Reit 2007, 6e herziening (Warandelaan 2, Nieuwbouw 2)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2019033-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Tilburg University (TiU) heeft een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van een nieuw onderwijsgebouw (Nieuwbouw 2) op het campusterrein. Het geldende bestemmingsplan Reit 2007 biedt niet de mogelijkheden om deze nieuwbouw te realiseren. De nieuwbouw zal plaats bieden aan meerdere collegezalen. In de plint is ruimte voor een koffiecorner. In dit bestemmingsplan wordt ook ruimte geboden voor de (mogelijke) bouw van een parkeergarage op het bestaande parkeerterrein aan de westzijde van het campusterrein (Warandelaan).
De nieuwbouw bereikt een bouwhoogte van bijna 22 meter. Voor de (mogelijke) parkeergarage wordt ruimte mogelijk gemaakt voor een gebouw tot een maximale bouwhoogte van 10 meter.
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Strategische vastgoedvisie Tilburg University
TiU legt de hoofdlijnen van haar instellingsbeleid iedere vier jaar vast in een strategisch plan (https://www.tilburguniversity.edu/nl/over/beleid). In aansluiting op dit plan is in 2013 een strategische vastgoedvisie opgesteld. Deze wordt, net als het strategisch plan, periodiek herijkt. In april 2018 is deze visie voor de eerste keer herrijkt (bijlage 1)
De visie is opgebouw uit zes hoofstukken. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op relevante kaders, trends en ontwikkelingen die bepalend zijn voor de toekomstige huisvestingssituatie van TiU en op de ambities van TiU met betrekking tot haar campus en gebouwen. Hoofdstuk 3 geeft inzicht in de huidige huisvestingssituatie. De lange termijn ruimtebehoefte van TiU wordt in hoofdstuk 4 geanalyseerd en in hoofdstuk 5 wordt de gewenste eindsituatie van de vastgoedportefeuille toegelicht, inclusief de maatregelen die nodig zijn om hiertoe te komen.
Uit de visie volgt dat er een groei te voorzien is in studenten (in 2025) tot 20.000. Deze cijfers zijn inmiddels achterhaald. Actuele cijfers (2020) laten in 2020 een studentenaantal van 19.300 zien. Op termijn is sprake van een tekort aan roosterbare onderwijsruimte van circa 3.600 m² wo. Een deel van deze ruimte is ingevuld met de ontwikkeling van The Cube. De beoogde nieuwbouw voorziet verder in deze behoefte.
1.3 Het plangebied
Het plangebied waar de nieuwbouw is voorzien omvat het (voormalige) parkeerterrein gelegen in de noordoostelijke hoek van het campusterrein en wordt globaal begrensd door het spoortracé Tilburg - Breda in het noorden, de Torentjesbuurt (woonwijk) in het oosten, TIAS-building in het zuiden en het onderwijsgebouw The Cube in het westen.
Het plangebied waar ruimte is voor een parkeergarage ligt zuidelijk op het bestaande parkeerterrein aan de westzijde van het campusterrein
1.4 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan 'Reit 2007'.
1.5 Ruimtelijke en functionele structuur
Ruimtelijke structuur
De campus van TiU is door zijn ligging en sfeer uniek in Nederland. Door zijn afgelegen positie tegen de rand van de Oude Warande en de stevige groene omkadering heeft de campus een bijzondere, ontspannen en besloten sfeer. Deze sfeer wordt verder versterkt door de aanwezigheid van een verzameling van bijzondere universiteitsgebouwen met een kenmerkende beeldkwaliteit. De ingetogen en sobere architectuur draagt hier bij aan de rust en samenhang van deze campus. Daarnaast is er sprake van een samenspel tussen gebouwen en landschap. Gezamenlijk vormen ze een geheel, maar binnen dit geheel zijn er ook deelgebieden met een eigen karakteristiek. Zo heeft het hart van de campus, aan de langgerekte esplanade, een levendige sfeer en kenmerken van een stedelijke omgeving. Aan de noord- en de zuidzijde is de campus rustiger en meer besloten en landschappelijk van karakter. Hier is gelegenheid om met een boek in het gras te studeren.
Het voorliggende plan maakt de nieuwbouw van twee gebouwen mogelijk; het onderwijsgebouw )Nieuwbouw 2) en een bovengrondse parkeergarage.
Nieuwbouw 2 is voorzien aan de noordoostzijde van de campus op de plek waar nu een laaggelegen parkeerplaats ligt. Deze parkeerplaats wordt opgeheven, zodat het autoverkeer aan deze zijde van de campus verdwijnt en de overlast van het zoekverkeer wordt teruggedrongen. Op deze plek ontstaat ruimte voor een nieuw entreegebied, waar nieuwbouw 2 een belangrijk onderdeel van is. Dit nieuwe gebied zorgt voor een duidelijkere route tussen Station Universiteit en de campus en geeft de gelegenheid om de overgangen tussen campus, woonwijk en stationsomgeving beter vorm te geven. Zo kan de groene omkadering van de campus worden versterkt en meer plek worden gecreëerd voor fiets- en wandelpaden en fietsparkeerplekken. Daarnaast ontstaat de mogelijkheid om de onbestemde ruimte tussen de campus en Torenbuurt om te vormen tot een groene plek voor de buurt. Om hier invulling aan te geven zullen Tilburg University en de gemeente Tilburg een ontwerptraject met de buurt opstarten.
De garage wordt voorzien op het zuidelijke deel van het bestaande parkeerterrein. Het terrein is hier lager en breder dan aan de noordzijde. Dit maakt het mogelijk om een efficiënte parkeergarage te realiseren binnen de bestaande omlijsting van bomen. De garage wordt hierdoor omzoomd door bomen en steekt daar niet bovenuit. De ruimtelijke impact van de garage is hierdoor beperkt. Daarnaast is het met deze positionering mogelijk om de campus op termijn beter te verbinden met de Oude Warande. Wanneer het mobiliteitsbeleid van de universiteit zijn vruchten afwerpt, en de parkeerdruk langzaam minder wordt, kan het maaiveld worden vrijgespeeld van parkeerplaatsen en mogelijk zels . Op dat moment kan de Esplanade tot aan de Oude Warande worden doorgetrokken.
Functionele structuur
Er geen kabels of leidingen zijn die vanuit rijksbeleid in het bestemmingsplan dienen te worden opgenomen.
Wel zijn er de volgende kabels en leidingen die een risico vormen tijdens de werkzaamheden:
1 Vrijverval rioolstelsel (gemeente Tilburg)
2 Stadsverwarming (Ennatuurlijk)
3 Hogedrukgas (Enexis)
4 Middenspanning (Enexis)
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
2.1 Rijk
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.
De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.
Hoe werkt de NOVI?
Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
Afwentelen wordt voorkomen.
Belangrijkste keuzes in de NOVI
een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden;
de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten;
de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied;
de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden;
het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;
het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
Uitvoering van de NOVI
Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een
bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten.
De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen.
2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.
De behoefte om nieuwbouw te realiseren is gegeven met de Stategische vastgoedvisie van de TiU. Verwezen zij naar paragraaf 1.2 op dit onderdeel en de bijbehorende bijlage. De reservering voor de parkeergarage wordt nader onderbouwd onder paragraaf 3.4.
2.2 Provincie
2.2.1 Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:
De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?
Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm.
Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen.
De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden.
De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten.
De beoogde ontwikkeling van Nieuwbouw 2 en de reservering voor een parkeergarage zijn niet strijdig met de uitgangspunten zoals opgenomen in de Brabantse Omgevingsvisie.
2.2.2 Interim omgevingsverordening
De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.
Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.
De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).
Nieuwbouw 2 is gelegen binnen het stedelijk gebied. Op het campusterrein is gekeken naar alternatieven qua locatie. De locatie van Nieuwbouw 2 maakt onderdeel van een bredere vastgoedvisie (zie paragraaf 1.2). Bij de positionering van Nieuwbouw 2 is rekening gehouden met de aanwezige groenstructuren.
De (mogelijke) parkeergarage ligt net buiten het stedelijk gebied, binnen het Landelijk Gebied (Groen Blauwe Mantel). Artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening schrijft dat een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd.
Een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied is gelet op het feit dat de te bouwen parkeergarage is geprojecteerd op een terrein wat al sinds het begin van de campusontwikkeling (± 1963) ingericht is als parkeerterrein niet noodzakelijk. In dit licht is het daarom qua toedeling van functie ook niet meer dan ruimtelijk logisch dat dit terrein geschikt gemaakt wordt voor de inrichting van de parkeergarage. Een concrete borging is dan ook niet noodzakelijk. In het vigerende bestemmingsplan Reit 2007 kent het terrein een maatschappelijke bestemming en is het geschikt om te parkeren hetgeen feitelijk plaatsvindt. Van enige vorm van een landschappelijk karakter van het gebied is geen sprake en als sinds jaar en dag niet. Opgemerkt zij dat het noordelijk deel van het parkeerterrein, welk terrein van latere datum dateert, wel is gelegen binnen Stedelijk Gebied. Een dergelijke kwalificatie zou ook van toepassing moeten zijn op het zuidelijk deel. Het plan is ambtelijk voor besproken met de provincie waar besproken is dat een positionering meer noordelijk op het parkeerterrein voor de TiU geen optie is.
De noodzaak voor het direct bestemmen van de bouwmogelijkheden is gelegen in de goede ruimtelijke ordening ten aanzien van de opvang van het verkeer. De parkeergarage is de primaire oplossing voor het parkeren, maar TiU heeft de ruimte om met de aanvraag omgevingsvergunning te onderbouwen/garanderen dat in geval van het beroepen op het mobiliteitsbeleid de tijdelijke behoefte opgevangen wordt en er geen overlast is voor de omgeving.
Ten westen van het parkeerterrein zijn de gronden aangewezen tot Natuur Netwerk Brabant (NNB). In opdracht van de TiU is een onderzoek gedaan naar de effecten van de (mogelijke) parkeergarage op dit netwerk (bijlage 2). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een voorgenomen snoei en nieuwbouw op de onderzoekslocatie en heeft als doel de effecten van de beoogde ontwikkeling op de wezenlijke kenmerken en waarden alsmede op de omgevingscondities van het NNB te onderzoeken. Dit is gedaan door de effecten van de snoei en nieuwbouw op diverse criteria te toetsen. Op geen van deze criteria wordt het effect van de voorgenomen snoei en nieuwbouw op het NNB significant negatief geacht.
Teneinde het NNB te beschermen zijn in het bestemmingsplan diverse afwijkingsmogelijkheden qua bebouwingsmogelijkheden uitgesloten voor de parkeergarage. Ook is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen aangetoond moet worden of aan de aanbevelingen zoals hierna in paragraaf 4.9 worden gedaan is voldaan.
2.3 Gemeente
2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
In de Omgevingsvisie 2040 is op hoofdlijnen een ontwikkelperspectief vastgesteld voor de Knoop Universiteit. Het betreffende gebied wordt aan de oostzijde afgebakend door de Ringbaan-West, in het zuiden door de Professor Cobbenhagenlaan, aan de westzijde door Stadsbos013 en aan de noordzijde door de spoorlijn. Ook worden diverse locaties aan de Meerkoldreef betrokken in de uitwerking vanwege o.a. de ligging direct bij station Tilburg Universiteit.
De Knoop Universiteit is in de Omgevingsvisie 2040 aangemerkt als een strategische plek in het verlengde van Binnenstad 21e eeuw en Spoorzone. Het heeft de potentie om te transformeren naar een kennisintensief en innovatief gemengd stedelijk gebied. In de Omgevingsvisie 2040 is een toekomstbeeld geschetst waarin station, universiteitscampus, en Stadsbos013 een onlosmakelijk geheel vormen en herkenbaar zijn als een gebied waar kennis en innovatie centraal staan. Aandacht is er bovendien voor een goede aansluiting (ruimtelijk en programmatisch) p de ontwikkelingen in Spoorzone/binnenstad
2.3.2 Gebiedsvisie Kenniskwartier
De gemeente Tilburg heeft een conceptversie Gebiedsvisie Kenniskwartier opgesteld. De visie vertelt in hoofdlijnen hoe het gebied tussen Ringbaan-West, Professor Cobbenhagenlaan, campus Tilburg University en de Westermarkt zich in de periode tot 2040 kan ontwikkelen. Het laat kansen en mogelijkheden zien die we komende jaren verder willen ontdekken en uitwerken. Er ligt dus nog geen uitgestippeld plan. Dit gaan samen met bewoners, partners en initiatiefnemers verder uitwerken en ontwikkelen.
Stedelijke ontwikkeling
Naast de Spoorzone wordt dit de tweede broedplaats in Tilburg waar kennisinstellingen en bedrijfsleven elkaar treffen. Het Kenniskwartier biedt ruimte om een flink aantal woningen toe te voegen en is de plek voor experimenten en zowel hoogstaand als laagdrempelig ondernemen. Met een upgrade van station Tilburg Universiteit wordt het gebied nog beter bereikbaar en steeds belangrijker als aankomstplek in de stad. Het terugdringen van auto’s en het stimuleren van duurzame mobiliteit is een belangrijke pijler. Het gebied krijgt ook een veel groener karakter door de invloed van het naastgelegen Stadsbos013 prominent het hele gebied in te trekken.
Het Kenniskwartier ontwikkelt zich dus op termijn naar een stedelijk gebied met een afwisselende mix van wonen, werken, ontspannen en leren, met goede ov-faciliteiten en in het groen, maar ook dichtbij het centrum en alle voorzieningen.
Sociale ontwikkeling
Het Kenniskwartier gaat om meer dan alleen ruimtelijk en economische en ruimtelijke opgaven. Er is ook sprake van een grote sociale opgave. Een groot deel van het gebied scoort hoger dan gemiddeld in de stad op punten als het aantal armoedehuishoudens, bijstandsuitkeringen, niet westerse allochtonen en één ouder gezinnen. Samen met de partners die actief zijn in het gebied, kijken we naast de fysieke ontwikkelingen in het gebied ook heel nadrukkelijk naar de sociale kant. De ontwikkeling van het Kenniskwartier biedt kansen om het verbeteren van de fysieke leefomgeving te koppelen aan een duurzame aanpak van armoede, schulden, werkloosheid en eenzaamheid.
AMBITIES
HOOGSTEDELIJKE MIX
Mengen van wonen, werken, sporten en leren
Stimuleert ontmoeting en (kennis)uitwisseling
Vernieuwende woonconcepten van hoogwaardige kwaliteit
SLIMME EN DUURZAME ECONOMIE
Ontwikkeling van een Tilburgs innovatiedistrict
Van ‘stad met universiteit’ naar ‘universiteitsstad’
Aanvullend op de Spoorzone
DUBBELE DUURZAAMHEID
Met bewoners en partners toekomstvisie Abdij- en Torenbuurt maken
Ruimtelijke en sociale opgaven gezamenlijk oppakken.
