direct naar inhoud van Regels
Plan: Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0828.BPwndmlnprkelz2021-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit plan wordt verstaan onder:

1.1 plan:

het bestemmingsplan 'Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021' met identificatienummer NL.IMRO.0828.BPwndmlnprkelz2021-VG01 van de gemeente Oss;

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 agrarisch bedrijf:

inrichting die tot een, krachtens artikel 1.1, derde lid, Wet milieubeheer, aangewezen categorie behoort en die is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren, zijnde: een (vollegronds)teeltbedrijf, een paardenhouderij, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig agrarisch bedrijf.

1.5 agrarisch medegebruik:

een binnen de bestemming 'Natuur' toegestaan agrarisch medegebruik in de vorm van extensief beheerd grasland en/of het extensief begrazen van het gebied, waarbij de instandhouding en versterking van omliggende en ter plaatse aanwezige natuur- en landschapswaarden voorop staat.

1.6 archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde, dan wel de aan een gebied toegekende hoge of middelhoge verwachtingswaarde, in verband met de in dat gebied mogelijk voorkomende overblijfselen uit oude tijden;

1.7 beperkt kwetsbaar object:

objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zoals deze luidde ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan;

1.8 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.9 bevoegd gezag:

bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, tenzij de Elektriciteitswet 1998 anders bepaalt. Wie het bevoegd gezag is kan ook voortvloeien uit de overdracht van bevoegdheden ingevolge de Elektriciteitswet;

1.10 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.11 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.12 bouwvlak:

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.13 bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang die duurzaam en direct met de aarde is verbonden;

1.14 cultuurhistorische waarde:

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied, een en ander zoals kan blijken uit onder meer de status als rijks- of gemeentelijk monument, en/of uit de vermelding in de Cultuurhistorische Inventarisatie Noord-Brabant (provinciale monumenteninventarisatie) en/of op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart en/of in het gemeentelijke erfgoedplan;

1.15 duurzame energievoorziening:

voorziening ten behoeve van het opwekken van energie uit duurzame energiebronnen zoals windkracht, waterkracht en zonlicht, mest en biomassa. Onder duurzame energievoorziening wordt onder meer verstaan windmolens, -turbines en -wokkels, zonnecollectoren en -panelen;

1.16 extensieve dagrecreatie:

recreatief medegebruik waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen en naar de aard, omvang en schaal daarmee gelijk te stellen voorzieningen;

1.17 fundering:

de ondersteuningsconstructie, welke geheel of gedeeltelijk ondergronds ligt, waarop het gebouw of bouwwerk geplaatst wordt;

1.18 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten ruimte vormt;

1.19 geluidgevoelige functies:

in een gebouw of op een terrein aanwezige functies die maken dat een gebouw of een terrein als geluidgevoelig object wordt aangemerkt in de zin van de Wet geluidhinder;

1.20 geluidgevoelige objecten:

gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidgevoelige gebouwen of terreinen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

1.21 geluidgevoelige ruimte:

ruimte binnen een woning voor zover die bij het rapport 'Gevelonderzoek windpark Elzenburg-De Geer te Oss, metingen geluidwering gevels 7 woningen' d.d. 21 januari 2019/rapportnummer M+P.GOSS.18.04.2 in gebruik is als slaap-, woon-, eetkamer of keuken én waarvan de 'geprognotiseerde binnenwaarde' is onderzocht;

1.22 gemeentelijke norm voor geluid:

de maximaal toegestane geluidbelasting in Lden in dB op basis van het 'Reken- en meetvoorschrift windturbines' op de gevel van woningen veroorzaakt door alle windturbines, zoals bepaald in artikel 8.1.4 b Gemeentelijke norm voor geluid, lid a of b. De waarden hanteert de gemeente Oss voor specifiek het Windmolenpark Elzenburg-De Geer als norm om de geluidbelasting door windturbines op woningen zo veel mogelijk te beperken;

1.23 geprognotiseerde binnenwaarde:

geprognotiseerde geluidbelasting binnen een woning zoals bepaald volgens de methodiek in het rapport 'Gevelonderzoek windpark Elzenburg-De Geer te Oss, metingen geluidwering gevels 7 woningen' d.d. 21 januari 2019/rapportnummer M+P.GOSS.18.04.2;

1.24 gevel

gevel als bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

1.25 gondel:

de behuizing van de rotoras, generator of tandwielkast van een windturbine;

1.26 grondgebonden agrarisch bedrijf:

een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant en melkveebedrijven;

1.27 hobbymatig agrarisch grondgebruik:

het gebruik van grond voor agrarische activiteiten in een omvang die niet als bedrijfsmatig kan worden beschouwd, met uitzondering van volkstuinen.

1.28 ijsdetectiesysteem:

een voorziening op een windturbine dat een windturbine onmiddellijk automatisch uit bedrijf neemt zodra het een signaal van mogelijke ijsvorming aan de rotorbladen ontvangt;

1.29 immissienormen:

de normen die bepalen wat de geluidbelasting mag zijn op de gevel van een te beschermen woning in dB Lden;

1.30 inkoopstation:

bouwwerk bedoelt voor het onderbrengen van schakel en meetapparatuur ten behoeve van het transport van elektriciteit van de interne parkbekabeling van het windturbinepark naar het externe landelijke elektriciteitsnet;

1.31 landschapswaarde:

de aan een gebied toegekende waarde in visueel-ruimtelijk en/of cultuurhistorisch en/of ecologisch opzicht;

1.32 kantoor:

een ruimte of bij elkaar horende ruimten die bestemd is/zijn om voornamelijk te worden gebruikt voor administratieve werkzaamheden of dienstverlening;

1.33 kantoortijd:

de tijd waarin de (meeste) medewerkers op kantoor hun werkzaamheden verrichten. Dit is op maandag tot en met vrijdag tussen 08:00 uur en 17:00 uur.

