direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Vinkelse Slagen fase 2
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002449-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Eind 2013 stelde de voormalige gemeente Maasdonk het bestemmingsplan Vinkelse Slagen vast. Het plan vormde het planologisch kader voor de nieuwe uitbreidingswijk van Vinkel. De start van de bouw heeft wel een tijd op zich laten wachten. In 2016 is gestart met de bouw van de eerste woningen (fase 1). Begin 2018 is nog een partiële herziening van het bestemmingsplan vastgesteld om beter tegemoet te komen aan de marktvraag, met name om meer ruimte voor kleinere / betaalbare woningen te bieden.

In het overkoepelende plan van de Vinkelse Slagen uit 2013 was ook al de 2e fase voorzien. Op basis van dit moederplan is het mogelijk om via de zone Wonen - uit te werken de woningbouw van fase 2 mogelijk te maken. Er is echter gekozen voor een bestemmingsplan (zie paragraaf 2.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0001.jpg"

Figuur 1: impressie huidige situatie plangebied fase 1 Vinkelse Slagen

De realisatie van fase 1 met daarin ongeveer 75 woningen nadert inmiddels de afronding. Er zijn nog slechts enkele kavels beschikbaar voor de bouw van woningen. Om voldoende te kunnen voorzien in de woningbouwbehoefte in de gemeente en voor Vinkel, is het van belang om voor fase 2 de planologische procedure te doorlopen. Onderhavig plan voorziet hierin.

Hierop is geanticipeerd door in 2019 te starten met de planvorming voor fase 2 van de Vinkelse Slagen. De participatiebijeenkomst van juni 2019 vormde hierin een belangrijk vroegtijdig element in de planvorming. Vervolgens is op basis van de uitkomsten van die avond gewerkt aan een eerste globale stedenbouwkundige opzet, welke op 28 oktober 2019 door de gemeente is gepresenteerd. De ontvangst van het plan door omwonenden was overwegend positief. Aan de hand van die terugkoppelingen is de gemeente verder aan de slag gegaan met de planvorming. Dit heeft geresulteerd in het voorliggende document.

1.2 Begrenzing plangebied

De begrenzing van dit bestemmingsplan volgt globaal de grens van de uitwerkingsbestemming die aanvankelijk voor de 2e fase was bedoeld (zie ook figuur 5 in paragraaf 2.3). Op een aantal punten wijkt de grens van dit plan iets af van deze uitwerkingszone: aan de westzijde loopt de nieuwe ontsluiting door tot aan de Weerscheut, en ook is de westgrens van de woonbestemming deels iets ruimer en deels iets minder ruim dan de uitwerkingsbestemming.

Aan de noordzijde vormt de weg de Elzenpas, samen met het nog te ontwikkelen landschap als compensatie voor fase 2, de plangrens. Aan de oostzijde vormt de huidige begrenzing van fase 1 de plangrens, en aan de zuidzijde de bestaande watergang met daarachter de huidige woonbebouwing aan de Jeroen Boschstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0002.jpg"

Figuur 2: plangebied fase 2 Vinkelse Slagen

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 van dit plan gaat in op de beschrijving van de huidige situatie, waaronder de ruimtelijke en functionele structuur. Hoofdstuk 3 beschrijft de globale stedenbouwkundige opzet van de 2e fase, terwijl het daaropvolgende hoofdstuk ingaat op het sturende beleidskader. Hoofdstuk 5 beschrijft vervolgens de milieuaspecten en hoofdstuk 6 gaat in op de beschrijving van de planregels. Hoofdstuk 7 kent een korte motivering voor de economische uitvoerbaarheid; en tot slot beschrijft hoofdstuk 8 de participatie -en vooroverlegfase.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Beschrijving locatie en ligging in de stad

De nieuwe woonwijk fase 2 Vinkelse Slagen wordt aansluitend aan de dorpskern van Vinkel gerealiseerd. De uitbreiding is aan de noordzijde van Vinkel voorzien. Vinkel ligt in het zuidoosten van de gemeente 's-Hertogenbosch aan de zuidzijde van de A59.

In onderstaand figuur is de ligging van het plangebied opgenomen weergegeven op de schaal van Vinkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0003.jpg"

Figuur 3: ligging in grotere schaal

2.2 Functionele en ruimtelijke structuur

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0004.jpg"

Figuur 4: ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied kent op dit moment vrijwel geheel nog een agrarisch gebruik als weiland en akkerland. In het noorden van het plangebied is wel een voormalige agrarische bedrijfswoning aanwezig (Elzenhof), die al een woonbestemming heeft.

Aan de oostzijde van het plangebied bevindt zich fase 1 van de Vinkelse Slagen, terwijl aan de zuidzijde de bestaande woonbebouwing van Vinkel begint met de woningen aan de Jeroen Boschstraat. Aan de westzijde loopt de doorgaande weg Weerscheut. Deze weg vormt vanuit noordelijke richting bezien de entree tot het dorp. Indien de weg vanaf hier naar het noorden gevolgd wordt, is hier sprake van verspreide lintbebouwing.

Tot slot, ten noorden van het plangebied, is op dit moment sprake van zowel agrarisch gebruik als natuurgebruik.

2.3 Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan voor het plangebied is bestemmingsplan Vinkelse Slagen (vastgesteld 22 oktober 2013), met de bestemmingen Agrarisch, Natuur, Wonen en Wonen uit te werken. Op basis van dit moederplan is het mogelijk om via de zone Wonen - uit te werken de woningbouw van fase 2 mogelijk te maken. In onderstaand figuur is dit weergegeven, waarbij deze zone 'Wonen - uit te werken' is uitgelicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0005.jpg"

Figuur 5: geldend bestemmingsplan Vinkelse Slagen

Omdat de gewenste ontsluiting naar de Weerscheut en de noodzakelijke natuurcompensatie aan de noordzijde buiten de zone 'Wonen uit te werken' vallen, en omdat de uiteindelijke stedenbouwkundige opzet voor fase 2 eveneens net daarbuiten valt, is ervoor gekozen om een bestemmingsplan op te stellen in plaats van een uitwerkingsplan.

In de uitwerkingsbestemming van het moederplan was overigens een beperkt aantal voorwaarden opgenomen. Deze voorwaarden zijn in beginsel ook als uitgangspunt genomen voor dit bestemmingsplan. Wel wordt ten aanzien van parkeren aangesloten bij de huidige parkeernormennota.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Stedenbouwkundige opzet

Stedenbouwkundige uitgangspunten

De uitgangspunten voor de verkavelingsopzet voor de woningbouwlocatie Vinkelse Slagen zijn vastgelegd in de 'Gebiedsvisie Vinkel Noord'. Uitgaande van de landschappelijke context zijn daarin drie inspiratiebronnen vastgelegd:

  • de kleinschalige ontginningsstructuur van greppels en houtwallen;
  • de oorspronkelijke aanwezigheid van twee landgoederen om Vinkel;
  • de relatie van het dorp met het buitengebied, vormgegeven in de vorm van “stapstenen”.

Uitgaande van de ligging van de locatie tussen de Weerscheut (aangemerkt als landschapslint), de Lindenlaan (aangemerkt als dorpslint) en de Elzenhof zijn voornoemde inspiratiebronnen vertaald in een concept met vijf verschillende woonmilieus en een opeenvolging van groene ruimten:

  • hoeven (Elzenhof);
  • moestuinen;
  • slagen;
  • ontginningslandgoed;
  • entree;
  • groen Vincent van Goghplein – groen speelplek – ontginningslandgoed – buitengebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0006.png"

Figuur 6: stedenbouwkundige opzet

Uitgaande van bovenstaande woonmilieus wordt de Vinkelse Slagen fase 2 gevormd door de woonmilieus:

  • hoeven (Elzenhof);
  • moestuinen;
  • slagen.

Randvoorwaarden

In het bestemmingsplan 'Vinkelse Slagen' zijn de belangrijkste randvoorwaarden bij de verdere uitwerking van het verkavelingsprincipe genoemd. Deze voorwaarden komen voort uit de 'Gebiedsinventarisatie Vinkelse Slagen' en de daarvoor uitgevoerde onderzoeken. Deze randvoorwaarden luiden als volgt:

  • binnen het plangebied of direct grenzend daaraan, dient ruimte gevonden te worden voor het bergen en waar mogelijk infiltratie van hemelwater, dat afstroomt van de verhardingen binnen het gebied. Gezien de goede waterdoorlatendheid van de bodem en de ondiepe gemiddeld hoogste grondwaterstanden, is het plangebied geschikt voor oppervlakkige berging en infiltratie van hemelwater. De berging, infiltratie en het transport van (hemel)water zoveel als mogelijk bovengronds uitvoeren in verband met belevingswaarde en calamiteiten zoals intensieve neerslaggebeurtenissen.
  • de bestaande groenstructuren rondom de woningbouwlocatie dienen gehandhaafd en waar nodig versterkt te worden;
  • het gebied wordt ingericht als 30km-zone met hoofdontsluitingen naar de Lindenlaan en mogelijk in een latere fase naar de Weerscheut;
  • het zoveel mogelijk oplossen van de parkeerbehoefte op eigen terrein. Parkeren op de rijbaan dient te worden voorkomen;
  • (houd rekening met) de overgang naar de bestaande woonkavels aan Jeroen Boschstraat, Jan Steenstraat en Lindenlaan. De woonsituatie op deze bestaande woonkavels verandert door de ontwikkeling van de woningbouwlocatie Vinkelse Slagen. Was eerst sprake van de ligging grenzend aan buitengebied, in de toekomst zal sprake zijn van een ligging in woongebied. Bij de nadere uitwerking van de woningbouwlocatie wordt hiermee rekening gehouden. Er wordt zoveel mogelijk een zachte overgang gecreëerd door aangrenzend kavels met een grotere diepte te situeren en op deze kavels lagere bebouwing toe te staan.

Met bovenstaande randvoorwaarden en uitgangspunten is een verkavelingsopzet getekend, dat als basis heeft gediend voor Vinkelse Slagen fase 1. De voorwaarden gelden onverkort ook voor fase 2.

Ook de resultaten van de gevoerde omgevingsdialoog (zie hoofdstuk 8) gelden als een belangrijk uitgangspunt voor de ontwikkeling van fase 2. De resultaten van de omgevingsdialoog die invloed hebben op de verkavelingsopzet zijn de volgende:

  • Ontsluiting via de Weerscheut aanleggen, maar niet in een rechte lijn;
  • Voorkomen sluipverkeer door de wijk;
  • Voldoende groen in de wijk;
  • Groene buffer tussen bestaande bebouwing en Vinkelse Slagen fase 2;
  • Goede langzaamverkeer-verbindingen;
  • Goede toegang tot het nieuwe natuurgebied aan de noordzijde;
  • Groenzones verbinden met Elzenpas, maar geen autoverkeer op Elzenpas;
  • Lagere bebouwing aan zuidzijde plangebied fase 2;
  • Goede mix van woningen, dus zowel betaalbaar als vrijstaand en tweekappers.