Verduurzamen, verdichten, vergroenen en verbinden
GROENBLAUW NETWERK
Met bewoners de openbare ruimte herinrichten
Relatie met Stadsbos013 versterken
Gebied nodigt uit tot ontmoeten en bewegen
Samen de buurten vergroenen en verbinden
DUURZAME MOBILITEIT
Meer bewegingsvrijheid voor voetgangers en fietsers, minder auto’s
Station Tilburg Universiteit transformeren tot Intercitystation
Extra aandacht voor (nieuwe) mobiliteitsconcepten
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
3.2.1 Historische geografie
Ligging: het plangebied ligt in de bebouwde kom van Tilburg, ten zuiden van het spoor en direct ten oosten van de Oude Warande.
Het plangebied ligt deels op de westelijke uitloper van het relatief hooggelegen centrale plateau van Tilburg. De kaart van Diederik Zijnen uit ca. 1760 laat zien dat het centrale en oostelijke deel van het plangebied destijds voornamelijk bestond uit een akkergebied dat werd doorsneden door een aantal wegen en paden, waaronder de verbindingsweg tussen De Berkdijk en het gehucht de Reit. Deze laatste nederzetting lag in het noordoosten van het plangebied. Vanaf het driehoekige plein van De Reit ontsprong een kleine waterloop die in het noordoosten van het plangebied uitmondde in de waterloop de Werft. Het westelijke deel van het plangebied, tussen de Oude Warande en de akkergronden van De Reit, bestond uit een langgerekt stuifzandgebied.
In de negentiende eeuw is het noordwestelijke deel van het plangebied, tussen de Reitse Akkers en de Oude Warande, toen nog bestaand uit stuifzanden, bebost. In de meest zuidwestelijke hoek van De Reit is in 1855 de Israëlitische Begraafplaats aangelegd die twee jaar later in gebruik werd genomen.
Geomorfologie: aangezien het plangebied zich in de bebouwde kom van Tilburg bevindt, is het niet gekarteerd op de geomorfologische kaart. Het plangebied is gelegen op een dekzandrug, al dan niet met oud bouwlanddek. Er zijn in of in de directe nabijheid van het plangebied geen bijzondere landschappelijke kenmerken aanwezig.
Bodemgesteldheid: aangezien het plangebied zich in de bebouwde kom van Tilburg bevindt, is het niet gekarteerd op de bodemkaart. Vergelijking met de gegevens van de omliggende gebieden geeft aan dat het plangebied wordt gekenmerkt door hoge, zwarte enkeerdgronden en schrale zandgronden.
Historisch landgebruik: tot ver in de jaren vijftig bestond het plangebied De Reit echter uit agrarische gronden met alleen de bebouwing van het gelijknamige gehucht rond de driesprong en langs de Bredaseweg. In de jaren zestig is het gebied volgens het partiële Uitbreidingsplan “ De Reit” uit 1959, omgevormd tot een stedelijke woonwijk. Naast woningbouw zijn langs een langgerekte boulevard dwars door de wijk diverse onderwijsinstituten ondergebracht.
In het westen grenst het plangebied aan het stadspark De Warande. Het park werd in 1712 aangelegd in opdracht van Willem van Hessen-Kassel en is één van de weinige intacte sterrenbossen in Nederland. Een sterrenbos wordt zo genoemd omdat vanuit een centraal punt een aantal lanen naar de hoeken en de buitenranden lopen. De Oude Warande heeft acht sterlanen, en langs de randen lopen vier lanen die een vierkant van ongeveer zeventig hectare omsluiten. Het park is in barokke stijl aangelegd. In de jaren ’80 van de 20e eeuw waren van deze opzet alleen de hoofdlijnen nog te zien, maar de gemeente heeft in 2008 de laatste hand gelegd aan een bijna 20 jaar durende renovatie. Ruim ten zuiden van het plangebied ligt de Joodse begraafplaats, die in 1855 is ingewijd.
Tussen 1932 en 1973 heeft het Tilburgse dierenpark binnen het zuidelijk deel van het plangebied gelegen. Op de topografische kaart uit 1967 is het merendeel van het huidige wegenplan reeds aanwezig.
Huidig landgebruik: vanaf het begin van de jaren vijftig van de twintigste eeuw vestigt zich de Katholieke Hogelschool Tilburg in het plangebied. Deze onderwijsinstelling, tegenwoordig Tilburg University, breidt zich gestaag uit met onderwijsgerelateerde nieuwbouw vanaf de oostrand van de Oude Warande in de richting van de Conservatoriumlaan.
3.2.2 Archeologie
Het plangebied is niet gekarteerd op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB).
Het plangebied ligt op de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ArWaTi) in een gebied met hoge verwachting.
Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een AMK-Terrein;
ARCHIS en RAT: in de directe omgeving van het plangebied zijn geen archeologische vondsten of waarnemingen bekend.
In 2019-2020 is in opdracht van de Tilburg University door bureau Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek voor het gehele plangebied uitgevoerd: rapportnummer 10849.001, Archeologisch onderzoek Warandelaan 2 te Tilburg. Het doel hiervan was te achterhalen wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is.
Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de verwachting middelhoog voor het Laat-Paleolithicum, Mesolithicum, Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Er is een hoge verwachting voor resten uit het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen.
Die verwachting wordt echter teniet gedaan door de geconstateerde bodemverstoringen in het plangebied.
De conclusie is dat op basis van de bekende bodemverstoringen, het AHN en de waarnemingen in het veld, kan worden vastgesteld dat het archeologisch niveau geheel verstoord is geraakt. Derhalve worden er geen archeologische waarden verwacht binnen het plangebied en is er voor planrealisatie geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk.
3.2.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
In of in de nabijheid van het plangebied liggen enkele van rijks- en gemeentewege beschermde monumenten. Deze dateren alle uit de naoorlogse periode en zijn direct te relateren aan de totstandkoming van de universiteitscampus vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw.
De Tilburgs-Goirlese architect Jos. Bedaux (1910-1989) was als architect verantwoordelijk voor veel van de nog steeds gezichtsbepalende oudste bebouwing op de universiteitscampus. Het Cobbenhagengebouw (1959) is een rijksmonument en het Koopmansgebouw (1968-1972) een gemeentelijk monument. Het niet beschermde Goosens gebouw (1972) is eveneens van de hand van Jos. Bedaux.
De universiteitscampus, die feitelijk in oostelijke richting doorloopt tot de Academielaan, is te beschouwen als een waardevol stedenbouwkundig gebied uit de tweede helft van de twintigste eeuw.
Als onderdeel van de zogeheten oost-westboulevard is de Professor Cobbenhagenlaan een historisch -geografische lijn van redelijk hoge waarde.
Historisch groen: direct ten westen van het plangebied bevindt zich de gemeentelijk beschermde bosaanleg De Oude Warande; het park werd in 1712 aangelegd in opdracht van Willem van Hessen-Kassel en is één van de weinige intacte sterrenbossen in Nederland.
3.2.4 Conclusie
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie is er geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen beschermde gebouwen of structuren aangetast.
Ten aanzien van archeologie kan worden geconcludeerd dat de bodem in het plangebied op basis van uitgevoerd bureauonderzoek als verstoord wordt beschouwd. Vervolgonderzoek is hier niet nodig.
3.3 Groen
3.3.1 Bomenbeleid Tilburg
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening 2017
Beoordelingscriteria houtopstanden
Nota 'overige houtopstanden'
Boomwaarde zoneringskaart 2017
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.
Bomenverordening
De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.
Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)
Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.
Maatregelen in bestemmingsplan
De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.
