direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Nuland Oost, Pelgrimsche hoeve fase 4 en 5
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002428-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het bestemmingsplan "Nuland Oost" uit 2011 is de ontwikkeling voorzien van een nieuw woongebied, Pelgrimsche Hoeve. De realisatie van het nieuwe woongebied dient mede als financiële basis voor de herstructurering van het bedrijventerrein De Terp, dat direct ten zuiden van het nieuwe woongebied ligt. Beide ontwikkelingen samen zijn aangeduid als het plan "Nuland Oost" en dragen bij aan de vergroting van de leefbaarheid van de kern Nuland. In het moederplan is Pelgrimsche Hoeve opgenomen als globale bestemming en is met een uitwerkingsplicht de ontwikkeling van het woongebied mogelijk gemaakt. Hierin is een gefaseerde ontwikkeling voor de woningbouw opgenomen.


De Pelgrimsche Hoeve wordt in verschillende fases gerealiseerd. De eerste fases, fase 1, 2 en 3 zijn gelegen aan de noordzijde van het plangebied. Nagenoeg alle woningen en een groot deel van de hoofdontsluiting dat onderdeel van deze fases uitmaakt, is al gerealiseerd. In totaal zijn nu 112 woningen gebouwd. Daarmee is de noordzijde, op een aantal woningen aan de Schotsheuvel na, gereed.


De vraag naar woningbouwmogelijkheden in de Pelgrimsche Hoeve blijft. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft meerdere verzoeken van CPO groepen ontvangen. Woningcorporatie Mooiland wil graag 35 sociale huurwoningen bouwen en er is veel vraag naar zelfbouwmogelijkheden. Deze initiatieven gaan uit van diverse type woningbouw voor meerdere doelgroepen. Om een goede aansluiting te krijgen op het bestaande planologisch kader en structuur, is in dit plan het gehele resterende zuidelijk deel opgenomen. Dit zijn fase 4 en 5 van de Pelgrimsche Hoeve. Er ontstaat hierdoor een geheel en afgerond plan en er wordt voldoende wooncapaciteit voor de komende jaren gecreëerd. Dit uitwerkingsplan creëert de ruimte om circa 138 woningen te bouwen en de hoofdontsluiting richting de Industriestraat af te ronden.

1.2 Visie Pelgrimsche Hoeve

Voor het totale woongebied Pelgrimsche Hoeve is een stedenbouwkundige visie opgesteld (bijlage 1). Op 22 oktober 2013 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Maasdonk deze stuctuurvisie vastgesteld. De visie geeft een beschrijving van het gebied en gaat in op het beleidskader, de randvoorwaarden en uitgangspunten die een rol spelen bij de ontwikkeling van het woongebied, het stedenbouwkundig planconcept en diverse structuren daarbij, zoals de verkeersstructuur en de waterstructuur. Op basis van deze totaalvisie is het plan nader vormgegeven voor fase 4 en 5. In paragraaf 2.1 (stedenbouwkundige uitwerking) wordt nader ingegaan op de gekozen vorm van de uitwerking.

1.3 Begrenzing plangebied

Het plangebied betreft de zuidzijde van de Pelgrimsche Hoeve. Aan de noordkant wordt het begrenst door de eerdere fases van de Pelgrimsche Hoeve, aan de westkant door de Molensteeg en de bestaande woningen van Nuland, aan de oostzijde door de Schotsheuvel en aan de zuidzijde door de Industriestraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0001.jpg"

Figuur 1: begrenzing plangebied (rood omkaderd)

1.4 Geldend bestemmingsplan

Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldend bestemmingsplan "Nuland Oost" (vastgesteld op 31 mei 2011). Op de gronden geldt volgens dit "moederplan" de globale bestemming ‘Woongebied – Uit te werken’. Deze is bestemd voor de realisatie van een nieuw woongebied, bestaande uit woningen en de daarbij behorende voorzieningen. Daarnaast is deze bestemming bedoeld voor (ontsluitings)wegen, straten, paden, parkeer-, groen- en waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen van algemeen nut. In de uitwerkingsregels worden een aantal voorwaarden opgenomen die in acht moeten worden genomen bij het opstellen van het uitwerkingsplan.

Hieronder wordt ter toelichting het volledige artikel gepubliceerd, dat in het moederplan Nuland Oost 2011 is opgenomen:

Artikel 7 Woongebied - Uit te werken

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied - Uit te werken' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. aan huis verbonden beroepen, mits;
    • 1. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft;
    • 2. de (mede) daarvoor in gebruik te nemen vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 35% van de oppervlakte van de begane grond van de woning;
    • 3. geen horeca en detailhandel plaats vindt, uitgezonderd een beperkte detailhandel ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis gebonden beroep, mits de te koop aangeboden goederen en/of producten een relatie hebben met het aan huis gebonden beroep;
    • 4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
    • 5. geen vanaf het openbaar gebied zichtbare reclame-uitingen worden aangebracht, tenzij het een reclame-uiting betreft die vergund is c.q. vergund kan worden in een omgevingsvergunning en die niet is aan te merken als een bouwwerk;
  • c. tuinen en erven;
  • d. (ontsluitings)wegen, straten, paden;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. geluidswerende voorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. speelvoorzieningen;
  • i. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • j. nutsvoorzieningen,

alsmede voor:

  • k. de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied'.

7.2 Uitwerkingsregels

Burgemeester en wethouders werken de bestemming uit met inachtneming van de volgende algemene regels:

  • a. het aantal woningen bedraagt maximaal 275;
  • b. het gebied wordt ieder geval ontsloten vanaf de Industriestraat en de Zandstraat;
  • c. geluidsgevoelige bestemmingen dienen zodanig te worden geprojecteerd, dat zij kunnen worden gerealiseerd onder zodanige voorwaarden dat wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit en de Wet geluidhinder, dan wel dat er voor de geluidsgevoelige bestemming een ontheffing hogere grenswaarden op basis van de Wet geluidhinder kan worden verleend voor een grenswaarde van maximaal 53 dB;
  • d. geurgevoelige bestemmingen dienen zodanig te worden geprojecteerd, dat zij kunnen worden gerealiseerd onder zodanige voorwaarden dat wordt voldaan aan de eisen van de gemeentelijke Geurverordening;
  • e. gevoelige bestemmingen dienen zodanig te worden geprojecteerd dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hierbij worden in principe de richtafstanden, zoals opgenomen in Bedrijven en milieuzonering, VNG, 2009, gehanteerd, tenzij uit onderzoek blijkt dat de hinder van het betrokken bedrijf zodanig is dat een kortere afstand in acht kan worden genomen;
  • f. in het uitwerkingsplan moeten regels opgenomen worden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied'.

7.3 Bouwregels

Zolang en voor zover de in lid 7.2 bedoelde uitwerking niet onherroepelijk is, mag slechts worden gebouwd, mits het bouwplan in overeenstemming is met het ontwerp van de uitwerking.

Op grond van deze regels wordt, aan de hand van de vastgestelde visie Pelgrimsche Hoeve het nieuwe woongebied Pelgrimsche Hoeve fasegewijs ontwikkeld.

1.5 Bij het plan behorende stukken

Aan de totstandkoming van het plan 'Nuland Oost, uitwerkingsplan Pelgrimsche Hoeve fase 4 en 5' liggen verschillende onderzoeken ten grondslag, waarvan de resultaten op hoofdlijnen in dit uitwerkingsplan zijn verwoord. De volgende rapportages, behorende bij dit plan, zijn als bijlagen opgenomen:

  • Visie Pelgrimsche Hoeve, Grontmij Nederland B.V., mei 2013, referentienummer GM-0101510 (vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 22 oktober 2013);
  • Pelgrimsche Hoeve Nuland fase 4 en 5 – Richtafstanden;
  • 'Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Pelgrimsche Hoeve fase 4 en 5 woningbouwplan' uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies met referentie: 20201585.v01 en datum: 27 januari 2021;
  • Advies Veiligheidsregio Brabant Noord, d.d. 07-04-2021;
  • Verkennend bodemonderzoek, Sweco Nederland B.V., Arnhem, 12 mei 2016, documentnummer SWNL-0184220;
  • Verkennend bodemonderzoek Pelgrimsche Hoeve (fase 5) te Nuland, Verhoeven Milieutechniek B.V., Zaltbommel, 19 november 2020, projectnummer B19.7573O/R7573O-01/JB;
  • 'Onderzoek geur veehouderijen geurcontouren en geuronderbouwing Plangebied Nuland-Oost/Pelgrimsche Hoeve' opgesteld door De Roever Omgevingsadvies en gedateerd 31 mei 2016;
  • 'Adviesmemo Plangebied Nuland Oost/Pelgrimsche Hoeve' van 31 mei 2016 opgesteld door De Roever Omgevingsadvies;
  • Quickscan flora en fauna, Idverde Advies, d.d. 13-04-2021;
  • 'Aanvullend onderzoek functionaliteit Roeken, idverde Advies, d.d. 21 juni 2021;
  • 'Stikstofdepositieonderzoek Pelgrimsche Hoeve Nuland fase 4 en 5' uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies met referentie: 20201583.v01 en datum 12 april 2021;
  • Verslag omgevingsdialoog.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Stedenbouwkundige uitwerking


Stedenbouwkundige uitgangspunten

De uitgangspunten voor de verkavelingsopzet voor de woningbouwlocatie Pelgrimsche Hoeve zijn vastgelegd in de 'Visie Pelgrimsche Hoeve'. De visie geeft een beschrijving van het gebied en gaat in op het beleidskader, de randvoorwaarden en uitgangspunten die een rol spelen bij de ontwikkeling van het woongebied, het stedenbouwkundig planconcept en diverse structuren daarbij, zoals de verkeersstructuur en de waterstructuur.

Enkele uitgangspunten uit de visie die van invloed zijn op de stedenbouwkundige opzet zijn:

  • Behoud van een gemoedelijk dorpskarakter
  • Behoud en versterken van het karakter van historische bebouwingslinten
  • Dorpse overgang van bebouwing naar omliggend landschap met doorzichten naar het landschap
  • de groenzone tussen bedrijventerrein de Terp en de Pelgrimsche Hoeve

Randvoorwaarden


In de visie zijn ook zowel programmatische als stedenbouwkundige randvoorwaarden opgesteld:

  • Maximaal 275 woningen, gefaseerd ontwikkeld in de periode 2013 tot en met 2026 met een uitgifte van circa 15 tot 20 woningen per jaar;
  • Elke fase is stedenbouwkundig en qua kosten een afgerond geheel. Fase 1 bevat circa 15 vrije kavels (ca. 14*27 m), uitgifte in 2013;
  • De uitgeefbaarheid van het totale plangebied bedraagt minimaal 60%;
  • Woningbouwprogramma:
  • I.
    1. 15% sociale huur, 41 woningen, kaveloppervlakte 125 m²;
  • II.
    2. 35% sociale koop, 96 woningen, kaveloppervlakte 150 m²;
  • III.
    3. 25% hoek / 2-1-kap, 69 woningen, kaveloppervlakte 275 m²;
  • IV.
    4. 25% vrije kavels, 69 woningen, kaveloppervlakte 385 m²;

  • De nieuwe woningen worden geprojecteerd buiten de huidige geluids- en geurzones ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat. De 20 meter brede strook met groenbestemming aan de zuidzijde van de woonwijk kan worden gebruikt voor verkeer, paden en groen en zorgt dat de toekomstige woningen minimaal 30 meter vanaf de bedrijfspercelen van De Terp worden gerealiseerd;
  • Openbaar gebied wordt ingericht conform het gemeentelijk Programma van Eisen;
  • Water (de volledige lijst met wateruitgangspunten staat vermeld in de visie):
  • I.
    1. Toepassen van een duurzaam watersysteem;
    2. De ontwikkeling veroorzaakt niet meer risico van verontreiniging van het grondwater;
    3. Hemelwater wordt 100% binnen het plangebied geborgen en gecontroleerd verwerkt middels infiltratie (afkoppeling naar gesloten / gescheiden systeem).
    4. Toepassen van een verbeterd gescheiden rioolstelsels voor wegen met een hoge verkeersintensiteit.