1.34 kunstwerken:

bouwwerken ten behoeve van verkeersdoeleinden, zoals viaducten, alsmede bouwwerken ten behoeve van de waterhuishouding, zoals dammen, duikers, sluizen, beschoeiingen, remmingswerken, niet zijnde steigers;

1.35 kwetsbaar object

objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder l, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zoals dit luidde ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan;

1.36 maaiveld:

de hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op het gebouw, bouwwerk of windturbine;

1.37 milieuzoneringslijst:

de lijst van handels- en bedrijfsactiviteiten, die onderdeel uitmaakt van de regels, waarin deze activiteiten naar milieucategorie zijn onderscheiden;

1.38 nutsvoorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut (met bijbehorende voorzieningen), zoals transformatorhuisjes, transformatorkasten, inkoopstations, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

1.39 obstakelverlichting:

verlichting gebruikt in de luchtvaart die de aanwezigheid van een obstakel aangeeft en die wordt aangebracht op een windturbine;

1.40 onderhoudsweg:

een (half)verharde weg ten behoeve van de ontsluiting van een windturbine en bijbehorende voorzieningen, zoals opstelplaats en inkoopstation, voor het bouwen van en het onderhoud aan een windturbine;

1.41 opstelplaats:

een verharde plek ten behoeve van het bouwen van en het onderhoud aan een windturbine, waaronder tevens begrepen onderhoudswegen;

1.42 peil:
  • a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de openbare weg grenzen: de hoogte van die weg;
  • b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
1.43 plaatsgebonden risico (PR):

risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als een rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting. Binnen de PR 10-6 contour is de kans op overlijden 1 op 1 miljoen per jaar. Voor de PR 10-5 contour geldt dat de kans op overlijden 1 op 100.000 per jaar is;

1.44 rotorblad:

de wiek van een windturbine;

1.45 rotordiameter:

de diameter van de cirkel die door de tip (het uiteinde) van een rotorblad (wiek) wordt beschreven;

1.46 slagschaduw gevoelig object:

ieder object bedoeld voor bewoning of anderszins voor permanent verblijf van personen (woningen, woonboten of woonwagens en zorginstellingen), voor zover het gebruik in overeenstemming met de geldende bestemming is, en voor zover de gevel of het dakvlak voorzien is van één of meerdere lichtdoorlatende vlakken in de richting van de windturbine(s);

1.47 teeltondersteunende voorziening:

voorziening in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten wordt gebruikt om één of meer van de volgende doelen na te streven:

  • a. verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en -verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraatschade;
  • b. verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen;
  • c. bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen onkruidbestrijding, effectief omgaan met water).

Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, antiworteldoeken, boomteelthekken, hagelnetten, insectengazen, plastic tunnels, ondersteunende kassen, schaduwhallen en vraatnetten.

Knalapparatuur wordt niet aangemerkt als teeltondersteunende voorziening.

1.48 tip:

de uiterste punt van een rotorblad of wiek van een windturbine;

1.49 toetspunt:

punt op de maatgevende gevel(s) van een woning, vertegenwoordigd door een adres, waarop het jaargemiddelde geluidniveau Lden wordt berekend;

1.50 veehouderij:

een agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren;

1.51 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie, en waterkwaliteit. Hierbij kan worden gedacht aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, et cetera;

1.52 windturbine:

een door de wind aangedreven turbine of molen, die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit;

1.53 windturbinepark:

het geheel van windturbines met alle daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen, zoals opstelplaatsen en onderhoudswegen.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.

2.2 de breedte van een bouwperceel:

tussen de zijdelingse perceelsgrenzen, gemeten over ten minste 3/4 van de lengte van het bouwperceel, in welke lengte in ieder geval het bouwvlak aanwezig is of de toegestane situering van het hoofdgebouw indien geen bouwvlak is aangegeven.

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, bliksemafleiders en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.4 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:

de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het betreffende bouwwerk op een bouwperceel.

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.6 de ashoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine;

2.7 rotordiameter van een windturbine:

de diameter van de cirkel die door de tip (het uiteinde) van een rotorblad (wiek) wordt beschreven.

2.8 tiphoogte of bouwhoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het bovenste verticaal staande rotorblad;

2.9 tiplaagte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan het laagste punt van het onderste verticaal staande rotorblad.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschap

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. uitoefening van het agrarisch bedrijf, daaronder begrepen hobbymatig agrarisch grondgebruik;
  • b. extensieve dagrecreatie;
  • c. ontwikkeling, behoud en herstel van landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden;
  • d. behoud en/of herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en/of architectonische waarden van gebouwen die zijn gelegen op gronden die zijn aangeduid met 'cultuurhistorische waarden';
  • e. natuurontwikkeling in de vorm van een natuurvriendelijke oever binnen 10 meter van de bestemming 'Water';
  • f. verkeer, uitsluitend in de vorm van:
    • 1. bestaande uitwegen en kunstwerken;
    • 2. onverharde wegen en onverharde paden;
    • 3. bestaande halfverharde wegen en bestaande halfverharde paden;
  • g. bestaande nutsvoorzieningen, waaronder antennemasten;
  • h. (voorzieningen voor) waterkering en waterhuishouding alsmede herstel, ontwikkeling en instandhouding van watergangen, sloten en greppels, alsmede voor andere wateren met een kleinere oppervlakte dan 200 m²;
  • i. erf- en randbeplantingen;

met bijbehorende voorzieningen.

3.1.1 Detaillering

In het doel 'verkeer' is mede begrepen de verbreding van wegen voor de aanleg van al dan niet vrijliggende fiets- en voetpaden, voor zover deze zijn gelegen binnen een zone van 30 meter uit de as van de bestaande weg of uitweg

3.2 Bouwregels
  • a. Er mag geen bebouwing worden opgericht;
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken worden opgericht voor nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. Uitsluitend voor nutsvoorzieningen mogen gebouwen worden opgericht, tot een maximale hoogte van 3 meter en een maximale oppervlakte per gebouw van 15 m²;
    • 2. Voor het overige mogen uitsluitend bouwwerken die geen gebouw zijn, worden opgericht mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter;
    • 3. in afwijking van het bepaalde onder 2 mag de hoogte van erfafscheidingen niet meer bedragen dan 2 meter;
  • c. In afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken die geen gebouw zijn worden opgericht voor het doel 'verkeer', met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. de bouwhoogte van bruggen mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;
    • 2. de bouwhoogte van overige bouwwerken die geen gebouw zijn, mag niet meer bedragen dan 4 meter.
3.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2 voor de activiteiten als genoemd in onderstaande tabel, onder de voorwaarde dat de ruimtelijke en/of stedenbouwkundige inpasbaarheid en de milieuhygiënische aanvaardbaarheid zijn aangetoond, en met inachtneming van de per afzonderlijke activiteit omschreven voorwaarden in de onderstaande tabel, en mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de ruimtelijke kwaliteit;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • c. het straat- en/of bebouwingsbeeld;
  • d. de landschappelijke en natuurwaarden;
  • e. de verkeersveiligheid;
  • f. de woonsituatie.
Activiteit   Voorwaarden  
Het bouwen van een windmolen voor regulering van de waterstand buiten het bouwvlak   - de hoogte mag niet meer bedragen dan 5 meter.  
Het bouwen van bouwwerken die geen gebouw zijn voor paardenbakken buiten het bouwvlak   - de hoogte mag niet meer bedragen dan 1,6 meter.
 
