direct naar inhoud van Regels
Plan: I Bedrijventerrein GDC-Noord 2009 (omleggen weg Weijerbeemd)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0772.80274-0301

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan I Bedrijventerrein GDC-Noord 2009 (omleggen weg Weijerbeemd) met identificatienummer NL.IMRO.0772.80274-0301 van de gemeente Eindhoven.

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen).

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 A-, B- en C-hout

A-hout: massief en onbehandeld hout, zoals pallets en ongeverfd hout

B-hout:hardhout, hardboard, zachtboard en spaanplaat

C-hout:geïmpregneerd , gecreosoteerd en gewolmaniseerd hout, zoals tuinpalen, bielzen, meerpalen, beschoeing hout, boompalen.

1.6 Algemene wet bestuursrecht

Wet van 4 juni 1992, Stb. 315, houdende algemene regels van bestuursrecht, zoals deze luidde op het moment van ter inzage legging van het ontwerp van dit plan.

1.7 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.8 bebouwingspercentage

een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd dan wel minimaal moet worden bebouwd.

1.9 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein wenselijk is.

1.10 bedrijventerrein

het bedrijventerrein GDC Acht, bestaande uit het gebied omsloten door de Oirschotsedijk, Anthony Fokkerweg, het spoor, de snelweg A2 en bijbehorend groen.

1.11 beperkt kwetsbaar object
  • a. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting en met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare;
  • b. bedrijfswoningen, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting;
  • c. kantoorgebouwen, hotels en restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object vallen en voor zover zij niet behoren tot een bevi- inrichting;
  • d. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
  • e. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet onder het begrip kwetsbaar object vallen;
  • f. objecten die met het onder a. tot en met e. genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin meestal aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn;
  • g. objecten met hoge infrastructurele waarde, waaronder in ieder geval telefoon- en elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.
1.12 Besluit burgerluchthavens

Besluit van 30 september 2009, houdende regels voor burgerluchthavens (Besluit burgerluchthavens) zoals deze luidde op het moment van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

1.13 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Besluit van 27 mei 2004, Stb. 250, houdende regels inzake milieukwaliteitseisen op het gebied van de externe veiligheid zoals deze luidden op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.14 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.15 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.16 bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.17 Bouwbesluit 2012

Besluit van 29 augustus 2011 houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het bouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken (Bouwbesluit 2012), zoals deze luidde op het moment van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

1.18 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.19 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.20 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.21 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

1.22 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.23 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.24 buitenopslag

opslag in de openlucht van materialen of goederen met inbegrip van opslag van containers, doch exclusief opslag van goederen en materialen in containers.

1.25 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

1.26 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt.

1.27 gebiedsontsluitingsweg

een op de kaart voorkomende weg waarmee gebieden worden ontsloten, die meerdere kavels omvatten.

1.28 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.29 gebruiken

het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken.

1.30 geluidzoneringsplichtige inrichting

een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld.

1.31 gevaarlijke stoffen

gevaarlijke stoffen zijn stoffen waarvan het gebruik, het transport of de opslag (overslag e.d.), risico's met zich meebrengt. Het kan gaan om explosiegevaar, brand, giftigheid of radioactiviteit.

1.32 gewichtige redenen

redenen om af te wijken van de wettelijke richtwaarden, zoals bij extensief gebruikte terreinen en/of gebouwen (bijv. magazijnen, opslagloods), bij het opvullen van kleine open gaten in bestaand stedelijk gebied of bij vervangende nieuwbouw;

1.33 groepsrisico (GR)

cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is;

1.34 groothandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of afleveren van goederen aan wederverkopers, dan wel instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.

1.35 handel

elke vorm van handel, dat wil zeggen het bedrijfsmatig ten verkoop uitstallen, te koop aanbieden, verkopen of leveren van goederen.

1.36 HDO-afval

bedrijfsafval afkomstig van handel, diensten en overheid, waarbij de volgende afvalstromen te onderscheiden zijn:

- organisch bedrijfsafval, waarbij flessenglas aangemerkt dient te worden als organisch, daar hier mogelijk etensresten op kunnen zitten;

- niet-organisch bedrijfsafval.