  • Verkeer en parkeren:
  • I.
    1. Verkeersstructuur conform het principe 'duurzaam veilig' en een 30 km/u-regime;
    2. Het gebied dient te worden ontsloten vanaf de Industriestraat (aansluiting op hoofdontsluiting De Terp) en de Zandstraat;
    3. Parkeernormen zijn vastgesteld op:
    • 1.
      a. Sociale huur: 1,7 parkeerplaats per woning (inclusief aandeel bezoekers: 0,3 parkeerplaats in openbaar gebied)
      b. Sociale koop: 1,7 parkeerplaats per woning (inclusief aandeel bezoekers: 0,3 parkeerplaats in openbaar gebied)
      c. Hoek / 2-1-kap: 1,9 parkeerplaats per woning (inclusief aandeel bezoekers: 0,3 parkeerplaats in openbaar gebied)
      d. Vrije kavels: 2,2 parkeerplaats per woning (inclusief aandeel bezoekers: 0,3 parkeerplaats in openbaar gebied)


4. Parkeerplaatsen op eigen terrein:
a. Hoek / 2-1-kap: minimaal 1 op eigen terrein
b. Vrije kavels: minimaal 1 op eigen terrein


 
Ook zijn er in het bestemmingsplan 'Nuland oost' uitwerkingsregels opgenomen waaraan de uitwerking van het plangebied moet voldoen:

  • a. het aantal woningen bedraagt maximaal 275;
  • b. het gebied wordt ieder geval ontsloten vanaf de Industriestraat en de Zandstraat;
  • c. geluidsgevoelige bestemmingen dienen zodanig te worden geprojecteerd, dat zij kunnen worden gerealiseerd onder zodanige voorwaarden dat wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit en de Wet geluidhinder, dan wel dat er voor de geluidsgevoelige bestemming een ontheffing hogere grenswaarden op basis van de Wet geluidhinder kan worden verleend voor een grenswaarde van maximaal 53 dB;
  • d. geurgevoelige bestemmingen dienen zodanig te worden geprojecteerd, dat zij kunnen worden gerealiseerd onder zodanige voorwaarden dat wordt voldaan aan de eisen van de gemeentelijke Geurverordening;
  • e. gevoelige bestemmingen dienen zodanig te worden geprojecteerd dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hierbij worden in principe de richtafstanden, zoals opgenomen in Bedrijven en milieuzonering, VNG, 2009, gehanteerd, tenzij uit onderzoek blijkt dat de hinder van het betrokken bedrijf zodanig is dat een kortere afstand in acht kan worden genomen;
  • f. in het uitwerkingsplan moeten regels opgenomen worden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied'


Met bovenstaande randvoorwaarden en uitgangspunten is een verkavelingsopzet getekend, die als basis heeft gediend voor de Pelgrimsche Hoeve fase 1 t/m 3. De voorwaarden gelden onverkort ook voor fase 4 en 5. Met dien verstande dat er met de uitwerking van het zuidelijk deel (fase 4 en 5) ook rekening is gehouden met beleidsstukken en ambities die nadien zijn vastgesteld.


Ook de resultaten van de gevoerde omgevingsdialoog (zie hoofdstuk 6) gelden als een belangrijk uitgangspunt voor de ontwikkeling van fase 4 en 5. De resultaten van de omgevingsdialoog die invloed hebben op de verkavelingsopzet zijn de volgende:

 
a. Goede verbindingen voor voetgangers en fietsers
b. Behoud van de Molensteeg als verbinding voor het langzaam verkeer vanwege het historische karakter
c. Grondgebonden woningen
d. Geen autoverbinding tussen de Pelgrimsche Hoeve en de Gaffel
e. Geen auto-ontsluiting op de Schotsheuvel
f. Voldoende speelvoorzieningen
g. Gefaseerde uitgifte van bouwmogelijkheden


Onderstaand figuur geeft een aantal van deze opgehaalde belangen weer. De dikkere zwarte lijn geeft de hoofdontsluiting weer. Deze is al voor een groot deel gerealiseerd. In dit uitwerkingsplan wordt het oostelijk deel dat aansluit op de Industriestraat meegenomen. Aan de zuidzijde van het plangebied is de groenzone aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0002.jpg"

Figuur 2: uitgangspunten en randvoorwaarden


De zwarte stippellijn geeft de Molensteeg weer. De kleine zwarte pijlen geven aan dat de oriëntatie van de woningen zoveel mogelijk op de openbare ruimte gericht moeten zijn. Hierdoor ontstaan er geen achterkantsituaties aan openbaar toegankelijk gebied.


 
Ligging fase 4 en 5

Het plangebied van fase 4 en 5 grenst aan de westzijde aan de bestaande bebouwing van de Rijf en de Gaffel en aan de noordzijde aan de bestaande bebouwing van de Pelgrimsche Hoeve fase 1 tot een met 3. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de Schotsheuvel en de woning die gelegen is op de hoek Schotsheuvel / Industriestraat. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de groenzone ten noorden van de Industriestraat. Deze groenzone is niet in het uitwerkingsplan opgenomen omdat de bestemming 'Groen' al is opgenomen in het bestemmingsplan 'Nuland Oost'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0003.jpg"
Figuur 3: ligging plangebied

   

Verkavelingsopzet

Bij de verdere uitwerking zijn de genoemde uitgangspunten en randvoorwaarden vertaald in een verkavelingsopzet. Centraal hierin staat de hoofdstructuur die wordt gevormd door de hoofdontsluitingswegen. Deze wegenstructuur wordt gekenmerkt door een gebogen structuur, hierdoor ontstaat een steeds veranderd perspectief. De hoofdontsluiting in noord-zuid richting tussen de Zandstraat en de Industriestraat, de Hoekakker is al aangelegd, het deel tussen fase 4 en 5 is tijdelijk aangelegd in de vorm van een bouwweg. Ook de aansluiting van de Hoekakker richting de Pelgrimstraat is en een groot deel van de oostelijke ontsluiting, de Akkerdravik, zijn aangelegd.

Tussen de hoofdontsluitingswegen en de groenzone grenzend aan de Industriestraat ontstaat een tweetal woonvelden. Deze woonvelden worden zoveel mogelijk vanaf de hoofdontsluitingswegen ontsloten. De groenzone aan de zuidzijde, grenzend aan de Industriestraat maakt geen onderdeel uit van het uitwerkingsplan, maar vormt wel een belangrijke drager in het plan. Deze groenzone heeft een drietal functies; voldoende afstand creëren tot bedrijventerrein de Terp, waterberging en het bieden van woonkwaliteit van de woningen aan de zuidzijde.

Deze twee woonvelden worden ingevuld met woningen, straten en krijgen ieder een eigen groene plek. Deze plekken zijn centraal in het woonveld gelegen en hebben naast de groenfunctie ook een verbindende functie. De woningen worden met de voorzijde gericht op de groenzone en de ontsluitingswegen. Op deze manier worden achterkantsituaties zoveel mogelijk voorkomen.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0004.jpg"

Figuur 4: verkavelingsopzet

Bebouwingsstructuur

In de oorspronkelijke planopzet is beschreven hoe om wordt gegaan met de bebouwingstypologie. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een drietal typen: vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en rijwoningen. Langs de hoofdstructuur zijn in de visie vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen voorzien. De rijwoningen hebben vooral een situering in het binnengebied van de woonvelden. In de uitwerking van de het zuidelijk deel wordt deze systematiek nog steeds zoveel mogelijk gerespecteerd.

Aan de zuidkant, grenzend aan de groenzone aan de Industriestraat zijn rijwoningen met de voorzijde aan de groenstructuur gesitueerd. Op deze wijze wordt voorkomen dat de groenstructuur te veel versnipperd ten gevolge van inritten die bij vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen aangelegd moeten worden. Daarbij kan er op deze wijze voldoende ruimte worden gegeven aan rijwoningen, zodat de gewenste differentiatie in het plangebied ontstaat.

Langs de hoofdontsluitingswegen en de groenzone richting de Schotsheuvel zijn alleen vrijstaande of twee-onder-een-kapwoningen toegestaan.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0005.jpg"

Figuur 5: bebouwingsstructuur

Bebouwing

De bebouwing in fase 1 t/m 3 heeft een dorpse sfeer die aansluit op de bestaande bebouwing in de omgeving. De nieuwbouw bestaat uit één of twee bouwlagen met kap. Hoewel het uitwerkingsplan voor fase 1 t/m 3 ook platte daken toelaat, hebben alle woningen in dit plandeel een kap. Om er zorg voor te dragen dat er voldoende samenhang tussen de bebouwing in de Pelgrimsche blijft bestaan is er voor gekozen om in de planregels een kap verplicht te stellen. Temeer omdat er geen welstandscriteria gelden voor dit gebied en op deze wijze toch een bepaalde wijze van eenheid en samenhang wordt gewaarborgd.

Voor het gehele plangebied geldt een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter. Deze goot en bouwhoogte gelden ook voor fase 1 t/m 3. Met uitzondering van de woningen aan de Schotsheuvel, voor deze woningen is een lagere goot- en bouwhoogte opgenomen van respectievelijk 4,5 en 10 meter. Hiermee wordt een zachtere overgang gecreëerd richting het landelijk gebied en kent het dezelfde hoogten als de overige woningen aan dit deel van de Schotsheuvel.

De afstand van vrijstaande woningen en die liggen aan de hoofdontsluitingswegen tot de voorste kavelgrens bedraagt 5 meter en tot de zijdelingse perceelgrens 3 meter. Voor twee-onder-een-kap-woningen gelden dezelfde afstanden, alleen kan dan aan één zijde in de erfgrens worden gebouwd. Voor vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen die liggen in het binnengebied geldt een afstand van 4 meter tot de voorste kavelgrens. Bij sociale koopwoningen staat de voorgevel op 2 tot 3 meter tot de voorste perceelsgrens.

Voor de nieuwe woningen in fase 4 en 5 geldt geen welstandsniveau. Er worden geen welstandseisen vastgesteld.

2.2 Programma

Dit uitwerkingsplan biedt ruimte om de komende jaren circa 138 woningen toe te voegen.

Het plan draagt bij aan het realiseren van een mix van rijwoningen, hoekwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0006.png"

Figuur 6: stedenbouwkundige uitwerking plangebied

Binnen het plangebied zijn 129 woningen ingetekend. Zie bovenstaande stedenbouwkundige schets. Dit is een mogelijk programma, de exacte invulling van vrije kavels / tweekappers kan afwijken. Er is ruimte gereserveerd om bijvoorbeeld in plaats van vrijstaande woningen tweekappers te bouwen. Om die reden wordt er gesproken over circa 138 woningen.

Om tot dit programma te komen zijn de uitgangspunten van de Visie Pelgrimsche Hoeve, de Woonvisie en vanuit de bewonersbijeenkomst meegenomen.

Vanuit de Visie Pelgrimsche Hoeve wordt er vastgehouden aan de structuur met tweekappers en vrijstaande woningen langs de hoofdstructuur maar ook ruimte voor betaalbaar aanbod.
Hieronder wordt het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch toegelicht:

Woonbeleid
Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Woonvisie 's-Hertogenbosch. Deze is door de gemeenteraad op 9 juni 2020 vastgesteld. Passend en betaalbaar wonen, in een sterke stad met leefbare buurten en dorpen. Waar inwoners trots zijn op hun woonplaats en iedereen zoveel als mogelijk kan wonen in een woning die aansluit bij hun woonwensen en mogelijkheden. Dat is het doel. Om dit te bereiken zijn er vier opgaven geformuleerd:

  • Passend en betaalbaar wonen voor iedereen
  • Leefbare en inclusieve buurten
  • Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad
  • Strategisch innovatief woonprogramma.