Het bouwen van bijenstallen buiten het bouwvlak   - de hoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 meter;
- de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 15 m².  
3.4 Afwijken van de gebruiksregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 voor de activiteiten als genoemd in onderstaande tabel, met inachtneming van de per afzonderlijke activiteit omschreven voorwaarden in de tabel, onder de voorwaarde dat de milieuhygiënische aanvaardbaarheid is aangetoond en mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de ruimtelijke kwaliteit;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • c. het straat- en/of bebouwingsbeeld;
  • d. de landschappelijke en natuurwaarden;
  • e. de verkeersveiligheid;
  • f. de woonsituatie.
Activiteit   Voorwaarden  
Het halfverharden van onverharde wegen en paden, en het aanleggen van verharde kavelpaden   -  

Artikel 4 Agrarisch met waarden - Landschap en natuur

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Algemeen

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschap en natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. uitoefening van het grondgebonden agrarisch bedrijf, daaronder begrepen hobbymatig agrarisch grondgebruik, met dien verstande dat in dit doel niet-natuurlijke waterretentie, opslag (onder andere van mest en voer), sleufsilo's, kuilvoerplaten, tuinen en andere permanente voorzieningen niet mede zijn begrepen;
  • b. extensieve dagrecreatie;
  • c. ontwikkeling, behoud en herstel van landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en natuurwaarden;
  • d. ontwikkeling, behoud en herstel van kleine natuur- en landschapselementen;
  • e. natuurontwikkeling in de vorm van een natuurvriendelijke oever binnen 10 meter van de bestemming 'Water' of in de vorm van natuurstroken op of bij perceelsranden;
  • f. verkeer, uitsluitend in de vorm van:
    • 1. bestaande uitwegen en kunstwerken;
    • 2. onverharde wegen en onverharde paden;
    • 3. bestaande halfverharde wegen en bestaande halfverharde paden;
  • g. bestaande nutsvoorzieningen, waaronder antennemasten;
  • h. (voorzieningen voor) waterkering en waterhuishouding alsmede herstel, ontwikkeling en instandhouding van watergangen, sloten en greppels, alsmede voor andere wateren met een kleinere oppervlakte dan 200 m²;
  • i. erf- en randbeplantingen;
  • j. de voorzieningen voor een windturbinepark, uitsluitend op gronden met de aanduiding 'overige zone - parkinfrastructuur' of 'vrijwaringszone - windturbine', mits toegestaan op grond van Artikel 14;

met bijbehorende voorzieningen.

4.1.2 Detaillering

In het doel 'verkeer' is mede begrepen de verbreding van wegen voor de aanleg van al dan niet vrijliggende fiets- en voetpaden, voor zover deze zijn gelegen binnen een zone van 30 meter uit de as van de bestaande weg of uitweg.

4.2 Bouwregels
  • a. Er mag geen bebouwing worden opgericht tenzij deze ingevolge artikel 14 is toegestaan;
  • b. In afwijking van het bepaalde in lid a mogen bouwwerken worden opgericht voor nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. Uitsluitend voor nutsvoorzieningen mogen gebouwen worden opgericht, tot een maximale hoogte van 3 meter en een maximale oppervlakte per gebouw van 15 m²;
    • 2. Voor het overige mogen uitsluitend bouwwerken die geen gebouw zijn, worden opgericht mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter;
  • c. In afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken die geen gebouw zijn worden opgericht voor het doel 'verkeer', met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. de bouwhoogte van bruggen mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;
    • 2. de bouwhoogte van overige bouwwerken die geen gebouw zijn, mag niet meer bedragen dan 4 meter.
4.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.2 voor de activiteiten als genoemd in onderstaande tabel, onder de voorwaarde dat de ruimtelijke en/of stedenbouwkundige inpasbaarheid en de milieuhygiënische aanvaardbaarheid zijn aangetoond en met inachtneming van de per afzonderlijke activiteit omschreven voorwaarden in de tabel, en mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de ruimtelijke kwaliteit;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • c. het straat- en/of bebouwingsbeeld;
  • d. de landschappelijke en natuurwaarden;
  • e. de verkeersveiligheid;
  • f. de woonsituatie.
Activiteit   Voorwaarden  
Het bouwen van een windmolen ter regulering van de waterstand   - de hoogte mag niet meer bedragen dan 5 meter.  
Het bouwen van bijenstallen   - de hoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 meter;
- de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 15 m².  
4.4 Afwijken van de gebruiksregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 voor de activiteiten als genoemd in onderstaande tabel, met inachtneming van de per afzonderlijke activiteit omschreven voorwaarden in de tabel, onder de voorwaarde dat de milieuhygiënische aanvaardbaarheid is aangetoond en mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de ruimtelijke kwaliteit;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • c. het straat- en/of bebouwingsbeeld;
  • d. de landschappelijke en natuurwaarden;
  • e. de verkeersveiligheid;
  • f. de woonsituatie.
Activiteit   Voorwaarden  
Het halfverharden van onverharde wegen en paden, en het aanleggen van verharde kavelpaden   -  

Artikel 5 Natuur

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1 Algemeen

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. behoud, herstel en ontwikkeling van aardkundige, natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden;
  • b. behoud, herstel en ontwikkeling van kleinschalige natuur- en landschapselementen;
  • c. behoud, herstel, ontwikkeling en beleving van bos en natuur;
  • d. instandhouding van watergangen, sloten en andere waterpartijen, waaronder hun oevers en taluds;
  • e. bosbouw;
  • f. wandel- en fietspaden en bestaande wegen;
  • g. (voorzieningen voor) waterkering, waterhuishouding en watergebonden functies alsmede herstel, ontwikkeling en instandhouding van water en waterpartijen;
  • h. extensieve dagrecreatie;
  • i. voorzieningen die toegang verschaffen tot toegestane functies binnen de bestemming 'Water';
  • j. met daaraan ondergeschikt agrarisch medegebruik;
  • k. wiekoverslag van een windturbine, uitsluitend op gronden met de aanduiding 'vrijwaringszone - windturbine', zoals toegestaan op grond van artikel 14.3;

met bijbehorende voorzieningen.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Bebouwing mag alleen worden opgericht voor de doelen als genoemd in artikel 5.1.

