tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase zullen niet aan de orde zijn. Significante gevolgen kunnen daarom worden uitgesloten. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf Natuur/ecologie.

 

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies:

De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. artikel 7.16 lid 2 Wet milieubeheer. De criteria betreffen:

  1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken;

  2. Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn;

  3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben;

  4. Een beschrijving, voor zover er informatie beschikbaar is, van de mogelijke waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van (indien van toepassing) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit.

 

Toetsing:

 

  1. Fysieke kenmerken van het plan/project

Het plan heeft betrekking op de bouw van 11 grondgebonden woningen. De locatie is nu in gebruik als paardenwei en tuin bij een vrijstaande woning. Het perceel waarop gebouwd wordt grenst aan een bestaande straat.

 

  1. Plaats van het project

Het plan/project wordt uitgevoerd op een locatie die nu in gebruik is als paardenwei en gebruikt gaat worden als woonlocatie.

 

  1. Kenmerken van de potentiële effecten

Het plan/project betreft het realiseren van woningen. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten.

 

Bodem

Door Lankelma is op 8 september 2020 een bodemonderzoek afgerond. Er blijken geen belemmeringen voor de geplande nieuwbouw op de locatie.

 

Archeologie en cultuurhistorie

In 2020 is ter voorbereiding op dit initiatief door BAAC een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd: Tilburg, Plangebied ten westen van Bosscheweg 158, BAAC Rapport V-20.0129, E.A.M. de Boer. Er wordt geadviseerd om bij bodemverstoringen dieper dan 40 cm –mv (buffer van minimaal 20 cm) een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren. In de regels van het bestemmingsplan wordt hiervoor een dubbelbestemming archeologie opgenomen.

 

Water

Door het bouwplan neemt de hoeveelheid verharding toe. Alle hemelwater op de locatie wordt ter plaatse geïnfiltreerd. Per saldo neemt de kans op verdroging niet toe

 

Natuur/Ecologie

Door Van Helvoirt is een quickscan flora en fauna (28 oktober 2020) uitgevoerd. Daaruit blijkt dat zich geen natuurwaarden op de locatie bevinden. Mogelijk passeren er marterachtigen. Bij de inrichting van de publieke ruimte wordt voorzien in een habitat die geschikt is voor marterachtigen.

 

Het bureau heeft ook een boomeffectanalyse (8 september 2020) uitgevoerd. Er bevinden zich geen bomen met een beschermde status op of aan de locatie. Uit de conclusies blijkt dat de wortelgroei van enkele (3) aanwezige bomen beperkt hinder kunnen ondervinden van de bebouwing. Er worden maatregelen genomen om de wortels te beschermen.

 

Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura-2000 gebied. Het meest nabijgelegen gebied betreft het gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Die liggen op circa 2,3 kilometer afstand. Veel Natura 2000 gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. In een Aerius berekening (Van Empel, 22 september 2020) is berekend dat gelet op de beperkte ingreep (woningbouw) en de grote afstand tot het Natura-2000 gebied, er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn op het natuurgebied.

 

Geluid

De locatie blijkt geluidbelast door spoorweglawaai (onderzoek Physibuild d.d. 8 september 2020). Door de bouw van de woningen neemt de geluidbelasting niet toe. De woningen gaan voldoen aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot geluidbelasting in de woningen.

 

Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit wordt niet beïnvloed door de toevoeging van de 11 woningen.

 

Geurhinder

Het bouwplan veroorzaakt geen geurhinder.

 

Externe veiligheid

Uit onderzoek van Kragten (1 oktober 2020) blijkt een toename van het groepsrisico. De toename is blijkens de opgestelde verantwoording aanvaardbaar. De aanwezigheid van een buisleiding heeft geen invloed op de plaatsgebonden risicocontour.

 

  1. Mogelijke gevolgen tgv de verwachte residuen en emissies, de productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen

Deze zijn niet van toepassing

 

Conclusies en advies

Het doel van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, door in een vroeg stadium te onderzoeken en te beoordelen of de voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.