Passend en betaalbaar wonen

De ambitie is zoveel als mogelijk vrije keuze in hoe je woont. We streven naar betaalbare woonlasten en voldoende passend aanbod, ook voor doelgroepen die het nu lastig hebben op de woningmarkt. Zoals starters, jongeren, lage- en middeninkomens. Daarnaast is er aandacht voor het huisvesten van specifieke doelgroepen, waaronder ouderen, mensen met een handicap of psychische kwetsbaarheid. Ook stimuleren we meer doorstroming op de woningmarkt, zodat nog meer mensen hun woonwens kunnen realiseren.

Leefbare en inclusieve buurten

De ambitie is leefbare en inclusieve buurten waar onze inwoners samenleven, wonen, werken en recreëren. De woning is een thuisbasis om vanuit te leven. De woningen liggen in een breed palet aan aangename en diverse woonbuurten. Waarbij de buurten van elkaar verschillen, wonen in een dorp is anders dan bijvoorbeeld West of de binnenstad. Ook kwetsbare doelgroepen vinden hun thuisbasis in de inclusieve buurten in onze gemeente. We zorgen voor buurten met voldoende veerkracht en draagkracht.

Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad

De woonvisie heeft een gezonde, duurzame én flexibel inzetbare woningvoorraad als doel. Een woningvoorraad die ook de toekomstige uitdagingen en veranderende woonwensen aan kan. De opgave ligt hierbij zowel in de nieuwbouw als in de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw is er veel aandacht voor duurzaamheid van de woning en woonomgeving.

Strategisch innovatief woonprogramma

De ambitie is voldoende passende en betaalbare woningen voor verschillende doelgroepen, gelegen in aantrekkelijke woonmilieus. Door voldoende en de juiste woningen toe te voegen, werken we aan een meer ontspannen en meer diverse woningmarkt. De gemeenteraad heeft als ambitie uitgesproken om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 – 2030. Daarbij is de ambitie een stedelijke differentiatie over de volgende categorieën:

- minimaal 30% sociale huur

- minimaal 20% middenhuur en goedkope koop

- maximaal 50% dure huur en (middel)dure koop.

Op projectniveau wordt gestreefd wordt naar differentiatie binnen de categorieën. Daarbij is maatwerk in de percentages mogelijk, indien dat bijdraagt aan een leefbare en inclusieve buurt.

De nieuwbouw draagt bij aan de aantrekkelijkheid en diversiteit van woonmilieus. Dit door het realiseren van (hoog)stedelijke woonmilieus met hoogbouw, compacte woonvormen en (collectieve) voorzieningen. Maar ook door het mogelijk maken van verdichting en verduurzaming van woonbuurten buiten het centrum en in groenstedelijke woonmilieus. In de dorpse woonmilieus worden ook op kleine schaal woningen toegevoegd. We stimuleren projecten die innovatief en vernieuwend zijn, bijvoorbeeld door circulair te bouwen of door toekomstige bewoners te betrekken en zeggenschap te geven. Daarnaast dienen projecten bij te dragen aan de hierboven genoemde opgaven.

Doorwerking plan

Er wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de woonvisie. Over de gehele Pelgrimsche Hoeve worden 20% sociale huur en 20% goedkope koop gerealiseerd. Deze programmering sluit aan bij het dorpse karakter, de stedenbouwkundige randvoorwaarden en de wens die vanuit de participatie naar voren komt. Er is uitgegaan van een betaalbaar aanbod waarbij niet 'te veel' rijwoningen zijn opgenomen in het plan. Tijdens de (digitale) bewonersbijeenkomst is hier positief op gereageerd.

Dit plan geeft zowel starters als doorstromers kans om zich te vestigen in de Pelgrimsche Hoeve, en draagt bij aan een gemengd woningaanbod in het dorp. Door het toevoegen van circa 138 woningen wordt ook bijgedragen aan de gemeentelijke doelstelling om 10.500 woningen te realiseren in 10 jaar tijd. In de tabellen hieronder is het programma opgenomen, zowel van het deel dat nu onder het uitwerkingsplan valt (eerste tabel), als het gehele gebied Pelgrimsche Hoeve (tweede tabel).

Uitwerkingsplan Fase 4+5 Pelgrimsche Hoeve

Categorie   Aantal woningen   Aandeel  
Sociale huur   35   25%  
Goedkope koop   15   11%  
Middelduur koop (hoekwoningen)   10   6%  
Overig   78   56%  
Totaal   138   100%  

Tabel 1: aantallen woningen per woningcategorie fase 4 en 5

Totaal Pelgrimsche Hoeve (alles dat gebouwd is inclusief de nog te bouwen fases)

Categorie   Aantal woningen   Aandeel  
Sociale huur   50   20%  
Goedkope koop   50   20%  
Overig (incl middelduur koop)   153   60%  
Totaal   253   100%  


Tabel 2: aantallen woningen per woningcategorie totaal Pelgrimsche Hoeve

Het bovengenoemd programma sluit aan bij de uitgangspunten van het exploitatieplan "Nuland Oost herziening 2021".

Door het opstellen van het uitwerkingsplan wordt de gereserveerde ruimte voor woningbouw, welke is vastgelegd in bestemmingsplan Nuland-Oost verder in detail uitgewerkt. De gronden zullen vervolgens gefaseerd worden uitgegeven en ontwikkeld. De woningen zullen op verschillende manieren op de markt worden gebracht en gerealiseerd (sociale huur, CPO, vrije kavels en projectmatige bouw).

2.3 Verkeer en parkeren

Verkeer

In fase 1 is een groot gedeelte van de hoofdontsluiting van de gehele Pelgrimsche Hoeve geregeld. Met name de noord-zuid verbinding (Hoekakker) tussen de Zandstraat en de Industriestraat en de aansluiting van de Hoekakker naar de Pelgrimstraat is daarin planologisch vastgelegd. In het plangebied van de 4e fase wordt een nieuwe woonstraat aangelegd tussen de Pelgrimstraat en de Industriestraat. Deze straat ontsluit woningen en parkeerplaatsen in het plangebied. Halverwege krijgt de straat ter hoogte van een groene buffer een lichte bajonet en snelheidsremmer. Op die manier ontstaat geen doorzicht tussen de Pelgrimstraat en de Industriestraat en ligt een routekeuze via de Hoekakker voor niet bestemmingsverkeer in de fase 3 niet voor de hand. Aan de westzijde van het plangebied wordt de huidige onverharde en smalle Molensteeg verbreed en gepositioneerd in een groene strook die als buffer fungeert naar de achterkanten van de bestaande bebouwing. In het plangebied van fase 5 wordt de bestaande Akkerdravik doorgetrokken naar de Industriestraat.


De binnengebieden worden ontsloten vanaf de hoofdontsluitingswegen; de Hoekakker en de Akkerdravik. Voor het westelijk deel, fase 4 is gekozen om dit woongebied te ontsluiten via de Pelgrimsstraat en de Industriestraat. Vanuit de omgevingsdialoog werd duidelijk dat een aansluiting op de Gaffel vanuit de Hoekakker niet gewenst is. Dit zou ook een groot effect hebben op de groene kwaliteit van de historische Molensteeg. In het ontwerp zit nu een noordzuid-verbinding. Hierdoor is het mogelijk om het binnengebied goed te ontsluiten zonder daarvoor de gronden van de parochie in bezit te hebben.


Het middengebied, fase 5, wordt met een oost-westverbinding ontsloten vanaf de Hoekakker en de Akkerdravik. Aan deze verbinding liggen twee doodlopende parkeerstraatjes.


De gekozen profielen van de infrastructuur hebben voldoende wegbreedte voor trottoirs aan beide zijden van de weg en aan één of twee zijden langsparkeren. De rijbaan heeft een breedte van 5 meter. Het verkeer heeft daardoor voldoende ruimte om in twee richtingen te passeren. Het groen, de trottoirs en parkeerstroken worden aan beide zijden onderbroken door inritten. Langs de weg zullen in de parkeerstroken ook bomen worden geplant. Bij het ontwerp van de inrichting wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de inrichting van de openbare ruimte van fase 1 t/m 3.


Het gehele plangebied valt binnen een bestaande 30 km/u zone. Het profiel en inrichting sluit aan op de straten in de gerealiseerde fases en voorziet in een veilige afwikkeling voor zowel het gemotoriseerde als het langzame verkeer.


Parkeren
De parkeerbehoefte voor de circa 138 woningen wordt in het plangebied zelf opgelost. Overeenkomstig de parkeernormen in de vigerende parkeernota worden voldoende parkeerplaatsen voor de bewoners en bezoekers op eigen terrein en de openbare ruimte aangelegd.


Voor de vrijstaande- en 2 onder 1 kap-woningen is de aanleg van minimaal twee parkeerplaatsen op eigen terrein verplicht. De resterende parkeerbehoefte inclusief die voor bezoekers wordt in de openbare ruimte gevonden. De sociale huurwoningen hebben geen parkeren op eigen terrein. De parkeerbehoefte voor die woningen worden in de nabijheid van de bouwblokken gerealiseerd.


Afhankelijk van de uiteindelijke verkaveling, de situering van de inritten en de hoeveelheid bomen langs de weg kan het exacte aantal parkeerplaatsen in het openbaargebied worden bepaald. Bij de vergunning verlening toetst de gemeente aan de gestelde parkeernorm, zodat er geen tekort aan parkeerplaatsen ontstaat. Ook wordt bij de verkoop van de gronden de aanleg van voldoende parkeerplaatsen vastgelegd in de overeenkomst. Daarmee kan worden geconcludeerd dat er voldaan wordt aan het parkeerbeleid van de gemeente.

2.4 Openbare ruimte

Daar waar de ontsluitingswegen elkaar ontmoeten zijn, overeenkomstig de visie, groene ruimtes gecreëerd.Op deze wijze draagt het openbaar groen bij aan de kwaliteit van de woningen en de wordt de bruikbaarheid van het openbaar gebied vergroot.

Het openbaar gebied wordt groen en klimaatvriendelijk ingericht, onder andere door het realiseren van bomen en beplanting in de openbare gebieden, het opvangen van hemelwater in wadi's, het realiseren van een hondenuitlaatvoorziening, creëren van een wandelrondje door het plangebied, de auto te gast te laten zijn, realiseren van laadpunten en ontmoetingsplekken nabij speel- en sportvoorzieningen.


In het openbaar gebied wordt groen gecombineerd met waterberging in de wadi's. Aan de zuidzijde van het plangebied wordt richting de Industriestraat een groene buffer aangebracht tussen de nieuw aan te leggen woonwijk en het bestaande bedrijventerrein. In deze strook worden ook wadi's aangelegd. De waterbergingsopgave is verder toegelicht in paragraaf 3.10.

Hoofdstuk 3 Milieu, duurzaamheid en waarden

3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende wijzigingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

3.2 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren.

Onderzoeksvragen

Bij het beoordelen van een ruimtelijk plan spelen standaard de volgende vragen:

  • is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd?
  • worden omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad?

Om een antwoord te geven op deze vragen is een inventarisatie gemaakt van de milieubelastende en milieugevoelige functies in de omgeving.

Richtlijn

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter).

Uitwaartse of inwaartse milieuzonering

Ruimtelijke scheiding kan tot stand komen door uitwaartse of inwaartse milieuzonering. Bij uitwaartse milieuzonering wordt uitgegaan van de milieubelastende functies. In een zone rondom de milieubelastende functies worden woningen geweerd.

Bij inwaartse milieuzonering wordt uitgegaan van de milieugevoelige functies. In een zone rondom de milieugevoelige functies zijn bepaalde milieubelastende functies niet toelaatbaar.

De woningen zelf vormen geen milieubelastende functie. Een analyse van inwaartse milieuzonering is niet nodig.

Omgevingstypen

In de handreiking Bedrijven en milieuzonering worden twee omgevingstypen beschreven:

  • a. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied
    Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer.
  • b. Omgevingstype gemengd gebied
    Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook een lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied.

Het plangebied vormt een rustige woonwijk, er is geen sprake van functiemenging binnen het plangebied.