Bomen Effect Analyse
Nieuwbouw 2 vindt plaats op wat thans nog een parkeerterrein is. Op en rondom dit terrein staan diverse bomen. Door TiU is een effect analyse gemaakt waarin opgenomen welke bomen behouden kunnen blijven, gesnoeid (o.i.d.) moeten worden en welke moeten worden geveld. In geval van vellen/rooien is er sprake van een compensatieplicht. In dit geval is in overleg met de TiU ervoor gekozen de de kap van de bomen financieel te compenseren.
3.4 Verkeer en parkeren
3.4.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.4.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;
Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt;
Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.4.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.
3.4.4 Verkeer en parkeren in het plangebied
Ligging plangebied:
Het plangebied ligt aan de rand van de wijk De Reit, tussen de Hogeschoollaan en de Warandelaan. Aan de noordzijde wordt het begrensd door het spoor.
Fietsroutes:
Het universiteitsterrein is aan de oostzijde ontsloten door middel van een sternetfietsroute langs de Prof. Cobbenhagenlaan en een secundaire fietsroute op de Hogeschoollaan.
Omliggende wegenstructuur en ontsluiting:
Het plangebied is aan de oostzijde ontsloten door de Professor Cobbenhagenlaan. Dit is een gebiedsontsluitingsweg met een maximaal toegestane snelheid van 50 km/h. In zuidelijke richting ligt de Hogeschoollaan. Dit is ten zuiden van de Professor Cobbenhagenlaan een erftoegangsweg met een ontsluitende functie voor het gebied. Ten noorden van de Prof. Cobbenhagenlaan is het een erftoegangsweg met een verblijfsfunctie. Ontsluiten van andere functies behalve wonen is op dit wegvak ongewenst. Op de hele Hogeschoollaan geldt een maximumsnelheid van 30 km/h. De Hogeschoollaan ten zuiden van de Prof. Cobbenhagenlaan is in de mobiliteitsagenda aangewezen als gebiedsontsluitingsweg maar is niet als zodanig uitgevoerd.
Aan de westzijde is het plangebied ontsloten via de Warandelaan. Dit is een gebiedsontsluitingsweg met een maximaal toegestane snelheid van 50 km/h. Op deze weg is het parkeerterrein van de Universiteit ontsloten. De ontsluiting voor autoverkeer van de ontwikkeling moet plaatsvinden via de Warandelaan.
Openbaar vervoer:
Het gebied is goed met openbaar vervoer bereikbaar. Op loopafstand ligt het NS station Tilburg Universiteit. Over de Prof Cobbenhagenlaan en de Hogeschoollaan lopen de buslijnen 4, 131, 629 en 630. De bushaltes liggen op de kruising van de Hogeschoollaan met de Prof. Cobbenhagenlaan.
Parkeren:
De ontwikkeling moet voldoen aan het parkeerbeleid van Tilburg, zoals vastgelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Uitgangspunt daarbij is dat er in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig is op het eigen terrein. Dit betekent dat er geen extra parkeeroverlast in de omgeving mag ontstaan als gevolg van de ontwikkeling.
Het is mogelijk af te wijken van dit uitgangspunt indien op andere wijze in de parkeerbehoefte wordt voorzien en wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Een voorwaarde is dat de TiU een onderbouwing aanlevert. Deze onderbouwing wordt (mede) gegeven door het mobiliteitsbeleid (bijlage 3) van TiU, dat aangeeft welke mobiliteitsmaatregelen worden toegepast om de bestaande parkeerbehoefte én de extra parkeerbehoefte van de nieuwbouw omlaag te brengen. Voorts is een onderbouwing van de parkeerbalans aangeleverd waaruit de behoefte aan parkeerplaatsen blijkt. Om te borgen dat er niet alsnog parkeeroverlast ontstaan doordat de maatregelen niet leiden tot de gewenste lagere parkeerbehoefte, is er een monitoringsplan opgesteld waarin op regelmatige basis de parkeerdruk gemeten wordt. Op basis van deze monitor wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om (tijdelijke) maatregelen teneinde het parkeerprobleem op te lossen. TiU moet inzichtelijk maken hoe te handelen als er een probleem wordt geconstateerd en welke oplossingen concreet voorhanden zijn op dat moment. In de periode dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, heeft TiU gewerkt aan deze nadere uitwerking. Zo is gekeken naar de mogelijkheden om te voorzien in de tijdelijke opvang van de parkeerbehoefte. Daartoe is o.a. een tijdelijk parkeerterrein aangelegd op het campusterrein en is daarnaast op korte afstand van het campusterrein extern parkeerruimte gehuurd (wooncomplex Intermezzo, hoek Conservatoriumlaan / Prof. Cobbenhagenlaan). Opgemerkt zij dat het tijdelijk parkeerterrein op het campusterrein vlak na de beoogde oplevering van Nieuwbouw 2 weer wordt verwijderd en dus alleen voor de korte termijn een alternatief is. Er resteert echter nog een behoefte van enkele tientallen parkeerplaatsen waarvan nu niet voldoende duidelijke is hoe dit kan worden opgelost.
De parkeergarage blijkt de primaire oplossing voor de onderbouwing van de parkeerbehoefte. TiU krijgt in het vergunningentraject de ruimte om met een verdere uitwerking te komen die voldoende comfort en garanties biedt om op basis van het mobiliteitsbeleid van TiU alsnog in te stemmen met een andere passende parkeeroplossing, daarmee vrijstelling te verlenen van de nota ‘Parkeernormen Tilburg 2017’ en dus geen parkeergarage te bouwen.
Op basis van de huidige parkeernormen voor de nieuwbouw is, rekening houdend met het compenseren van de te verdwijnen parkeerplaatsen ter plaatse van de nieuwbouw en het verdwijnen van parkeerplaatsen als gevolg van de bouw van de garage, een garage nodig van 450 parkeerplekken.
Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Voor het bepalen van het aantal in te passen fietsstallingsplaatsen dient een inschatting van de behoefte te worden gemaakt op basis van de kencijfers uit de Leidraad Fietsparkeren van de CROW
Laden en lossen en afvalinzameling:
Laden en lossen moet plaatsvonden op eigen terrein. Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld.
Noodhulpdiensten:
Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen.
Maatregelen omliggende wegenstructuur:
Het uitgangspunt is dat er geen toename van het aantal verkeersbewegingen is te verwachten als gevolg van de nieuwbouw. Als uit de monitoring blijkt dat er alsnog een parkeergarage moet worden gerealiseerd dan moet uitgegaan worden van het volgende: De toevoeging van de parkeergarage met 450 parkeerplekken aan de westzijde levert een aantal van 765 extra verkeersbewegingen per dag op. Dit is bepaald met behulp van de kencijfers van het CROW, op basis van 2000 extra studenten.
Al dit verkeer moet worden afgewikkeld via de verkeerslichten op de kruising warandelaan / Bredaseweg. Hiervoor moet de rechtsafstrook op de Bredaseweg, richting Warandelaan, worden verlengd tot 80 meter en de beide opstelstroken op de Warandelaan richting Bredaseweg worden verlengd tot 85 meter.
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
4.1 Inleiding
4.2 Milieueffectrapportage
4.2.1 Algemeen
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet
worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:
a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.
ad. a.
In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig.
Bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, worden de concrete omstandigheden afgewogen, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (zie o.a. uitspraak RvS ECLI:NL:RVS:2019:1879). De bouw van een onderwijsgebouw in combinatie met al dan niet een parkeergarage, kan worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject.
ad b.
Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Regte Heide & Riels Laag op 5 kilometer van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.
4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling
Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (bijlage 4). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten
Op 16 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat voor dit project geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld.