 

In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van het project Moerenburcht te Tilburg. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het project en zijn directe omgeving.

 

Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure voor dit project.

4.3 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (de binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

De projectlocatie bevindt zich niet binnen de richtafstand van omliggende bedrijven. Binnen het plan worden enkel een woning en appartementen gerealiseerd. Daarmee is er vanuit Bedrijven en Milieuzonering geen belemmering voor dit plan.

 

Geitenmoratorium

In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.

 

De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (waaronder bestemmingsplannen) moet ook aan de zogenaamde omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.

Dit houdt in dat:

  1. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;

  2. kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;

  3. met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;

  4. nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;

  5. de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.

 

Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. De projectlocatie bevindt zich grotendeels buiten de 2km zone van de meest nabijgelegen geitenhouderij. Enkel het meest oostelijke puntje van het perceel bevindt zich binnen de zone van het geitenmoratorium. De bouwvlakken voor de woning en de appartementen bevinden zich geheel buiten de 2km zone. Daarmee is het geitenmoratorium geen beperking voor de bouw van de woning en appartementen.

4.4 Externe veiligheid

 

4.4.1 Inleiding

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

  1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);

  2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;

  3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

 

4.4.2 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

 

In de bij dit plan gevoegde quick scan externe veiligheid (d.d. 3 februari 2020) bijlage 18en Verantwoording groepsrisico Moerenburcht Tilburg, WND706, 1-10-2020 (bijlage 3) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Breda-Tilburg-Vught/Boxtel, ondergrondse buisleiding Z-522-01 en de Rijksweg A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. Voor de spoorlijn en de buisleiding is een groepsrisicoberekening uitgevoerd door Bureau Kragten getiteld ‘BOS - Kragten - Risico buisleidingen – 201001’ (bijlage 4) en ‘BOS - Kragten - Externe veiligheid spoor – 201001’ (bijlage 5). Beide QRA’s zijn is op 16 november 2020 goedgekeurd door R. Kouwen, gemeente Tilburg.

 

4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een transportasgebied. Binnen een transportgebied gelden de volgende voorwaarden:

 

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

 

4.4.4 Conclusie en restrisico

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda-Tilburg-Vught/Boxtel, ondergrondse buisleiding Z-522-01 en de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Verantwoording groepsrisico Moerenburcht Tilburg, WND706, 1-10-2020 . De brandweer Midden- en West-Brabant heeft d.d. 16 november 2020 advies uitgebracht (zie bijlage 6). De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

 

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 [image]

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.5 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

4.6.1 Wegverkeers- en spoorweglawaai

De nieuwe woningen zijn:

Daarom is voor de oprichting van de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen van de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch rapport opgesteld door PhysiBuild d.d. 9 augustus 2020 met rapportnummer W132-RA-01 (zie bijlage 7).

 

Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat:

 

Om de woningen akoestisch mogelijk te maken:

 

4.6.2 Gemeentelijk geluidbeleid

Het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen in het document ‘Hogere waarde beleid’ van april 2015. Uitgangspunt van het gemeentelijk geluidbeleid is dat op geluidbelaste locaties sprake moet zijn van een "acceptabel woon- en leefklimaat". In het geluidbeleid is aangegeven wanneer het zinvol is om aanvullende eisen te stellen. Deze aanvullende eisen zijn van toepassing als de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen berekend volgens de Wet geluidhinder meer bedraagt dan 53 dB voor wegverkeerslawaai respectievelijk 60 dB voor spoorweglawaai. Reden hiervoor is dat uit onderzoek is gebleken dat pas boven deze geluidbelastingen er sprake kan zijn van substantiële hinder.

 

Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen t.g.v. spoorlawaai hoger is dan 60 dB. Dit betekent dat er aanvullende voorwaarden aan de nieuwe woningen gesteld zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening te borgen. Dit betekent dat elke woning over een geluidluwe buitenruimte en een geluidluwe gevel moet beschikken. Om aan deze voorwaarden te kunnen voldoen is in het bouwkundig ontwerp rekening gehouden dat alle woningen op de begane grond aan de spoorkant van een afsluitbare loggia worden voorzien. Daar waar de maximale ontheffingswaarde van 68 dB voor spoorweglawaai wordt overschreden, worden of aanvullende gebouwgebonden maatregelen getroffen of worden de gevels(delen) doof uitgevoerd.