Richtafstanden

Voor alle typen bedrijven zijn in bijlage 1 van de handreiking Bedrijven en milieuzonering richtafstanden opgenomen. Het betreft de richtafstanden voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van de vigerende bestemmingsplannen zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald. Het betreft de richtafstanden tot een rustige woonwijk behorend bij de maximale planologische mogelijkheden per locatie. De richtafstanden behorende bij de milieubelastende functies zijn toegelicht in onderstaande tabel.afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0007.png"
Tabel 3: Richtafstanden milieubelastende functies omgeving

De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op onderstaande afbeelding en op de kaart in bijlage 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0008.png"

Figuur 7: overzichtskaart richtafstanden

De te realiseren woningen liggen buiten de richtafstanden van alle milieubelastende functies in de omgeving, met uitzondering van de richtafstand voor het aspect geluid van het dierenpension aan de Schotsheuvel 2 en het aspect geluid afkomstig van Vissers Demontage gelegen aan de Nijverheidsstraat 1.

Het dierenpension valt onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor wat betreft geluid moet worden voldaan aan de grenswaarden uit artikel 2.17 van dat besluit. De bestaande woningen aan Schotsheuvel 4, 4a en 6, 8 en 17 liggen tussen het plangebied en het dierenpension. Omdat bij deze bestaande woningen reeds aan de grenswaarden voor geluid moet worden voldaan, is het zeker dat ook ter plaatse van de beoogde woningen binnen het plangebied aan de grenswaarden voor geluid zal worden voldaan. Daarom is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden de belangen van het dierenpension niet geschaad.

Voor bedrijf Vissers Demontage aan de Nijverheidsstraat 1 is industrielawaai nader onderzocht. Uit de bedrijfsvoering blijkt dat het nachtelijk transport met een vrachtwagen de grootste impact heeft op het plangebied wonen. Om te kunnen voldoen aan de geluidsgrenswaarden vertrekt de vrachtwagen vanaf de achterzijde van het bedrijfsperceel vanachter een muur via de openbare ontsluitingsweg. Dit is contractueel vastgelegd met het bedrijf. Door deze maatregelen wordt de bedrijfsvoering niet belemmerd en is er in het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

3.3 Geluid

Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

3.3.1 Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader

Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluids-onderzoeks-zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling ligt binnen de zone van de Schotsheuvel, de Zandstraat en van de Rijksweg A59. Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze weg geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. Onder voorwaarden is een hogere waarde mogelijk tot 63 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden:

  • Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding)
  • Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming)
  • Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling)

Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten een hogere (geluid)waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij de gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Per gebiedstype geldt een ambitie voor wat betreft de geluidsbelastingen. Zo wordt bijvoorbeeld in een (normaliter rustig) buitengebied een lager geluidsniveau nagestreefd dan in een rumoerig gebied langs een drukke snelweg met verhoogde geluidsbelastingen. Een hogere waarde mag – zoals gezegd - de maximale geluidsbelasting van 63 dB niet overschrijden. Voorwaarden voor een vast te stellen hogere waarde zijn bijvoorbeeld de aanwezigheid van een geluidsluwe (rustige) zijde en een geluidsniveau in de buitenruimte (zoals achtertuin/balkon) dat voldoet aan de ambitie voor het betreffende gebied. Voor geluidsbelastingen op gevels meer dan 63 dB kan formeel geen ontheffing worden verleend.

Naast het toetsingskader en wettelijke eisen van de Wgh dienen er altijd zodanige gevelmaatregelen te worden genomen dat wordt voldaan aan de maximale geluidsbinnenwaarde op grond van het Bouwbesluit. Deze maximale geluidsbinnenwaarde is ten gunste van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in betreffend object. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat deze binnenwaarde wordt voldaan.

Plan

Binnen het plangebied worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft uitsluitend woningen. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er voor 1 woning de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, te weten 55 dB, maar niet de maximaal toegestane hogere waarde Er zijn maatregelen onderzocht om de geluidbelasting te reduceren. De resultaten staan in het akoestisch onderzoek, te weten 'Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Pelgrimsche Hoeve Nuland fase 4 en 5 woningbouwplan' uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies met referentie: 20201585.v01 en datum: 27 januari 2021, zie bijlage 3. Uit dit akoestisch onderzoek blijkt dat er aan de voorwaarden van het geluidbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch wordt voldaan. Voor deze geluidgevoelige bestemming heeft het college van burgemeester en wethouders – onder voorwaarden - een hogere waarde-besluit genomen. Dit besluit is ter inzage gelegd gelijktijdig met de ter inzage legging van het uitwerkingsplan aangezien dit juridisch een aparte procedure betreft.

In het akoestisch onderzoek is tevens de gecumuleerde geluidsbelasting inzichtelijk gemaakt. Deze bedraagt maximaal 60 dB voor de geplande woning aan de Schotsheuvel waarvoor een hogere waarde is verleend, en 54 dB voor de overige woningen. Voor de overige woningen dient de geluidswering van de gevel minimaal 21 dB te bedragen. Dit wordt bij nieuwbouw gelet op de vereisten uit het Bouwbesluit normaliter ruimschoots behaald. Een nader onderzoek is hiervoor niet noodzakelijk. Voor de woning aan de Schotsheuvel met een geluidsbelasting van 60 dB dient de minimaal vereiste karakteristieke geluidswering van de gevel 60-33= 27 dB te bedragen. Dit geldt voor alle geveldelen. Bij de omgevingsvergunningaanvraag activiteit bouwen dient aangetoond te worden dat deze minimaal vereiste geluidswering wordt behaald. Deze verplichting is geborgd in de regels.

Het woon- en leefklimaat in het plangebied en dus ook in de tuinen, is gelet op de berekende geluidsbelastingen als aanvaardbaar en acceptabel beschouwd.

3.3.2 Railverkeerslawaai

Langs alle spoorwegen bevinden zich conform de Wgh geluidszones. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. De beoogde ontwikkeling ligt niet in de zone. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet relevant.

3.3.3 Industrielawaai

Geluidszonering

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder.

In de directe omgeving zijn geen gezoneerde industrieterreinen gelegen. Er is geen sprake van een gezoneerd industrieterrein.

In het plangebied is vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.

3.4 Trillingen

Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'.

Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem).

In de directe omgeving zijn geen zware industriële bedrijven, spoorwegen en/of snelwegen gelegen. Trillingshinder is in het plangebied niet te verwachten en geen belemmering voor de planontwikkeling.

3.5 Verlichting

Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Bij onderhavig plan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat er geen functies met kunstmatige verlichting in de directe nabijheid zijn gelegen.

3.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een

bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit)

Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De aanvaardbare risico's zijn vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een

bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit)

Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch

De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.

Toetsing beleidsvisie

De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw. De bewoners worden als normaal zelfredzaam beschouwd. Deze objecten (woningen) worden beschouwd als kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling, zie zwarte contour in onderstaande figuur, vindt plaats in een groen gebied. Kwetsbare objecten zijn hierin wel toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0009.png"

Figuur 8: Uitsnede kleurenkaart kwetsbare objecten uit Uitvoeringskader EV


Beschouwing risicobronnen


De onderstaande risicobronnen zijn aanwezig in de nabijheid van de ontwikkeling:


Op circa 285 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich de Rijksweg A59. Deze weg is onderdeel van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de Regeling basisnet blijkt dat het traject tussen knooppunt Hintham en Paalgaven geen PR 10-6-contour en/of plasbrandaandachtsgebied heeft. Er is wel een invloedsgebied aanwezig, die over het plangebied reikt. Dit betekent dat er een verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden.


Overige risicobronnen zijn niet in de nabijheid gelegen en daarmee niet relevant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0010.png"
Figuur 9: Uitsnede signaleringskaart externe veiligheid

Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een uitwerkingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

Ontwikkeling groepsrisico

Vanwege de grote afstand (> 200 meter) tot de risicobronnen (Rijksweg A59 en spoorweg) zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. Volgens het Bevt kan daarmee worden volstaan met een beperkte verantwoording. Een beperkte verantwoording gaat – conform artikel 7 van het Bevt – in op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van de ramp

Voor dit onderdeel en het onderdeel zelfredzaamheid is advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Brabant Noord (zie bijlage 4). Voor de bestrijdbaarheid is het van belang het (de) relevante scenario('s) te onderscheiden. Gezien de afstand van het plangebied tot de A59 en de spoorweg is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario.

Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.

Voor de Veiligheidsregio heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de benodigde inzet van hulpverleningsdiensten. Extra maatregelen zijn derhalve niet nodig.

De mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen.

Mogelijkheden zelfredzaamheid

Voor het toxische scenario geldt schuilen als beste handelingsperspectief.

Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren?

Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden.

In § 5.3 deel C van de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente 's-Hertogenbosch staat het verantwoordingskader t.a.v. het oprichten van kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van toxische stoffen beschreven. Op basis van dit verantwoordingskader en het feit dat nieuwbouw woningen als gevolg van de eisen in het Bouwbesluit goed geïsoleerd zijn – waardoor deze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van toxische stoffen – acht de Veiligheidsregio een nader advies voor dit plan niet noodzakelijk.

Conclusie

Het uitwerkingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en aan de aanvullende kaders die zijn vastgelegd in het Uitvoeringskader externe veiligheid van de gemeente 's-Hertogenbosch. Uit het voorgaande blijkt dat het groepsrisico geen belemmering hoeft te zijn voor het plangebied, omdat de rekenkundige hoogte van het groepsrisico niet toeneemt en er geen negatieve gevolgen zijn voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Het college van B&W van de gemeente 's-Hertogenbosch heeft kennis genomen van de inhoud van deze EV-paragraaf en acht het groepsrisico en het restrisico aanvaardbaar.

3.7 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.

Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 µg/m3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 7 motorvoertuigwegingen per woning per etmaal (conform CROW, verkeersgeneratie woon- en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer), daarmee maximaal 966 in totaal per etmaal, toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0011.png"

Figuur 10: Uitsnede NIBM-tool Pelgrimsche Hoeve fase 4 en 5

Woon- en leefklimaat

Verder blijkt uit de landelijke Monitoringstool dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied voor beide stoffen onder de 35 µg/m3 liggen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3 voor beide stoffen). Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.

Gelet op de achtergrondconcentraties luchtkwaliteit ter plaatse, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat m.b.t. luchtkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit geen knelpunt vormt voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling.

3.8 Bodem

Algemeen

Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming. In gebieden waar de bodemkwaliteit niet geschikt is voor het gebruik zullen maatregelen getroffen worden om de bodemkwaliteit geschikt te maken, zoals het saneren van de bodem, of het opleggen van gebruiksbeperkingen.

Bodemonderzoek

Voor de geplande ontwikkeling Pelgrimsche Hoeve (Nuland Oost Fase III-V) zijn twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd om de milieuhygiënische kwaliteit vast te stellen. Dit om te bepalen of er geen verontreinigende stoffen in de bodem (grond en grondwater) aanwezig zijn. De resultaten van deze onderzoeken zijn vastgelegd in twee rapportages (zie bijlage 5 en 6):

- Verkennend bodemonderzoek, Sweco Nederland B.V., Arnhem, 12 mei 2016, documentnummer SWNL-0184220;

- Verkennend bodemonderzoek Pelgrimsche Hoeve (fase 5) te Nuland, Verhoeven Milieutechniek B.V., Zaltbommel, 19 november 2020, projectnummer B19.7573O/R7573O-01/JB.

Uit deze onderzoeken blijkt dat er geen 'verdachte' activiteiten hebben plaats gevonden welke van invloed zijn op de bodemkwaliteit. Voor zover bekend zijn op de onderzoekslocatie geen tanks aanwezig (geweest) en hebben zich geen calamiteiten voorgedaan die een mogelijke bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek zijn:

- De locatie is niet verdacht voor asbest;

- In de bovengrond (zand) zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen;

- In de ondergrond (zand) zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen;

- In het grondwater zijn koper, barium en zink boven de streefwaarde aangetroffen.

Interpretatie resultaten

In de grond en in het grondwater zijn geen gehaltes aangetroffen die de toetsingswaarde voor nader onderzoek overschrijden.