4.3 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
De planontwikkeling voorziet in de realisatie van een onderwijsgebouw (NB2) en een parkeervoorziening. Voor beide voorzieningen geldt een richtafstand conform de VNG systematiek van 30 meter. Binnen deze afstand zijn voor beide locaties geen gevoelige bestemmingen aanwezig. Daarmee is er geen belemmering voor de ontwikkeling van beide voorzieningen.
Lichthinder
Binnen de VNG systematiek is geen richtafstand opgenomen voor lichthinder. Met name de parkeervoorziening is een potentiële bron van lichthinder. Enerzijds als gevolg van lichtuitstraling van vaste installaties in het gebouw zelf, anderzijds als gevolg van de rijdende voertuigen van, naar en in de inrichting.
De potentiële lichthinder naar de omgeving kan eenvoudig voorkomen worden door het gesloten uitvoeren van geveldelen en het voorzien in voldoende hoge, gesloten balustrades om uitstraling van licht naar de omgeving te voorkomen. Hierbij dient aansluiting gezocht te worden bij de NSVV. Om op voorhand lichthinder naar de nabijgelegen woningen aan de Economenlaan / Professor Gimbrèrelaan te voorkomen wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen om een deel van de gevel (zuidgevel en deel van de oostgevel, zie figuur bij voorwaardelijke verplichting zoals opgenomen als bijlage bij de regels) van de parkeervoorziening gesloten uit te voeren.
Geitenmoratorium
In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.
De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.
Dit houdt in dat:
wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;
kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;
met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;
nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;
de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.
Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.
De planontwikkeling ligt niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij. Het geitenmoratorium is daarom niet van toepassing op dit plan.
4.4 Externe veiligheid
4.4.1 Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.
De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
4.4.2 Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In de bij dit plan gevoegde Onderzoek externe veiligheid - Nieuwbouw (NB2) te Tilburg (Econsultancy, juni 2020, bijlage 5) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg en de Rijksweg A58. Het risiconiveau van deze transportroutes is beschouwd en de verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico is voor deze risicobronnen ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage.
4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een transportasgebied. Binnen een transportasgebied gelden de volgende voorwaarden:
Kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk;
Combinatie met gemengd of intensief gebied is mogelijk;
Niet geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;
Beheersbaarheid spoor en gemeentelijke wegen op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
4.4.4 Conclusie en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg en de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Onderzoek externe veiligheid - Nieuwbouw (NB2) te Tilburg).
De brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
het plangebied is gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar ten gevolge van het spoortraject Breda – Tilburg. Er wordt voldaan aan de grenswaarde;
het plangebied is eveneens gelegen buiten het plasbrandaandachtsgebied;
het groepsrisico van het spoortraject Breda - Tilburg is lager dan de oriëntatiewaarde. De hoogte van het groepsrisico neemt in de toekomstige situatie wel toe ten opzichte van de huidige situatie;
de bereikbaarheid van het plangebied is goed;
goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit;
het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem). Dit en de applicatie NL-Alert biedt de mogelijkheid de aanwezigen tijdig te waarschuwen;
aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten;
maatregelen in het gebouw (zoals centraal afsluitbare ventilatie en voldoende vluchtroutes) en in de organisatie (bedrijfsnoodplan met ongeval gevaarlijke stoffen, risicocommunicatie met aanwezigen) kunnen bijdragen aan de optimalisatie van de veiligheid. Deze maatregelen worden afgewogen bij de uitwerking van het plan;
de opkomsttijd van de brandweer bedraagt circa 8,5 minuten. Hiermee wordt voldaan de brandweerzorgnorm.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.5 Vuurwerk
Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.6 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Het plan voorziet in de oprichting van een onderwijsgebouw en een parkeergarage. Het onderwijsgebouw betreft een ander geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Wgh.
4.6.1 Wegverkeerlawaai
Het nieuwe onderwijsgebouw is niet gelegen binnen de zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh. Dit betekent dat er geen toetsing aan de normen van de Wgh hoeft plaats te vinden.
In het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening is de bijdrage van de 30 km/uur wegen rondom het nieuwe schoolgebouw wel bepaald en beoordeeld. Hiervoor wordt verwezen naar het akoestisch rapport genoemd onder paragraaf 5.5.2. Uit het akoestisch rapport blijkt dat de bijdrage van de 30 km/uur wegen niet relevant is en dat railverkeer maatgevend is voor de hoogte van de optredende geluidbelasting.
4.6.2 Railverkeerlawaai
Het nieuwe schoolgebouw wordt gerealiseerd binnen de zone van het spoortraject Tilburg-Breda.
Voor een schoolgebouw geldt volgens artikel 4.9 van het Besluit geluidhinder een voorkeurgrenswaarde van 53 dB. Artikel 4.10 van het besluit biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om hogere waarden vast te stellen tot maximaal 68 dB.
Voor deze geluidgevoelige bestemming is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder.
Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch rapport van 7 november 2019 met rapportnummer 10849.004 opgesteld door Econsultancy (bijlage 6).
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op alle gevels de voorkeurgrenswaarde van 53 dB wordt overschreden. Op de noord- en een deel van de oostgevel wordt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 68 dB overschreden. De maximale geluidsbelasting op de noordgevel bedraagt 73 dB.
Maatregelen aan de bron en/of de overdracht om de geluidbelasting te reduceren tot aan de voorkeurgrenswaarde van 53 dB of de maximale ontheffingswaarde van 68 zijn niet doelmatig of wenselijk. Met het plaatsen van raildempers, waarmee een reductie van ca. 3 dB wordt bereikt, zal nog steeds de maximale ontheffingswaarde van 68 dB op de noordgevel overschreden worden. Het beperken van de verkeersintensiteit of het verlagen van de rijsnelheid op het spoor zijn vervoerskundig niet mogelijk omdat de gemeente niet de bronbeheerder is. Uit het rapport blijkt dat de kosten van het plaatsen van een scherm over een totale lengte van minimaal 295 meter minstens € 2.200.000,- bedragen. Voor het realiseren van één gebouw wordt dit niet doelmatig geacht. Daarnaast is het plaatsen van een scherm vanuit stedenbouwkundige argumenten niet wenselijk.
Om het onderwijsgebouw akoestisch mogelijk te maken is het noodzakelijk om hogere grenswaarden vast te stellen voor railverkeer. Om de geluidbelasting t.g.v. het spoor te reduceren tot aan de maximale grenswaarde van 68 dB zullen aanvullende gebouwgebonden maatregelen genomen moeten worden. Voorbeelden hiervan zijn het toepassen van vliesgevels of voorhangschermen. Indien ter plaatse van de betreffende gevel/ geveldeel geen gebouwgebonden maatregelen worden getroffen, is het mogelijk de gevel/geveldeel "doof" uit te voeren. Een andere optie is om een zodanig ontwerp van het gebouw te maken dat aan de gevel/geveldeel waar de maximale grenswaarde van 68 dB wordt overschreden geen geluidgevoelige ruimten als les, theorie- en theorievaklokalen worden gesitueerd.
Voor dit bestemmingsplan heeft het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde-besluit genomen. In dit besluit, dat bij het bestemmingsplan is gevoegd, zijn voorwaarden opgenomen waaraan het onderwijsgebouw moet voldoen.
4.6.3 Gemeentelijk geluidbeleid
In het gemeentelijk geluidbeleid is aangegeven op welke manier wordt zorggedragen dat op (hoog) geluidbelaste locaties een acceptabel (woon- en) leefklimaat wordt gerealiseerd en tevens aan wet- en regelgeving wordt voldaan. Voor scholen wordt de eis gesteld dat bij het verlenen van hogere waarden de les-, theorie- en theorievaklokalen, indien mogelijk, zo veel mogelijk aan de geluidluwe gevel worden gesitueerd. Een geluidluwe gevel is een gevel waar de gecumuleerde geluidbelasting (Lcum) bepaald volgens bijlage I van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 maximaal 55 dB bedraagt.