4.6.3 Industrielawaai

In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Het plangebied zelf is niet gelegen binnen de 50 dB(A) contour van een gezoneerd industrieterrein respectievelijk de 50 dB(A) contour van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is opgesteld.

 

4.6.4 Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.7 Trilling

De nieuwe woningen komen op korte afstand van het spoor te liggen (< 100 meter). Hierdoor is trillingshinder niet of niet volledig uit te sluiten. Daarom is er een trillingsonderzoek uitgevoerd door Greten Raadgevende Ingenieurs. Voor de uitgangspunten en de rekenresultaten wordt verwezen naar het rapport d.d. 30 november 2020 met documentnummer Rtri109aaA0.hg, revisie 2 (zie bijlage 9). Uit het onderzoek blijkt dat:

 

In het onderzoek wordt globaal ingegaan op trillingsreducerende maatregelen (b.v. de toepassing van vloeren met een massa van 800 kg/m2) maar deze zijn nog niet concreet uitgewerkt op basis van het definitief ontwerp van de woningen. Naar verwachting is een vloer met een dergelijke massa echter zodanig stijf dat opslingering en trillingshinder kan worden voorkomen.

 

Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting houdt in dat bij de aanvraag Wabo onderdeel bouwen een trillingsonderzoek moet worden uitgevoerd waaruit blijkt dat de streefwaarden voor een nieuwe situatie, zoals bedoeld in tabel 2 van de Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden. In afwijking hiervan is het bouwen van bouwwerken voor de functie wonen ook toegestaan op voorwaarde dat alle doelmatige en kosteneffectieve maatregelen om de trillingssterkte te verminderen worden getroffen én uit een berekening blijkt dat tenminste de streefwaarden voor wonen in een bestaande situatie, zoals bedoeld in tabel 3 van de SBR - Richtlijn deel B, niet wordt overschreden.

Indien niet voldaan kan worden aan de streefwaarden voor een nieuwe situatie respectievelijk voor een bestaande situatie kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken indien de te treffen trillingsreducerende maatregelen om te voldoen aan de streefwaarden onevenredig zijn in relatie tot de beperking van de trillingshinder als gevolg van deze maatregelen én er sprake is van een zeer bijzondere omstandigheden. Ernstige trillinghinder dient hierbij te allen tijde te worden voorkomen. Ernstige hinder is een situatie waarbij de maximale trillingssterkte Vmax > 3,2 re 1 mm/s is.

4.8 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de oprichting van maximaal 13 woningen waardoor het plan wordt gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast worden er geen luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) gerealiseerd. Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.9 Geur

 

4.9.1 Industriële geurhinder

Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden.

Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.

 

Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

 

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.

 

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een relevante (industriële) geuremissie. Industriële geur is daarmee geen belemmering voor dit plan.

 

4.9.2 Agrarische geurhinder

Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.

 

De planlocatie bevindt zich niet binnen de richtafstand van agrarische bedrijven met een geuremissiefactor. Daarmee is agrarische geur geen belemmering voor dit plan.

4.10 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, die niet ouder is dan 5 jaar.

 

Het bestemmingsplangebied ligt aan de Bosscheweg 158 te Tilburg en is kadastraal bekend als TBG sectie V nummer 86. Het perceel is momenteel braakliggend, op een garage in de noordoostelijke hoek na. Voor de realisatie van de beoogde bouw van maximaal 11 woningen zal de garage worden gesloopt. De gronden zijn reeds voorzien van een bestemming 'Wonen'.

4.10.1 Bodembeleid gemeente Tilburg

Naast het bovengenoemde, landelijk erkende onderzoeksprotocol zijn voor de beoogde functiewijziging nog de volgende gemeentelijke beleidskaders van belang.