Onderstaand figuur geeft een aantal van deze opgehaalde belangen weer. Met de zwarte pijl in het midden is aangegeven dat een ontsluiting naar de Weerscheut gewenst is, maar niet in een rechte lijn in verband met de verkeersveiligheid (een rechte lijn nodigt uit tot hard rijden). Met de zwarte gestippelde lijnen is de voorkeur voor goede langzaam verkeersverbindingen en goede toegang tot het natuurgebied aangegeven. Verder is aan de noordzijde de gewenste zone voor natuurcompensatie en waterberging opgenomen. Met de groene stippen is de voorkeur voor groen en de verbinding met de Elzenpas weergegeven. De groene arcering aan de zuidzijde van het plangebied visualiseert de wens van een groene buffer tussen de bestaande bebouwing en fase 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0007.jpg"

Figuur 7: input participatie

Verkavelingsopzet fase 2

Ligging fase 2

Het plangebied van fase 2 grenst aan de oostzijde aan de bestaande bebouwing van fase 1 en aan de zuidzijde aan de bestaande bebouwing van de Jeroen Boschstraat. Aan de west- en noordzijde grenst het plangebied respectievelijk aan de Weerscheut en de Elzenpas. Deze vormen de overgang naar het agrarische, open landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0008.jpg"

Figuur 8: ligging fase 2

Verkavelingsopzet

Bij de verdere uitwerking zijn de genoemde uitgangspunten vertaald in een verkavelingsopzet. Centraal hierin staat het duidelijk tot uiting laten komen van de slagen. Deze slagen worden aangebracht in noord-zuid richting en vormen ook de ontsluiting voor de woningen die aan deze structuren liggen. De slagen worden gevormd door groenzones naast de straten met daarin laanbeplanting (zie figuur 9). Deze slagen lopen vanaf de groenzone aan de zuidzijde tot aan de Elzenpas aan de noordzijde en vormen een groene verbinding tussen deze landschapselementen.

De bestaande groenzone aan de zuidoostzijde, ligt straks centraal in het plangebied, bezien over Vinkelse Slagen fase 1 en 2. In de huidige situatie bevinden zich daar speelvoorzieningen, een trapveldje en een fietsbaantje. Deze groenzone wordt in de nieuwe situatie groter en geïntegreerd in de Vinkelse Slagen. Op deze manier wordt deze locatie een groene brink en speelvoorziening centraal in het plangebied voor zowel de woningen in de Vinkelse Slagen als de aangrenzende bestaande woonwijk.

Tussen de slagen worden woningen gesitueerd die zoveel mogelijk georiënteerd zijn op de slagen. De twee noord-zuid gerichte slagen lopen ongeveer evenwijdig aan elkaar, maar vangen door kleine hoekverdraaiingen het richtingsverschil tussen de Weerscheut en de oostelijk grens van Vinkelse Slagen fase 1 op. Centraal in het plangebied loopt de ontsluiting naar de Weerscheut. Om sluipverkeer te ontmoedigen is ervoor gekozen om deze centrale ontsluitingsweg rondom het centraal gelegen woonblok te realiseren (dit is weergegeven in onderstaand figuur 10). Deze wijze van ontsluiting en planopzet biedt de mogelijkheid om in de toekomst het plangebied uit te breiden richting de Weerscheut (fase 3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0009.jpg"

Figuur 9: groene structuur (slagen) fase 2

Het plan voor de 2e fase gaat uit van een gemengd woningbouwprogramma, met in totaal circa 60 woningen. Om enige mate van flexibiliteit in de planopzet te creëren is per bouwvlak het maximale aantal woningen opgenomen. De planologische capaciteit komt hierdoor op 72 woningen. In de uitwerking zal dit aantal waarschijnlijk niet behaald worden omdat de beschikbare openbare ruimte te weinig ruimte biedt om aan de parkeerbehoefte van het maximale aantal woningen te voldoen. In de planopzet zoals die nu is getekend zitten circa 60 woningen. Er zijn zowel vrijstaande woningen, rijwoningen als twee-onder-een-kapwoningen voorzien. In het plan is vanwege de dorpse opzet geen ruimte voor appartementen.

De meer centraal gelegen geplande woningen zijn beoogd als de aaneengebouwde en en sociale huur -of sociale koopwoningen, al wordt dit niet als verplichting opgenomen in de planregels. Daaromheen zijn vrijstaande of twee-onder-een-kapwoningen gepland. In de planregels is dit wel vastgelegd als het gaat om noord -en zuidrand van de 2e fase. Daar zijn alleen vrijstaande woningen of twee-onder-een-kapwoningen toegestaan met een lagere maximale goot –en bouwhoogte (4,5 en 8,5 meter). Zo wordt een goede overgang naar het landelijk gebied gecreëerd en wordt voor de zuidzijde rekening gehouden met de bestaande woningen. De overige maximale hoogten in het plan zijn 6 meter goothoogte en 11 meter bouwhoogte. Voor het overige zijn de woningtypes niet vastgelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0010.jpg"

Figuur 10: stedenbouwkundig plan fase 2

Aan de zuidzijde van de 2e fase grenst het plangebied aan de achtertuinen van de bestaande woningen aan de Jeroen Boschstraat. Was eerst sprake van de ligging grenzend aan buitengebied, in de toekomst zal sprake zijn van een ligging in woongebied. Bij de nadere uitwerking van de woningbouwlocatie is hiermee rekening gehouden. Er wordt zoveel mogelijk een zachte overgang gecreëerd door de aangrenzende watergang te handhaven en een groenstrook aan te leggen. Deze groenstrook zorgt voor een zachtere overgang en dient tevens als onderhoudsstrook voor de watergang. Aangrenzend aan de groenstrook zijn woningen gepland die met de zijkanten grenzen aan de groenstrook en op deze kavels is tevens een lagere maximale nok- en bouwhoogte toegestaan.

Aan de Elzenpas is de voormalige bedrijfswoning van de hoeve Elzenhof met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Vinkelse Slagen in 2013 omgevormd tot een burgerwoning – deze heeft dus al een woonbestemming. De overige bedrijfsbebouwing op het bouwblok zal in de toekomstige situatie worden gesloopt en vervangen door woningen. De om de hoeve Elzenhof aanwezige groensingel wordt zoveel mogelijk intact gelaten. De hoeve vormt een afzonderlijke enclave binnen de verkaveling van de 2e fase, met een eigen groene omzoming en georiënteerd op en ontsloten via de Elzenpas. De nieuwe woningen worden meer achter op het erf geplaatst om de hoeve meer prominent in het ensemble te plaatsen. Deze nieuwe woningen kunnen eventueel ontsloten en georiënteerd worden aan zuidzijde. Gelet op de bijzondere ligging is het denkbaar dat hier sprake kan zijn van een bijzondere woonvorm.

Ontsluiting

De Vinkelse Slagen fase 1 wordt op dit moment ontsloten aan de zuidzijde via de Lindenlaan. Dit is de enige ontsluiting voor autoverkeer van het plangebied. Iets meer ten oosten ligt de Kraaienbos, deze fungeert als langzaamverkeerverbinding. In de planvorming voor fase 2 is een extra ontsluiting op de Weerscheut opgenomen. In het bestemmingsplan 'Vinkelse Slagen' wordt de ontsluiting beschreven als een oprijlaan naar het landgoed. Dit landgoed wordt gevormd de vrijstaande woningen aan het einde van het Kruisbos. Om te voorkomen dat hierdoor sluipverkeer ontstaat dat het centrum van Vinkel wil vermijden, is ervoor gekozen om het stratenpatroon aan te passen, waardoor het sluipverkeer zoveel mogelijk wordt ontmoedigd. Daarbij komt ook dat een verkaveling in noord-zuid richting meer recht doet aan het oorspronkelijke slagenlandschap in plaats van een sterke oost-west verbinding in de vorm van een oprijlaan.

Fase 2 wordt dus ontsloten via de Weerscheut en de Lindenlaan. Vanaf de Lindenlaan komt er een langzaamverkeerverbinding met de Jeroen Boschstraat. De Elzenpas blijft fungeren als langzaamverkeerroute en ontsluiting voor het Elzenhof.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0011.jpg"

Figuur 11: ontsluitingsstructuur gemotoriseerd en langzaam verkeer

Kwaliteitsverbetering landschap

Onderdeel van de planvorming is ook de kwaliteitsverbetering landschap aan de noordzijde van de nieuwe woonwijk. Dit is nader beschreven onder paragraaf 4.2 onder het kopje Interim Omgevingsverordening Noord - Brabant.

3.2 Verkeer en parkeren

Verkeer

Het plangebied wordt via twee zijdes ontsloten. De nieuwe straten 'Kruisbos' en 'Broekbos' sluiten in oostelijke richting aan op de straat 'Vinkelse Slagen' in het plangebied van fase 1. Aan de westzijde sluit de 'Kruisbos' aan op de Weerscheut. Daarmee ontstaat voor zowel fase 2 als fase 1 de mogelijkheid om het gebied vanuit twee richtingen te bereiken.

Het plangebied genereert verkeer. Als vuistregel kan een getal van maximaal 7 ritten per woning per etmaal worden gehanteerd. Bij circa 60 woningen levert dit een etmaalintensiteit van 420 motorvoertuigen op. De straten in het plangebied krijgen de functie van erftoegangsweg en worden overeenkomstig ingericht als onderdeel van een 30 km/u zone. Dergelijke straten kunnen eenvoudig een intensiteit van 2.500 motorvoertuigen verwerken.

Voor het langzame verkeer wordt daarnaast ook voorzien in een aansluiting op de Elzenpas en in een aansluiting vanaf de weg de Vinkelse Slagen op de Jeroen Boschsstraat.

Parkeren

Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets dat is vastgesteld op 21 september 2016. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente.

Parkeren vindt op twee manieren plaats: parkeren op het eigen terrein (kavel) en parkeren op het openbaar terrein. De parkeerplaatsen in het openbaar gebied zullen met name nabij de rijwoningen worden gerealiseerd, omdat die geen parkeerplaatsen op eigen terrein zullen hebben. De precieze inrichting van de openbare ruimte en parkeervoorzieningen zal nog worden uitgewerkt.

De parkeernormen die gelden voor deze ontwikkeling, zijn de parkeernormen voor woningen in "rest bebouwde kom, overige kernen". Hiervoor gelden voor de volgende normen:

  • woning 40-80 m2 (sociale huur) – 1,4
  • woning 40-80 m2 – 1,6
  • woning 80-150 m2 – 1,8
  • woning > 150 m2 - 2

De parkeernormen zijn inclusief parkeerruimte voor bezoekers. De maximale parkeerbehoefte voor bezoekers bestaat uit 0,3 parkeerplaats per woning. Het stedenbouwkundig plan is nog globaal van opzet, maar zal woningen hebben in alle genoemde sectoren. De globale opzet is vastgelegd via de bouwvlakken en maximale aantallen wooneenheden per bouwvlak.

Uitgaande van de globale indicatieve stedenbouwkundige opzet met circa 60 woningen, zou de totale parkeerbehoefte indicatief circa 100-110 parkeerplaatsen bedragen. Bij de vrijstaande en halfvrijstaande woningen worden parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. In de openbare ruimte moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor zowel bezoekers als de bewoners binnen acceptabele loopafstanden, uitgaande van de rekenwaardes voor de capaciteit op eigen terrein.

Bovenstaande aantallen zijn slechts indicatief. Het kunnen ook minder of meer woningen worden dan nu genoemd per woningtype. De daadwerkelijke invulling zal later duidelijk worden. Echter, in het bestemmingsplan zijn de bandbreedtes aangegeven van maximale aantallen woningen per bouwvlak en voor sommige bouwblokken zijn ook de type woningen vastgelegd.

Om zeker te stellen dat voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd op eigen terrein en in de openbare ruimte, is in het bestemmingsplan geborgd dat bij de omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat in voldoende parkeren is voorzien conform de Nota Parkeernormering 2016 of diens opvolger.

3.3 Bomen en groen

Het plangebied voor de nieuwe woningen in de 2e fase is geheel onbebouwd en kent geen bomen. De boerderij Elzenhof heeft wel een omzoming met bomen, maar dit blijft behouden. Er is daarmee geen belemmering of negatieve invloed op het aspect bomen.