1.37 hoofdgebouw

een gebouw dat, op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

1.38 huishoudelijk afval

afval van huishoudens, waarbij de volgende afvalstromen te onderscheiden zijn:

- GFT-afval: gescheiden groente-, fruit-, en tuinafval van huishoudens;

- huishoudelijk restafval: het overige huishoudelijk afval, naast het GFT-afval;

- niet gescheiden huishoudelijk afval: niet gescheiden GFT-afval en huishoudelijk restafval.

1.39 in de buitenlucht opslaan, verwerken en overslaan van organische afvalstoffen

het anders dan in volledig afsluitbare gebouwen opslaan, verwerken en overslaan van organische afvalstoffen, waarbij de gebouwen daadwerkelijk gesloten worden gehouden buiten de reguliere werktijden. Het betreft in dit kader uitsluitend de reguliere werktijden ten aanzien van het opslaan, verwerken en overslaan van organische afvalstoffen.

1.40 invloedsgebied

gebied waarin volgens bij regeling van Onze Minister gestelde regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico;

1.41 kantoor

een gebouw dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen.

1.42 kavelontsluitingsweg

een weg, die aansluit op een gebiedsontsluitingsweg, waarmee één of enkele kavels worden ontsloten.

1.43 kwetsbaar object
  • a. woningen, niet zijnde:
    • 1. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting en met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare;
    • 2. bedrijfswoningen;
  • b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, waartoe in ieder geval behoren:
    • 1. (psychiatrische) ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen;
    • 2. scholen;
    • 3. sociale werkplaatsen, of;
    • 4. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
  • c. gebouwen waarin meestal grote aantallen personen (> 50 pers.) gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren:
    • 1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² per object, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting of;
    • 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 m² bedraagt, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting, en winkels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd en voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting;
  • d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen, voor zover zij niet behoren tot een Bevi-inrichting.
1.44 lijst van bedrijfsactiviteiten

de bedrijvenlijst ontleend aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de VNG zoals opgenomen in Bijlage 1 (Lijst van bedrijfsactiviteiten) behorende bij deze regels.

1.45 Nota Parkeernormen 2016

parkeernormen vastgesteld op 17 mei 2016, gepubliceerd op 10 juni 2016.

1.46 organisch afval

onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken organische stoffen, waarbij de volgende afvalstromen worden onderscheiden:  
- dierlijk afval: slachtafval en kadavers;  
- GFT-afval: gescheiden ingezameld groente-, fruit- en tuinafval van huishoudens,  
- organisch bedrijfsafval: bedrijfsafval vergelijkbaar met GFT-afval, waaronder (gekookt) keukenafval en etensresten (swill), dat vrijkomt bij handel, diensten en overheid en veilingafval;  
- groenafval: gescheiden ingezameld groenafval dat vrijkomt bij aanleg en onderhoud van openbaar groen, bos- en natuurterreinen, berm- en slootmaaisel, alsmede al het afval dat hiermee te vergelijken is, zoals onder meer grof tuinafval, afval van hoveniersbedrijven, agrarisch afval en afval dat vrijkomt bij aanleg en onderhoud van terreinen van instellingen en bedrijven;  
- berm- en slootmaaisel: groenafval dat vrijkomt bij het maaien van groenstroken, wegbermen en slootkanten.  

1.47 peil

0.30 m boven de kruin van de weg.

1.48 plaatsgebonden risico (PR)

risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.

1.49 productiegebonden detailhandel

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, bewerkt of hersteld, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

1.50 PR10-6/jaar contour

binnen deze plaatsgebonden risicocontour is de kans 1 op de 1.000.000 per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is.

1.51 raccordement

aansluitingsspoor voor een bedrijventerrein.

1.52 regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi)

regeling van de Staatssecretaris van VROM van 8 september 2004, houdende regels met betrekking tot afstanden en de wijze van berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ter uitvoering van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.53 risicovolle inrichting
  • 1. inrichtingen zoals genoemd in artikel 2 van het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) respectievelijk artikel 1b van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  • 2. inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I van de regeling provinciale risicokaart of onder het Registratiebesluit Externe Veiligheid;
  • 3. inrichtingen met toxische gassen;
  • 4. inrichtingen waar een brandbaar tot vloeistof verdicht gas met een inhoud van meer dan 1 m3 wordt gebezigd of opgeslagen.
1.54 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden.
Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.55 water en waterhuishoudkundige voorzieningen

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.

