direct naar inhoud van 5.3 Externe veiligheid
Plan: Actualisatie Tilburg 2013 (diverse locaties)
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2012033-e001

5.3 Externe veiligheid

5.3.1 Inleiding

Uit een inventarisatie blijkt dat voor een 13-tal deelgebiedjes in de gemeente Tilburg bestemmingsplannen gelden die ouder zijn dan 10 jaren. Voor deze deelgebieden wordt nu een bestemmingsplan gemaakt om aan de actualisatie verplichting te voldoen. Bij deze plannen wordt uitgegaan van het geldende bestemmingsplan. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen toegestaan. Elk van de 13 deelgebieden maakt het verblijf van personen mogelijk, op deelgebied 12 na. Daarnaast ligt deelgebied 11 niet binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor de overige deelgebieden geldt dat externe veiligheid een rol speelt.

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
  • Circulaire " Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" (cRvgs), dec 2009;
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), 1 januari 2011;

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

5.3.2 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar).

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.

De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar.

Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

5.3.3 Groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:

  • de kans op een ongeval;
  • het effect van het ongeval;
  • het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft;
  • de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk.

Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico.

5.3.4 Verantwoordingsplicht

De verantwoordingsplicht bij een ruimtelijk besluit draait kort gezegd om de vraag in hoeverre risico's ten gevolge van een calamiteit worden geaccepteerd en welke mogelijke veiligheidsverhogende maatregelen worden genomen in het te nemen ruimtelijke besluit. De verantwoordingsplicht beoogd dat betrokken partijen samen een goede ruimtelijke afweging maken waarin de veiligheid voldoende gewaarborgd wordt. De afweging is kwalitatief van aard en richt zich op aspecten als bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.. Bij de invulling van de verantwoordingsplicht worden de volgende elementen beschouwd:

  • 1. beschrijving van de ontwikkeling;
  • 2. de hoogte en toename van het groepsrisico;
  • 3. bronmaatregelen;
  • 4. ruimtelijke maatregelen;
  • 5. mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit en de gevolgen daarvan;
  • 6. mogelijkheden tot zelfredzaamheid;
  • 7. nut en noodzaak ;
  • 8. mogelijkheden en voorgenomen maatregelen in de nabije toekomst.

In de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (Ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken, december 2007) zijn deze onderdelen nader uitgewerkt en toegelicht.

Conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) moeten alle ruimtelijke besluiten binnen het invloedsgebied van een inrichting verantwoord worden. Conform de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs) moet het bevoegd gezag verantwoording afleggen bij elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkeling. Conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling is de uitgebreidheid van de invulling van de verantwoordingsplicht afhankelijk van de hoogte en toename van het groepsrisico. Wanneer de ontwikkeling buiten de 100% letaal effectafstand ligt kunnen de punten 3, 4, 7 en 8 buiten beschouwing gelaten worden. Hetzelfde geldt wanneer het groepsrisico 1) onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt of 2) tussen 0,1 maal en 1 maal de oriëntatiewaarde ligt én minder dan 10% toeneemt. We spreken in deze gevallen van een beperkte verantwoordingsplicht. In de andere gevallen dient de verantwoordingsplicht compleet ingevuld te worden.

5.3.5 Overzicht deellocaties en risicobronnen

Voor de 13 deellocaties is per locatie geïnventariseerd of sprake is van een bestemming die het verblijf van personen mogelijk maakt en welke risicobronnen relevant zijn voor die locatie. Vervolgens wordt per type risicobron een analyse van de betekenis voor de verschillende deelgebieden gemaakt.