4.6.4 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.
4.6.5 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.7 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan levert een extra verkeersgeneratie op van 765 mvt/dag. Deze verkeersgeneratie is ingevoerd in de NIBM-tool om een uitspraak te kunnen doen of het plan NIBM bijdraagt. Uit de rekenresultaten van de tool blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt. Daarnaast worden er geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk gemaakt. Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.8 Geur
4.8.1 Industriële geurhinder
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.
Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.
In de directe omgeving van het plan bevinden zich geen industriële bedrijven met een significante geuremissie. Industriële geur is daarmee geen beperking voor dit plan.
4.8.2 Agrarische geurhinder
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
In de directe omgeving van het plan bevinden zich geen agrarische bedrijven met een significante geuremissie. Agrarische geur is daarmee geen beperking voor dit plan.
4.9 Trillingen
Het nieuwe onderwijsgebouw wordt gesitueerd op minder dan 100 meter van het spoor. Hierdoor is trillinghinder niet uit te sluiten. Teneinde een goede ruimtelijke ordening op gebied van trillingen te waarborgen is in de regels van het bestemmingsplan met behulp van een aanduiding opgenomen dat voordat de omgevingsvergunning voor de bouw van het onderwijsgebouw kan worden afgegeven, een trillingsonderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de SBR richtlijn B “Hinder voor personen in gebouwen”.
4.10 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
Bodemonderzoek
Er is een bodemonderzoek ingediend en wel,
Verkennend bodemonderzoek en onderzoek asbest in bodem (incl. PFAS), Warandelaan 2 te Tilburg, Econsultancy, rapportkenmerk 10849.008, versie D1, Eindrapportage, 15 november 2019 (TBG rapportcode AA085532746):
het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN5740 (enNEN5707, het asbest-in-grondonderzoeksprotocol),
Aan het opgeboorde materiaal zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Visueel zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Er is geen asbest gemeten,
de zintuiglijk schone grond bevat op deellocatie 1 geen en op deellocatie 2 incidenteel een tot ten hoogste licht verhoogd gehalte aan PCB. Opgemerkt wordt m.b.t. PFAS dat getoetst en geconcludeerd is op basis van de toen van kracht zijnde normen. De respectievelijke achtergrondnormen zijn verhoogd. De gemeten gehalten zijn kleiner dan de genoemde normen. Daardoor is de grond als schoon te beschouwen (altijd toepasbaar),
het grondwater bevat, in wisselende samenstellingen, tot ten hoogste licht verhoogde gehalten aan de metalen barium (structureel) en zink, en aan de vluchtige aromaat Xylenen (structureel). Voor Xylenen is niet een puntbron aan te wijzen op of direct rond de locaties. Zie m.b.t. de verhoogde gehalten aan metalen hetgeen is geschreven onder 'Nota in goede aarde'
Conclusie
Voor de bodem ter plaatse van beide plangebieden is er op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit geen risico voor de volksgezondheid en/of het milieu, die de ontwikkeling belemmeren. Met in achtneming van het navolgende zijn er geen gebruiksbeperkingen.
Op aanvoer van grond of afvoer van overtollige, overwegend licht verontreinigde grond, is het landelijk Besluit bodemkwaliteit van toepassing en de gemeentelijke bodembeheerplan/bodemkwaliteitskaart, indien de overtollige grond binnen Tilburg wordt hergebruikt/toegepast.
4.11 Natuur en ecologie
4.11.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn)
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant)
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
4.11.2 Analyse plangebied
Het plangebied bestaat uit twee parkeerplaatsen. Een van de parkeerplaatsen ligt tussen het terrein van Tilburg University en de Oude Warande. De andere parkeerplaats ligt ten noorden daarvan tussen het spoor en het universiteitsterrein. Op de noordelijk gelegen parkeerplaats is nieuwbouw voorzien. Het nieuw te bouwen gebouw zal deel uitmaken van Tilburg University. Op de zuidelijk gelegen parkeerplaats is een parkeergarage voorzien. Het is echter onzeker of de parkeergarage er gaat komen in verband met het hiervoor beschreven mobiliteitsconcept van Tilburg University. Ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging wordt dit perceel echter wel meegenomen in de plannen. Hieronder wordt per toetsingscriteria steeds ingegaan op beide onderdelen van de ontwikkeling, te weten: de parkeergarage en de nieuwbouw.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Regte Heide & Riels Laag. Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden als gevolg waarvan de bouwfase vrijgesteld is van een onderzoeksplicht.
Voor de ontwikkeling en gebruiksfase van de garage zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd en is een bijbehorende rapportage geschreven (Econsultancy, Bouten, december 2020). Deze berekeningen laten zien dat er geen verhoogde stikstofdepositie op beschermde Natura 2000-gebieden is als gevolg van de ontwikkeling. Negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling zijn dan ook uitgesloten.
Ditzelfde geldt voor de nieuwbouw. Voor de gebruiksfase van het nieuwe onderwijsgebouw is een AERIUS-berekening uitgevoerd en is een bijbehorende rapportage geschreven (Econsultancy, Berends, maart 2021, bijlage 7). Deze berekening laten zien dat er geen verhoogde stikstofdepositie op beschermde Natura 2000-gebieden is als gevolg van de ontwikkeling. Voor de gebruiksfase is alleen het huidige gebouw in beeld gebracht. Het gebouw maakt echter onderdeel uit van een groter geheel. Vanuit de Wet natuurbescherming wordt het geheel als één project gezien. Dit houd in dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw de gebruiksfase voor de gehele inrichting in beeld gebracht moet worden. Voor de ruimtelijke procedure kan volstaan worden met de huidige berekening.
Er is in september 2021 een aanvullende rapportage aangeleverd (Econsultancy, Berends, september 2021) (bijlage 12).
Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening
Parkeergarage
Hoewel het plangebied voor de parkeergarage direct tegen het NNB gelegen is, zijn negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB als gevolg van externe werking van de ontwikkeling uitgesloten. Een Nee-Tenzij toets door bureau Econsultancy (Bruinsma, 2020, bijlage 2) heeft deze effecten in beeld gebracht en is tot de conclusie gekomen dat significant negatieve effecten uitgesloten kunnen worden.
Nieuwbouw
Het plangebied voor de nieuwbouw ligt niet direct grenzend aan het NNB. Dit deel ligt op ongeveer 250 meter afstand tot het NNB. Negatieve effecten op het NNB als gevolg van de nieuwbouw zijn uitgesloten. Ook dit is beschreven in een toetsing door Econsultancy (Bruinsma, 2019, bijlage 8).
Soortenbescherming
Parkeergarage
Op basis van de door Econsultancy uitgevoerde natuurtoetsing (Bruinsma, 2021, bijlage 9), komen in het plangebied mogelijk beschermde soorten voor. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is in dit stadium van het project nog niet uitgesloten. Een nestencontrole in een bladerloos seizoen dient nog uitgevoerd te worden om de aanwezigheid hiervan vast te stellen. Indien aanwezig, dient nog nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Een dergelijk nest wordt op voorhand niet verwacht, maar dit dient nog wel uitgezocht te worden. Indien een jaarrond beschermd nest aanwezig blijkt, is een ontheffing nodig. Een ontheffing voor soorten van artikel 3.1 (vogels) kan echter alleen verkregen worden in het belang van de volksgezondheid en/of de openbare veiligheid. Er dient dan onderbouwd te worden dat de parkeergarage dit belang dient. Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is de aanwezigheid van nesten die tijdens de broedperiode beschermd zijn, eveneens niet uitgesloten. Door buiten het broedseizoen te werken, kunnen negatieve effecten hierop voorkomen worden.