Conclusie bodemsituatie

De milieu hygiënische bodemkwaliteit van de locatie is voldoende vastgelegd en vormt geen belemmering voor de geplande nieuwe bestemming (woningbouw). De vrijkomende grond valt, indien deze buiten de locatie hergebruikt gaat worden, onder regime van het Besluit Bodemkwaliteit.

3.9 Geur

Industriële geur

Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinderden) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is.

In de directe omgeving van de locatie zijn geen geurproducerende industriële bedrijven gelegen die invloed hebben op de te ervaren geurhinder ter plaatse.

Tevens zal de beoogde ontwikkeling zelf niet leiden tot geurhinder in de omgeving.

Agrarische geur

Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de typering van het plangebied, namelijk wonen, is geur hier een relevant aspect. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd.

Geurbelasting kan op twee manieren worden uitgedrukt. Voor de geurbelasting van landbouwhuisdieren waarvoor geen zogenaamde geuremissiefactor is aangewezen, zijn er vaste afstanden vastgesteld. Onder geurbelasting als gevolg van intensieve veehouderij waar landbouwhuisdieren worden gehuisvest met een geuremissiefactor verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odourunits per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object, zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan in situaties worden berekend met het wettelijk vastgestelde luchtmodel V-stacks. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed. De geurbelasting op een gebied is relevant voor een beoordeling van het woon- en leefklimaat en dient beschouwd te worden om bijvoorbeeld woningbouw te realiseren. Geur van veehouderijen heeft dus gevolgen voor het woon- en leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte.

Veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en aan de in het Activiteitenbesluit genoemde minimaal aan te houden afstand(en) tot geurgevoelige objecten. Verder dienen op grond van de Wet milieubeheer beste beschikbare technieken te worden toegepast. Het Activiteitenbesluit geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van agrarische bedrijfsstoffen, zoals vrij liggende mestbassins. Voldoen aan de gestelde afstanden of aan het regime van de Wgv dient ter voorkoming van geurhinder.

Verschillende beoordelingen

De Wgv kent verschillende beoordelingen, die hieronder worden toegelicht.

Voorgrondbelasting

Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt 'voorgrondbelasting' genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is vastgelegd in de geurverordening en bedraagt (ter plaatse van dit plangebied) 6,5 ouE/m3.

Afstanden

Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand tussen emissiepunten van stallen en geurgevoelige objecten is vastgelegd in de geurverordening en bedraagt (ter plaatse van dit plangebied) 50 meter.

Achtergrondbelasting

De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt 'achtergrondbelasting' genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de 'stankrichtlijnen'.

Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied.

Geuronderzoek plangebied

Nabij het te realiseren woongebied liggen enkele veehouderijen, waaronder de veehouderij aan Zandstraat 58. Nagegaan moet worden of de geur vanuit deze veehouderij en andere veehouderijen van invloed is op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en of veehouderijen in hun belangen worden geschaad. Hierbij moet worden uitgegaan van de meest recente milieuhygiënische inzichten. De meest recente milieuhygiënische inzichten liggen vast in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)

Met oog op bovenstaande beoordelingen is een geuronderzoek uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 7. Het betreft 'Onderzoek geur veehouderijen geurcontouren en geuronderbouwing Plangebied Nuland-Oost/Pelgrimsche Hoeve' opgesteld door De Roever Omgevingsadvies en gedateerd 31 mei 2016. Uit het onderzoek blijkt dat de voorgrondbelasting, vaste afstanden en achtergrondbelasting geen belemmering vormen voor het realiseren van de woningen binnen het onderhavige plangebied. Hierbij aangemerkt dat op 20 juli 2018 de Regeling geurhinder en veehouderij is aangepast, waarbij de geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassystemen zijn verhoogd. De wijziging van de Rgv heeft geen gevolgen voor de beoordeling van de veehouderij aan Zandstraat 58, omdat daar geen sprake is van gecombineerde luchtwassystemen.

 

Bij het berekenen van de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen twee kilometer van het plangebied betrokken. Aangezien de wijziging van de Rgv wel betrekking heeft op enkele andere veehouderijen binnen twee kilometer van het plangebied (en omdat er mogelijk andere veranderingen zijn geweest bij veehouderijen), is de achtergrondbelasting opnieuw beoordeeld. Hierbij is gebruik gemaakt van een uitsnede uit de meest recente geurkaart van de gemeente 's-Hertogenbosch (d.d. 2021), zie onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0012.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0013.png"

Figuur 11: Achtergrondbelasting geur Pelgrimsche Hoeve

De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt 5 tot 10 ouE/m3 en het woon- en leefklimaat is daarmee 'afweegbaar' als gekeken wordt naar de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant. Als gekeken wordt naar de handreiking bij de Wgv (zie paragraaf 3.4 van het geuronderzoek), is het woon- en leefklimaat 'goed' of 'redelijk goed'. De achtergrondbelasting vormt geen belemmering voor het plan.

 

Het geuronderzoek is gericht op de Wgv. De Wgv vormt het wettelijk kader voor de geurhinder vanuit dierenverblijven. De veehouderij aan Zandstraat 58 beschikt ook over een mestbassin. Voor mestbassins zijn voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook ten aanzien van het mestbassin is een onderzoek uitgevoerd, welke is opgenomen in bijlage 8. Dit betreft 'Adviesmemo Plangebied Nuland Oost/Pelgrimsche Hoeve' van 31 mei 2016 opgesteld door De Roever Omgevingsadvies. Uit het onderzoek blijkt dat het mestbassin geen belemmering vormt voor het realiseren van de woningen binnen het onderhavige plangebied. De gehanteerde uitgangspunten zoals omschreven in de memo zijn nog actueel. Aangezien het uitwerkingsgebied Pelgrimsche Hoeve fase 4 en 5 ligt op een afstand groter dan 50 meter is er geen sprake van een beperking van de veehouderij en is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

3.10 Water

In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting van dit uitwerkingsplan.

Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer

Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water.

In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld.

De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen.


De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:

Voorkom vervuiling van (regen)water;

Houdt vuil water en schoon hemelwater gescheiden;

Verwerk schoon hemelwater volgens de voorkeursvolgorde:
1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Vertraagde afvoer;

Ontwikkel hydrologisch neutraal, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied (denk aan grondwaterstand, waterpeil en afvoer). Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties;

Houdt rekening met waterschapsbelangen. Bijv. ruimteclaims voor waterberging of een EVZ (ecologische verbindingszone), de aanwezigheid van keringen of watergangen, en dergelijke;

Ontwikkel wateroverlast vrij: schade door extreme neerslag moet worden voorkomen;

Meervoudig ruimtegebruik: combineer waar mogelijk gebruiksfuncties. Bijv. een infiltratiezone kan bovengronds worden ingericht als groenzone of speelterrein;

Water biedt een kans om meerwaarde te geven aan een plan door gebruik te maken van de belevingswaarde van het water.

Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit uitwerkingsplan.

Huidige situatie

Het plangebied was in agrarisch gebruik. Het wordt omgevormd naar woningen en bijbehorende infrastructuur.

Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden, waterkeringen, leggerwatergangen, e.d.

Het perceel ligt in de grondwaterbeschermingszone van de drinkwaterwinning van Nuland. De provincie heeft in de Interim-omgevingsverordening (IOV) extra regels opgenomen om ons drinkwater te beschermen, waardoor bij werkzaamheden in dit gebied een melding of vergunning nodig kan zijn. Denk hierbij aan diepe bodemwerkzaamheden en toepassen van grond of baggerspecie; bodemenergiesystemen zijn hier verboden. Voor afstromend hemelwater, van gebouwen mét uitloogbare materialen én van wegen en parkeerterreinen, geldt dat een geschikte zuiverende voorziening moet worden toegepast (zoals een infiltratieveld). Voor afstromend hemelwater van gebouwen gelden geen extra regels als er geen uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt (zoals bijvoorbeeld al dan niet gecoat zink, lood, koper, teerbitumen, gewolmaniseerd hout).

Er zijn watergangen aanwezig in het gebied.

Grondwaterstand en maaiveldhoogte

Het huidige maaiveld ligt gemiddeld op 5.0 m NAP. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bevindt zich op 4,20 m + NAP.

Toekomstige situatie en waterbergingsopgave

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0014.png" 
Figuur 12: overzichtskaart inrichting plangebied

Het plangebied Pelgrimsche Hoeve fase 4 en 5 met circa 138 woningen maakt deel uit van het totale plan Pelgrimsche Hoeve waarin gefaseerd 275 woningen worden ontwikkeld, zie inrichtingskaartje hierboven. De hemelwateropgave is berekend en uitgewerkt voor het totale plangebied. Voor de hemelwateropgave van fase 1 tot en met 3 was een tijdelijk infiltratieveld aangelegd bij de Akkerdravik. Bij de aanleg van de laatste fasen van de Pelgrimsche Hoeve zal de hemelwateropgave voor het totale plangebied worden bepaald en opnieuw met maatregelen ingevuld. Het tijdelijk infiltratieveld zal worden gedempt.

De norm voor de hemelwateropgave is vastgelegd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater en bedraagt 60 mm.

De grootte van het totale plangebied Pelgrimsche Hoeve bedraagt ruim 10 hectare. De verharding in het gebied bestaat uit infrastructuur, daken en de aan te leggen verharding op de uitgeefbare percelen.

De oppervlaktes van de verhardingen staan in de tabel:

Oppervlakte verhardingen    
Verharding infrastructuur (grijs)   23.265 m2  
Dakoppervlakten (rood)   14.550 m2   
Verharding perceelsoppervlakte (excl. daken) 50% (blauw)   23.246 m2  
Totaal oppervlakte verhardingen   61.061 m2  

Tabel 4: oppervlakte verharding

De verharding bedraagt 61.061 m2. De hemelwateropgave komt daarmee op 3.665 m3.

Ontwerp nieuw watersysteem

Hemelwater

Schoon hemelwater wordt binnen het plangebied vastgehouden en geïnfiltreerd in de bodem. Het uitgangspunt is berging op eigen perceel. Per uit te geven perceel dient 10 mm hemelwater per m2 verharding te worden geïnfiltreerd in de bodem. Dit bedraagt in totaal ruim 200 m3 waterberging op de percelen. Overtollig hemelwater kan via de openbare weg bovengronds worden afgevoerd. Het overtollig water en het water van de overige verhardingen wordt afgevoerd naar twee infiltratievelden voor de hele wijk.

Het grootste deel van het afstromend hemelwater zal worden afgevoerd naar een aan te leggen infiltratieveld langs de Industriestraat. Dit infiltratieveld functioneert als zuiverende voorziening ten behoeve van de bescherming van het grondwater. Het veld is ongeveer 350 m lang en gemiddeld 15 meter breed; de bergingscapaciteit bedraagt minimaal 3.200 m3. Een tweede kleiner infiltratieveld zal worden aangelegd aan de westkant van het gebied, ter hoogte van De Gaffel; de groenzone wordt hier verlaagd aangelegd. Hierop zal het hemelwater van de daken van de aangelegen woningen afvoeren. Als het infiltratieveld langs de Industriestraat vol zit, zal deze zone tevens als noodoverloop fungeren voor overtollig water. De bergingscapaciteit van dit infiltratieveld bedraagt circa 500 m3.

In totaal bedraagt de waterberging 3.900 m3 en voorziet in de hemelwateropgave:

Invulling hemelwateropgave (3.665 m3):  
Infiltratieveld Industrieveld   3.200 m3  
Infiltratieveld De Gaffel   500 m3  
Waterberging op percelen   200 m3  
Totaal   3.900 m3  

Tabel 5: invulling hemelwaterbergingsopgave

Bij extreme situaties wanneer meer dan 60 mm valt kunnen de infiltratievelden overlopen naar de straat waar nog enige berging mogelijk is tussen de banden.

Afvalwater en riolering

In het plangebied wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Het hemelwaterriool voert af op de infiltratievelden. Het vuilwater wordt onder vrij verval afgevoerd naar de bestaande riolering in de Industriestraat en de Akkerdravik. Dit water wordt via bestaande gemalen afgevoerd naar de RWZI te Vinkel.