5.2.2 Gebouwen
  • a. Gebouwen zijn niet toegestaan.
5.2.3 Bouwwerken die geen gebouw zijn
  • a. Bouwwerken met een dakconstructie die geen gebouw zijn, zijn niet toegestaan;
  • b. De hoogte van overige bouwwerken die geen gebouw zijn mag niet meer bedragen dan 2 meter.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.3.1 Vergunningsplicht

Het is, in afwijking van wat eventueel elders in deze regels is bepaald, verboden op en/of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken die geen bouwwerk zijn en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen of te laten uitvoeren:

  • a. het bebossen of anderszins beplanten met bomen, struiken, heesters en daarmee vergelijkbare houtopstanden;
  • b. het rooien en kappen van bomen, struiken, heesters en daarmee vergelijkbare houtopstanden, behoudens het oogsten van teelten;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • e. werken en werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of ten gevolge hebben, zoals uitdiepen, draineren en slaan van putten;
  • f. het aanleggen, vergraven, verleggen, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen en paden;
  • h. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur.
5.3.2 Uitzonderingen

Het in artikel 5.3.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden

  • a. die op het moment van het van kracht worden van het plan reeds legaal in uitvoering waren of legaal konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning;
  • b. die het normale gebruik, onderhoud en/of beheer van de gronden betreffen.
5.3.3 Toelaatbaarheid

De in artikel 5.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de aardkundige, cultuurhistorische en natuur- en landschappelijke waarden van de gronden.

Artikel 6 Verkeer - Verblijf

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen en woonstraten met niet meer dan twee rijstroken;
  • b. erven, pleinen en paden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. speel- en verblijfsvoorzieningen en beeldende kunst;
  • g. terrein voor markten, standplaatsen en evenementen;
  • h. voorzieningen voor afvalinzameling, openbaar vervoer en zend- en ontvangstinstallaties;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

met bijbehorende voorzieningen.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen

Bebouwing mag alleen worden opgericht voor de doelen als genoemd in artikel 6.1.

6.2.2 Gebouwen
  • a. Gebouwen zijn niet toegestaan.
  • b. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.2.2 lid 1 a mogen op deze gronden gebouwen voor nutsvoorzieningen en openbaar vervoer worden gebouwd. Hiervoor gelden de volgende regels:
    • 1. De oppervlakte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 15 m2;
    • 2. De hoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 3 meter.
6.2.3 Bouwwerken die geen gebouw zijn

Voor het bouwen van bouwwerken die geen gebouw zijn, gelden de volgende regels:

  • a. De bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 12 meter;
  • b. De bouwhoogte van overige bouwwerken die geen gebouw zijn mag niet meer bedragen dan 4 meter.

Artikel 7 Water

7.1 Bestemmingsomschrijving
7.1.1 Algemeen

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en -afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen, oevers en taluds;
  • b. groenvoorzieningen;
  • c. instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende natuur- en landschapswaarden;
  • d. voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder bruggen, duikers en gelijksoortige voorzieningen;
  • e. extensief recreatief gebruik in, op en aan het water;
  • f. de voorzieningen voor een windturbinepark, uitsluitend op gronden met de aanduiding 'overige zone - parkinfrastructuur' of 'vrijwaringszone - windturbine', mits toegestaan op grond van Artikel 14;

met bijbehorende voorzieningen.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen
  • a. Bebouwing mag alleen worden opgericht voor de doelen als genoemd in artikel 7.1.
7.2.2 Bouwwerken die geen gebouw zijn

Voor het bouwen van bouwwerken die geen gebouw zijn, gelden de volgende regels:

  • a. De bouwhoogte van aanmeerpalen mag maximaal 10 meter boven NAP bedragen;
  • b. De bouwhoogte van overige bouwwerken die geen gebouw zijn, mag maximaal 3 meter bedragen.

Artikel 8 Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig

8.1 Voorlopige bestemming
8.1.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de opwekking van duurzame elektriciteit door middel van windturbines, met dien verstande dat maximaal 1 windturbine per bestemmingsvlak is toegestaan;
  • b. opstelplaatsen ten behoeve van de bouw en het onderhoud van windturbines, met dien verstande dat dit artikel met artikel 14.2, lid a en artikel 14.3.1 lid b, sub 1 gezamenlijk toestemming geven voor maximaal 1 opstelplaats per windturbine met een maximale oppervlakte van 3.000 m² per opstelplaats;
  • c. inkoopstations;
  • d. kabels en leidingen, niet zijnde hoogspanningsleidingen;
  • e. toegangs- en onderhoudswegen, alsmede bijbehorende waterhuishoudkundige voorzieningen zoals bermsloten, bruggen en duikers;
  • f. (overige) voorzieningen ten behoeve van het windturbinepark, zoals en hekwerken en infrastructurele voorzieningen;
  • g. kunstwerken, alsmede voorzieningen ten behoeve van de bediening van kunstwerken;
  • h. voor zover niet strijdig met de belangen van het bepaalde in lid a t/m g, is het volgende toegestaan:
    • 1. uitoefening van agrarische bedrijfsactiviteiten en agrarisch grondgebruik;
    • 2. extensief dagrecreatief medegebruik;
    • 3. ontwikkeling, behoud en herstel van landschappelijke en natuurwaarden.
8.1.2 Bouwregels
a Windturbinepark

Voor het bouwen van windturbines gelden de volgende regels:

  • a. de minimale ashoogte van een windturbine bedraagt 100 meter;
  • b. de maximale ashoogte van een windturbine bedraagt 145 meter;
  • c. de minimale rotordiameter van een windturbine bedraagt 100 meter;
  • d. de maximale rotordiameter van een windturbine bedraagt 136 meter;
  • e. de maximale tiphoogte van een windturbine bedraagt 210 meter;
  • f. de maximale tiplaagte van een windturbine bedraagt 55 meter;
  • g. de windturbine heeft 3 rotorbladen;
  • h. de rotordiameter en de ashoogte van de windturbines in het windturbinepark dienen onderling hetzelfde te zijn;
  • i. de draairichting van de windturbines dient gelijk te zijn;
  • j. een windturbine dient te worden voorzien van een ijsdetectiesysteem tenzij de veiligheid ten aanzien van ijsafworp op andere wijze aantoonbaar geborgd kan worden.
b Inkoopstations

Voor het bouwen van gebouwen in de vorm van inkoopstations gelden de volgende regels:

  • a. er is op grond van dit artikel en artikel 14.3.2 één inkoopstation per windturbine toegestaan, waarvoor geldt:
    • 1. de maximale bouwhoogte van een inkoopstation bedraagt 4 meter;
    • 2. de maximale oppervlakte per inkoopstation bedraagt 50 m².
c Overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. behoudens het bepaalde in artikel 8.1.2 a Windturbinepark en artikel 8.1.2 b Inkoopstations zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan;
  • b. de maximale bouwhoogte van palen en masten bedraagt 6 meter;
  • c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 meter.
8.1.3 Afwijken van bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8.1.2 a Windturbinepark voor een afwijking van de gelijke rotordiameter en ashoogte van de windturbines in het windturbinepark indien:

  • a. de tiphoogte van een windturbine maximaal 210 meter bedraagt;
  • b. de rotordiameter en de ashoogte van de windturbines in het windturbinepark qua uiterlijke verschijningsvorm onderling vergelijkbaar zijn met een maximale afwijking van 10%;
  • c. de afwijking landschappelijk wordt onderbouwd, mede door middel van visualisaties;
  • d. dit door het bevoegd gezag landschappelijk aanvaardbaar wordt bevonden.
8.1.4 Specifieke gebruiksregels
a Tijdelijkheid omgevingsvergunning en financiële zekerheid
  • a. de windturbine dient met het oog op de voorlopige bestemming als bedoeld in artikel 8.1 als tijdelijk bouwwerk te worden vergund;
  • b. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;
  • c. na het verstrijken van de gestelde termijn, die de geldigheidsduur van de voorlopige bestemming als bedoeld in artikel 8.2 niet mag overschrijden, wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines inclusief bijbehorende voorzieningen, zoals grondplaten en hekwerken, verwijderd;
  • d. voor het gestelde onder c. wordt financiële zekerheid gesteld.
b Gemeentelijke norm voor geluid
  • a. De windturbines bestemd voor 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig' dienen te voldoen aan de volgende geluidruimteverdeling met een immissienorm per toetspunt en per windturbine (zie Bijlage 1 van deze regels voor nummering windturbines):
toetspunt (adres)   immissienorm Lden (dB)  
  per windturbine (zie Bijlage 1)   totaal  
  wind-
turbine 1  
wind-
turbine 2  
wind-
turbine 3  
wind-
turbine 4  
windturbine 1 t/m wind- turbine 4  
Oss, Maaskade 41   35   30   31   34   39  
Oss, Lekstraat 13   41   36   35   35   44  
Oss, Lekstraat 6   39   34   34   35   42  
Berghem, Broekstraat 13   36   40   34   30   43  
Berghem, Broekstraat 13A   36   41   34   31   43  
Berghem, Valendonkstraat 19   31   34   30   26   37  
Berghem, Harenseweg 1A   32   37   33   29   40  
Berghem, Harenseweg 3   32   37   34   29   40  
Macharen, Eusselingstraat 3   29   27   31   35   38  
Macharen, Ossestraat 11   35   30   33   37   41  
Macharen, Ossestraat 5   32   28   32   37   40  
Macharen, Huisdaalsestraat 1   36   32   36   42   44  
Macharen, Huisdaalsestraat 2   36   32   35   41   43  
Haren, Bossekampstraat 1   30   33   34   31   39  
Haren, Bossekampstraat 2   30   33   34   32   39  
Haren, Bossekampstraat 4   29   32   32   29   37  

óf;

  • b. alle windturbines bestemd voor 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig' dienen, op basis van een andere verdeling van de immissienorm per windturbine, samen te voldoen aan de immissienorm voor het totaal van alle windturbines per toetspunt zoals weergegeven in de laatste kolom van de tabel in lid a van dit artikel;
  • c. indien niet aan lid a of lid b van dit artikel wordt voldaan, is de immissienorm per toetspunt en per windturbine zoals weergegeven in de tabel in lid a, kolommen 'windturbine 1' tot en met 'windturbine 4', de basis voor handhavend optreden;
  • d. voorts dient de toets van alle windturbines bestemd voor 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig' aan de immissienorm, op grond van lid a of lid b, deel uit te maken van de aanvraag omgevingsvergunning voor de windturbines ter beoordeling door het bevoegd gezag;
  • e. op het bepaalde in artikel 8.1.4 b Gemeentelijke norm voor geluid is de rekenmethodiek en de handhavingsmethodiek van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.
c Plaatsgebonden risicocontour

Het gebruik van een windturbinetype met een plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 van meer dan 182 meter is niet toegestaan.

d Kwaliteitsverbetering van het landschap

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt voorts gerekend:

  • a. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van windturbines zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 3 (bij de toelichting) opgenomen ‘Inrichtingsplan kwaliteitsverbetering landschap’.
e Overige specifieke gebruiksregels
  • a. Alvorens een windturbine voor energieproductie in gebruik genomen en gehouden mag worden, dient de obstakelverlichting op de turbine gerealiseerd te zijn conform een door Inspectie Leefomgeving en Transport goedgekeurd verlichtingsplan, dat voldoet aan de volgende eisen:
    • 1. het verlichtingsplan is gericht op het zoveel mogelijk beperken van hinder voor de omgeving;
    • 2. waarbij de veiligheid van het luchtverkeer niet in gevaar wordt gebracht;
  • b. de slagschaduwduur op ramen binnen de gevel van slagschaduw gevoelige objecten, gelegen binnen 12 maal de rotordiameter van een windturbine, veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig' tezamen mag niet meer bedragen dan 6 uur per jaar;
  • c. de slagschaduwduur op ramen binnen de gevel van het kantoor, zoals dat aanwezig is ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, behorende bij de bedrijven op de volgende adressen:
Toetspunt (adres)  
Oss, Nieuwe Waterweg 1  
Oss, Nieuwe Waterweg 9  

veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig' tezamen, mag niet meer bedragen dan 30 uur per jaar, voor zover:

  • 1. personen in een kantoor gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven tijdens de daglichtperiode en gedurende kantoortijden;
  • 2. indien de gevel of het dakvlak van de ruimte voorzien is van één of meerdere lichtdoorlatende vlakken in de richting van de windturbine(s);
  • d. alvorens een windturbine voor energieproductie in gebruik genomen en gehouden mag worden, dient deze ten behoeve van het voorkomen of beperken van lichtschittering voorzien te zijn van niet reflecterende materialen of coatinglagen op betreffende onderdelen, waarbij het meten van reflectiewaarden plaatsvindt overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode;
  • e. een windturbine mag niet in gebruik worden genomen of gehouden indien vanwege een geconstateerd of redelijkerwijs vermoed gebrek daaraan de veiligheid voor de omgeving in het geding is. Ter voldoening aan deze voorwaardelijke verplichting wordt een windturbine minstens eenmaal per kalenderjaar beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige op het gebied van windturbines;
  • f. een windturbine mag enkel in gebruik worden genomen en gehouden indien wordt voldaan aan de veiligheidseisen opgenomen in NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2 of NEN-EN-IEC 61400-3 of een eventuele opvolger van deze normen.
8.2 Geldigheidstermijn van de voorlopige bestemming

De voorlopige bestemming als bedoeld in artikel 8.1 geldt 25 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het plan.