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen is uitgesloten in het plangebied behalve in één van de bomen direct grenzend aan het plangebied. Omdat in deze boom een holte aanwezig is, kan in dit stadium niet uitgesloten worden dat de boom als verblijf gebruikt wordt door vleermuizen. Dit dient vóór de bouw van de parkeergarage duidelijk te zijn. Duidelijkheid hierover kan verkregen worden door middel van het uitvoeren van een nader onderzoek. Uit dit onderzoek moet blijken of een verblijf aanwezig is en welke effecten de parkeergarage op dit verblijf heeft. Indien effecten niet uitgesloten zijn, is een ontheffing nodig. Het verkrijgen van een dergelijke ontheffing voor de aanleg van de parkeergarage is haalbaar. Naast verblijfplaatsen is mogelijk ook een essentiële vliegroute aanwezig. Hiermee kan echter rekening gehouden worden door verlichting op boomkronen te beperken. Indien dat niet mogelijk is, dient eveneens vleermuisonderzoek uitgevoerd te worden. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied is wel uitgesloten.
De aanwezigheid van eekhoornnesten is nader onderzocht. Hiertoe is een onderzoek aangeleverd (Econsultancy, Lauwers, september 2021, bijlage 13) waaruit blijkt dat door de voorgenomen werkzaamheden er geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de rode eekhoorn zullen worden vernietigd of verstoord. Ten aanzien van de rode eekhoorn zijn er geen vervolgstappen benodigd. Wel dient ten alle tijden rekening te worden gehouden met de zorgplicht. De Siberische grondeekhoorn is waargenomen op de onderzoekslocatie, dit betreft een exoot en hiervoor geldt de algemene zorgplicht.
De aanwezigheid van beschermde amfibieën is tot slot ook niet uitgesloten. Omdat de bosschage direct naast het plangebied mogelijk als overwinteringshabitat gebruikt wordt is het realiseren van een ontsluitingsweg mogelijk nadelig voor deze soorten. Er is echter reeds vergunning verleend voor een ontsluitingsweg op de betreffende locatie.
De aanwezigheid van andere beschermde soorten is op basis van het onderzoek door Econsultancy uitgesloten. Wél dient de zorgplicht in acht genomen te worden bij de ontwikkelingen. Voor de ontwikkeling is specifiek aandacht nodig voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door zorgplichtmaatregelen te nemen, wordt voldaan aan dit onderdeel van de Wet.
Nieuwbouw
Op basis van de uitgevoerde natuurtoets door Econsultancy (Bruinsma, 2019) komen geen beschermde soorten in het plangebied voor met uitzondering van vogels waarvan het nest tijdens de broedperiode beschermd is. Indien buiten het broedseizoen gewerkt wordt, zijn negatieve effecten op broedvogels als gevolg van de ontwikkeling te voorkomen. Verder geldt nog de algemene zorgplicht. Voor de ontwikkeling is specifiek aandacht nodig voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door zorgplichtmaatregelen te nemen, wordt voldaan aan dit onderdeel van de Wet.
Conclusie
Parkeergarage
Ten aanzien van de parkeergarage zijn de volgende conclusies en aanbevelingen van toepassing:
Op beschermde Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten als gevolg van de bouw (per 1 juli 2021 vrijsteld van onderzoeksplicht) en gebruiksfase van de parkeergarage uitgesloten;
Op beschermde NNB-gebieden zijn negatieve effecten als gevolg van de bouw en gebruiksfase van de parkeergarage uitgesloten;
De bouw en gebruiksfase van de parkeergarage heeft mogelijk negatieve effecten op beschermde soorten, te weten:
Vogels met een jaarrond beschermd nest: Hiervoor dient een nestencheck uitgevoerd te worden waaruit moet blijken of aanvullend onderzoek nodig is. Naar aanleiding van het onderzoek kan de aanvraag van een ontheffing nodig zijn;
Vogels waarvan het nest tijdens de broedperiode beschermd is: Door buiten de broedperiode te werken, kunnen negatieve effecten op deze soorten voorkomen worden;
Vleermuizen: Er is mogelijk een verblijfplaats in een van de bomen aanwezig. Een aanvullend onderzoek moet uitwijzen of dit zo is of dat een verblijf uitgesloten kan worden. Indien een verblijf aanwezig is, kan het nodig zijn om een ontheffing aan te vragen;
Eekhoorn: Er worden geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de rode eekhoorn vernietigd of verstoord.
Voor de bouw van de parkeergarage is het nodig om zorgplichtmaatregelen ten behoeve van algemeen aanwezige grondgebonden zoogdieren en amfibieën te nemen.
Nieuwbouw
Ten aanzien van het nieuw te bouwen schoolgebouw zijn de volgende conclusies en aanbevelingen van toepassing:
Negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden als gevolg van de nieuwbouw zijn uitgesloten met die verstande dat bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de nieuwbouw inzicht gegeven moet worden in het effect van het campusterrein in zijn geheel;
Negatieve effecten op beschermde NNB-gebieden als gevolg van de nieuwbouw zijn uitgesloten met inbegrip van de externe werking van de ontwikkeling op nabij gelegen NNB-gebieden;
Negatieve effecten op beschermde soorten als gevolg van de nieuwbouw zijn uitgesloten;
Voor de bouw van het nieuwe schoolgebouw is het nodig om zorgplichtmaatregelen ten behoeve van algemeen aanwezige grondgebonden zoogdieren en amfibieën te nemen.
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
5.1 Bestaand watersysteem
De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. In de huidige situatie zijn de percelen in gebruik als onderwijscampus.
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Stroomgebied |
Voorste stroom |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel |
|
Terreinhoogte |
t.p.v. nieuwbouw variërend tussen NAP+13,0 m en NAP+13,4 m t.p.v. parkeergarage variërend tussen NAP+13,5 m en NAP+14,0 m |
|
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) |
ca. NAP+11,4 m |
|
Ontwateringdiepte |
1,6 m tot 2,6 m |
|
Bodem |
Sterk lemig, matig fijn zand |
|
Riolering |
Gemengd |
|
Afkoppelgebied |
Niet van toepassing |
|
Oppervlaktewater |
Niet van toepassing, zie afbeelding 1 |
|
Keur beschermde gebieden |
Het plangebied valt gedeeltelijk in het beschermd gebied waterhuishouding en valt volledig binnen een beperkt invloedsgebied Natura 2000, zie afbeeldingen 2 en 3 |
Tabel 1; Gebiedskenmerken
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019033-e001_402002.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019033-e001_402002.jpg)
Afbeelding 1; Locatie plangebied ten opzichte van oppervlaktewater
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019033-e001_402003.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019033-e001_402003.jpg)
Afbeelding 2; Locatie plangebied ten opzichte van de beschermde gebieden keur
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019033-e001_402004.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019033-e001_402004.jpg)
Afbeelding 3; Locatie parkeergarage ten opzichte van het beschermd gebied waterhuishouding
|
Oppervlakken nieuwbouw* |
Niet-afvoerende oppervlakte (m²) |
Afvoerende oppervlakte (m²) |
Totaal (m²) |
|
NIEUWBOUW |
|
|
|
|
parkeerterrein |
0 |
595 |
595 |
|
onverhard |
595 |
0 |
595 |
|
Totaal (m²) |
595 |
595 |
1.190 |
|
PARKEERGARAGE |
|
|
|
|
parkeerterrein |
0 |
3.620 |
3.620 |
|
onverhard |
180 |
0 |
180 |
|
Totaal (m²) |
180 |
3.620 |
3.800 |
Tabel 2; Afvoerende oppervlakken bestaande situatie
* Bron: KRT en luchtfoto
Op de campus is gemengde riolering aanwezig. Afvalwater en regenwater worden getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg. Het regenwater dat op onverharde oppervlakken valt infiltreert in de bodem.