1.56 Wet geluidhinder

Wet van 16 februari 1979 (Stb. 442), houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder, zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

1.57 Wet ruimtelijke ordening

Wet van 20 oktober 2006, Stb. 2006, 566, houdende nieuwe regels omtrent de ruimtelijke ordening, zoals deze luidde op het moment van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen, installatieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.6 afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens

gemeten vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) perceelsgrens.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Bedrijf´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. handel en bedrijf in de vorm van bedrijven:
  • met een kavelgrootte van minimaal 1.000 m2 en;
  • waarvan de bedrijfsvoering geheel of nagenoeg geheel (minimaal 85%) bestaat uit overslag, groupage, distributie en assemblage van goederen, niet zijnde afvalstoffen, en;
  • die voorkomen in de categorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 van de in Bijlage 1 opgenomen "Lijst van bedrijfsactiviteiten", niet zjnde geluidzoneringsplichtige inrichtingen, en /of kwetsbare objecten, en;
  • inclusief de met de bedrijfsvoering verband houdende logistieke dienstverlening en kantoorfaciliteiten, doch uitgezonderd detailhandel;
  • b. ter plaatse van van de aanduiding 'Specifieke vorm van bedrijf - 1 tevens voor handel en bedrijf in de vorm van industriële bedrijven en handelsbedrijven:
  • met een kavelgrootte van minimaal 1.000 m2 en;
  • die voorkomen in de categorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 van de in Bijlage 1 opgenomen "Lijst van bedrijfsactiviteiten", niet zijnde afvalverwerkende bedrijven en/of geluidzoneringsplichtige inrichtingen en/of zelfstandige kantoorvestigingen en/of kwetsbare objecten;
  • met uitzondering van detailhandel en groothandel in de vorm van ter plaatse aan detaillisten te leveren en/of door detaillisten af te halen goederen. Dit geldt niet voor het bepaalde onder sub c;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke vorm van bedrijf - 2' tevens voor handel en bedrijf in de vorm van opslag, verwerking en overslag van afvalstoffen, compostering hieronder begrepen:
  • met een kavelgrootte van minimaal 1.000 m2 en;
  • die voorkomen in de categorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 van de in Bijlage 1 opgenomen "Lijst van bedrijfsactiviteiten", en mits niet zijnde geluidzoneringsplichtige inrichtingen en/of zelfstandige kantoorvestiging en/of kwetsbaar object;
  • opslag, verwerking en overslag van organische afvalstoffen, voor zover dit niet in de buitenlucht plaatsvindt, is toegestaan met uitzondering van berm- en slootmaaisel en dierlijk afval;
  • d. productiegebonden detailhandel deel uitmakende van bedrijven vermeld onder a en/of b en/of c, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke vorm van bedrijf - 2 -1', tevens voor transportdoeleinden in de vorm van (een) raccordement(en);

met de daarbij behorende:

  • f. bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • g. buitenopslag, met uitzondering van organisch afval. Opslag van A- B- en C-hout in de buitenlucht is wel toegestaan;
  • h. erven en terreinen;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. infrastructurele voorzieningen, waaronder kavelontsluitingsweg;
  • k. parkeervoorzieningen;
  • l. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, met uitzondering van waterpartijen in de vorm van waterlopen, vijvers en open bassins;
  • m. nutsvoorzieningen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  • b. kantoorruimten dienen te worden geïntegreerd in het hoofdgebouw dan wel te worden gebouwd als zelfstandig hoofd- of bijgebouw;
  • c. de hoogte van hoofdgebouwen bedraagt minimaal 5 en maximaal 20 meter;
  • d. de hoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 20 meter;
  • e. gebouwen dienen te zijn voorzien van een dak waarvan de helling tussen de 10 en 30 bedraagt;
  • f. voor zover bouwpercelen zijn gelegen aan een niet op de verbeelding voorkomende kavelontsluitingsweg bedraagt de afstand tussen gebouwen en de naar de kavelontsluitingsweg gerichte grens van het bouwperceel minimaal 17 meter;
  • g. de onderlinge afstand tussen gebouwen op hetzelfde bouwperceel en de afstand tussen gebouwen en de grens met een ander bouwperceel bedraagt ten minste de helft van de hoogte van het hoogste gebouw, met een minimum van 5 meter;
  • h. het bebouwingspercentage bedraagt minimaal:
  • 50 voor bedrijven in de sectoren industrie en handel;
  • 40 voor bedrijven in de sectoren transport, overslag, groupage, distributie en assemblage;
  • 7 voor bedrijven gericht op containeropslag en voor bedrijven in de sector inzameling en verwerking van afval;
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de maximum bouwhoogte binnen het bouwvlak bedraagt:
  • 20 meter voor wat betreft voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie, terreinverlichting en telecommunicatie;
  • 12,5 meter voor voorzieningen in het kader van brandpreventie en -bestrijding, zoals een reservoir voor bluswater;
  • 5 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. buiten het bouwvlak zijn uitsluitende erf- en terreinafscheidingen toegestaan met een maximum bouwhoogte van 2,5 meter.