    Dominante bestemming   Personen mogelijk?   relevante risicobronnen  
Eekhoornpad 42 a, b, c a   Bos   1 woning   A58: 1900 meter
spoor: 2400 meter  
Paviljoen in oude Warande   Bos   ja   A58: 2800 meter
Spoor 450 meter  
Fietstunnel Academielaan.   verkeer-verblijf
verkeer Rail  
Speelvoorzieningen   Spoor: 0 meter  
Kloosterstraat 49 - 01 tot en met 49-34   Wonen gestapeld   Woningen   A58: 1800 meter
spoor: 800 meter  
het NS plein.   verkeer-verblijf
verkeer Rail  
Speelvoorzieningen   Spoor 100 meter  
Jules Verneweg 12, 12a, 12b en 12c.   Bedrijf kantoor   Ja   BRZO Mikron: geen PR, geen invl.geb
Spoor: 190 meter en 380 meter
A65: 1600 meter  
Achterpad achter de woningen Sint Jansstraat 18 tot en met 34D alsmede een strook in de Andreasstraat   Wonen
Verkeer Verblijf  
Speelvoorzieningen   spoor: 1400 meter  
Een deel van het perceel Goirkekanaaldijk 2-01 tot 2-05 en 2-09   Gemengde doeleinden   Ja   Gasleiding: 80 meter (inv geb 100 meter)
Spoor: 1800 meter  
Dongenseweg 63 - 63a   Bos   1 woning   deels binnen invloedsgebied IFF
Spoor: 1800 meter  
een perceel aan de Disterstraat   Verkeer verblijf   Speelvoorzieningen   geen risicobronnen  
een deel van de snelweg tussen de spoorlijn Tilburg - Eindhoven en de Boscheweg   Verkeer nationaal
Verkeer verblijf
gasleiding  
Speelvoorzieningen   A65: 0 meter
gasleiding: 0 meter  
deel rijksweg A65 tussen hectometer paal 16.2 en 15.7   Verkeer nationaal   Nee   N65: 0 meer  

5.3.6 Inrichtingen

In het voorliggende plan zijn risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen binnen het plangebied uitgesloten. Buiten het plangebied ligt één risicobron waarvan het invloedsgebied tot over dit bestemmingsplan reikt. Het betreft IFF waarvan het invloedsgebied deels over deelgebied 9 valt. Het bestemmingsplan maakt geen toename van personen mogelijk, de hoogte van het groepsrisico van IFF blijkt dus gelijk.

Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze Bevi-inrichting dient de verantwoording van het groepsrisico ingevuld te worden.

5.3.7 Buisleidingen

In het plangebied, deelgebied 11, ligt een hogedruk aardgastransportleiding. Daarnaast ligt deelgebied 8 binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding die ligt buiten het plangebied.

Beide leidingen kennen geen plaatsgebonden risicocontour 10-6, de basisveiligheid is geboden.

Ten aanzien van het groepsrisico geldt dat het bestemmingsplan geen toename van de personendichtheid mogelijk maakt. Het groepsrisico blijft dus gelijk. Uit een gemeentebreed onderzoek naar het groepsrisico van hogedruk aardgastransportleiding blijkt dat het groepsrisico ter hoogte van beide deelgebieden onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt.

Voor de invulling van de verantwoording van het groepsrisico kan volstaan worden met een beknopte invulling van de verantwoording van het groepsrisico.

5.3.8 Overig transport van gevaarlijke stoffen

Het niet-leidinggebonden transport van gevaarlijke stoffen in Tilburg vindt plaats over de weg, per spoor en over het Wilhelminakanaal.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Diverse deelgebieden liggen binnen het invloedsgebied van Rijkswegen A58 en A65. Voor de A58 geldt conform de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs) een veiligheidsafstand van maximaal 24 meter. Het bestemmingsplan maakt geen bestemmingen voor kwetsbare objecten mogelijk binnen deze afstandsmaat. Voor de A65 geldt geen veiligheidsafstanden. Uit de berekeningen ten behoeve van het Basisnet weg blijkt dat het groepsrisico voor deze beide wegen in Tilburg nergens boven de oriëntatiewaarde ligt.

Uit de ligging van de plaatsgebonden risicocontour 10-8 en het ontbreken van een significante bevolkingsconcentratie voor de N65 kan worden afgeleid dat het groepsrisico laag zal zijn.

De Burgemeester Brechtweg (Noord Oost Tangent - NOT) en de Dongenseweg zijn gemeentelijke wegen die deel uit maken van de routering voor het vervoer gevaarlijke stoffen. De gemeente Tilburg heeft in 2012 een risico-onderzoek laten uitvoeren naar het risico van o.a. deze wegen. Uit dit onderzoek blijkt voor de Burgemeester Brechtweg een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 1 meter De deelgebieden van het bestemmingsplan liggen op een grotere afstand. Voor de Dongenseweg geldt geen plaatsgebonden risicocontour 10-6. Uit het onderzoek blijkt tevens dat het groepsrisico voor deze wegen onder de oriëntatiewaarde ligt.