 

Nota "In goede aarde"

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg (specifiek Bodembeleid gemeente Tilburg). In deze context en de navolgende wordt opgemerkt dat in Noord-Brabant, zo ook in Tilburg, regelmatig verhoogde waarden voor (zware) metalen in grond en grondwater aangetroffen worden zonder direct aanwijsbare bron. Dergelijke verhoogde waarden zijn eerder regel dan uitzondering, hebben een diffuus verspreidingsbeeld en kunnen sterk in tijd, ruimte en samenstelling variëren. Conform de nota zijn verhoogde waarden aan (zware) metalen, met name nikkel, koper, zink en arseen, in dergelijke gevallen als verhoogde achtergrondgehalten te beschouwen. Deze vormen over het algemeen geen actuele risico's voor de gezondheid en het milieu.

 

Bodembeheerplan (bodemkwaliteitskaart)

Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Landbouw en natuur' (Toepassingskaart/Bodemfunctieklassenkaart). Ten aanzien van voornoemde zone mag de bodemkwaliteit niet verslechteren dat wil zeggen, er mag in principe geen grond worden toegepast van een slechtere kwaliteit. Grond uit deze zone kan worden toegepast in alle zones mits niet verontreinigd ("schoon").

 

Uitdrukkelijk wordt verwezen naar het de 'Nota bodembeheer gemeente Tilburg'. Daarin staat beschreven wat de (on-)mogelijkheden en uitzonderingen zijn van de toepassing of hergebruik van gebiedseigen grond van een mindere kwaliteit. De actuele/werkelijke grondkwaliteit wordt behandeld in de volgende subparagraaf 'Bodemkwaliteit Plangebied'.

4.10.2 Bodemkwaliteit plangebied

Door Lankelma Geo-milieu en funderingstechniek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de locatie (zie bijlage 10).

 

De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de geplande nieuwbouw op deze locatie. Als gevolg hiervan is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Daarnaast is door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb).

 

De conclusie is dat in het kader van de Wet bodembescherming geen aanvullende procedures noodzakelijk zijn. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande nieuwbouw op deze locatie.

4.11 Natuur en ecologie

 

4.11.1 Wettelijke kaders

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.

 

Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

 

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

 

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

 

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

 

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

4.11.2 Analyse plangebied

Voor de geplande ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Van Helvoirt Groenprojecten, 2020, zie bijlage 11). Tevens is voor het onderdeel Natura 2000-gebieden een voortoets Wet Natuurbescherming met AERIUS-berekening uitgevoerd (Van Empel Milieuadvies, 2020, zie bijlage 12, 13 en 14). Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen en conclusies vermeld. Voor de volledige rapportages wordt verwezen naar de bijlagen.

 

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op 2,3 km afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten (behalve stikstofdepositie) op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Om negatieve effecten door stikstofdepositie te kunnen uitsluiten zijn berekeningen uitgevoerd in het rekenprogramma AERIUS. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase en de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In beide situaties bedraagt de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jaar. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Er is geen passende beoordeling noodzakelijk.

 

Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Natuurnetwerk Brabant behoort, betreft het Wilhelminakanaal (ecologische verbindingszone) op circa 400 meter van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.

 

Soortenbescherming

Tijdens de ingreep moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van vogels met cat. 5 beschermde nesten en algemene broedvogels. Bij het eventueel verwijderen van bomen, struikbeplantingen of de autoberging bestaat de kans dat nesten worden beschadigd of vernield, wanneer ze in gebruik zijn. Indien de ingreep binnen het broedseizoen plaatsvindt, moeten de werkzaamheden worden voorafgegaan door een broedvogelinspectie. De periode waarin dit noodzakelijk is moet afgestemd zijn op de vogelsoorten die op en rond het traject te verwachten zijn. De autoberging biedt mogelijk verblijfplaatsen voor vleermuizen. Deze gaan niet verloren, omdat de autoberging ongemoeid wordt gelaten of indien deze toch verdwijnt, er in het kader van de omgevingsvergunning voor de bouw van de vrijstaande woning, nader onderzoek nodig is. Het projectgebied is mogelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen en in de directe omgeving zijn mogelijke vliegroutes aanwezig. De ingreep heeft op dit vlak echter geen wezenlijke invloed op het functioneren van het leefgebied van vleermuizen.