3.3 Nadere eisen
3.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

3.3.2 Externe veiligheid

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de wijze van uitvoering van de bebouwing ten behoeve van bouwkundige maatregelen op het gebied van externe veiligheid waarbij in nieuw te bouwen kantoorruimten met een brutovloeroppervlakte van mee dan 1.500 m2 een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem aanwezig dient te zijn.

3.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2:

  • a. en toestaan dat hoofd- en bijgebouwen vóór de naar de ontsluitingsweg gerichte zijde van het bouwvlak worden gebouwd indien de bedrijfsvoering dit vereist, met dien verstande dat de afstand van gebouwen tot de naar de ontsluitingsweg gerichte grens van het bouwperceel tenminste 17 meter bedraagt;
  • b. en toestaan dat een lager percentage van het bouwperceel wordt bebouwd, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  • 1. het percentage is niet lager dan 50% van het voor de desbetreffende sector van toepassing zijnde minimumpercentage;
  • 2. de omgevingsvergunning geldt voor de duur van maximaal 5 jaren;
  • 3. mede aan de hand van een te overleggen bedrijfsontwikkelingsplan is aantoonbaar dat het minimale bebouwingspercentage niet haalbaar is voor het te vestigen bedrijf;
  • 4. de tijdelijke omgevingsvergunning is vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar;
  • 5. de tijdelijke omgevingsvergunning is vanuit het oogpunt van beeldkwaliteit aanvaardbaar;
  • 6. de ruimtelijke en functionele structuur wordt niet onevenredig aangetast;
  • 7. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast;
  • 8. gebruik wordt gemaakt van maatregelen om duurzaam bouwen toe te passen.

3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Risicovolle inrichtingen

Ten aanzien van risicovolle inrichtingen gelden de volgende bepalingen:

  • a. een risicovolle inrichting is slechts toegestaan als de PR10-6/jaar contour van die inrichting niet buiten de eigen bouwperceelsgrenzen ligt. In afwijking hiervan mag de PR10-6/jaar contour buiten de eigen perceelsgrens vallen voor zover de contour over de bestemming 'Verkeer' ligt.
  • b. permanente bulkopslag van meer dan 1 m3 van tot vloeistof verdichte brandbare gassen moet ondergronds plaatsvinden;
  • c. het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen mag reiken buiten de plangrens van het bestemmingsplan mits direct daarbuiten over bedrijfsbestemmingen met hetzelfde risicoprofiel uit de Visie Externe Veiligheid, infrastructuur, water of openbaar groen.

3.5.2 Afwijking risicovolle inrichting
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.1 sub c en een groter invloedsgebied toestaan, mits het groepsrisico verantwoord wordt geacht.