Grondwater en maaiveldhoogte

Het maaiveld in het plangebied zal worden opgehoogd naar 5,4 m +NAP. Er worden geen wijzigingen verwacht in de grondwaterstand.

Waterkwaliteit

Er mogen geen uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt (zoals bijvoorbeeld al dan niet gecoat zink, lood, koper, teerbitumen, gewolmaniseerd hout) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen.

Beheer en onderhoud

De gemeente is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de hemelwatervoorzieningen in het openbaar gebied.

Conclusie

In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied Pelgrimsche Hoeve bepaald en ingevuld met een passende inrichting voor het hemelwater en vuilwater. Benodigde meldingen en vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.

3.11 Duurzaamheid

We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019).

Met de vastgestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's: 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving (o.a. hemelwaterberging)

Inwoners van 's-Hertogenbosch wonen in een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. De gemeente biedt een veilige plek voor haar inwoners, ongeacht veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Door het veilige watersysteem houdt de gemeente droge voeten en is zij bestand tegen droogte. Natuur is overal aanwezig en draagt bij aan een gezonde leefomgeving met een hoge mate van biodiversiteit.

2. CO2 neutrale omgeving (energie)

's-Hertogenbosch gebruikt in 2050 alleen nog maar duurzaam opgewekte energie. De daken in de gemeente zijn grotendeels gevuld met zonnepanelen. Huizen en bedrijfspanden zijn goed geïsoleerd en er wordt nog beter gebruik gemaakt van restwarmte. De inwoners van 's-Hertogenbosch verplaatsen zich op een schone wijze: met de fiets, het openbaar vervoer of met duurzame auto's.

3. Waardebehoud van grondstoffen (circulariteit)

In 2050 gaan de inwoners van de gemeente bewust om met hun spullen. Bedrijven ontwikkelen producten en gebruiken grondstoffen die hernieuwbaar, biologisch afbreekbaar of herbruikbaar zijn.

4. Duurzame mobiliteit

's-Hertogenbosch ontwikkelt zich tot een gemeente vol met slimme, schone en duurzame mobiliteit. Met een autoluwe binnenstad en een toename van elektrisch verkeer is de lucht schoner geworden.

Energie

Op dit moment werken we intensief aan het verduurzamen van onze gemeente 's-Hertogenbosch. Hierbij is 'energie' een belangrijk speerpunt binnen onze gemeente. Enerzijds door het realiseren van duurzame energievormen (zoals windturbines, zonnepanelen, warmtepompen) en anderzijds door het energiezuinig (neutraal) laten bouwen. Ook oplossingen voor waterbeheer dragen bij aan de ontwikkeling van een duurzame (toekomstbestendige) gemeente.

De gemeente heeft doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaat neutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2035 en 's-Hertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2050. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020”, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat we als gemeente een serieuze bijdrage leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in onze gemeente.

Woningen

Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 1 januari 2021 moet nieuwbouw aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. Het bestuursakkoord zet bij ontwikkelingen in om vooruit te lopen op de landelijke norm (zoals deze zich nu laat aanzien).

Klimaatverandering

Het klimaat verandert. In Nederland krijgen we volgens de meest recente KNMI-modellen in de toekomst te maken met meer extreme weersomstandigheden zoals langere droge periodes, heftigere buien (met mogelijk meer onweer, neerslag, hagel en wind) en gemiddeld zal de temperatuur stijgen. Door hierop tijdig te anticiperen en aanpassingen door te voeren aan de fysieke leefomgeving van de stad en adaptief gedrag van haar inwoners te ondersteunen, blijft de stad van de toekomst veilig en leefbaar.

Om hittestress te voorkomen als gevolg van veel verstening en asfalt liggen bij (her) ontwikkelingen kansen voor een klimaatadaptieve inrichting. Vooral het aanleggen van groen en aanplanten van bomen zorgt voor verkoeling. Voor bomen is het belangrijk dat ze voldoende ondergrondse groeiruimte krijgen en altijd van voldoende water zijn voorzien.

Ontwikkelingen in plangebied

Om een duurzame ontwikkeling en klimaatadaptieve inrichting te verkrijgen wordt ingezet op de onderstaande aspecten:

Het openbaar gebied wordt groen en klimaatvriendelijk ingericht, onder andere door het realiseren van bomen en beplanting in de openbare gebieden, het opvangen van hemelwater in wadi's, het realiseren van een hondenuitlaatvoorziening, creëren van een wandelrondje door het plangebied, de auto te gast te laten zijn, realiseren van laadpunten en ontmoetingsplekken nabij speel- en sportvoorzieningen.

Qua bebouwing wordt rekening gehouden met de volgende uitgangspunten:

  • Stedenbouwkundige maatregelen worden getroffen, die ervoor zorgen dat de dagelijkse hoeveelheid gratis energie door de zon optimaal benut wordt.
  • Bouwkundige maatregelen, zoals goed isoleren, hoge luchtdichtheid en opslag van energie in de gebouwmassa.
  • Gebruik van energie uit reststromen zoals warmteterugwinning en gebruik van restwarmte.
  • Gebruik van duurzame maatregelen, zoals zonne-energie en energie uit de lucht (vanwege het grondwaterbeschermingsgebied is het toepassen van bodemenergie niet mogelijk).
  • Efficiënt gebruik van fossiele brandstoffen, zoals toepassing van hoog rendementinstallaties- en apparatuur, energie-efficiëntie verlichting, lage warmteproductie en juiste ventilatie.

De nieuw te bouwen woningen moeten conform het Bouwbesluit aan de BENG-eisen voldoen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen). Hierdoor wordt de energiebehoefte beperkt en wordt er maximaal gebruik gemaakt van duurzame bronnen. Om aan het collegeakkoord tegemoet te komen wordt als extra / plusje gestimuleerd om de daken optimaal in te zetten voor de opwekking van duurzame energie (zonnepanelen en zonnecollectoren). Vanwege het aanzicht c.q. uiterlijk wordt ook gestimuleerd om het volledige dakvlak van zonnepanelen te voorzien.

Bomen, water en groen

De Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021 is door de gemeenteraad vastgesteld op 9 maart 2021. Deze verordening bestaat uit drie onderdelen: bomen, water en groen en behoort bij de visie 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig. In de verordening worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel hiervan is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogenbosch kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Ook is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Met de regels in de verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen geborgd.

Bomen

Voor bomen (houtopstanden) is aangesloten bij de uitgangspunten van het Bomenbeleidsplan 2017. Bomen dragen bij aan een betere wateropvang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daarmee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor onze leefomgeving. Daarom zijn in de verordening regels opgenomen om categorieën houtopstanden die voor de gemeente van belang zijn te beschermen. Voor deze categorieën houtopstanden geldt onder meer een vergunningplicht. Zonder een vergunning mogen deze houtopstanden niet worden geveld.

Voor het realiseren van de ontsluitingsweg Akkerdravik is het noodzakelijk om 3 populieren te kappen. Deze bomen staan in een rij opgesteld langs de Industriestraat, ten zuiden van het plangebied. Er is een melding gedaan van de kap en er is een herplantplicht voor 3 bomen opgenomen. In de groenstrook met wadi langs de Industriestraat worden nieuwe bomen aangeplant om de groene buffer tussen de Pelgrimsche Hoeve en bedrijventerrein De Terp.
Er is centraal in het plangebied nog een houtopstand aanwezig. Het is niet mogelijk om deze houtopstand te behouden omdat dit gedeelte van het woongebied bestemd is voor woningbouw. Wanneer de werkzaamheden in dit gebied plaats gaan vinden dan wordt de houtopstand verwijderd. In de directe omgeving wordt nieuwe aanplant gerealiseerd langs de wegen en in de groenstrook.
Er worden in het kader van de ontwikkeling van fase 4 en 5 van de Pelgrimsche Hoeve circa 234 nieuwe bomen aangeplant. Dit is verder toegelicht bij het onderdeel groen.

Water

Voor water gelden regels voor het lozen van grondwater en hemelwater. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in de verordening onder meer de verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd.
Dit onderdeel is uitgewerkt in de waterparagraaf in paragraaf 3.10.

Groen

Voor groen is per gebied een groennorm vastgelegd. Groen biedt een oplossing voor het extremer weer: het zorgt voor verkoeling door betere wateropvang en het leveren van schaduw en een hogere luchtvochtigheid. Ook draagt groen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Het doel van de groennorm is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving.

Groen (kwantitatieve groenscore, betekenis voor het plangebied)

De openbare ruimte in het plangebied van de Pelgrimshoeve fase 4 en 5 wordt door de gemeente ingericht, op basis van de doelstellingen en richtlijnen van het gemeentelijk beleid 'Groen en klimaatbestendig 's-Hertogenbosch 2021. Uit de Verordening Bomen, Groen en Water blijkt dat de groennorm 40% is (dorpse en landelijke woonmilieus).


Het oppervlak van het uitwerkingsgebied is 59.699 m2. Dit is inclusief de groene buffer / wadi gelegen parallel aan de Industriestraat aangezien dit onderdeel is van het ontwerp van het totale plangebied van de Pelgrimshoeve. Zoals uit onderstaand overzicht blijkt is er sprake van 11.806 m2 groen. Het aandeel verkeer is 12.042 m2. In de bestemming verkeer wordt ook 'groen' gerealiseerd. Uitgegaan wordt van een percentage van 10% groen oftewel 1.204 m2 groen. Het oppervlak wonen betreft 35.581 m2. In deze bestemmingsvlakken worden zowel de woningen als de tuinen met looppaden en garage/tuinhuizen gerealiseerd. Voor het inrichten van groen in de woonbestemming wordt uitgegaan van 20% groen ofwel 7.170 m2 groen. Dit resulteert in circa 20.180 m2 groen. Bij kavelverkoop, projectmatig en particulier, zal de aanleg van groene tuinen, groene daken, groene gevels, bouwkundige elementen ten behoeve van de bevordering van biodiversiteit worden gestimuleerd. Op dit moment is dit niet afdwingbaar en daarom niet in de berekening van de groenscore meegenomen. 

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0015.png"

Figuur 13: overzicht oppervlaktes


Uit de inventarisatie blijkt dat er circa 234 bomen worden gepland in dit gebied. Bomen worden extra gewaardeerd in de kwantitatieve groenscore vanwege het aandeel ervan in het bereiken van de doelstelling om een klimaatadaptieve, biodiverse, groene en daarmee ook een gezonde omgeving te verkrijgen. De kroonprojectie van de bomen worden ingeschat op gemiddeld 5 meter 10 jaar na aanplant. Dit is realistisch gelet op de beschikbare ruimte om te groeien. De gemeente draagt zorg voor de aanplant en het beheer en onderhoud van deze bomen. Uitgaande van minimaal 200 bomen met een kroonprojectie van 5 meter per boom resulteert dit in 1.000 m2. Aangezien de kroonprojectie conform de Verordening 4x meetelt is het oppervlak waar mee gerekend mag worden 4.000 m2.

Alle bovenstaande gegevens zijn verwerkt in het scoresysteem kwantitatieve groenscore, zie onderstaande uitsnede:

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0016.png"

Figuur 14: berekening kwantitatieve groenscore


Uit de berekende groenscore van 41% blijkt dat er wordt voldaan aan de groennorm van 40%. Hiermee blijkt dat het uitwerkingsplan haalbaar en uitvoerbaar is voor wat betreft de kwantitatieve groennorm.

Het realiseren van de minimaal 200 bomen in het gebied vindt plaats op openbaar grondgebied. De gemeente is eigenaar van deze gronden en zal zorgdragen dat de bomen worden gepland en in stand worden gehouden. Een nader uit te werken inrichtingstekening zal nog worden uitgewerkt om de minimaal 200 bomen in te passen. Het inpassen van de bomen zal plaatsvinden samen met het woonrijp maken van het gebied. Hierbij wordt echter wel rekening gehouden met het plantseizoen.  