Het projectgebied kan onderdeel uitmaken van het functionele leefgebied van enkele marterachtigen (wezel, bunzing en steenmarter). Het zal daarbij altijd onderdeel zijn van een groter functioneel leefgebied. Het verdwijnen van een deel van het functioneel leefgebied zal redelijkerwijs niet leiden tot overtreding van de Wet Natuurbescherming, doordat in het plangebied maatregelen worden genomen ten gunste van de genoemde marterachtigen. Specifiek gaat het daarbij om de aanleg van groene erfafscheidingen in de vorm van inheemse haagbeplanting. Het gebied wordt mogelijk sporadisch bezocht door de eekhoorn, maar maakt geen deel uit van het essentieel leefgebied. Ook overige beschermde, niet-vrijgestelde soorten worden niet verwacht. Tenslotte zijn wel algemene soorten te verwachten (zoogdieren, amfibieën) die zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen van de Wet Natuurbescherming. Hierop is wel de zorgplicht van toepassing.

 

Conclusie

Het plan kan in overeenstemming met natuurwetgeving en beleid worden uitgevoerd, mits:

 

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

 

5.1 Bestaand watersysteem

De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 1: gebiedskenmerken

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van oppervlaktewater

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de beschermingsgebieden Keur

In de bestaande situatie is het plangebied grotendeels onverhard. Een klein deel is voorzien van een garage en terreinverharding.

 

In de Bosscheweg op circa 80 meter van het plangebied is gemengd riool aanwezig. In de huidige situatie is geen sprake van vuilwaterafvoer. Het regenwater dat op onverharde oppervlakken valt infiltreert in de bodem. Regenwater van de verharde oppervlakken wordt deels opgevangen en voert af naar omliggende onverharde terreindelen.

5.2 Beleidskader

Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.

 

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

 

5.3 Toekomstige situatie

De ontwikkeling bestaat uit 2 delen. Deel 1 betreft de sloop van de garage en de bouw van één vrijstaande woning en deel 2 betreft de bouw van maximaal 12 woningen met een collectieve tuin en een collectief bijgebouw. Voor de nieuwe situatie wordt uitgegaan van de volgende gegevens:

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 2: afboerende oppervlakken in de plansituatie

 

* Bron: tekening verbeelding

 

Grondwater

De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:

 

De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.

 

Regenwater

Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn:

Alle beetjes helpen: andere / innoverende ideeën zijn mogelijk.

 

In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg.

  

Op basis van de aangenomen maximaal afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld van minimaal 145 m³. Uitgangspunt hierbij is dat alle aangenomen verharde oppervlakken volledig afwateren. Door de toepassing van groene daken, halfverhardingen en verhardingen die rechtstreekse afwateren op groenzones in het plangebied kan de werkelijk afwaterende oppervlakte en de bijbehorende bergingsopgave worden bepaald. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, watergang, greppel en groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien.

 

De percelen aan de noord, zuid en westzijde rondom het plangebied zijn in de huidige situatie hoger gelegen dan het onverharde deel van het plangebied. Door te kiezen voor watergangen/greppels rondom het plangebied kan gecombineerd invulling worden gegeven aan de bergingsopgave en wordt eventueel oppervlakkig afstromend water naar het plangebied opgevangen zodat dit niet tot schade kan leiden. Er is geen overloop beschikbaar voor het teveel aan water. Door infiltratie van water in de grond dient de voorziening weer beschikbaar te komen. Er wordt geadviseerd extra ruimte voor water te creëren voor een situatie van extreme neerslag. Bijvoorbeeld door de waterbergende voorziening te ontwerpen op een groter aanbod dan 60 mm neerslag of om hiervoor lagere terreindelen in te richten die bij extreme neerslag kunnen inunderen.