De overige gemeentelijke wegen rond het bestemmingsplan maken geen onderdeel uit van de gemeentelijke routering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het vervoer over deze wegen kan alleen plaatsvinden op basis van ontheffing. De omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen is dermate klein dat geen sprake kan zijn van een plaatsgebonden risico 10-6 en geen sprake kan zijn van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.

Ten aanzien alle relevante wegen geldt dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 niet over bestemmingen ligt die kwetsbare objecten mogelijk maken. De vereiste basisveiligheid is hiermee geboden.

Ten aanzien van het groepsrisico geldt voor alle wegen dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt en geen sprake is van toename van het groepsrisico. Geen van de wegen wordt dan ook betrokken bij de verantwoording van het groepsrisico.

Vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor

Door de gemeente Tilburg lopen de spoorlijnen Breda - Tilburg - Eindhoven en Tilburg - Vught. Over deze spoorlijnen worden gevaarlijke stoffen vervoerd. In de Beleidsvisie externe veiligheid is vastgelegd dat, tot het moment dat het Basisnet in wetgeving is vastgelegd, uitgegaan zal worden van de uitgangspunten zoals deze verwoord zijn in het beleidsdocument Koersen op veilig. Dit betekent dat, tot het van kracht worden van het Basisnet, geen objecten mogen worden opgericht binnen 29 m van het hart van de buitenste spoorlijn. Dit bestemmingsplan maakt geen kwetsbare objecten mogelijk binnen deze afstandsmaat.

Het invloedsgebied van de spoorlijnen is 3000 meter. Veel deelgebieden van het bestemmingsplan liggen binnen het invloedsgebied van deze spoorlijnen.

Voor de spoorlijn Breda - Tilburg - Eindhoven blijkt uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 maximaal een grootte heeft van 8 meter. Voor het groepsrisico geldt dat uit de berekeningen ten behoeve van het Basisnet spoor blijkt dat het groepsrisico van deze spoorlijn tot 5,3 maal de oriëntatiewaarde is. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, het groepsrisico neem dan ook niet toe. Daarnaast actualiseert dit bestemmingsplan in deelgebied 3 de bestemming "verkeer - railverkeer".

Voor de spoorlijn Tilburg - Vught geldt dat blijkt uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen dat geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour 10-6. Voor het groepsrisico geldt dat uit de berekeningen ten behoeve van het Basisnet spoor blijkt dat het groepsrisico van deze spoorlijn in Tilburg onder 0,3 maal de oriëntatiewaarde ligt. Door het bestemmingsplan is geen sprake van toename van het groepsrisico.

Vanwege de ligging van het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde op de spoorlijn Breda - Tilburg - Eindhoven, dient daarom de verantwoordingsplicht ingevuld te worden. In paragraaf 5.3.9. is deze verantwoording opgenomen.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het Wilhelminakanaal

Uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen blijkt dat voor Wilhelminakanaal geen veiligheidsafstanden gelden.

Conclusie relevantie risicobronnen: Voor dit ruimtelijke besluit moeten IFF, de spoorlijn en de hogedruk aardgastransportleiding bij de verantwoording van het groepsrisico betrokken worden.

5.3.9 Verantwoording groepsrisico

In deze paragraaf wordt de verantwoordingsplicht van het groepsrisico verwoord.

Planbeschrijving

Het bestemmingsplan betreft 13-tal deelgebiedjes in de gemeente Tilburg. Overwegend betreft het verkeersbestemmingen en groenbestemmingen. Het merendeel van de deelgebieden maakt het verblijf van personen mogelijk. Voor de verantwoording zijn de spoorlijn Breda - Tilburg - Eindhoven, IFF en twee hogedruk aardgastransportleiding relevant.