Daarnaast is in de verkavelingsopzet uitgegaan van groene slagen en een goede relatie met de groenzone / speelplaats aan de zuidoostzijde, zie hiervoor figuur 9. Daarmee wordt gestreefd naar een zo groen mogelijk karakter van de woonwijk.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid:

  • 1. een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
  • 2. ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
  • 3. ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
  • 4. efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • 5. een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
  • 6. betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen;
  • 7. het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen;
  • 8. verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • 9. ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
  • 10. ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • 11. ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
  • 12. ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
  • 13. zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.


Het laatstgenoemde nationaal belang houdt in dat bij stedelijke ontwikkelingen de ladder van duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd.

Laddertoets

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.

De gemeente 's-Hertogenbosch moet voorzien in de groeiende woningbehoefte en veranderende woonwensen. De inzet daarop is vastgelegd in de Woonvisie 's-Hertogenbosch (zie paragraaf 4.3.4). Om deze ambitie te realiseren is er niet alleen voldoende zachte woningbouwcapaciteit nodig, maar ook harde plannen. Daarbij beogen we plannen toe te voegen in diverse woonmilieus, ook het dorpse woonmilieu. Dit bestemmingsplan draagt bij aan een divers hard planaanbod, in schaal passend bij de kern Vinkel, met ruimte voor diverse woonvormen, (prijs)segmentering en doelgroepen. Dit is in lijn met de principes van de compacte, complete en contrastrijke stad, zoals vastgelegd in de gemeentelijke Ruimtelijke Structuurvisie (paragraaf 4.3.1).

De potentiële woningbouwcapaciteit voor de periode 2020 tot en met 2024 bedraagt 6.800 woningen, waarvan ongeveer 3.000 woningen zijn opgenomen in harde plannen en 3.800 woningen in zachte plannen. De gewenste woningbouwproductie voor die periode bedraagt echter ruim 4.000 woningen. Dat betekent dat de harde plancapaciteit moet worden vergroot om de gewenste woningproductie te kunnen realiseren. Voorliggend plan met ruimte voor circa 60 woningen draagt daaraan bij.

Het plan maakt overigens al jaren onderdeel uit van de potentiële plancapaciteit en kan, na het doorlopen van de benodigde bestemmingsplanprocedure, bijdragen aan het realiseren van de gemeentelijke woningbouwopgave en meerwaarde bieden voor het dorp Vinkel.

Ten aanzien van het bouwen buiten het bestaand stedelijk gebied, het volgende. De nieuwe woningen liggen buiten het bestaand stedelijk gebied, maar binnen de zone Verstedelijking afweegbaar van de provinciale Interim Omgevingsverordening (zie ook paragraaf 4.2). Deze gebieden zijn door de provincie aangeduid als gebieden waar – onder voorwaarden - verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden (kunnen) liggen.

In het moederplan Vinkelse Slagen is reeds gekozen voor deze ontwikkelingslocatie en is de verantwoording opgesteld waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden ontwikkeld. Voor de motivering hiervan wordt dan ook mede naar deze paragraaf verwezen: paragraaf 3.3.2 bestemmingsplan Vinkelse Slagen (pagina 20). De hoofdargumentatie hieruit is dat voor het gemeentelijk woningbouwprogramma, ca. 150 woningen, dat is gepland voor de Vinkelse Slagen in Vinkel, geen of onvoldoende ruimte te vinden door herstructurering of transformatie van bestaande percelen in Vinkel. Deze argumenten gelden ook nu nog steeds onverkort.

Dit plan is de uitvoering van de keuze uit het moederplan en voldoet gelet op bovenstaande aan de vereisten van duurzame stedelijke ontwikkeling.

4.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0012.jpg"

Figuur 12: structurenkaart Structuurvisie

Het plangebied is op de structurenkaart, zoals hierboven weergegeven in figuur 12, gelegen binnen de aanduiding 'Zoekgebied verstedelijking'. In de kernen in het landelijk gebied met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt de lokale behoefte voor verstedelijking opgevangen (wonen, werken en voorzieningen). De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen en werken. Regionale afstemming vindt plaats in de regionale agenda´s voor wonen. Het zoekgebied verstedelijking wordt in de Interim Omgevingsverordening nu genoemd als 'Verstedelijking afweegbaar'.

Over de ruimtelijke kwaliteit is de provincie van mening dat de gemeenten in hun ruimtelijke plannen aandacht moeten bieden aan de wijze waarop stedelijke ontwikkelingen het eigen karakter van de kernen en de relatie met het landschap kunnen versterken. De stedelijke ontwikkelingen moeten qua maat en schaal bij de kern passen. De ontwerpopgave hangt daarnaast samen met de historische gegroeide identiteit van de kern en omliggend landschap en met de fase van verstedelijking van de kern (suburbaan, dorps of plattelandskern). De kern Vinkel is geleidelijk gegroeid maar heeft haar dorpse karakter behouden en kan om die reden als dorpse kern worden beschouwd.

Het beoogde woningbouwplan past binnen de afspraken in de regionale agenda's voor wonen. De verdichting zal dusdanig plaatsvinden dat het dorpse karakter van Vinkel behouden blijft.

Omgevingsvisie

Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie wanneer de Omgevingswet in werking treedt op 1 januari 2021. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaatproof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurerrende duurzame economie. Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Zoals blijkt uit de motivering onder paragraaf 4.1, voldoet dit plan aan de vereisten van een duurzame verstedelijking.

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim Omgevingsverordening Ruimte Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim Omgevingsverordening vastgesteld, waarmee de tot dan toe geldende Verordening Ruimte werd vervangen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0013.jpg"

Figuur 13: Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant

Zone verstedelijking afweegbaar

Op de kaart behorende bij de Verordening blijkt dat het plangebied binnen de zone 'Verstedelijking afweegbaar' ligt, binnen de kaartlaag Landelijk Gebied (zie rode marker in figuur 13). Deze zone komt overeen met de zone uit de voorheen geldende Verordening Ruimte, Zoekgebied verstedelijking. Volgens de Verordening kan een bestemmingsplan op grond van artikel 3.43 ter plaatse van deze zone voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als:

  • binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is;
  • transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort;
  • de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;
  • de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied.

Uit enerzijds de motivering onder Laddertoets in paragraaf 4.1 en de beschrijving in paragraaf 4.3 Woonbeleid, en anderszijds de motivering in paragraaf 3.1 Stedenbouwkundige opzet, blijkt dat met het plan wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden.

Kwaliteitsverbetering landschap: vereisten fase 1 en 2

Daarnaast moet bij het ontwikkelen buiten bestaand stedelijk gebied, worden voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering van het landschap, zo blijkt uit artikel 3.9, lid 1:

Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Al in het moederplan de Vinkelse Slagen, waarin de voorliggende planontwikkeling van fase 2 is voorzien, is dit onderkend en beschreven. Hierin was de kwaliteitsverbetering voor fase 1 voorzien ten noorden van het plangebied, met een omvang van 6.000 m2. Dit is via de vaststelling van dat bestemmingsplan mogelijk gemaakt met de bestemming Natuur, en deze natuur c.q. landschapscompensatie is direct bij aanvang van de bouw van fase 1 gerealiseerd.

De kwaliteitsverbetering landschap voor fase 2 zal op de reeds gerealiseerde landschapsverbetering aansluiten. In het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) van december 2012 is regionaal vastgesteld dat er als kwaliteitverbetering voor planmatige ontwikkeling (stedelijke uitbreiding) een vaste afdracht per m² van 1% van de uitgifteprijs als tegenprestatie wordt gesteld. De omvang van de kwaliteitsverbetering landschap voor de circa 60 geplande woningen is voor fase 2 van de Vinkelse Slagen berekend op circa 3.850 m2 (berekening is toegevoegd in bijlage 1).

Kwaliteitsverbetering landschap: Landschapsvisie

Voor de kwaliteitsverbetering van het landschap voor fase 2 (en fase 3 en de wijzigingsbevoegdheid uit fase 1, zie hieronder) is een landschapsvisie met concept inrichtingsplan voor de komende jaren opgesteld. Het inrichtingsplan is hieronder weergegeven in figuur 14. Onder het figuur is de visie opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0014.jpg"

Figuur 14: concept inrichtingsplan voor de kwaliteitsverbetering landschap aan noordzijde van het plangebied

Landschap

Als gemeente streven we naar een zo goed mogelijk woon- en leefklimaat. Daarnaast willen we aan de randen van dorps en stadskernen een goede landschappelijke overgang creëren naar het landelijk gebied. Vooral in een landelijke, kleine kern als Vinkel draagt een goede overgang tussen het agrarisch gebied en de woongebied ook bij aan een goed woon- en leefklimaat.

Het gebied waar de natuurcompensatie voor het totale woongebied Vinkelse Slagen plaatsvindt, is direct gelegen aan de nieuwe woonbuurt Vinkelse Slagen en vormt daarmee een goede overgang naar het landelijk gebied. Er ontstaan in het landschapsplan een tweetal kamers, waarbij de oostelijke kamer wordt ingericht als natuurgebied. In figuur 15 is het meer gedetailleerde inrichtingsplan opgenomen voor deze oostelijke kamer, dat ook als bijlage bij de planregels is gevoegd en gekoppeld is aan een voorwaardelijke verplichting in die planregels.

In het zuidelijk deel van de oostelijke kamer heeft de natuurcompensatie voor fase 1 plaatsgevonden. Dit heeft plaatsgevonden in de vorm van aanleg van rabatten. Deze rabatten hebben een natuurwaarde, maar hebben ook een functie als waterberging. Het gebied functioneert daardoor als een soort moeras. In het noordelijk deel vindt de natuurcompensatie voor fase 2 en een toekomstige fase 3 plaats. Overigens is het aanleggen van de noord-zuid houtwal ook onderdeel van deze natuurcompensatie.

De inrichting van het noordelijk deel van de oostelijke kamer voor fase 2 en 3 gebeurt door het aanbrengen van hoogteverschillen in het gebieden, de aanleg van een poel en de aanplant van een aantal bomen. Hierdoor ontstaat een half open, kleinschalig toegankelijk landschap met natuurwaarden dat een goede overgang vormt naar het landelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0015.jpg"

Figuur 15: uitgewerkt inrichtingsplan in de oostelijke 'kamer'

De nieuw aan te landschapselementen refereren aan het oorspronkelijk slagenlandschap. Ze zorgen voor een herindeling van het gebied, de kleinschaligheid die zo ontstaat is gebaseerd op de voormalige cultuurlandschap op deze plek. De elementen worden in noord-zuid richting doorgetrokken tot in de woonwijk en vormen zo ook het raamwerk voor de nieuwe woonwijk. Op die manier ontstaat een goede aansluiting (zowel ruimtelijk als recreatief) op het natuurgebiedje.

In deze nieuwe structuur wordt in de noord-zuid houtwal de ruimte gegeven aan een wandelpad, waardoor het een mooi uitloopgebied kan worden voor Vinkel.

De visie op de andere, westelijke kamer (zie figuur 14) is voor de wat langere termijn (5 tot 10 jaar). Hierin is kleinschalige landbouw voorzien, aan de westkant begrensd door een tweede houtwal. Ook zijn aan de noord –en zuidzijden bloemenweides beoogd. Hierbij moet een goede invulling worden gevonden die past bij het gebied en de ligging dichtbij de woonwijk. Kleinschalige biologische landbouw, permacultuur, of andere vormen van lokale voedselproductie zouden hier goed bij passen. Hiervoor moet een samenwerking worden gezocht met een geschikte initiatiefnemer. Tot die tijd zal dit deel in (regulier) agrarisch gebruik blijven.