 

Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.

 

Huishoudelijk afvalwater

De invulling van de afvoer van huishoudelijk afvalwater van de nieuwe woningen moet in overleg met gemeente Tilburg worden vastgesteld. De voorgenomen oplossing is een drukrioolunit op eigen terrein en in eigen beheer. De afvoerende persleiding krijgt een aansluiting op de gemengde riolering in de Bosscheweg.

 

5.4 Watertoets

De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

 

Hoofdstuk 6 Opzet planregels

 

6.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Standaard plansystematiek

 

6.2.1 Bouwvlak en erf

De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.

Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

6.2.2 Goot- en bouwhoogte

De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte:

  1. structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in:

  1. bedrijvige linten;

  2. rustige linten;

  1. hoofdstructuur nieuwe gebieden;

  2. overige gebieden.

Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen - 1, Wonen - 2 en Wonen - 3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling. Voor het onderhavige plan wordt voor de aaneengebouwde woningen in de binnenring een maximale bouwhoogte van 7 m opgenomen en in de buitenring een maximale goothoogte van 4 m en maximale bouwhoogte van 7 m opgenomen. Voor de vrijstaande woning geldt een maximale bouwhoogte van 10 meter.

6.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied:

  1. oppervlakte:

  1. 20m2 indien erf kleiner is dan 50m2;

  2. 40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2;

  3. 80m2 bij erf tussen de 500m2 en 1000m2;

  4. 100m2 bij erf vanaf 1000m2;

  1. bouwhoogte:

  1. maximaal 3m bij plat dak;

  2. bij schuin dak goothoogte maximaal 3m;

  3. bouwhoogte maximaal 4,5m.

N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden. Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen.

In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan:

  1. 75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²;

  2. 150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 5000m²;

  3. 200m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²;

terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6m mag bedragen.

6.3 Bestemmingen en aanduidingen

In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig:

Binnen deze bestemming is de volgende aanduidingen gebruikt:Erf

 

Binnen deze bestemming is de volgende aanduiding gebruikt: bijgebouwen

 

Daarnaast is de volgende dubbelbestemmingen aanwezig:

6.4 Bouw- en gebruiksregels

Bouwregels

De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

 

Gebruiksregels

Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

 

Wijzigingsbevoegdheid

Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

 

Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg

 

8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 5 juni 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is verzonden naar de volgende organisaties:

 

Instantie

Datum verzending

Datum ontvangst reactie

Opmerkingen?

Provincie Noord-Brabant Directie ROH

26 maart 2021

26 april 2021

geen

Prorail
Beheer en instandhouding regio Zuid

31 maart 2021

8 april 2021

geen

 

 

 

 

 

Deze paragraaf is gereserveerd voor de resultaten uit het vooroverleg.

8.3 Omgevingsdialoog

In september 2020 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog burgerparticipatie gevoerd. Vanwege Corona is er voor gekozen om omwonenden via een brief te informeren. In de brief is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan. Daarnaast is een indicatieve schets opgenomen van het bouwplan. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Op de verstrekte informatie zijn vijf reacties binnengekomen. Deze zijn in het verslag van de omgevingsdialoog beantwoord (zie bijlage 17). De aard van de schriftelijke reacties was zodanig dat er voor gekozen is om alsnog een gesprek te organiseren. Dat vond plaats op 27 januari 2021. Hier is een verslag van gemaakt dat eveneens in de bijlage is opgenomen (zie bijlage 17).

 

Er zijn onder meer reacties ingediend over de volgende onderwerpen:

  1. er wordt een stuk natuurschoon volgebouwd

De locatie is in gebruik als paardenwei. De natuurwaarde is beperkt. Bebouwing betekent uiteraard dat het groene karakter voor een deel gaat verdwijnen. Inzet is dat de volwassen bomen op (en nabij) de locatie behouden blijven. Rondom de woningen is een gemeenschappelijke tuin voor de bewoners gepland. Bij de aanleg is er nadrukkelijk aandacht voor het bevorderen van biodiversiteit. Daarnaast is uiteraard onderzoek gedaan naar flora en fauna.