3.5.3 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals vermeld in lid 3.1 wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het in de buitenlucht opslaan, verwerken en overslaan van organisch afval in het kader van de in lid 3.1 onder c bedoelde activiteiten anders dan in afgesloten containers. Opslag, verwerking en overslag van A-, B- en C-hout in de buitenlucht is in tegenstelling tot het voorgaande wel toegestaan;
  • b. opslag, verwerking en overslag van berm- en slootmaaisel en dierlijk afval;
  • c. inrichtingen en installaties ten behoeve van de verwerking van afvalwater, gier en mest, radioactief afval, autowrakken en groot chemisch afval, en het storten en verbranden van afval;
  • d. het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken voor opslag van organisch afval, met uitzondering van A-, B- en C-hout, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1';
  • e. het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken voor de opslag van goederen indien het onbebouwde gronden betreft buiten het in lid 3.2.1 onder a bedoelde bouwvlak;
  • f. het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken voor de opslag van goederen indien het onbebouwde gronden betreft binnen het in lid 3.2.1 onder a bedoelde bouwvlak, voor zover:
  • 1. de hoogte hiervan meer bedraagt dan de hoogte van het op het betreffende perceel aanwezige hoogste gebouw dan wel meer bedraagt dan 10 meter;
  • 2. de opslag van goederen betrekking heeft op de in lid 3.1 onder c bedoelde activiteiten, de hoogte hiervan niet meer bedraagt dan 1,5 maal de hoogte van het aanwezige hoogste gebouw dan wel meer bedraagt dan 15 meter;
  • g. het gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan vermeld in lid 3.1 sub d;
  • h. het gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken van bedrijfsgebouwen voor bewoning;
  • i. het gebruik van bedrijfsgebouwen voor kantoordoeleinden, anders dan ten dienste van het aldaar gevestigde bedrijf;
  • j. het gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • k. het gebruik van gronden als waterpartijen in de vorm van waterlopen, vijvers en open bassins;
  • l. het gebruik, in gebruik geven of laten gebuiken van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van kwetsbare objecten.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1:

  • 1. het bedrijven betreft waarvan de bedrijfsvoering geheel of nagenoeg geheel bestaat uit overslag, groupage, distributie en assemblage van goederen, niet zijnde afvalstoffen, dan wel
  • 2. bedrijven gericht op opslag, verwerking en overslag van afvalstoffen, compostering hieronder begrepen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 2',dan wel;
  • 3. het industriële bedrijven en handelsbedrijven betreft, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1';
  • 4. genoemde bedrijven onder 1, 2 en 3 geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen, zelfstandige kantoorvestigingen of kwetsbare objecten zijn.
  • 1. het bouwperceel dient voor minimaal 50% te worden bebouwd, waarbij:
  • voor een bedrijfsactiviteit in categorie 1 sprake dient te zijn van een bouwperceel met een oppervlakte van ten minste 20.000 m2;
  • voor een bedrijfsactiviteit in categorie 2 sprake dient te zijn van een bouwperceel met een oppervlakte van ten minste 10.000 m2;
  • 2. er geen sprake is van een geluidzoneringsplichtige inrichting en/of kwetsbare objecten.

3.6.2 Afwijkingsbevoegdheid buitenopslag groenafval

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.3 sub a, en toestaan dat, anders dan in afgesloten containers, groenafval in de buitenlucht wordt opgeslagen, verwerkt of overgeslagen mits het ministerie van Defensie schriftelijk heeft verklaard dat op basis van een door de initiatiefnemer overgelegde fauna-effectstudie is aangetoond dat een grondgebruik of bestemming voor buitenopslag van groenafval niet leidt tot een toename van het risico op vogelaanvaringen voor het luchtverkeer van en naar de luchthaven.

3.7 Wijzigingsbevoegdheid
3.7.1 Wijziging voor opnemen PR10-6/jaar contour van risicovolle inrichtingen

Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigne, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3.6 juncto 3.9a Wro, door de gehele PR10-6/jaar contour van een risicovolle inrichting op de verbeelding aan te duiden. Deze wijzigingsbevoegdheid geldt als de PR 10-6/jaar contour van een risicovolle inrichting gedeeltelijk ligt buiten de eigen bouwperceelsgrenzen en buiten de bestemming 'Verkeer'. De PR 10-6/jaar contour van een risicovolle inrichting mag gedeeltelijk buiten de eigen bouwperceelsgrenzen liggen, mits:

  • a. het gedeelte van de PR 10-6/jaar contour van de risicovolle inrichting dat buiten de eigen bouwperceelsgrenzen ligt, niet ligt over een (geprojecteerd) kwetsbaar object en ligt binnen de plangrens;
  • b. het gedeelte van de PR 10-6/jaar contour van de risicovolle inrichting dat buiten de eigen bouwperceelsgrenzen ligt, niet ligt over een (geprojecteerd) beperkt kwetsbaar object, tenzij daarvoor gewichtige redenen aanwezig zijn en uit een advies van de Veiligheidsregio Zuidoost Brabant blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn tot zelfredzaamheid voor de bevolking en voldoende mogelijkheden voor de bereikbaarheid voor hulpverlening en rampbestrijding.