Natuurdoelen

Voor de ecologie worden nieuwe biotopen gemaakt. Moerasachtige situaties worden gemaakt met de greppelstructuur. Hoewel dit voor de waterberging is gemaakt zorgt dit ook voor een mooi dichtbegroeid geheel waar moeras en struweelsoorten leefgebied vinden. Amfibieën, libellen, vlinders en diverse broedvogels zijn hier te verwachten. Daarnaast biedt het een mooi rustig gebiedje voor kleine zoogdieren. Aansluitend wordt een poel aangelegd die kan functioneren als voortplantingsgebied voor amfibieën. Er wordt een directe koppeling gemaakt met het moerasgebiedje. Het moerasgebiedje valt periodiek droog waardoor er geen gevaar bestaan dat dit leidt tot het vestigen van vis.

Grond die vrijkomt wordt gebruikt om andere delen van het terrein op te hogen. Vanwege de hoge grondwaterstand biedt dit extra mogelijkheden voor soorten zoals de das om extra mogelijkheden tot vestiging te creëren. In de huidige leefgebieden zie je dat holen alleen in verhogingen in het landschap worden gevonden. Ook biedt dit extra mogelijkheden voor het aanplanten diverse soorten bomen en struiken. Uiteraard worden er alleen inheemse soorten toegepast.

Uitvoering

Het landschapsplan wordt dus nog niet direct volledig gerealiseerd. In eerste instantie wordt ingezet op de transformatie naar Natuur voor het oostelijk gedeelte (en krijgt ook de bestemming Natuur). Dit is schematisch weergegeven in figuur 16. De westelijke kamer behoudt op dit moment de bestemming Agrarisch. Voor de jaren daarna is de ambitie om het inrichtingsplan volledig te realiseren zoals opgenomen in figuur 14.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0016.jpg"

Figuur 16: realisatie landschapsplan in de oostelijke 'kamer' (het gebied aangeduid met "bestemming 'Natuur' fase 2 / fase 3", binnen het rode kader)

Kwaliteitsverbetering landschap: beschrijving oppervlak natuurrealisatie in relatie tot verplichte provinciale compensatie

Reeds een oppervlakte van 3.000 m2 direct ten noorden van het plangebied van fase 2 was al bestemd tot Natuur, maar dit is in 2019 deels in gebruik genomen voor de realisatie van een tweetal bospercelen, in verband met het voldoen van een verplichting van het compenseren van een bomenkap elders in de gemeente. Dit deel kan dus niet meetellen voor de verplichte compensatie voor fase 2.

De verplichte compensatie voor fase 2 vanuit de provinciale vereisten voor kwaliteitsverbetering voor het landschap betreft zoals genoemd 3.850 m2, terwijl de te realiseren natuur circa 10.000 m2 in het eerste deel van de natuurontwikkeling bedraagt - deze omvang betreft het rode kader in figuur 16. Uiteindelijk wordt zelfs ruim 15.000 m2 aan natuur gerealiseerd conform figuur 14. Met de realisatie van dit landschapsplan wordt dus ruimschoots voldaan aan deze vereisten voor fase 2.

Sterker nog, met dit ruime landschapsplan is ook direct de mogelijk benodigde natuurcompensatie van de eventuele toekomstige fase 3 en de invulling van de wijzigingsbevoegdheid uit het plangebied van fase 1 geborgd en aangelegd.

De woningbouw voor fase 3 is op dit moment niet aan de orde, maar zal in de toekomst mogelijk aansluitend aan fase 2 gerealiseerd kunnen worden; en kent een verwachte natuurcompensatie van circa 1.500 - 2.000 m2. De invulling van de wijzigingsbevoegdheid (gelegen aan de oostzijde van fase 1) kent een verwachte compensatieplicht van circa 500 m2.

Gelet op de totale natuuraanleg van 10.000 m2 in de oostelijke kamer wordt dus in ruime mate voldaan aan de vereiste natuurcompensatie van zowel fase 2, fase 3 als de wijzigingsbevoegdheid gelegen in fase 1 (totaal benodigd is namelijk circa 5.850 - 6.350 m2).

Gelet op bovenstaande, wordt voldaan aan de eisen uit artikel 3.9, lid 1 van de Verordening.

Overige eisen Verordening

Op grond van artikel 3.5 van de Verordening, dient een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling te geven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving. Hierbij moet rekening worden gehouden met een zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6), de lagenbenadering (artikel 3.7) en meerwaardecreatie (artikel 3.8). Uit de beschrijvingen onder paragraaf 4.1 (Laddertoets) blijkt dat met dit plan wordt voldaan aan een zorgvuldig ruimtegebruik. Met de gehele toelichting van dit plan, en specifiek de milieuparagraaf, wordt ook aangetoond dat het plan in lijn is met de lagenbenadering.

Via onder andere de georganiseerde omgevingsparticipatie, de mede daaruit voortvloeiende keuzes in het plan ten aanzien van groen, de aanleg van nieuwe langzaamverkeersverbindingen, woningbouwopgave, het voldoende rekening houden met de belangen van omwonenden, en de aanleg van natuur inclusief het toegankelijk maken daarvan, is voorzien in de gevraagde meerwaardecreatie uit artikel 3.8 van de Verordening.

Voor het overige gelden vanuit de Omgevingsverordening geen restricties ten aanzien van natuur, erfgoed, water of milieu.

Gelet op bovenstaande, wordt met dit plan voldaan aan de vereisten uit de Interim Omgevingsverordening.

Omgevingsvisie

Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's. 

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Structuurvisie

In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het 'ruimtelijk motto' van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur.

Ten tijde van de actualisatie van de Structuurvisie behoorde Vinkel nog niet tot de gemeente 's-Hertogenbosch. De algemene uitgangspunten van de visie sluiten echter aan op het planvoornemen.

4.3.2 Stedenbouwkundige visie uitbreiding Vinkel

In 2005 was er voor de kern Vinkel een woningbouwopgave van 133 woningen. De gemeenteraad van de voormalige gemeente Maasdonk heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan Kernen Maasdonk op 14 februari 2006 het college de opdracht gegeven een nader onderzoek met betrekking tot de mogelijkheden in relatie met de ruimtelijke aspecten voor een uitbreiding Vinkel. In dit onderzoek moesten ook de initiatieven van inbreiding en herstructurering, die tijdens de bestemmingsplanprocedure waren ingediend, op hun merites worden onderzocht. Dit heeft geresulteerd in de Stedenbouwkundige Visie uitbreiding Vinkel die op 15 april 2008 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Maasdonk is vastgesteld. De visie geeft een wensbeeld waarin Vinkel zich door middel van inbreiding/herstructurering en uitbreiding verantwoord kan ontwikkelen.

Bij de vaststelling van de visie werd geconcludeerd voor inbreiding en herstructurering de gemeente in Vinkel afhankelijk is van particulieren. Bovendien werd de ruimte binnen de bestaande structuur van Vinkel als te klein beschouwd om stedenbouwkundig verantwoord de totale opgave te kunnen ontwikkelen. Daarom heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Maasdonk op basis van deze visie ook gekozen voor een uitbreiding. Op 22 september 2009 besloot de gemeenteraad uiteindelijk de uitbreiding aan de noordoostzijde van de kern Vinkel (de huidige Vinkelse Slagen) te laten plaatsvinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0017.jpg"

Figuur 17: uitbreidingslocatie 2 in zone De Schil, Stedenbouwkundige visie Vinkel

In de visie wordt ruimte gegeven voor zowel inbreiding als uitbreiding. Uitbreiding is mogelijk in De Schil, oftewel letterlijk in de randen / de schil rondom de bestaande bebouwing van Vinkel. Ook de locatie van de Vinkelse Slagen fase 2 is, weliswaar niet volledig, op de kaart opgenomen als uitbreidingslocatie 2 (zie figuur 17). Van deze locatie 2 wordt aangegeven dat het samen met locatie 1 de meest voor de hand liggende ontwikkellocatie is.

Daarnaast worden hierin richtinggevende uitspraken gedaan voor de woningbouw, zoals alleen grondgebonden woningen, maximaal twee lagen met een kap, een goede overgang naar het landelijk gebied, voorkeur voor een zadeldak en het voorzien in voldoende groen.

Het voorliggend plan sluit vrijwel naadloos aan op al deze aspecten, en is dus in lijn met de stedenbouwkundige visie.

4.3.3 Gebiedsvisie Vinkel Noord

Samen met de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte heeft de voormalige gemeente Maasdonk een gebiedsvisie opgesteld, die een nadere invulling geeft aan de gewenste woningbouwontwikkelingen aan de noord-oostzijde van Vinkel. De Gebiedsvisie Vinkel Noord (Grontmij, 2009) geeft een ruimtelijk kader voor de toekomstige bebouwing voor met name het gebied ten oosten van de Weerscheut. In paragraaf 3.1 Stedenbouwkundige opzet is nader op de uitgangspunten uit deze gebiedsvisie ingegaan.

4.3.4 Woonbeleid

Woonvisie 's-Hertogenbosch

Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Woonvisie 's-Hertogenbosch. Deze is door de gemeenteraad op 9 juni 2020 vastgesteld. Ontspannen en soms ook spannend wonen, in een sterke stad met leefbare buurten en dorpen. Waar inwoners trots zijn op hun woonplaats en iedereen zoveel als mogelijk kan wonen in een woning die aansluit bij hun woonwensen en mogelijkheden. Dat is het doel. Om dit te bereiken zijn er vier opgaven geformuleerd:

  • Passend en betaalbaar wonen voor iedereen
  • Leefbare en inclusieve buurten
  • Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad
  • Strategisch innovatief woonprogramma.

Passend en betaalbaar wonen

Binnen deze opgave gaat extra aandacht uit naar starters en (lage) middeninkomens. We zetten in op het realiseren van divers en passend woningaanbod, met nadruk op de toenemende groep 1 en 2 persoonshuishoudens. Om de voorraad passend te blijven houden, wordt er een flexibele schil gerealiseerd, voor o.a. spoedzoekers. Daarnaast is er aandacht voor het huisvesten van specifieke doelgroepen, waaronder ouderen, mensen met een handicap of psychische kwetsbaarheid, maar ook jongeren, starters en studenten.

Leefbare en inclusieve buurten

De Woonvisie streeft naar eenheid in verscheidenheid. Interventies in nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad versterken de buurt en, zorgen voor een divers aanbod. Daarbij is bijzondere aandacht voor de huisvesting van kwetsbare doelgroepen en het stimuleren van nieuwe woonconcepten en bewonersinitiatieven die bijdragen aan ontmoeting, leefbaarheid en veiligheid.

Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad

De woonvisie heeft een gezonde, duurzame én flexibel inzetbare woningvoorraad als doel. Een woningvoorraad die ook de toekomstige uitdagingen en veranderende woonwensen aan kan. De opgave ligt hierbij zowel in de nieuwbouw als in de bestaande woningvoorraad.

Strategisch innovatief woonprogramma

De gemeenteraad heeft als ambitie uitgesproken om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 – 2030. Daarbij is de ambitie een stedelijke differentiatie over de volgende categorieën:

- minimaal 30% sociale huur

- minimaal 20% middenhuur en goedkope koop

- maximaal 50% dure huur en (middel)dure koop.

Op projectniveau wordt gestreefd wordt naar differentiatie binnen de categorieën. Daarbij is maatwerk in de percentages mogelijk, indien dat bijdraagt aan een leefbare en inclusieve buurt.