 

  1. andere mensen mogen ook niet op hun grond woningen bouwen, dus dan hier ook niet.

Elk initiatief wordt op zijn eigen merites beoordeeld.

 

  1. de bouw van rijtjes woningen komt niet overeen met de andere bebouwing aan de Bosscheweg. Dat komt het straatbeeld niet ten goede.

Er wordt terecht geconstateerd dat de voorgestelde bebouwing afwijkt van de villabouw elders aan de

Bosscheweg. De plek heeft een ander karakter dan de rest van de Bosscheweg. Feitelijk is het het einde van een doodlopende aftakking van de Bosscheweg, die bovendien ligt tussen twee hoogsporen. De

vorm van de bebouwing reageert op dit bijzondere karakter. Door de gekozen opstelling is er

maximaal zicht vanuit de woningen op het fietspad. Dit verhoogt de sociale veiligheid.

 

  1. vrees voor toename van verkeersdrukte

Met het plan worden 11 woningen toegevoegd. De toename aan autoverkeer is niet zodanig dat een onveilige verkeerssituatie ontstaat. Het gedeelte behoort tot de rustigste fietsstraten van Tilburg en dat zal door het bouwplan niet veranderen. Tijdens de bouw zal extra zorg besteed worden aan een verkeersveilige situatie.

 

  1. veiligheid van het fietspad komt in het gedrang

Er worden zorgen geuit over de veiligheid van fietsers op de fietsweg. Omwonenden

merken op dat het een druk fietspad betreft met veel schoolgaande jeugd. Gevreesd wordt dat

het voor de jeugd op de fiets gevaarlijker wordt als er extra auto’s zullen in- en uitrijden.

De initiatiefnemer erkent dat dit een toename is ten opzichte van de huidige situatie. Hij voert

aan dat de drukte binnen acceptabele proporties is en niet vergelijkbaar is met andere

fietsstraten in de stad, waar veel meer auto’s rijden. Hij verwijst naar de tijd dat het dierenasiel

nog aan dit fietspad gevestigd was. Toen waren er dagelijks veel meer verkeersbewegingen dan

het geval zal zijn na uitvoering van dit bouwproject.

De initiatiefnemer geeft aan dat het vanuit zijn initiatief niet mogelijk is om iets te doen aan

algemene zorgen over de verkeersveiligheid op de fietsweg en omgeving. Wel onderschrijft hij

het belang van een veilige situatie ter plaatse van de toerit tot het plan Moerenburcht. In de

verdere uitwerking van het bouwplan zal extra aandacht worden besteed aan een veilig ontwerp

van de in- en uitrit op het fietspad, zodat het risico tot een minimum wordt beperkt.

De verkeerssituatie is reeds beoordeeld door een verkeerskundige van de gemeente en akkoord bevonden. De opmerkingen en zorgen over het drukke fietsverkeer worden teruggekoppeld aan de verkeersdeskundigen van de gemeente.

 

  1. parkeerproblemen

Het plan gaat voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm. Ook bezoekersplaatsen worden op eigen terrein aangelegd. Er is bij de aanleg van dit aantal plaatsen geen aanleiding om parkeerproblemen te verwachten. In uitzonderlijke situaties kan geparkeerd worden op de plaatsen tegenover woning Bosscheweg 162 (het voormalige dierenasiel). Daar bevinden zich circa 10 plaatsen.

 

  1. privacy

Twee direct omwonenden zijn bekend met het plan en hebben geen zorgen geuit over privacy. Andere bewoners hebben geen direct zich op het bouwplan.

8.4 Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 31 mei tot en met 12 juli 2021 ter inzage gelegen. In deze termijn zijn er twee zienswijzen ingediend. In de bijlage bij het raadsbesluit wordt ingegaan op de zienswijzen en wordt aangegeven in hoeverre dit aanleiding heeft gevormd tot aanpassing van het bestemmingsplan.