8.3 Definitieve bestemming
8.3.1 Bestemmingsomschrijving

Na het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 8.2, geldt voor de voor 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig' aangewezen gronden de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap en natuur' met de regels zoals opgenomen in Artikel 4.

Artikel 9 Waarde - Archeologie Monument

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie Monument' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van op of in die gronden aangetroffen en aanwezige archeologische waarden.

9.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.2.1 Vergunningsplicht

Het is verboden op en/of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken die geen bouwwerk zijn en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen of te laten uitvoeren dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld:

  • a. graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, ploegen, roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het ophogen, verlagen of egaliseren van de bodem;
  • c. heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het verlagen van het waterpeil;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
  • g. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen of andere leidingen en de daarmee verbandhoudende constructies;
  • h. het verharden van wegen, paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • i. het plaatsen en/of verwijderen van funderingen;
  • j. graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen voor de bouw van gebouwen en andere bouwwerken.
9.2.2 Uitzonderingen

Het in artikel 9.2.1 vervatte verbod geldt niet voor werken die geen bouwwerk zijn en werkzaamheden:

  • a. in het kader van archeologisch onderzoek en archeologische opgravingen, mits deze worden verricht door een ter zake deskundige als bedoeld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie;
  • b. die op het moment van het van kracht worden van het plan legaal in uitvoering waren of legaal konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning;
  • c. die bestaan uit het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen dan wel andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, voor zover deze worden aangebracht binnen een bestaand leidingentracé binnen de daarvoor oorspronkelijk gegraven sleuf;
  • d. die het normale gebruik, onderhoud en/of beheer betreffen van de gronden. Binnen de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschap' en 'Agrarisch met waarden - Landschap en natuur' worden in ieder geval grondbewerkingen ten dienste van het agrarische gebruik beschouwd als normaal gebruik, mits de bodem tot niet meer dan 0,3 meter onder maaiveld wordt geroerd.
9.2.3 Toelaatbaarheid, nadere eisen en voorwaarden
  • a. De in artikel 9.2.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend als:
    • 1. door die werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de archeologische waarden van het betreffende terrein niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en/of;
    • 2. uit door de aanvrager overgelegd archeologisch onderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat de archeologische waarden van het betreffende terrein in voldoende mate zijn vastgesteld en zo nodig zijn zeker gesteld, dan wel dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel dat de archeologische waarden door de werken of werkzaamheden niet of niet onevenredig worden geschaad;
  • b. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het archeologische onderzoek en het archeologische onderzoeksrapport als bedoeld onder a;
  • c. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 10 Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van op of in die gronden aanwezige archeologische waarden.

10.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.2.1 Vergunningsplicht

Het is verboden op en/of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken die geen bouwwerk zijn en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen of te laten uitvoeren over een oppervlakte van 100 m² of meer en dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld:

  • a. graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, ploegen, roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het ophogen, verlagen of egaliseren van de bodem;
  • c. heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het verlagen van het waterpeil;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
  • g. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen of andere leidingen en de daarmee verbandhoudende constructies;
  • h. het verharden van wegen, paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • i. het plaatsen en/of verwijderen van funderingen;
  • j. graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen voor de bouw van gebouwen en andere bouwwerken.
10.2.2 Uitzonderingen

Het in artikel 10.2.1 vervatte verbod geldt niet voor werken die geen bouwwerk zijn en werkzaamheden:

  • a. in het kader van archeologisch onderzoek en archeologische opgravingen, mits deze worden verricht door een ter zake deskundige als bedoeld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie;
  • b. die op het moment van het van kracht worden van het plan legaal in uitvoering waren of legaal konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning;
  • c. die bestaan uit het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen dan wel andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, voor zover deze worden aangebracht binnen een bestaand leidingentracé binnen de daarvoor oorspronkelijk gegraven sleuf;
  • d. die het normale gebruik, onderhoud en/of beheer betreffen van de gronden. Binnen de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschap' en 'Agrarisch met waarden - Landschap en natuur' worden in ieder geval grondbewerkingen ten dienste van het agrarische gebruik beschouwd als normaal gebruik, mits de bodem tot niet meer dan 0,5 meter onder maaiveld wordt geroerd.
10.2.3 Toelaatbaarheid, nadere eisen en voorwaarden
  • a. De in artikel 10.2.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend als:
    • 1. door die werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de archeologische waarden van het betreffende terrein niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en/of;
    • 2. uit door de aanvrager overgelegd archeologisch onderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat de archeologische waarden van het betreffende terrein in voldoende mate zijn vastgesteld en zo nodig zijn zeker gesteld, dan wel dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel dat de archeologische waarden door de werken of werkzaamheden niet of niet onevenredig worden geschaad;
  • b. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het archeologische onderzoek en het archeologische onderzoeksrapport als bedoeld in lid a.
  • c. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 11 Waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van op of in die gronden aanwezige archeologische waarden.