Nieuwe woningen kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid en diversiteit van woonmilieus. Dit door het realiseren van (hoog)stedelijke woonmilieus met hoogbouw, compacte woonvormen en (collectieve) voorzieningen. Maar ook door het mogelijk maken van verdichting en verduurzaming van woonbuurten buiten het centrum en in groenstedelijke woonmilieus. In de dorpse woonmilieus worden ook op kleine schaal woningen toegevoegd. We stimuleren projecten die innovatief en vernieuwend zijn, bijvoorbeeld door circulair te bouwen of door toekomstige bewoners te betrekken en zeggenschap te geven. Daarnaast dienen projecten bij te dragen aan de hierboven genoemde opgaven.

In de dorpse woonmilieus, zoals in Vinkel, wordt ingezet op het (op kleine schaal) toevoegen van nieuwe woningen. Daarbij is extra aandacht voor initiatieven die een passend aanbod bieden voor de ouderen of juist starters die in de dorpen willen wonen. Zo ontstaat er ook doorstroming en komt er aanbod voor gezinnen vrij. Het toevoegen van woningen helpt ook bij het behoud van het voorzieningenniveau.

Doorwerking plan

Dit plan biedt ruimte om de komende jaren ca. 60 woningen toe te voegen in Vinkel. In het woningbouwprogramma leggen we de nadruk op het realiseren van betaalbare woningen, en op woningbouw die bijdraagt aan een divers woningaanbod. Daarbij willen we zorgen dat het programma past bij de behoefte en de kenmerken van het dorp, en dat deze ontwikkeling het dorp versterkt. Daarom realiseren we in dit plan minimaal 15% sociale huur, en leggen we extra nadruk op het goedkope koop (of middenhuur) segment: minimaal 25%. Daarnaast maakt het plan diverse woonvormen in diverse prijssegmenten mogelijk, en draagt zo bij aan een betaalbaar en bereikbaar aanbod voor allerlei doelgroepen die in het dorp willen wonen. Zoals bijvoorbeeld gezinnen, maar dus ook starters en lage- en middeninkomens. We stimuleren in dit plan initiatiefnemers om te komen met nieuwe en/of collectieve woonvormen, o.a. in (collectief) particulier opdrachtgeverschap. Dit draagt bij aan een leefbaar en inclusief dorp. Naast dat het bijdraagt aan de woningbehoefte van het dorp Vinkel, draagt het ook bij aan de gemeentelijke woningbouwopgave.

Conclusie

Onderhavig plan draagt bij aan de doelstellingen van het woonbeleid en aan het ontspannen wonen in en sterke stad met leefbare buurten en dorpen. En meer specifiek aan passend en betaalbaar wonen voor iedereen en voldoende woningen met kwaliteit.

4.3.5 Bomen en groen

Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch is door de gemeenteraad op 26 januari 2010 vastgesteld en van kracht per 1 september 2010. In het Bomenbeleidsplan worden de belangrijkste bomen van de stad ingedeeld in drie categorieën: monumentale bomen, structuurbomen en sfeerbomen. Eind 2017 zijn een nieuw bomenbeleidsplan en verordening vastgesteld, maar deze zijn nog niet in werking getreden. Het Bomenbeleidsplan uit 2010 is daarmee nog steeds het geldende beleidskader.

Het groenbeleid is op 12 december 2017 door de gemeenteraad geactualiseerd vastgesteld in het Uitvoeringsplan Groene Delta 2, met bijbehorende Ecologische Stadsvisie. Het doel van de Groene Delta is het ontwikkelen van een hoogwaardige natuurrijke groenstructuur in en rond de stad ’s-Hertogenbosch, die bijdraagt aan een duurzame, (be)leefbare en toekomstbestendige stad.

In paragraaf 3.3 is ingegaan op het aspect bomen en groen voor dit plan.

Hieruit blijkt dat het plan in overeenstemming is met het groenbeleid, het bomenbeleidsplan, en geen monumentale of waardevolle bomen aantast.

4.3.6 Welstand

Op 11 oktober 2016 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch besloten om de Maasdonkse Welstandsnota in 2017 en verdere jaren in afwachting van de implementatie in het kader van de Omgevingswet in stand te houden. Voor Vinkel geldt derhalve nog steeds het welstandsbeleid van de voormalige gemeente Maasdonk, "Welstandsnota gemeente Maasdonk" uit 2004.

Voor een klein deel van het plangebied, alleen voor het deel van De Elzenhof en de gronden direct ten westen daarvan, is welstandsniveau 1 van toepassing. Voor het overgrote deel geldt welstandsniveau 2. Onder dit niveau vallen de gebieden die om een zorgvuldige afstemming vragen van nieuwe bouwkundige ingrepen. Niveau 2 is van toepassing op de meeste coherente woon-, werk- en leefomgevingen. De toekomstige woningbouwplannen voor fase 2 worden aan de geldende criteria getoetst.

Hoofdstuk 5 Milieu, duurzaamheid en waarden

5.1 Inleiding

Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen.

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Geurhinder agrarische bedrijven

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Met betrekking tot het plangebied is uitsluitend geurhinder uit de agrarische sector aan de orde.

Het geurbeleid voor bedrijven in de agrarische sector is bepaald in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij. In deze wet worden normen gesteld voor de geurbelasting die een veehouderij (het dierenverblijf, niet de opslag van bijproducten e.d.) mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Deze belasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel. Dit geldt echter alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder emissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

In de geurverordening 2011 Maasdonk is het betreffende gebied een gebied waarvoor aangepaste waarden zijn gesteld als in artikel 9 van de verordening is bedoeld. De inzet komt uit de geurverordening gemeente Maasdonk 2011. De wettelijke afstand van 100 meter tot bebouwde kom is daarmee gehalveerd tot 50 meter tot (toekomstige) bebouwde kom. De geurverordening Maasdonk 2011 is met een verlengingsbesluit van gemeente 's-Hertogenbosch d.d. 13 december 2016, gepubliceerd gemeenteblad d.d. 13 januari 2017 door gemeente 's-Hertogenbosch overgenomen.

Op basis van de geurverordening kan worden geconcludeerd dat ter plaatse de geurnorm van 6,5 ouE/m³ geldt. In afwijking van de waarde (de afstand), genoemd in de Wet geurhinder (Wgv) voor een geurgevoelig object (zoals een woning) gelegen binnen de bebouwde kom, is hier de afstand van 50 meter van toepassing.

Bij het opstellen van het verkavelingsplan is rekening gehouden met de aan te houden afstand tot agrarische bedrijven. In de nabijheid van het plangebied is op één locatie een agrarisch bedrijf gevestigd waarvan de geurcontour echter niet tot het plangebied reikt. Het betreft het bedrijf aan de Weerscheut 49. Zolang het betreffende bedrijf ter plaatse actief blijft en de geurcontour intact is, mogen binnen de geurcontour geen nieuwe woningen geprojecteerd worden. Het gebied waar een deel van deze geurcontour in valt, is in de toekomst mogelijk wenselijk voor woningbouw, maar is bij dit plan niet in het plangebied opgenomen en blijft in agrarisch gebruik.

In de nabijheid van het plangebied is op Weerscheut 16 eveneens nog een agrarisch bedrijf gevestigd. Voor dit bedrijf is geen geurcontour berekend. Het bedrijf is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied. Het aspect geur vormt daardoor geen belemmering voor het planvoornemen.

Conclusie

Het planvoornemen voldoet aan de aan te houden afstanden vanaf de bedrijven/instellingen tot de dichtstbijzijnde woningen. Dit levert dan ook geen belemmering op voor de woningbouwontwikkeling.

5.3 Geluid

Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. Deze wet heeft betrekking op geluid dat veroorzaakt wordt door gezoneerde wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van voorgenoemde geluidsbronnen.

Ten westen van de locatie is de Weerscheut gelegen. Deze weg heeft ter hoogte van het plan een wettelijk toegestane rijsnelheid van 60 km/uur. Voor deze weg is op grond van de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek uitgevoerd omdat de woningen binnen de onderzoekszone van deze weg zijn gelegen (bijlage 2, Akoestisch onderzoek Vinkelse Slagen 2e fase, Kuiper Compagnons, d.d. 31 maart 2020).

Alle overige (nieuw aan te leggen) buurtontsluitingswegen zijn of worden ingericht en in gebruik als 30 km/uur -weg. Voor het verkeer op deze wegen is op grond van een goede ruimtelijke ordening tevens een onderzoek uitgevoerd.

Uit het onderzoek blijkt dat de maximaal berekende geluidsbelasting 43 dB bedraagt, zodat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Cumulatie van geluid, een hogere waardenprocedure en de toetsing aan het gemeentelijke beleid is dan ook niet aan de orde.

Geconcludeerd wordt dat geluid niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

5.4 Externe veiligheid

Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. De risico's voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft een Beleidskader externe veiligheid opgesteld.

Het beleidskader richt zich op het beheersen van externe veiligheidsrisico's. Dit zijn risico's die ontstaan bij het gebruik, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen waarbij slachtoffers kunnen vallen buiten de risicobron (inrichting, transportader), voor zover deze in termen als plaatsgebonden risico's en groepsrisico kunnen worden uitgedrukt.

Voor de omgeving van de Vinkelse Slagen fase 2 zijn de risicobronnen in kaart gebracht. Hieruit is op te maken dat het plangebied ruim buiten de invloedsgebieden is gelegen van LPG en propaantanken. Ook de gasleiding ten noordoosten van het plangebied en de transportroute gevaarlijke stoffen (weg, spoor en water) zijn op voldoende afstand gelegen. Deze bronnen hebben dan ook geen invloed op het planvoornemen.

Bij de nadere uitwerking dienen conform het advies van de Veiligheidsregio de Beleidsregels bereikbaarheid en bluswater als uitgangspunt te worden genomen. Conform het advies dient bij de uitwerking specifiek rekening te worden gehouden met het voorzien in voldoende bluswatervoorzieningen en twee specifieke aandachtspunten: de aanwezigheid van doodlopende einden en de dimensionering van enkele wegen.

5.5 Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 vormt het aspect luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer de basis voor de besluitvorming in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Op basis van deze Wet luchtkwaliteit gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn middels grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigingscomponenten.

Projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven op grond van het 'Besluit niet in betekenende mate (NIBM)' niet te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de Regeling niet in betekenende mate zijn bijdragen (luchtkwaliteitseisen) categorieën van gevallen aangewezen die per definitie niet in betekenende mate bijdragen. Voor deze categorieën van gevallen hoeft geen onderzoek plaats te vinden of hoeft niet aannemelijk gemaakt te worden dat ze niet in betekenende mate bijdragen. Eén van deze categorieën betreft de bouw van 1.500 woningen, waarbij is uitgegaan van een verkeersgeneratie van ten minste 7.500 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

In fase 2 is sprake van circa 60 woningen. De verkeersaantrekkende werking van het woningbouwplan Vinkelse Slagen fase 2 ligt daardoor ruim beneden deze 7.500 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het project is daarmee aan te merken als Niet in betekende mate (NIBM). Ook uitgaande van het 3% criterium (toename maximaal 3% van het jaargemiddelde NO2 en PM10) is binnen het plangebied geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Derhalve hoeft voor het planvoornemen geen onderzoek inzake luchtkwaliteit te worden uitgevoerd.

5.6 Bodem

Inleiding

Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden.

Onderzoek

Twee bodemonderzoeken zijn uitgevoerd die betrekking hebben op de bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van het gebied Vinkelse Slagen 2e fase in Vinkel. De resultaten van de onderzoeken zijn in de volgende rapportages opgenomen: Verkennend Bodemonderzoek Weerscheut 22 te Vinkel, Antea group, d.d. 17 april 2020 (bijlage 3) en Actualiserend bodemonderzoek Vinkelse Slagen, Vinkel, Sweco, d.d. 2 april 2019 (bijlage 4).