Groen (kwalitatieve biodiversiteitscore, betekenis voor het plangebied)

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0017.png"

Tabel 6: berekening kwalitatieve biodiversiteitscore


Minimaal 8 punten moeten behaald worden bij de aanleg van meer dan 500 m2 nieuwe verharding in het kader van het opstellen van het uitwerkingsplan. Op basis van het planontwerp zijn 9 punten realiseerbaar in het plangebied. Hieronder volgt per onderdeel een nadere toelichting.


Onderdeel A - Groenscore boven de groennorm
Het is in deze fase van de planvorming niet meer mogelijk om de kwantitatieve groennorm in grote mate te verhogen. In het bestemmingsplan Nuland Oost is opgenomen dat een bepaald aantal woningen wordt gerealiseerd in dit gebied. Met het uitwerkingsplan wordt hier invulling aan gegeven. Voor de berekende kwantitatieve groenscore is uitgegaan van 20% groen als onderdeel van de oppervlakte wonen, dat wil zeggen woonhuizen inclusief de tuinen. Als dat percentage hoger wordt, heeft dat effect op de groenscore. Dat geldt ook voor het toepassen van groene gevels. Bij kavelverkoop, projectmatig en particulier, zal de aanleg van groene daken, groene gevels, bouwkundige elementen ten behoeve van de bevordering van biodiversiteit worden gestimuleerd. Op dit moment is dit niet afdwingbaar en daarom niet in de berekening van de kwantitatieve groenscore meegenomen.
De kwantitatieve groenscore kan nog toenemen wanneer deze maatregelen worden genomen.


Onderdeel B - Behoud van natuur en nieuwe natuur


Onderdeel B1 - Reeds aanwezige natuur
De in het gebied aanwezige bomen, in de rand, worden ingepast en behouden. Verder zijn er in de uitgangssituatie geen bomen aanwezig. Omdat dit hoog gewaardeerd wordt, wordt deze score naar boven afgerond en kan er 1 punt worden toegekend.

Onderdeel B2 - Nieuwe natuur
Bij de nadere invulling van de openbare ruimte wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de in de omgeving aanwezige soorten en soorten die er voor kunnen komen. Er wordt nader onderzoek gedaan om te bepalen welke soorten voorkomen in het gebied en welke soorten er voor zouden kunnen komen. Op basis hiervan worden richtlijnen geformuleerd voor de inrichting. Deze richtlijnen voor de inrichting van de openbare ruimte, zouden ook toegepast kunnen worden voor de tuinen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van openingen in schuttingen, het toepassen van planten waar bepaalde vlinders of andere insecten van afhankelijk zijn, dichte struwelen en stofbaden voor huismussen. Op basis van de aanwezige soorten en de soorten die er voor kunnen komen wordt er voor de inrichting van tuinen advies gegeven bij de kavelverkoop om maatregelen in tuinen te stimuleren. Omdat de toepassing van dit soort elementen vooralsnog alleen zeker is voor de openbare ruimte wordt uitgegaan van een score van maximaal 2 omdat het een aandeel van 66-75% van de beschikbare ruimte betreft.


Onderdeel C - Inheemse soorten


Onderdeel C1 - Nieuwe aanplant inheemse soorten 
Bij de aanleg en het inzaaien van de nieuw aan te leggen groen in de openbare ruimte wordt gebruik gemaakt van inheemse soorten passend bij de groeiplaats/omgeving. Omdat de openbare ruimte een groot deel van de beschikbare ruimte omvat kunnen hiermee 2 punten worden behaald. Indien er ook een aandeel gazongras wordt aangelegd, moet dat nader worden bekeken.


Onderdeel C2 - Drachtplanten
Bij de soortkeuze voor de openbare ruimte wordt rekening gehouden met drachtplanten.


Onderdeel D - Natuurinclusief bouwen 
Bij de nieuwe bebouwing wordt gestimuleerd om passende en goed geplaatste faunavoorzieningen aan te brengen zoals nestkasten voor vogels en vleermuisverblijfsplaatsen naar rato van het bouwvolume voor meer dan 3 soorten voor het gehele plangebied. Denk daarbij aan nestkasten voor verschillende soorten vogels, verschillende soorten vleermuizen, bijenhotel, overstek met ondergrond geschikt voor huiszwaluwen Bij kavelverkoop, projectmatig en particulier, zal de aanleg van groene daken, groene gevels en bouwkundige elementen zoals nestvoorzieningen ten behoeve van de bevordering van biodiversiteit worden gestimuleerd. Aanvullend op de maatregelen genomen door de projectmatige en particuliere ontwikkelaars zullen we er als gemeente zorg voor dragen dat er in het plangebied voor meer dan drie soorten faunavoorzieningen gerealiseerd worden.


3.12 Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit uitwerkingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  • a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
  • b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

 

ad a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit uitwerkingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2), zijnde:

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat.

Het planvoornemen betreft het realiseren van circa 138 woningen. Het plan voldoet daardoor niet aan de criteria voor een mer-plicht.

Aangezien de activiteit is genoemd in het Besluit mer en het plan een besluit betreft wat genoemd is in kolom 4 (besluiten) van de D-lijst, is op grond van jurisprudentie een vormvrije mer-beoordeling nodig. Afgewogen moet worden of er sprake is van significante nadelige milieueffecten conform de criteria van het Besluit mer (bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'). De criteria zijn de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Onderstaand zijn de criteria kort afgewogen:

Kenmerken van het project

De omvang van het project betreft circa 138 woningen. Dit is gering in relatie met het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, Tevens is er geen risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering, ten gevolge van de ontwikkeling. Risico's voor de menselijke gezondheid treden niet noemenswaardig op. Kortom zijn er geen kenmerken van dit project die leiden tot een Mer-plicht.

Plaats van het project

Het huidige grondgebruik betreft akkerland en weiland. Er is geen sprake van aantasting van de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regenaratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu wordt niet aangetast. Kortom is de plaats van het project geen aanleiding voor een Mer-plicht.

Kenmerken van het potentiële effect

Er is geen sprake van potentiële aanzienlijke effecten van het project op haar omgeving. Dit blijkt onder andere uit de uitgevoerde milieuonderzoeken. Dit is geen aanleiding voor een Mer-plicht.

Conclusie

Er is geen sprake van een Mer-plicht.

 

ad b.

De dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied betreffen 'Rijntakken' en 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek' en zijn gelegen op een afstand van circa 10,2 en 10,4 kilometer.

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten. Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde.

3.13 Ecologie

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Stikstofonderzoek

Toetsingskader
De recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) heeft op 29 mei 2019 (zie: AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: 'PAS') niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden.
Deze beslissing heeft consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, de aanleg van infrastructuur (o.a. vaar-, spoor-, en autowegen), de bouw van nieuwe bedrijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden.

Woningbouwplannen (ook kleinschalige woningbouwplannen) kunnen leiden tot een toename van de stikstofuitstoot en daarmee tot een depositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. De toename van stikstof kan het gevolg zijn van bouwwerkzaamheden in de realisatiefase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen naar en grondverzet op de bouwplaats). Het gebruik van de woningen (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Deze toename kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het gebruik van gas en het autoverkeer van bewoners en bezoekers van de woningen.

Als het woningbouwproject significant negatief effecten kan veroorzaken op stikstofgevoelige habitattypen en soorten in een Natura 2000-gebied als gevolg van stikstof of andere effecten is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist (zie artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming). Om na te gaan of het planvoornemen mogelijk vergunningsplichtig is in het kader van de Wet natuurbescherming is het bouwplan en de ligging van de locatie ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied van belang.


Beschrijving
De planlocatie ligt in stedelijk gebied en op ruime afstand (minimaal 1300 meter) van Natura 2000-gebied Bossche Broek. Dit voormalig agrarisch gebied is gevoelig voor stikstof. Met het planvoornemen wordt agrarisch gebied omgezet naar woongebied met circa 140 woningen. De woningen worden conform de huidige regelgeving gasloos worden ontwikkeld, waardoor de stikstofdepositie in de gebruiksfase wordt gevormd door het autoverkeer. Daarbij moet tevens voor de realisatiefase worden gekeken of de stikstofdepositie geen significante negatieve effecten heeft op het Natura 2000-gebied. De Aerius-berekening kan inzicht geven of een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming kan worden uitgesloten.


Onderzoek
Voor de woningbouwontwikkeling is een onderzoek verricht naar de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 11 en betreft "Stikstofdepositieonderzoek, Pelgrimsche Hoeve Nuland fase 4 en 5", uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies met rapportnummer 20201583.v01 d.d. 12 april 2021.

Met de beoogde ontwikkeling vindt emissie plaats van stikstofhoudende verbindingen als gevolg van de plaatsvindende activiteiten en de verkeersgeneratie. Onderscheid wordt gemaakt in de realisatiefase en de gebruikersfase. De te verwachten plaatsvindende activiteiten en transportbewegingen en de daarmee gepaard gaande stikstofemissie is inzichtelijk gemaakt en in het rekenprogramma Aerius ingevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat er in de gebruikersfase geen sprake is van een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar ter plaatse van Natura 2000-gebieden.

Voor de aanleg- en bouwfase is in een worstcase-scenario sprake van een stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar. Hierbij is geen rekening gehouden met interne saldering. Op Rijksniveau is een redeneerlijn vastgesteld voor depositie afkomstig van mobiele werktuigen en ander materieel in de aanlegfase van projecten. Voor het aspect stikstof is geen vergunning op grond van de Wnb noodzakelijk wanneer de stikstofdepositie kleiner dan of gelijk is aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal twee jaar op een overbelast stikstofgevoelig habitat. Significante gevolgen kunnen dan op voorhand worden uitgesloten. Deze redeneerlijn is getoetst door de landsadvocaat en door de provincies in het Bestuurlijk Overleg met de minister van LNV op 22 april 2020 onderschreven. De berekende stikstofdepositie voldoet aan deze redeneerlijn. Er is geen sprake van een vergunningsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.


Conclusie
Uit het stikstofonderzoek blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar in de gebruikersfase waardoor er geen sprake is van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Voor wat betreft de aanlegfase/bouwfase wordt voldaan aan de reikwijdte van de redeneerlijn welke op rijksniveau is vrijgegeven en door de provincies wordt onderschreven.

Het plan is haalbaar en uitvoerbaar voor wat betreft het aspect stikstof.  


Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

  • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
  • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
  • andere soorten (artikel 3.10).


Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.


Onderzoek

Er is door Idverde Advies een quickscan flora en fauna opgesteld, d.d. 13-04-2021. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 9.
De volgende conclusie wordt getrokken op basis van de onderzoeksresultaten:
De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Voor de soortgroepen beschermde vaatplanten, reptielen, vissen en ongewervelden zijn negatieve effecten uitgesloten.

Voor vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, overige broedvogels en amfibieën kan niet zondermeer worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden. Voor deze soortgroepen moeten voorzorgsmaatregelen of vervolgstappen worden genomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002428-1401_0018.png"

Tabel 7: overzicht uitkomsten quickscan flora en fauna

 

Nader onderzoek roek

Tijdens de broedperiode moet vastgesteld worden waar het functioneel leefgebied van de roek zich bevindt.

Hiertoe worden twee gerichte veldbezoeken uitgevoerd in de periode waarin zoveel mogelijk nesten bezet zijn (half maart – half mei). Tussen de tellingen moet bij voorkeur minimaal 10 dagen zitten. Als blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van het essentieel leefgebied, dan zal er een ontheffing aangevraagd moeten worden voor het bebouwen van dit foerageergebied.

Opstellen ecologisch werkprotocol Roek

Bij verwacht effect op de roekennesten door verstoring van werkzaamheden en/of bomenkap dient een ecologische werkprotocol opgesteld te worden. In dit ecologisch werkprotocol worden maatregelen beschreven die schade aan kwetsbare natuurwaarden voorkomen of mitigeren.