11.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.2.1 Vergunningsplicht

Het is verboden op en/of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken die geen bouwwerk zijn en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen of te laten uitvoeren over een oppervlakte van 1.000 m² of meer en dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld:

  • a. graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, ploegen, roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het ophogen, verlagen of egaliseren van de bodem;
  • c. heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het verlagen van het waterpeil;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
  • g. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen of andere leidingen en de daarmee verbandhoudende constructies;
  • h. het verharden van wegen, paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • i. het plaatsen en/of verwijderen van funderingen;
  • j. graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen voor de bouw van gebouwen en andere bouwwerken.
11.2.2 Uitzonderingen

Het in artikel 11.2.1 vervatte verbod geldt niet voor werken die geen bouwwerk zijn en werkzaamheden:

  • a. in het kader van archeologisch onderzoek en archeologische opgravingen, mits deze worden verricht door een ter zake deskundige als bedoeld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie;
  • b. die op het moment van het van kracht worden van het plan legaal in uitvoering waren of legaal konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning;
  • c. die bestaan uit het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen dan wel andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, voor zover deze worden aangebracht binnen een bestaand leidingentracé binnen de daarvoor oorspronkelijk gegraven sleuf;
  • d. die het normale gebruik, onderhoud en/of beheer betreffen van de gronden. Binnen de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschap' en 'Agrarisch met waarden - Landschap en natuur' worden in ieder geval grondbewerkingen ten dienste van het agrarische gebruik beschouwd als normaal gebruik, mits de bodem tot niet meer dan 0,5 meter onder maaiveld wordt geroerd.
11.2.3 Toelaatbaarheid, nadere eisen en voorwaarden
  • a. De in artikel 11.2.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend als:
    • 1. door die werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de archeologische waarden van het betreffende terrein niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en/of
    • 2. uit door de aanvrager overgelegd archeologisch onderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat de archeologische waarden van het betreffende terrein in voldoende mate zijn vastgesteld en zo nodig zijn zeker gesteld, dan wel dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel dat de archeologische waarden door de werken of werkzaamheden niet of niet onevenredig worden geschaad;
  • b. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het archeologische onderzoek en het archeologische onderzoeksrapport als bedoeld in lid a;
  • c. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 12 Waarde - Reserveringsgebied waterberging

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Reserveringsgebied waterberging' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd tot behoud van het waterbergend vermogen van dat reserveringsgebied voor waterberging.

12.2 Bouwregels

Binnen deze zone zijn de overige regels uitsluitend van toepassing, voor zover dit volgt uit die regels.

12.3 Specifieke gebruiksregels

Binnen deze zone zijn de overige regels uitsluitend van toepassing, voor zover dit volgt uit die regels.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 13 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 overige zone - groenblauwe mantel

De als 'overige zone - groenblauwe mantel' aangeduide gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd tot behoud van ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden.

Binnen deze zone zijn de overige regels uitsluitend van toepassing, voor zover dit volgt uit die regels.

14.2 overige zone - parkinfrastructuur

Op de gronden met de aanduiding 'overige zone - parkinfrastructuur' zijn toegangs- en onderhoudswegen ten behoeve van het windpark toegestaan, alsmede:

  • a. opstelplaatsen ten behoeve van de bouw en het onderhoud van windturbines, met dien verstande dat dit artikel met artikel 8.1.1 lid b en artikel 14.3.1 lid b sub 1 gezamenlijk toestemming geven voor maximaal 1 opstelplaats per windturbine met een maximale oppervlakte van 3.000 m² per opstelplaats;
  • b. kabels en leidingen, niet zijnde hoogspanningsleidingen
  • c. toegangs- en onderhoudswegen, alsmede bijbehorende waterhuishoudkundige voorzieningen zoals bermsloten, bruggen en duikers;
  • d. (overige) voorzieningen ten behoeve van het windturbinepark, zoals en hekwerken en infrastructurele voorzieningen;
  • e. kunstwerken, alsmede voorzieningen ten behoeve van de bediening van kunstwerken.

Voor de toegangs- en onderhoudswegen gelden de volgende regels:

  • f. de maximale breedte van een toegangs- en onderhoudsweg is 5 meter met uitzondering van kruisingen met andere wegen en bochten;
  • g. er wordt maximaal één toegangsweg per windturbine aangelegd;
  • h. agrarisch medegebruik van toegangs- en onderhoudswegen is toegestaan.
14.3 vrijwaringszone - windturbine
14.3.1 Aanduidingsregels
  • a. op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - windturbine' zijn geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegestaan, tenzij de windturbine deel uitmaakt van de inrichting waar ook het (beperkt) kwetsbare object deel van uit maakt;
  • b. op de gronden met de aanduiding 'vrijwaringszone - windturbine' is wiekoverslag van de windturbine toegestaan, alsmede:
    • 1. opstelplaatsen ten behoeve van de bouw en het onderhoud van windturbines, met dien verstande dat dit artikel met artikel 8.1.1 lid b en artikel 14.2 lid a gezamenlijk toestemming geven voor maximaal 1 opstelplaats per windturbine met een maximale oppervlakte van 3.000 m² per opstelplaats;
    • 2. inkoopstations, met dien verstande dat dit artikel met artikel 8.1.2 b Inkoopstations gezamenlijk toestemming geven voor maximaal 1 inkoopstation per windturbine;
  • c. kabels en leidingen, niet zijnde hoogspanningsleidingen;
  • d. toegangs- en onderhoudswegen, alsmede bijbehorende waterhuishoudkundige voorzieningen zoals bermsloten, bruggen en duikers;
  • e. (overige) voorzieningen ten behoeve van het windturbinepark, zoals en hekwerken en infrastructurele voorzieningen;
  • f. kunstwerken, alsmede voorzieningen ten behoeve van de bediening van kunstwerken;
  • g. voor zover de aanduiding 'vrijwaringszone - windturbine' tevens is gelegen binnen de bestemming 'Natuur' is, in afwijking van lid a t/m f, enkel wiekoverslag van de windturbine toegestaan, zoals omschreven in lid b.
14.3.2 Bouwregels inkoopstations

Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - windturbine', niet tevens gelegen binnen de bestemming 'Natuur', zijn geen gebouwen toegestaan, uitgezonderd gebouwen in de vorm van inkoopstations. Voor het bouwen van inkoopstations gelden de volgende regels:

  • a. de maximale bouwhoogte van een inkoopstation bedraagt 4 meter;
  • b. de maximale oppervlakte per inkoopstation bedraagt 50 m².
14.4 veiligheidszone - windturbine

Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine' zijn:

  • a. beperkt kwetsbare objecten toegestaan;
  • b. kwetsbare objecten niet toegestaan, tenzij de windturbine deel uitmaakt van de inrichting waar ook het kwetsbare object deel van uit maakt.
14.5 geluidzone - industrie
  • a. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn mede bestemd voor geluidszone vanwege het geluidgezoneerde industrieterrein Elzenburg-De Geer. Deze zone is de aanwijzing volgens de Wet geluidhinder van het gebied rond dat terrein, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.
  • b. Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' mogen, in voorkomend geval in afwijking van de overige regels, geen nieuwe woningen of andere geluidgevoelige objecten worden opgericht of geluidgevoelige terreinen worden aangelegd of ingericht als bedoeld in de Wet geluidhinder, tenzij aangetoond is dat de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting vanwege industrielawaai ingevolge de Wet geluidhinder niet worden overschreden dan wel op grond van die wet een hogere waarde vanwege industrielawaai is vastgesteld, en gebouwd wordt met inachtneming van die hogere waarde.