De locatie ligt nabij de Weerscheut 22 te Vinkel. Het gaat om het onbebouwde landbouwperceel en een erflocatie met bebouwing. Het onbebouwde gedeelte is in gebruik (geweest) als wei- en/of akkerland. Op de erflocatie staat een boerderij met diverse opstallen.

De gehele onderzoekslocatie is onderverdeeld in 6 deelgebieden:

  • a. Erflocatie;
  • b. Erflocatie met bovengrondse tank;
  • c. Erflocatie bestrijdingsmiddelen opslag;
  • d. Onbebouwde landbouwperceel;
  • e. Planlocatie PFAS;
  • f. Grondwater.

Erflocatie

Op een gedeelte tussen de woning en een opstal zijn in de bovengrond meer dan 50% bodemvreemde bijmenging aangetroffen. In de zintuiglijk schone bovengrond op het noordoostelijk gedeelte van de deellocatie zijn PCB en lood licht verhoogd aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaardes. In de met sporen en resten baksteen verontreinigde bovengrond op het zuidwestelijk gedeelte van de deellocatie is lood licht verhoogd aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaardes. Zintuigelijk en analytisch is hier geen asbest aangetoond. De overige onderzochte parameters zijn nergens in de bovengrond verhoogd aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaardes. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan onderzochte parameters aangetoond.

Erflocatie met bovengrondse tank

In de met brokken baksteen en beton verontreinigde bovengrond zijn PCB en lood licht verhoogd aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaardes. Zintuigelijk en analytisch is hier geen asbest aangetoond. De overige onderzochte parameters zijn nergens in de bovengrond verhoogd aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaardes.

Erflocatie bestrijdingsmiddelen opslag

In de met brokken baksteen, beton, sporen puin en sporen plastic verontreinigde bovengrond zijn PCB, lood en zink licht verhoogd aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaardes. Zintuigelijk en analytisch is hier geen asbest aangetoond. De overige onderzochte parameters zijn nergens in de bovengrond verhoogd aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaardes.

Onbebouwde landbouwperceel

In de zintuiglijk schone boven -en ondergrond van het landbouwperceel, zijn geen van de onderzochte parameters verhoogd aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaardes.

Planlocatie PFAS

In een mengmonster van de bovengrond van de erflocatie overschrijd het PFOS-gehalte de toepassingsnorm voor landbouw/natuur. De overige mengmonsters van de planlocatie voldoen aan de toepassingsnorm voor landbouw/natuur.

Grondwater

In het grondwater van het onbebouwde landbouwperceel zijn plaatselijk koper, barium en cadmium licht verhoogd aangetroffen ten opzichte van de streefwaarden. De overige onderzochte parameters zijn nergens in de ondergrond verhoogd aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaardes. Op de erflocatie zijn geen van de onderzochte parameters verhoogd aangetroffen ten opzichte van de streefwaarden.

Conclusie

Op basis van de onderzoekresultaten bestaat er geen aanleiding voor het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek en bestaan er geen beperkingen voor de geplande bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling. Wel zal rekening moeten worden gehouden met de aangetroffen bodemvreemde materialen. Bij de afvoer van grond van de erflocatie zal rekening moeten worden gehouden met het verhoogde PFAS –gehalte.

Als bij de graafwerkzaamheden grond vrijkomt en deze grond van de locatie wordt afgevoerd, dan zijn de regels van het Besluit en bodemkwaliteit van toepassing. Het is dan noodzakelijk voorafgaand de kwaliteit van de vrijkomende grond te onderzoeken. Dit is onder andere vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Nota Bodembeheer 2019-2024 van de Omgevingsdienst Brabant Noord. In overleg kan worden beoordeeld of de resultaten van dit uitgevoerde bodemonderzoek voldoende zijn voor het hergebruik van de grond op een andere locatie.

Ook moet er rekening worden gehouden met het “tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”. Dit tijdelijk handelingskader van 8 juli 2018 voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, is op 28 november 2019 geactualiseerd. Hierin staan onder voorlopige regels voor het hergebruiken van PFAS-houdende grond beschreven. De PFAS-problematiek is met name relevant voor grondverzet. Bij onderzoek in situaties waar grondverzet gaat plaatsvinden zal daarom ook altijd op PFAS onderzocht moeten worden.

5.7 Water

In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting van dit bestemmingsplan.

Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer

De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in het Waterplan 2016. Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren; ook is hierin het hemelwaterbeleid vastgelegd. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater 2017. De uitgangspunten voor hemelwaterberging zijn sinds de eerste fase van het plan dus gewijzigd.

De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast is met de komst van de Waterwet het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties (op een aantal onder de provinciaal bevoegdheid vallende categorieën na; zie art. 6.4 Waterwet.

De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:

  • Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater;
  • Voorkomen van vervuiling van water;
  • Schoon hemelwater verwerken volgens de voorkeursvolgorde:
    • a. Hergebruik
    • b. infiltratie/bergen
    • c. afvoer;
  • Hydrologisch neutraal ontwikkelen, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat:
      • De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie;
      • De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;
      • Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties;
      • (Grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied;
      • Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

Daarnaast zien we water als kans voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water.

Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem.

Huidige situatie

Situatie en bebouwing

Het plangebied is momenteel onbebouwd en agrarisch in gebruik, als weiland en akkerland. In het noorden van het plangebied is een voormalige agrarische bedrijfswoning aanwezig (Elzenhof), die al een woonbestemming heeft. Het plangebied sluit aan op de kern Vinkel.

Oppervlaktewater

Langs de Weerscheut ligt een watergang. Deze watergang is eigendom van Waterschap Aa en Maas en het betreft een leggerwatergang (categorie b) zoals opgenomen in de Legger oppervlaktewateren. In de Keur van het Waterschap is bepaald dat er aan beide zijden van de watergang een obstakelvrije zone van 5 meter moet worden aangehouden. Veelal is voor ingrepen in en bij de watergang een watervergunning van het waterschap benodigd.

Hemelwater

Hemelwater dat op het terrein valt, infiltreert in de onverharde bodem. In de eerste fase van plangebied De Vinkelse slagen wordt het hemelwater deels geïnfiltreerd; het overtollig hemelwater stroomt oppervlakkig via de wegen af naar de aangelegde infiltratiezone aan de noordkant.

Afvalwater

In de Weerscheut en de Jeroen Boschstraat ligt een gemengd rioolstelsel. In de eerste fase van de Vinkelse Slagen is een vuilwaterriool aangelegd; hier mag geen hemelwater op worden afgevoerd.

Maaiveldhoogte en grondwaterstanden

De maaiveldhoogte varieert tussen de 5,50 en 5,75 m +NAP. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) is geschat op NAP +5,0 m in het westen en noorden tot NAP +5,2 m in het zuidoosten. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt dieper dan NAP +4,5 m.

Toekomstige situatie en waterbergingsopgave

Het watersysteem voor de verwerking van hemelwater in de 1e fase wordt uitgebreid voor de verwerking van hemelwater van de fase 2 en (toekomstige fase) 3 van de Vinkelse slagen.

Uitgangspunten berekening waterbergingsopgave:

      • Oppervlakte van de plandelen waarin verharding plaatsvindt (wonen, wegen van fase 1 t/m 3) is circa 8 ha
      • Totaal oppervlak aan verharding fase 1 t/m 3 (met verhardingspercentage voor wonen en wegen 100%, voor tuinen circa 50%): 5,5 ha
      • Waterbergingsopgave fases 1 t/m 3: circa 55.500 m2 * 60 mm: circa 3.330 m3.

In de reeds aangelegde infiltratiezone voor fase 1 (ten noorden van fase 1), bedraagt de waterberging 2.075 m3. De resterende waterbergingsopgave voor fases 2 en 3 bedraagt daarmee 1.255 m3.

NB Bij deze berekening is nog geen rekening gehouden met de mogelijkheid voor de wijzigingsbevoegdheid voor 5 woningen aan de oostzijde van fase 1.

Ontwerp nieuwe watersysteem

Binnen fase 2 en 3 worden diverse zaksloten en greppels gerealiseerd. In figuur 18 zijn deze locaties weergegeven. Met deze locaties wordt een totale waterberging van circa 1.297 m³ gerealiseerd voor fases 2 en 3 (zie tabel 1), wat het totale waterbergingsoppervlak op 3.372 m³ brengt voor fases 1 t/m 3 (vereist: 3.330 m³).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0018.jpg"

Figuur 18: Overzicht waterbergingslocaties in plangebied 

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0019.png"

Tabel 1: waterberging in fase 2 en 3 per bergingslocatie

Om nog extra waterberging te creëren wordt in het nieuwe natuurgebied aan de noordzijde van de woonwijk een waterplas gerealiseerd, waar extra berging gevonden kan worden. Dit is weergegeven in figuur 19. Er wordt een plas gerealiseerd met een inhoud van 1.500 m³. Dit betekent dat er een totaal aan berging is van (3.372 + 1.500 =) 4.872 m³, wat een relatieve berging inhoudt van 87,8 mm, en wat aanzienlijk meer is dan het minimaal vereiste (3.330 m³). Hiermee is ook de eventuele benodigde waterberging voor een toekomstige toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit fase 1 voor 5 woningen reeds gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002449-1401_0020.jpg"

Figuur 19: Realisatie waterplas in nieuwe natuurontwikkeling ten noorden van de woonwijk 

In het plangebied zal het afstromende hemelwater van daken en verharding oppervlakkig worden afgevoerd en lokaal worden geïnfiltreerd. In het plangebied wordt geen regenwaterriool aangelegd. Het regenwater wordt via de weg afgevoerd en geïnfiltreerd in nieuw aan te brengen infiltratiezones in en rondom de woningbouw van de 2e fase. Ook wordt deze afwatering met een zaksloot ten noorden van de woningbouw gekoppeld aan de bestaande infiltratiezone ten noorden van de 1e fase Vinkelse Slagen.

De nieuw aan te brengen infiltratiezones in de 2e fase zijn vergunningsplichtig op basis van de Keur, gelet op de toename van het verhard oppervlak (> 1 ha.).  

De voorzieningen voor infiltratie van hemelwater liggen in het openbare gebied. De gemeente is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud hiervan.

Afvalwater en riolering

In fase 1 is een rioolgemaal aangebracht waarop ook het vuilwater van fase 2 zal worden aangesloten. Op het vuilwaterriool kan geen hemelwater worden aangesloten.

Maaiveldhoogte en grondwater

Het plangebied zal op de zelfde hoogte (6,0 m NAP) worden gebracht als de 1e fase van de Vinkelse Slagen en bedraagt de ontwateringsdiepte 0,8 m.

Waterkwaliteit 

In verband met infiltratie van hemelwater dient rekening gehouden te worden met o.a. het volgende: het is verboden uitlogende materialen, zoals lood, koper en zink, toe te passen aan de buitenzijde om vervuiling van het grondwater en oppervlaktewater te vermijden. Tevens is om deze reden autowassen op straat niet toegestaan.

Conclusie

In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied voor fase 2 en 3 van de Vinkelse Slagen bepaald en ingevuld met passende inrichting.

Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.

5.8 Duurzaamheid

Algemeen

Alles wat te maken heeft met maatschappelijk verantwoord leven, milieu, ecologie en toekomstgericht denken wordt onder duurzaamheid geschaard. Kortom, duurzaamheid kijkt naar de huidige behoefte die de mensen op de aarde hebben en hoe dit in de toekomst ontwikkeld kan worden zonder dat de mensen, het milieu of de economie in gevaar komt.