Hoogte groepsrisico

Voor de spoorlijn blijkt uit de berekening van het groepsrisico die ten grondslag liggen aan het Basisnet een overschrijding van de oriëntatiewaarde van 5,3 ter hoogte van het centrum van Tilburg. Voor de gasleidingen en IFF ligt de hoogte van het groepsrisico onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Dit bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk, de hoogte van het groepsrisico blijft gelijk.

Bronmaatregelen

Geen van de risicobronnen valt onder het bevoegd gezag van de gemeente. Daarnaast maakt het bestemmingsplan geen toename van personen mogelijk. Bronmaatregelen worden in het kader van dit ruimtelijke besluit dan ook niet verder overwogen.

Mogelijke alternatieven en mogelijkheden beperking groepsrisico door ruimtelijke maatregelen

Er zijn geen alternatieven en ruimtelijke maatregelen voor dit bestemmingsplan onderzocht omdat het een conserverend bestemmingsplan betreft, dat de feitelijke situatie vastlegt.

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Het bestrijdbaarheids vraagstuk van de spoorlijn als risicobron wordt alleen beïnvloed door de deelgebieden 4, 12 en 13. De andere deelgebieden liggen op een dermate afstand van de risicobronnen dat ze niet of nauwelijks relevant zijn voor de bestrijding van een (dreigende) calamiteit. Deelgebied 4 betreft een verkeersbestemming (fietspad) die de spoorlijn goed bereikbaar maakt. Deelgebieden 12 en 13 kennen een verkeersbestemming voor de A65/N65 zelf. Calamiteiten op wegen zijn per definitie goed te bereiken.

Voor de bestrijdbaarheid van IFF is geen van de deelgebieden relevant vanwege de afstand.

Voor de gasleiding geldt dat de inrichting van deelgebied 9 op een zodanige afstand ligt, dat de indeling van het deelgebied niet relevant is voor de bestrijdbaarheid van een calamiteit met de gasleiding. Voor deelgebied 12 geldt dat binnen het invloedsgebied van de gasleiding geen bestemmingen voor het verblijf van personen mogelijk worden gemaakt.

Omdat geen knelpunten in de bereikbaarheid zijn gesignaleerd, worden geen maatregelen overwogen.

Ten aanzien van de overige mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de Beleidsvisie Externe Veiligheid.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

De voorkomende calamiteitenscenario's zijn een BLEVE, een fakkelbrand en een toxische calamiteit.

Het BLEVE scenario is voor wat betreft zelfredzaamheid nauwelijks tot niet relevant voor dit bestemmingsplan omdat enkel de deelgebieden 4 en 6 binnen het invloedsgebied van een BLEVE van de spoorlijn liggen. Deze deelgebieden maken geen structureel verblijf van personen mogelijk, slechts een verkeer-verblijf-functie.

Het fakkelbrandscenario is voor wat betreft zelfredzaamheid nauwelijks tot niet relevant voor dit bestemmingsplan, omdat enkel de deelgebieden 9 en 12 binnen het invloedsgebied van de gasleiding vallen. Deze deelgebieden maken geen structureel verblijf van personen mogelijk, alleen een verkeerskundige en garageboxen.

Blootstelling aan een toxisch gas is wel een relevant scenario, veel deelgebieden liggen binnen het toxische scenario van de spoorlijn. Schuilen biedt de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen worden verzocht om dit systeem zodanig aan te leggen dat met één druk op de knop de ventilatie is uit te schakelen.

Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.

Risicocommunicatie

Door actief te communiceren over risico's zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot. De regionale brandweer adviseert daarom ook om een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied. In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico's wordt gecommuniceerd. Op dit moment vindt uitsluitend passieve communicatie plaats.

5.3.10 Conclusies

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg - Eindhoven, IFF en twee hogedruk aardgastransportleiding. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen.

Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobron is de verantwoordingsplicht ingevuld.

Conclusie

  • Het groepsrisico van de spoorlijn ligt boven de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van IFF en de hogedruk aardgastransportleidingen ligt onder de oriëntatiewaarde.
  • Omdat het een conserverend bestemmingsplan betreft, neemt het groepsrisico niet toe.
  • In de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn geen knelpunten gesignaliseerd.
  • Binnen de gemeente Tilburg vindt enkel beperkt risicocommunicatie plaats.

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.