Artikel 15 Algemene wijzigingsregels

15.1 wetgevingszone - wijzigingsgebied 1

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een enkelbestemming 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig', én de bijbehorende gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - windturbine' op te nemen binnen de aangegeven gebiedsaanduidingen 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1' onder voorwaarden dat:

  • a. de realisatie van één windturbine per gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1' is toegestaan, met bijbehorende voorzieningen;
  • b. in het wijzigingsplan wordt geborgd dat de windturbines die in het wijzigingsplan worden bestemd voor 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig' voldoen aan de volgende geluidruimteverdeling met een immissienorm per toetspunt en per windturbine (zie Bijlage 1 van deze regels voor nummering windturbines):
toetspunt (adres)   immissienorm Lden (dB)  
  per windturbine (zie Bijlage 1)   totaal  
  windturbine 6   windturbine 7   windturbine 1 t/m 4 samen met windturbines 6 en 7  
Oss, Maaskade 41   26   28   39  
Oss, Lekstraat 13   31   31   44  
Oss, Lekstraat 6   30   30   42  
Berghem, Broekstraat 13   36   30   44  
Berghem, Broekstraat 13A   36   30   44  
Berghem, Valendonkstraat 19   32   26   39  
Berghem, Harenseweg 1A   37   30   42  
Berghem, Harenseweg 3   38   31   42  
Macharen, Eusselingstraat 3   28   34   40  
Macharen, Ossestraat 11   28   32   42  
Macharen, Ossestraat 5   28   33   41  
Macharen, Huisdaalsestraat 1   31   36   45  
Macharen, Huisdaalsestraat 2   30   35   44  
Haren, Bossekampstraat 1   39   36   43  
Haren, Bossekampstraat 2   38   37   43  
Haren, Bossekampstraat 4   36   34   41  

óf;

  • c. in het wijzigingsplan is geborgd dat alle windturbines die in het wijzigingsplan zijn bestemd voor 'Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig', op basis van een andere verdeling van de immissienorm per windturbine, samen voldoen aan de immissienorm voor het totaal van alle windturbines per toetspunt zoals weergegeven in de tabel in lid b van dit artikel, laatste kolom, én;
  • d. er voor de gemeentelijke norm voor geluid een planregeling wordt opgenomen die verder ook gelijk is met de regeling in artikel 8.1.4 b Gemeentelijke norm voor geluid;
  • e. voor elke windturbine een maximale PR 10-5 contour geldt met een diameter van 136 meter, vastgelegd met een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - windturbine', binnen deze contour zijn:
    • 1. kwetsbare objecten en/of beperkt kwetsbare objecten niet toegestaan, tenzij de windturbine deel uitmaakt van de inrichting waar ook het (beperkt) kwetsbare object deel van uit maakt;
  • f. ter voorkoming van verstoring van defensieradar er voor vaststelling van het wijzigingsplan:
    • 1. een radarverstoringsonderzoek noodzakelijk is en een verklaring van geen bezwaar daarover van het Commando Luchtstrijdkrachten van het Ministerie van Defensie;
    • 2. geen onderzoek is nodig wanneer:
      • het radarstation in Herwijnen in werking is gesteld op het tijdstip van vaststelling van het wijzigingsplan, én;
      • het gehele windpark bestaat uit zes windturbines van het type Vestas V136 op een ashoogte van 142 meter en een rotordiameter van 136 meter;
  • g. de windturbines niet tot een significante afname van het waterbergend vermogen van het reserveringsgebied voor waterberging mogen leiden, zoals bestemd voor 'Waarde - Reserveringsgebied waterberging':
    • 1. de toelichting bij het wijzigingsplan bevat een verantwoording over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft;
    • 2. hierover dient afstemming plaats te vinden met het waterschap;
  • h. de windturbines in het wijzigingsplan niet meer dan 6 uur per jaar aan slagschaduw mogen veroorzaken op woningen:
    • 1. dit is inclusief de slagschaduw veroorzaakt door de vier direct bestemde windturbines van het windpark;
    • 2. de windturbines in het wijzigingsplan dienen zo nodig van een stilstandregeling te worden voorzien waarmee ze de cumulatieve slagschaduw, dus rekening houdende met de vier directe bestemde windturbines, terug brengen naar maximaal 6 uur slagschaduw per jaar op woningen;
  • i. financiële compensatie plaatsvindt ten gevolge van mogelijke extra aantasting van Natuurnetwerk Brabant conform paragraaf 5.2.2 van de toelichting van dit plan;
  • j. rekening wordt gehouden met de archeologische verwachtingswaarden ter plaatse;
  • k. vergelijkbare regels gelden zoals opgenomen in Artikel 8 en artikel 14.3;
  • l. de voorlopige bestemming geldt 25 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.
15.2 wetgevingszone - wijzigingsgebied 2

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een gebiedsaanduiding 'overige zone - parkinfrastructuur' en 'veiligheidszone - windturbine' op te nemen binnen de aangegeven gebiedsaanduidingen 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 2' ten behoeve van de aanleg van opstelplaatsen en de aanleg van de toegangs- en onderhoudswegen, en overige voorzieningen, alsmede een veiligheidszone, onder voorwaarden dat:

  • a. voor elke windturbine een maximale PR 10-6 contour geldt met een diameter van 182 meter:
    • 1. beperkt kwetsbare objecten toegestaan, voor zo ver er niet tegelijk sprake is van een PR 10-5 contour;
    • 2. kwetsbare objecten niet toegestaan, tenzij de windturbine deel uitmaakt van de inrichting waar ook het kwetsbare object deel van uit maakt;
  • b. vergelijkbare regels gelden als opgenomen in artikel 14.2 en artikel 14.4;
  • c. de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van windturbines en bijbehorende voorzieningen die met wijzigingsbevoegdheid 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1' gerealiseerd kunnen worden.

Artikel 16 Overige regels

16.1 Verhouding met bestemmingsplannen

Voor zover de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - windturbine' als bedoeld in artikel 14.4 van dit plan, samenvalt met de bestemmingen uit de onderliggende bestemmingsplannen prevaleert de gebiedsaanduiding als bedoeld in dit plan. De onderliggende bestemmingen blijven verder van toepassing.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 17 Overgangsrecht

17.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  • b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  • c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
17.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 18 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

“Regels van het bestemmingsplan "Windmolenpark Elzenburg-De Geer - 2021”.