Duurzaamheid gaat dan ook veelal over de schaarste van hulpbronnen waarmee welvaart wordt voortgebracht, zowel nu als in de toekomst. De oppervlakte van de aarde is immers eindig, grondstoffen kunnen op raken en de opnamecapaciteit van de atmosfeer en onze natuurlijke omgeving kent haar grenzen.

Bij duurzame ontwikkeling is sprake van een ideaal evenwicht tussen ecologische, economische en sociale belangen. Alle ontwikkelingen die op technologisch, economisch, ecologisch, politiek of sociaal vlak bijdragen aan een gezonde aarde met welvarende bewoners en goed functionerende ecosystemen zijn derhalve duurzaam.

Energie

Klimaatakkoord en energietransitie

De klimaatverandering vraagt om maatregelen. Het klimaatakkoord in Parijs wordt vertaald naar landelijk en lokaal niveau. De gemeente 's-Hertogenbosch wil klimaatneutraal zijn in 2050; de gebouwde omgeving moet dat zelfs al in 2035 zijn. Voor de komende jaren werken we op basis van het Energietransitieprogramma. Als we snelheid willen maken vraagt dit om een (radicaal) andere manier van denken en werken.

Energietransitie bij nieuwbouw

Vanaf 1 januari 2021 geldt voor nieuwe woningen een nieuwe minimale norm: BENG (Bijna EnergieNeutrale Gebouwen). De woningen in de Vinkelse Slagen fase 2 dienen tenminste BENG en gasloos te worden gebouwd.

Materialen

  • Voor de woningen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van herbruikbare, natuurlijke en niet uitloogbare materialen. Bevordering van de toepassing van duurzame materialen;
  • Ter voorkoming van roofbouw en illegale kap en om duurzaam bosbeheer te waarborgen wordt uitsluitend (hard)hout uit duurzaam beheerde bossen toegepast. Dit wordt gewaarborgd met een FSC-certificaat danwel met het Keurhout-duurzaam-keurmerk.

Openbare ruimte

Algemeen uitgangspunt is intensief ruimtegebruik. Het waarborgen van de kwaliteit van de leefomgeving is daarom een belangrijke en duurzame opgave. Van ontwerp, aanleg, inrichting tot beheer wordt de stedelijke ontwikkeling steeds duurzamer vormgegeven. Op termijn wil 's-Hertogenbosch klimaatneutraal worden waarvoor bij een grootschalige herstructurering goede kansen bestaan.

De woningen worden gesitueerd aan nieuwe groene 'slagen'; ook is een ambitieus inrichtingsplan opgesteld voor de realisatie van het natuurgebied ten noorden van de nieuwe woonwijk. Met deze groene zones, in combinatie met de ruimte voor waterberging in het plan, richten wij het gebied klimaatadaptief in.

Aan materialen van de openbare ruimte worden vanuit milieu eisen gesteld. Dit betekent dat niet-uitlogende materialen en zoveel als mogelijk duurzame bouwmaterialen worden toegepast. Bovendien geldt voor de publieke ruimte dat het ontwerp van ieder “werk”, de inrichting en het beheer van onder andere het groen zal voldoen aan eisen van “duurzaamheid”.

5.9 Ecologie

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

  • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
  • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
  • andere soorten (artikel 3.10).


Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.


Onderzoek stikstof

De stikstofdepositie is berekend in de rapportage Stikstofdepostitieonderzoek Vinkelse Slagen 2e fase te Vinkel (bijlage 5), De Roever omgevingsadviseurs, d.d. 12 mei 2020. Hierbij is onderscheid gemaakt in de aanleg- en gebruiksfase. De belangrijkste bevindingen hiervan zijn onderstaand opgenomen.

Aanlegfase

Bij de nieuwbouw van de woningen wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Deze zorgen voor een emissie van stikstof. Uit de berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. Hierbij is uitgegaan van een worst-case benadering.

Gebruiksfase

De nieuwe gebouwen worden gasloos gerealiseerd en zorgen dan ook niet voor een emissie van stikstof. De toename aan verkeersbewegingen die met de gebruiksfase samenhangen is berekend. Uit de berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn.

Uit de berekeningen blijkt de realisatie hiervan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitat- en leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. De Wet natuurbescherming vormt dan ook geen belemmering.

Conclusie

In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanleg- en gebruiksfase van het plan aan Vinkelse Slagen te Vinkel de te verwachte stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar.

Er kan, uitgaande van de ingevoerde gegevens, gesteld worden dat het project geen nadelig effect heeft op Natura-2000 gebieden, op het gebied van stikstof. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor het project.

Onderzoek flora en faunawaarden plangebied

Om te inventariseren in hoeverre in het plangebied beschermde soorten in het kader van flora en fauna aanwezig (Wet Natuurbescherming), is een quick scan naar flora en fauna uitgevoerd (bijlage 6, Orienterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Vinkelse Slagen Fase 2, Blom Ecologie B.V., d.d. 21 oktober 2019).

Hieronder de belangrijkste conclusies:

(a) Soortenbescherming

De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

(b) Gebiedsbescherming

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Brabant.

Ten aanzien van mogelijke stikstofdepositie als gevolg van dit plan, zie de paragraaf 'Onderzoek stikstof'.

Uitvoerbaarheid

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen conform de Algemene zorgplicht te worden getroffen om effecten te voorkomen.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Weerscheut, Vinkelse Slagen en Kraaienbos te Vinkel uitvoerbaar is.

Gezien het ontbreken van beschermde soorten hoeft er geen aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd.

5.10 Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.

Onderzoek en conclusie

Er is vanwege de verwachtingen een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 7, Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek, Plangebied Vinkelse Slagen fase 2, te Vinkel, RAAP, d.d. 22 november 2019).

Conclusie hieruit was dat de archeologische sporen niet zijn uit te sluiten en kunnen worden bedreigd door bouwplannen (voor het gebied ten westen van de sloot).

Naar aanleiding daarvan is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd naar mogelijke archeologische waarden in het plangebied, waarvan de eerste resultaten als bijlage zijn opgenomen (zie bijlage 8, Eerste resultaten proefsleuvenonderzoek onderzoeksgebied Vinkelse Slagen in Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch, RAAP, d.d. 14 oktober 2020). Hieruit is gebleken dat er geen archeologisch te behouden waarden in de woonwijk zelf zijn te verwachten. Het onderzoek zag niet op het nieuw te realiseren natuurgebied aan de noordzijde. Daarom is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 verwijderd van het gebied van de nieuwe woonwijk, maar gehandhaafd voor het noordelijk deel.

5.11 Vormvrije m.e.r. - beoordeling

Wet -en regelgeving

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Met ingang van 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen (zie onderstaand). Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft niet gepubliceerd te worden.

Aanmelding en besluit

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2).

Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien het een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare betreft, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van circa 60 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat geen m.e.r. nodig is, maar wel een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' van toepassing is. Deze is hieronder opgenomen.

Het project betreft de realisatie van een nieuwe woonwijk met circa 60 woningen. Het betreft een ruimtelijke ontwikkeling die wat betreft hinder op de omgeving beperkt is. Het project wordt gerealiseerd aan de rand van een bestaande woonwijk. Uit de milieuparagraaf van dit bestemmingsplan blijkt dat de ruimtelijke ontwikkeling geen significante milieubelemmeringen oplevert. Tegelijkertijd wordt geinvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap direct aangrenzend aan de nieuwe woonwijk.

Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Dit blijkt tevens uit de milieuparagraaf (Hoofdstuk 5) van dit bestemmingsplan. Het bevoegd gezag besluit derhalve dat geen milieueffectrapportage hoeft te worden gemaakt.

5.12 Gezondheid

Gezondheid wordt ook steeds nadrukkelijker meegewogen. Het plangebied ligt binnen een afstand van 2 km van een geitenhouderij. Uit landelijk onderzoek blijkt dat er binnen 2 km van geitenhouderijen iets meer longontsteking voorkomt dan daarbuiten (200 van de 1650 gevallen van longontsteking op de 100.000 inwoners per jaar worden toegeschreven aan een geitenhouderij op minder dan 2 kilometer). De GGD-Brabant heeft hierover in een advies haar zorgen geuit en mede daarom heeft de provincie sinds juli 2017 uit voorzorg, tot meer bekend is, een bouwstop voor geitenhouderijen afgekondigd. Omgekeerd zou dit kunnen betekenen dat nieuwe ontwikkelingen binnen 2 km van een geitenhouderij deze risico's niet ten goede komen. Naast de verhoogde gezondheidsrisico's kan een geitenhouder zich ook benadeeld voelen bij ontwikkelingen binnen 2 km van zijn geitenhouderij. Op dit moment zijn er geen wettelijke normen of landelijke richtlijnen voor deze problematiek. Het is een aspect waarnaar nader onderzoek wordt verricht. Meer duidelijkheid over mogelijke maatregelen aan de bron wordt pas over 1 à 2 jaar verwacht. Over de huidige stand van zaken zullen wij toekomstige initiatiefnemers informeren. Zij worden hiervan door ons in kennis gesteld en gevraagd het procesrisico te aanvaarden.

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke bestemmingen. Het bestemmingsplan 'Vinkelse Slagen fase 2' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken binnen het plangebied. Het bestemmingsplan maakt het gebruik en de bouw van circa 60 grondgebonden woningen, groen, wegen, landbouw, natuur en water mogelijk. De toekomstige bouwplannen dienen te passen binnen de mogelijkheden van dit bestemmingsplan.

Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de gemeentelijke bestemmingsplannen, meer in het bijzonder bij het plangebied deels ter plaatse geldende en aangrenzend geldende bestemmingsplan 'Vinkelse Slagen'. Onder paragraaf 6.2 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan.

6.2 Opzet van de regels

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is zoveel mogelijk vastgehouden aan de rechten en plichten die ook het moederplan Vinkelse Slagen aanwezig zijn. Voor de uniformiteit met het Bossche beleid en omwille van de duidelijkheid zijn een aantal zaken in de regels aangepast.

6.2.1 Inleidende bepalingen

De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels.

6.2.2 Bestemmingsbepalingen

Agrarisch

Een groot deel van de gronden ten noorden van de woningbouwontwikkeling hebben momenteel de bestemming Agrarisch met tevens de mogelijkheid om de bestemming te kunnen wijzigen naar Natuur. Zoals beschreven in paragraaf 4.2, is voor dit gebied een inrichtingsplan opgesteld om hier een natuurgebied met kleinschalige landbouw te realiseren. Het deel van de gronden voor kleinschalige landbouw (de westelijke kamer) behoudt de bestemming Agrarisch en ook de huidige mogelijkheid voor een wijzigingsplan (naar Natuur).

De overige gronden met bestemming Agrarisch worden met het voorliggende plan aangepast naar de bestemming Natuur, teneinde deze in te kunnen zetten ten behoeve van de noodzakelijke kwaliteitsverbetering voor natuur en landschap.

Groen

Binnen deze bestemming zijn in hoofdzaak groen en groenvoorzieningen, alsmede water en watervoorzieningen toegestaan. Er is een specifieke aanduiding 'specifieke vorm van groen - groenzone' in de nieuwe groenzone aan de zuidzijde opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding zijn minder functies en bouwmogelijkheden toegestaan dan in het overig deel van de bestemming Groen.

Natuur

Zoals beschreven bij het kopje Agrarisch, vindt aan de noordzijde van de nieuwe woonwijk natuurontwikkeling plaats, in het kader van de noodzakelijke kwaliteitsverbetering van het landschap als gevolg van de woningbouwontwikkeling. De gronden waarop deze natuurontwikkeling gaat plaatsvinden zijn onder de bestemming Natuur gebracht.