Artikel 4 Verkeer

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor `Verkeer´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen en straten, bestaande uit maximaal twee rijstroken;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. groenvoorzieningen;
  • d. parkeervoorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen;

met daarbij behorende:

  • f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde en terreinen.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks voor de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer gelden de volgende regels:

  • a. de maximum bouwhoogte van lichtmasten is 10 meter;
  • b. een reclamezuil tot een maximale bouwhoogte van 10 meter;
  • c. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is 2,5 meter.

4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing, voor de verkeersveiigheid of sociale veiligheid.

Artikel 5 Leiding - Gas

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor:

  • a. een (ondergrondse) gastransportleiding;

met de daarbij behorende:

  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Op of in deze dubbelbestemming begrepen gronden zijn uitsluitend toegestaan bouwwerken ten dienste van de leidingen.

5.2.2 Voorrangsbepaling

Ingeval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die op grond van de andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

5.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.2 en toestaan dat bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende basisbestemming wordt gebouwd, mits:

  • a. de veiligheid van de gastransportleiding niet wordt geschaad;
  • b. geen kwetsbare objecten worden toegelaten;
  • c. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder.

5.4 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1 en toestaan dat de gronden gebruikt, in gebruik worden gegeven of te laten gebruiken ten behoeve van:

- erven en terreinen;

- parkeervoorzieningen;

- groenvoorzieningen;

- waterhuishoudkundige voorzieningen;

- wegen en straten, bestaande uit maximaal 2 rijstroken;

- nutsvoorzieningen;

- buitenopslag;

- raccordement.

mits de betrokken leidingbeheerder vooraf heeft verklaard dat hiertegen vanuit het belang van de leiding geen bezwaren bestaan.

5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.5.1 Omgevingsvergunningvereiste

Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, mengen, woelen en ophogen van gronden en/of het anderszins wijzigen van de bodemstructuur;
  • b. het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld voor het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • c. het aanbrengen/rooien van diepwortelende beplanting en bomen;
  • d. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
  • e. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • f. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • g. het aanleggen van waterlopen, sloten of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen, sloten;
  • h. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair.

5.5.2 Uitzonderingen op het vergunningvereiste

Het in artikel 5.5.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale onderhoud van de leiding;
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
  • c. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan een aanlegvergunning is verleend;
  • d. graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.

5.5.3 Criteria voor verlenen omgevingsvergunning

De in artikel 5.5.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend, indien het behoud van een veilige ligging van de leiding en de continuïteit van de functie van de betreffende leiding zijn gewaarborgd. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in artikel 5.5.1 winnen burgemeester en wethouders advies in bij de betreffende leidingbeheerder.

Artikel 6 Waterstaat - Waterlopen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterlopen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor:

  • a. oppervlaktewateren, zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen;
  • b. waterberging;
  • c. waterhuishouding;
  • d. waterlopen;

met de daarbij behorende:

  • e. andere voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Op of in deze dubbelbestemming begrepen gronden zijn uitsluitend toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de waterlopen. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 3 m.

6.3 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1 en toestaan dat de gronden gebruikt, in gebruik worden gegeven of te laten gebruiken ten behoeve van:

- erven en terreinen;

- parkeervoorzieningen;

- groenvoorzieningen;

- wegen en straten, bestaande uit maximaal 2 rijstroken;

- nutsvoorzieningen;

- buitenopslag;

- raccordement.

mits de betrokken waterbeheerder vooraf heeft verklaard dat hiertegen vanuit het belang van de waterloop geen bezwaren bestaan.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.4.1 Omgevingsvergunningvereiste

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen' de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het dempen van water;
  • b. het vergraven van oevers;
  • c. het verleggen van water;
  • d. het herprofileren van waterlopen.

6.4.2 Uitzondering omgevingsvergunningvereiste

Het in lid 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. de aanleg van ecologische oevers betreft;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

6.4.3 Criteria verlening omgevingsvergunningvereiste

De in lid 6.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwantiteit en de waterkwaliteit.