De roeken langs Industriestraat komen uit de nabije kolonie. Wanneer de bomen langs de straat blijven staan, dan is de kans groot dat kolonie gaat uitbreiden langs deze straat. Uit ervaring weten wij dat Roeken nabij bebouwing spanningen opleveren met het woongenot van bewoners, vanwege geluidsoverlast en vogelpoep. Wij zien in het ontwerp dat er een brede groenstook langs de Industriestraat komt (afbeelding 3.1), waardoor er mogelijk geen sprake is van een toekomstig conflict. Wij adviseren u echter wel om dit als potentieel conflict te erkennen binnen het planproces en met een roekendeskundige/ecoloog te kijken naar de mogelijkheden en randvoorwaarden binnen het definitieve ontwerp.

Aanvullend vleermuisonderzoek naar vliegroutes
Bij kap van de bomenrij aan de Industriestraat of Schotsheuvel kan niet worden uitgesloten dat de bomenrij ongeschikt wordt als vliegroute van vleermuizen. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk wanneer er bomenrij of -rijen worden gekapt, om de functionaliteit van de bomen in het plangebied voor vleermuizen vast te stellen.

Onderzoekvoorwaarden:

• Onderzoek tussen 15 april - 15 oktober

• Minimaal 2 maal 2 uur, waarvan 1x in de kraamperiode (15 mei – 15 juni)

• Periode tussen de twee veldbezoeken tenminste 8 weken

 

Gebruik bouwverlichting

Foeragerende vleermuizen kunnen tijdens de werkzaamheden verstoord worden, wanneer er gebruik gemaakt wordt van bouwverlichting. Indien dit het geval is, moet voorkomen worden dat het licht op de omliggende bomen schijnt.

Buiten broedseizoen werken

Uit de effectbeoordeling van de soortenbescherming blijkt dat aanvullende specifieke beschermende maatregelen noodzakelijk zijn om negatieve effecten te voorkomen of te beperken.

• De kwetsbare periode van de roek is de voortplantingsperiode, die loopt van februari t/m juli. Werkzaamheden die verstorend werken, zoals heien, dienen buiten deze periode plaats te vinden om verstoring van broedende roken te voorkomen.

• Indien de werkzaamheden tijdens de globale broedperiode (maart - medio augustus) uitgevoerd gaan worden, controleer dan op aanwezigheid van nesten van algemene broedvogels in de bomen die grenzen aan de werkzaamheden. Indien broedende vogels voorafgaand of tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden waargenomen in en in de directe omgeving van het plangebied, schakel dan een ecoloog in om aan te geven op welke wijze de werkzaamheden voortgezet kunnen worden. Alleen op deze wijze kan voorkomen worden dat de uitvoering, door aanwezige broedgevallen, (tijdelijk) stilgelegd moeten worden, en pas hervat kan worden nadat het nest niet langer in gebruik is. Er is geen ontheffing mogelijk voor het opzettelijk verstoren van in gebruik zijnde nestplaatsen.

Demping overstort

Voor de mogelijk aanwezige amfibieën geldt dat het beste gewerkt kan worden aan de overstort buiten de periode van de voortplanting en larvenfase (half maart - augustus). Is dit niet mogelijk, werk hierbij dan langzaam vanuit het westen in oostelijke richting, zodat de eventueel aanwezige amfibieën de mogelijkheid hebben te vluchten naar landelijk gebied. Het gebied ten oosten van de overstort dient daarbij vrij te zijn van werkmachines of ingerichte werklocaties. In overleg met een ecoloog kunnen eventueel (nog) aanwezige amfibieën, eieren en/of larven uit het water worden weggevangen en verplaatst buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden.

Zorgplicht

Te allen tijde geldt voor alle soortgroepen de algemene zorgplicht. Het is van belang dat iedereen bij de uitvoering van de werkzaamheden zich hiervan bewust is. Geadviseerd wordt om activiteiten die nadelig zijn voor in het wild levende dieren en planten (ongeacht bescherming), in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen te nemen om onnodige schade aan deze soorten te voorkomen. Bij het aantreffen van diersoorten moeten deze de kans worden gegeven om de werkzaamheden te ontvluchten.

Aanvullend onderzoek roekenpopulatie

In de eerder uitgevoerde Quickscan is aanvullend onderzoek naar het foerageergebied van de roek in en rondom het plangebied aanbevolen. Om de waarde van het plangebied als functioneel leefgebied (foerageergebied) te bepalen is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Het volgende onderzoek is uitgevoerd: 'Aanvullend onderzoek functionaliteit Roeken, idverde Advies, d.d. 21 juni 2021'. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 10 van de toelichting.

Er zijn 3 bezoeken gebracht aan het plangebied om het leefgebied van de roek in kaart te brengen. Hieruit volgt de volgende conclusie:

Het essentiële foerageergebied voor de roekenkolonie aan de Industriestraat en Schotsheuvel bevindt zich niet in het plangebied, maar in de weilanden en voerkuil bij Zandstraat 58 en Zandstraat 51. Met de voorgenomen bouw en realisatie van de nieuwbouwwijk Pelgrimsche Hoeve gaat geen essentieel foerageergebied/leefgebied van de aanwezige roekenkolonie verloren.

Wel dient het plangebied buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor gras- en ruigtebroeders als putter, grasmus en graspieper. Daarnaast dienen de voorbereidings- en bouwwerkzaamheden binnen een straal van 20 meter ter hoogte van de bestaande nesten aan de Industriestraat opgestart te worden buiten de broedperiode van de roek.

Aan de hand van deze werkwijze worden verbodsartikelen binnen de Wet natuurbescherming dan ook niet
overtreden.

Conclusie

In de planuitwerking wordt rekening gehouden met de uitkomsten van de quickscan soortbescherming en het aanvullend onderzoek naar het leefgebied van de roekenpopulatie. Aan de hand van deze werkwijze worden verbodsartikelen binnen de Wet natuurbescherming niet overtreden.

3.14 Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.

Onderzoek

Bij het bestemmingsplan Nuland-Oost is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Hiermee zijn de archeologische waarden in kaart gebracht. Uit het bureauonderzoek blijkt dat zich in het plangebied geen gekende archeologische vindplaatsen bevinden. De bodem is verstoord door vergraving en/of egalisatie. Mochten er tijdens de werkzaamheden toch sporen of vondsten worden gedaan zal dit conform de wettelijk meldingsplicht worden gemeld.

Conclusie

Het aspect archeologie is bij het bestemmingsplan Nuland-Oost voldoende onderzocht.

Hoofdstuk 4 Juridisch-bestuurlijke aspecten

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels.

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van fase 4 en 5 van Pelgrimsche Hoeve juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het uitwerkingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en eventueel specifieke regels voor het gebruik van de bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Invulling van de uitwerkingsplicht

Door de invulling van de uitwerkingsplicht zal in de toekomst een nieuw woongebied in de Pelgrimsche Hoeve ontstaan. Met het voorliggende uitwerkingsplan geeft het college van burgemeester en wethouders uitvoering aan de uitwerkingsplicht voor het gedeelte van fase 4 en 5 van het woongebied.

Het betreffende gebied ligt op een gedeelte van het plandeel ‘Woongebied – uit te werken’ in Nuland Oost. Deze globale bestemming moet door burgemeester en wethouders nader worden uitgewerkt in een uitwerkingsplan. Bij de nadere uitwerking van de bestemming dient het college van burgemeester en wethouders zich te houden aan de door de raad vastgestelde regels. Aan deze regels is middels het onderhavige uitwerkingsplan voldaan. Het uitwerkingsplan vormt dan ook geen zelfstandig nieuw bestemmingsplan omdat het beleidskader, de essentiële elementen van het programma, door de gemeenteraad al is vastgesteld. Bij de uitwerking wordt de “globale” bestemmingsregeling vervangen door een uitgewerkte bestemmingsregeling, dat de basis vormt voor directe bouwtitels.

Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.

Het onderhavige plan is een uitwerking van een deel van het (moeder) bestemmingsplan Nuland Oost. De onderbouwing voor de economische uitvoerbaarheid is reeds bij de vaststelling van dit moederplan gegeven. Om te voldoen aan de wettelijke verplichting tot kostenverhaal zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro, is destijds tegelijk met het moederplan voor Nuland Oost een Exploitatieplan vastgesteld. Dit Exploitatieplan wordt gelijktijdig met het uitwerkingsplan herzien. Nadat het uitwerkingsplan en het exploitatieplan onherroepelijk zijn geworden zullen de (woning)bouwkavels worden verkocht aan particulieren/ontwikkelaars/corporaties. Voor het geraamde exploitatietekort is reeds een verliesvoorziening getroffen, waarmee het uiteindelijke exploitatietekort kan worden afgedekt. Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het uitwerkingsplan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 6 Inspraak en vooroverleg

Over het plan is, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening, gelegenheid tot inspraak geboden. Ook heeft in deze fase het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met diensten van het Rijk en de Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaatsvinden.

De resultaten van zowel het vooroverleg als de omgevingsdialoog zijn in dit stuk verwerkt.

Omgevingsdialoog
De omgevingsdialoog voor fase 4 bestond uit een tweetal bewonersavonden. Tijdens de eerste avond zijn de aanwezigen geïnformeerd de start van de uitwerking van fase 4 en is informatie opgehaald. De belangrijkste bouwstenen die zijn opgehaald zijn:

  • Versterken van de Molensteeg, fijnmazige verkeer
  • 'Gezonde' mix van woontypologieën
  • Groen hart/speelplek
  • Zoveel mogelijk alzijdige oriëntatie, geen achterkanten
  • Geen directe verbinding tussen de Gaffel en de Hoekakker

Tijdens de tweede avond is een concept verkaveling gepresenteerd en aangegeven op welke wijze er rekening is gehouden met de uitkomsten van de eerste informatieavond. Het stedenbouwkundig plan is enthousiast ontvangen en er waren geen opmerkingen die leidden tot een gewijzigde planopzet.

Voor de uitwerking van fase 4 en 5 is een concept verkaveling gepresenteerd tijdens een digitaal informatiemoment. Gedurende de webinar zijn er verschillende vragen gesteld om te peilen met welke intentie de aanwezigen deelnamen aan de webinar en om te peilen hoe de uitwerking wordt gewaardeerd. In lijn met de informatieavonden voor fase 4 is de concept verkaveling enthousiast ontvangen. Er is aandacht gevraagd voor een goede mix qua woningaanbod dat aansluit op de Nulandse behoefte, de verkeersafwikkeling en dan met name voor wat betreft de Schotsheuvel. Over de opzet van het stedenbouwkundig plan zijn gedurende de webinar geen opmerkingen geplaatst.

Het verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen in bijlage 12.

Vooroverleg

Reactie provincie Noord-Brabant
De planlocatie is gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. In artikel 9.2.3 van de regels van het plan is opgenomen dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.2.1 niet wordt verleend nadat het bevoegd gezag daarover advies heeft ingewonnen van het waterwinbedrijf, tenzij voor het werk, geen bouwwerk zijnde, al een vergunning op grond van de Provinciale Milieu Verordening (PMV) is verleend. De regels van de PMV zijn opgegaan in de Omgevingsverordening Brabant en niet het waterwinbedrijf moet het advies geven maar de provincie Noord-Brabant.

Bij deze vooroverlegreactie hebben wij als bijlage de Handreiking drinkwaterbescherming Provincie Noord-Brabant gevoegd. Wij verzoeken u om de voorbeeldregels uit deze Handreiking, met betrekking tot het grondwaterbeschermingsgebied, over te nemen in de regels van het uitwerkingsplan.

Reactie waterschap Aa en Maas
Naar aanleiding van deze te hebben beoordeeld, is geconstateerd dat er geen ruimtelijke waterschapsbelangen van toepassing zijn binnen het plangebied.
Enkel het grondwaterbeschermingsgebied ten behoeve van de drinkwaterwinning is een aandachtspunt, maar dit is op correcte wijze planologisch bestemd.
De hemelwaterbergingsopgave is nog niet correct beschreven en zal moeten worden aangepast in het plan.


Resultaat vooroverleg
De gemaakte opmerkingen van de provincie en het waterschap zijn verwerkt in het uitwerkingsplan. De regels voor het grondwaterbeschermingsgebied en de hemelwaterbergingsopgave zijn aangepast in het plan.