Verkeer - Verblijfsgebied

Deze gronden zijn primair bestemd voor voorzieningen van verkeer en verblijf. Wegen, parkeerplaatsen, fiets- en voetpaden, groen en bouwwerken ten behoeve van de bestemming mogen binnen deze bestemming worden gerealiseerd.

Water

De watergang aan de zuidzijde van het plangebied, aangrenzend aan de woonbebouwing van de Jeroen Boschstraat, en de watergang aan de oostzijde, zijn specifiek bestemd om de realisatie en instandhouding van deze watergangen zeker te stellen.

Wonen - 1 en 2

De woonbestemmingen in het plangebied maken de gewenste woningbouw mogelijk. Dit is gedifferentieerd naar twee bestemmingen, omdat op de verbeelding één bouwblok anders vormgegeven is dan de andere bouwblokken. Dit bouwblok met bestemming Wonen - 2 kent namelijk een groot bouwvlak, terwijl de Wonen - 1 bestemmingen beperktere bouwvlakken kennen, waardoor het duidelijker is waar de bebouwing zal komen. In Wonen - 2 is dit globaler, waardoor in de regels voor deze bestemming een aantal specifieke regels ten aanzien van de maximale bouwdiepte -en breedte van de woningen zijn opgenomen. Daarnaast is in deze bestemming niet opgenomen dat de regels voor de erfbebouwing binnen het bouwvlak gelijk zijn aan de bouwregels voor hoofdbebouwing. Anders zou de erfbebouwing over het hele gebied ook 11 meter hoog kunnen worden.

Voor het overige zijn de regels van Wonen - 2 overwegend gelijk aan Wonen - 1. Dit houdt in dat alleen grondgebonden woningen zijn toegestaan, met woonblokken met een maximale goot -en bouwhoogte van 4,5 en 8,5 meter, en woonblokken met een maximale goot - en bouwhoogte van 6 en 11 meter. Op een aantal bouwblokken is daarnaast specifiek geregeld dat daar uitsluitend vrijstaande woningen en twee-aaneen-woningen zijn toegestaan. Verder is ook per bouwvlak een maximaal aantal woningen opgenomen. Daarnaast zijn de maximale oppervlakten voor erfbebouwingen en de afwijkingsmogelijkheden van de bouwregels conform de gebruikelijke Bossche standaarden opgenomen.

Tot slot is voor een bouwvlak in het noordelijk deel van het plangebied ook een aanduiding 'maatschappelijk' opgenomen.

Waarde - Archeologie 2

Het bestemmingsplan heeft een regeling ter bescherming van de mogelijke archeologische waarden voor wat betreft het gebied ten noorden van de nieuwe woonwijk, middels een dubbelbestemming. Er worden hierin eisen gesteld aan het uitvoeren van werkzaamheden en onderzoek als het gaat om werkzaamheden onder maaiveld, afhankelijk van de oppervlaktemaat en/of diepte van de bodemingrepen.

6.2.3 Algemene regels

In de algemene bepalingen komen de anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels aan de orde.

Specifiek zijn bij de Algemene gebruiksregels, regels over parkeren en de landschappelijke inpassing opgenomen. In artikel 13.2 zijn regels gesteld over het voldoen aan de parkeernormeringen conform de Nota Parkeernormeringen 2016 of diens opvolger. Deze bepalingen gelden voor het gehele bestemmingsplan.

In artikel 13.3 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de noodzakelijke kwaliteitsverbetering landschap. Hierin is een koppeling opgenomen met een bijlage bij de regels, waarin het inrichingsplan is opgenomen.

Daarnaast is op de verbeelding ter plaatse van de nieuwe ontsluiting nabij de Weerscheut de 'milieuzone - geurzone' opgenomen. De regels hiervoor zijn beschreven in de Algemene aanduidingsregels (artikel 14.1).

6.2.4 Overgang -en slotbepalingen

In deze paragraaf zijn tot slot de overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 Wro verplicht de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval zijn alle gronden binnen het plangebied in eigendom van de gemeente. De onderbouwing voor de financieel economische uitvoerbaarheid van het plan is vastgelegd in de gemeentelijke grondexploitatie. De gemeente maakt de gronden bouw- en woonrijp en de woningbouwkavels worden verkocht aan particulieren/ontwikkelaars/corporaties. Kostenverhaal is daarmee anderszins verzekerd.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Verslag omgevingsdialoog

De omgeving is vanaf het begin van het proces direct betrokken geweest bij de opzet van de planvorming. Aan de hand van twee bewonersavonden konden belangstellenden, maar in het bijzonder omwonenden, hun input op het plan leveren. In bijlage 9 is een korte impressie van de avonden bijgevoegd. Hieronder een korte samenvatting van de hoofdlijnen van dit proces.

Ten behoeve van de eerste avond (juni 2019) was er nog geen plan opgesteld, er was alleen het overkoepelend kader van de opdracht voor een woonwijk. Aan de aanwezigen werd de vraag gesteld: wat vindt u belangrijk voor deze nieuwe uitbreidingslocatie? Met welke aspecten moeten we rekening houden, wat voor woningen moeten hier komen en wat zou u graag verwerkt zien in dit plan? De avond had een goede opkomst (circa 35-40 deelnemers) en werd positief ontvangen. Zaken die vaak genoemd werden, waren de wens tot een verkeersontsluiting naar de Weerscheut (maar niet in een rechte lijn), goede mix van woningen, groene overgang naar bestaande woningen aan de zuidzijde, en voldoende fiets –en voetpaden en groen in de wijk. Zie hiervoor ook paragraaf 3.1, kopje Randvoorwaarden. Op basis daarvan is de gemeente, als eigenaar van de gronden, aan de slag gegaan met het opstellen van een globale stedenbouwkundige opzet. Deze eerste planvoorstellen zijn vervolgens gepresenteerd op een tweede avond in het najaar van 2019. Het concept stedenbouwkundig plan werd door de aanwezigen, met nog iets grotere getalen dan de eerste avond, goed en met overwegend enthousiasme ontvangen. Er zijn op de avond vragen gesteld over de overgang naar de bestaande woningen aan de zuidzijde (zie onder). Daarnaast zijn een aantal vragen en opmerkingen gemaakt over de nadere uitwerking van de plannen. Met deze aandachtspunten, is de gemeente begonnen met het opstellen van voorliggend bestemmingsplan.

Als onderdeel daarvan, is specifieke afstemming gezocht met de bewoners van de Jeroen Boschstraat, in verband met de inrichting van de nieuwe groenzone inclusief watergang tussen de nieuwe woonwijk (de 2e fase) en hun bestaande woningen. Aan de bewoners is een voorstel voorgelegd voor een principeprofiel van de groenzone, alsmede voor het verschuiven van de huidige watergang die grenst aan hun achtertuinen, met 1 meter naar de noordzijde. Deze watergang wordt dan onderdeel van de nieuwe groenzone. Door deze verschuiving, krijgen de bewoners gemiddeld 1 meter extra tuin om te benutten, omdat deze gronden reeds in hun eigendom zijn (en nu dus in gebruik zijn als watergang). In het gemeentelijke inrichtingsvoorstel zijn belangrijke uitgangspunten:

- een zo goed mogelijke zachte overgang te creëren naar de huidige bewoners, door zowel lagere maximale bouwhoogten van de nieuwe woningen toe te staan en een brede groenzone te realiseren

- het in overeenstemming brengen van de feitelijke situatie met de kadastrale situatie (eigendom bewoners is nu deels watergang)

De reacties op het gemeentelijk voorstel waren niet eenduidig. Naast enkele positieve reacties, heeft daarnaast een aantal omwonenden hun bedenkingen gegeven. Die bedenkingen zien zowel op het woningbouwplan an sich (verdwijnen uitzicht en rust), als op aspecten in relatie tot de groenzone, zoals de vrees voor aantasting van de veiligheid en privacy en het ontstaan van overlast.

Deze belangen zijn voor de gemeente al sturend geweest voor de genoemde uitgangspunten van het inrichtingsvoorstel. Naar aanleiding van deze zorgen, zijn enkele aanpassingen doorgevoerd in het inrichtingsvoorstel van de groenzone, om hieraan tegemoet te komen. Zo wordt het nieuwe voetpad smaller en zal bij de nadere uitwerking de groenzone zelf (naast het voetpad) een ontoegankelijk karakter krijgen, om zo de privacy van omwonenden verder te waarborgen. Tegelijkertijd heeft ook het aspect sociale veiligheid aandacht bij de nadere uitwerking. Deze aanpassingen zijn half mei aan de bewoners meegedeeld.

Voor het plan is, gelet op bovenstaand proces van omgevingsdialoog, geen formele inspraakperiode georganiseerd; het ontwerpbestemmingsplan is nu gereed om ter inzage te worden gelegd voor zienswijzen.

8.2 Vooroverleg

Voorliggend plan is voorgelegd aan de diensten van het rijk, provincie en organisaties conform het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Een aantal organisaties (Gasunie, Tennet, Rijkswaterstaat) heeft laten weten geen opmerkingen te hebben. Het waterschap heeft een drietal opmerkingen gemaakt. Twee van die opmerkingen betroffen tekstuele opmerkingen, die zijn verwerkt. De derde opmerking betrof een technische opmerking om de waterbergingsfunctie met een aanduiding te borgen in de bestemming Natuur. De plannen voor de wijze van waterberging, zijn sindsdien echter gewijzigd. De waterberging wordt niet meer aan de noordzijde gerealiseerd, maar wordt nu in en rondom de woonwijk zelf gerealiseerd. Daarmee zijn de opmerkingen van het waterschap in dit plan verwerkt.

De provincie heeft in haar vooroverlegreactie een aantal opmerkingen geplaatst ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het landschap: (1) meer inzicht nodig in wijze van berekening kwaliteitsverbetering landschap (2) helderheid nodig over de wijze van invulling kwaliteitsverbetering landschap (3) meer inzicht nodig over borging kwaliteitsverbetering landschap.

Het klopt dat deze beschrijving in het toegezonden concept plan nog niet volledig uitgekristalliseerd was. Naar aanleiding van de verdere planontwikkeling, is de beschrijving in paragraaf 4.2 aangepast. Er is een inrichtingsplan voor de natuur en landschapscompensatie opgesteld, en de uitleg is verhelderd. Tevens is naar aanleiding van de vooroverlegreactie een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de landschapsverbetering te borgen. Hiermee zijn de opmerkingen van de provincie volledig verwerkt.

De Veiligheidsregio heeft de paragraaf externe veiligheid onderschreven en geen advies afgegeven voor dit plan. Wel vraagt zij bij de nadere planuitwerking aandacht te besteden aan de bluswatervoorzieningen en ontvluchtingsmogelijkheden. Naar aanleiding van deze vooroverlegreactie, is paragraaf 5.4 Externe veiligheid aangevuld.

De resultaten van het vooroverleg zijn gelet op bovenstaande voldoende in het ontwerp bestemmingsplan verwerkt.

8.3 Zienswijzenfase

Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 2 juni 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de periode zijn drie zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn beantwoord in de bij dit bestemmingsplan behorende Nota zienswijzen. Naar aanleiding van de zienswijzen is een beperkt aantal wijzigingen doorgevoerd. Op de verbeelding is een aanpassing doorgevoerd in het maatvoeringsvlak van de bouwhoogten voor het meest zuidelijk geplande bouwblok. In de planregels is een specifieke aanduiding in de zuidelijke groenzone opgenomen in de bestemming Groen, waarbinnen minder bouw -en functiemogelijkheden gelden dan in het overig deel van de bestemming Groen. Ook is het inrichtingsplan voor de kwaliteitsverbetering aan de noordzijde, dat als bijlage bij de regels zit, vervangen door een nader uitgewerkt inrichtingsplan.