5.2 Beleidskader
Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.
Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
Toekomstige situatie
De bestemmingsplanwijziging maakt op het perceel de ontwikkeling van een nieuwbouw en een parkeergarage mogelijk. In tabel 3 zijn de oppervlakken van de nieuwe situatie opgenomen. Ten opzichte van de bestaande situatie is er een toename van ca. 775 m² afwaterende verharding.
|
Oppervlakken * |
Niet-afvoerende oppervlakte (m²) |
Afvoerende oppervlakte (m²) |
Totaal (m²) |
|
NIEUWBOUW |
|
|
|
|
dak |
0 |
1.190 |
1.190 |
|
PARKEERGARAGE |
|
|
|
|
dak |
0 |
3.800 |
3.800 |
|
Totaal (m²) |
0 |
4.990 |
4.990 |
Tabel 3; Afvoerende oppervlakken bestaande situatie
5.3 Duurzaam watersysteem
De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:
voldoende ontwateringdiepte;
de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte;
aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte);
geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen;
afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.
De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied Natura 2000. Tevens valt een deel van de ontwikkeling in een 'beschermd gebied waterhuishouding' (zie afbeelding 3). Deze gebieden zijn overgenomen uit de Provinciale Verordening water Noord Brabant. Hiervoor geldt antiverdrogingsbeleid, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still. Door de ligging binnen de invloedsfeer van Natura 2000 gebieden zijn nieuwe grondwateronttrekkingen niet toegestaan en geldt er een beregeningsbeleid. Ook in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is draineren van het plangebied uitgesloten.
Regenwater
Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren).
Mogelijkheden hiervoor zijn:
Minder terrein verharden;
Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen;
Groene daken;
Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.;
Waterdoorlatende verharding.
Alle beetjes helpen, andere / innoverende ideeën zijn mogelijk.
In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg.
Op basis van de afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld op totaal ca. 300 m³.
Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, greppel, verlaagde terreindelen en groene/waterbergende daken als kansrijk gezien. Een overloop kan plaatsvinden op de omliggende ecologische verbindingszone of groenzones.
Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.
Afvalwater
Het afvalwater dient gescheiden te worden aangesloten op de aanwezige gemengde riolering. Op deze manier kunnen de waterstromen eenvoudig apart worden aangesloten indien het gemeentelijke rioolstelsel in de toekomst wordt gescheiden.
Aandachtspunten
Op de locatie waar de parkeergarage is gepland liggen kabels en leidingen waaronder een groot openbaar gemengd transportriool (zie afbeelding 4)
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019033-e001_402005.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019033-e001_402005.jpg)
Afbeelding 4; ligging kabels en leidingen voor locatie parkeergarage (paars is vrijverval riolering)
Voor het functioneren van zowel de terreinriolering als de omliggende openbare riolering is deze leiding noodzakelijk. Boven de leiding mag niet gebouwd of verhard worden. De leiding mag ook niet komen te vervallen en ook mag de afvoercapaciteit niet worden beperkt. Hiervoor moet tijdig, en in overleg met de gemeente, een oplossing gevonden worden.
5.4 Watertoets
De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 6 Opzet planregels
6.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.2 Standaard plansystematiek
6.2.1 Bouwvlak en erf
De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.
Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding.
In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. In dit concrete bestemmingsplan is er geen erf opgenomen.
Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).
6.2.2 Bouwhoogte
De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte:
structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in:
bedrijvige linten;
rustige linten;
hoofdstructuur nieuwe gebieden;
overige gebieden.
Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen - 1, Wonen - 2 en Wonen - 3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling.
Bovenstaand systematiek wordt gehanteerd bij grote gebiedsontwikkelingen en beheerplannen. Bij concrete initiatieven, zoals het initatief van TiU, wordt maatwerk geleverd.
6.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Omdat het bouwvlak gelijk is aan het plangebied, is er geen regeling voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen opgenomen. Binnen het bouwvlak geldt namelijk een bebouwingspercentage van 100%.
6.3 Bestemmingen en aanduidingen
In het bestemmingsplan is de volgende bestemmingen aanwezig:
maatschappelijk
Binnen deze bestemmingen is de volgende functieaanduidingen gebruikt:
parkeergarage.
Binnen deze bestemmingen zijn de volgende gebiedsaanduidingen gebruikt:
luchtvaartverkeerzone
veiligheidszone - aandachtsgebied trillingshinder
veiligheidszone - aandachtsgebied voor gevaarlijke stoffen
Binnen deze bestemmingen is de volgende aanduiding gebruikt:
gesloten gevel
Daarnaast zijn de volgende dubbelbestemmingen aanwezig:
waterstaat - attentiegebied NNB
leiding - riool
De aanduiding parkeergarage is opgenomen om daarmee vast te leggen dat binnen het bouwvlak op het parkeerterrein alleen gebouwd mag worden ten behoeve van het parkeren. Een gebouw met een andere functie is niet mogelijk.
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer voor vaststelling door de gemeenteraad een exploitatieovereenkomst zal worden gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 29 november 2019 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
De ontwikkelingen op het campusterrein zijn in een ambtelijk vooroverleg besproken met de provincie Noord-Brabant. Gewezen is op de ligging nabij het NatuurNetwerkBrabant. De vertaling hiervan is aan de orde gekomen onder paragraaf 4.11. Het waterschap zal inhoudelijk reageren n.a.v. het ontwerpbestemmingsplan.
8.3 Omgevingsdialoog
Ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog zijn informatieavonden gehouden tijdens welke de omgeving is geinformeerd over de plannen.
Op 25 november 2019 zijn er twee informatiebijeenkomsten geweest over de nieuwbouw van het onderwijsgebouw en over de parkeergarage. Tijdens deze bijeenkomsten is een toelichting gegeven op de aard en het doel van de ontwikkelingen. Van deze bijeenkomsten is een verslag gemaakt (bijlage 10. Nadien is in december 2019 nog gesproken met de bewoners van de wijk Dennenheuvel, welke wijk ten zuiden van het plangebied ligt. Dit gesprek was een vervolg op de bespreking van november 2019. Er was behoefte om in een kleiner gezelschap de plannen nader te bespreken.
In de maand maart 2021 is een tweede omgevingsdialoog gevoerd. Hiertoe heeft Tilburg University een presentatie gemaakt die geplaatst is op de website van Tilburg University. Tijdens deze bijeenkomst is een toelichting gegeven op het mobiliteitsplan (zie paragraaf 3.4.4) en de concrete uitwerkingen ervan. Omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld te reageren n.a.v. deze presentatie. Dit heeft geleid tot een aantal inhoudelijke reacties. Van deze reacties heeft Tilburg University een samenvatting gemaakt (bijlage 11). Ook de buurtcommissie Abdij- en Torenbuurt heeft gereageerd. Een kopie van deze reactie is gevoegd aan de toelichting.
8.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 2 augustus 2021 tot en met 13 september 2021. Tijdens deze periode zijn er 5 zienswijzen ingediend.
Gevoegd aan deze toelichting is een nota zienswijzen (bijlage 14) waarin de zienswijzen zakelijk zijnweergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen.
N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober 2009).