6.4.4 Advies

Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning slechts nadat advies is ingewonnen bij de waterbeheerder met betrekking tot de vraag of door de ingreep het waterhuishoudkundig belang niet onevenredig wordt aangetast.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

8.1 Gebruik overeenkomstig de bestemming

Al dan niet in afwijking van het bepaalde in de bestemmingsregels van Hoofdstuk 2 wordt ter plaatse van een functie-aanduiding het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met die functie-aanduiding aangemerkt als gebruik overeenkomstig die bestemming.

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels

9.1 Luchtvaartverkeerzone - ke contour

Op de de gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone - ke contour' zijn geen geluidgevoelige functies toegestaan.

9.2 Luchtvaartverkeerzone - ils - 2
9.2.1 Bouwregels

Voor de gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone - ils- 2' mogen, in afwijking van hetgeen overigens binnen de bestemmingen is toegestaan, de hoogtes van 50,3 tot 60,3 meter + N.A.P. niet door bebouwing worden overschreden, waarbij de laagste hoogtemaat van de zone de maximale bouwhoogte, zijnde 31 meter, bedraagt.

9.2.2 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord het Ministerie van Defensie, met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2.1 tot niet meer dan 10% van die hoogte mits er geen onaanvaardbare vestoring van de werking van het ILS danwel de funnel optreedt. Hiertoe horen Burgemeester en wethouders het Ministerie van Defensie.

9.3 Veiligheidzone - luchtvaart

Binnen de aanduiding Veiligheidzone - luchtvaart zijn geen gebouwen met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in artikel 1.1, lid 2, van het Bouwbesluit 2012 (zijnde kwetsbare gebouwen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van het Besluit burgerluchthavens) toegestaan.

9.4 Veiligheidzone - vervoer gevaarlijke stoffen
  • a. Binnen de aanduiding Veiligheidzone - vervoer gevaarlijke stoffen zijn geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegestaan;
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in onder a. voor beperkt kwetsbare objecten binnen de veiligheidszone indien er sprake is van gewichtige redenen. Onder gewichtige redenen wordt verstaan: redenen om af te wijken van de wettelijke richtwaarden, zoals bij extensief gebruik van gebouwen/terreinen, bij het opvullen van kleine open gaten in bestaand stedelijk gebied of bij vervangende nieuwbouw. Een bestaande situatie kan een gewichtige reden zijn. Onder extensief gebruikte gebouwen wordt verstaan: magazijnen, loodsen e.d.

 

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

10.1 Afwijken

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, met een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10 % van die maten, afmetingen en percentages. De bebouwingshoogte van bedrijfsgebouwen is hiervan uitgezonderd;
  • b. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat de aanduiding 'bestemmingsvlak' c.q. 'bouwvlak' wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • c. de regels met het oog op de realisering van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer, mits de inhoud per gebouw maximaal 150 m3 bedraagt;
  • d. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 m, behoudens ten aanzien van erf-/terreinafscheidingen;
  • e. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie, het ontvangen en zenden van radio- en televisiesignalen rechtstreeks ten behoeve van de geleiding , beveiliging en regeling van het verkeer, alsmede communicatievoorzieningen, kunstwerken en lichtmasten wordt vergroot tot niet meer dan 40 m¹, mits de Minister van Defensie schriftelijk heeft verklaard dat de werking van de ILS hierdoor niet in onaanvaardbare mate negatief wordt beïnvloed;
  • f. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat de hoogte van bouwwerken wordt vergroot voor de bouw van opbouwen voor technische installaties op daken, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftopbouwen, ventilatie-installaties en soortgelijke bouwwerken, die anders hun functie niet kunnen vervullen; voor zover betreffende gebouwen zijn gelegen binnen de zogenaamde 50,3 m obstakelvrije zone wordt met het oog op de werking van het ILS vooraf de Minister van Defensie schriftelijk om advies gevraagd.

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels

11.1 Wijziging

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, het plan te wijzigen:

  • a. door het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen en bouwvlakken ten behoeve van de praktische uitvoering van het plan met dien verstande dat de afwijking ten hoogste 5 meter mag bedragen, mits het wijzigingen betreft waarbij geen belangen van derden worden geschaad, dan wel ter correctie van afwijkingen of onnauwkeurigheden op de verbeelding;
  • b. ten behoeve van nutsvoorzieningen, voor zover de bepaling in artikel 10.1 sub c. ontoereikend is.

Artikel 12 Overige regels

12.1 Parkeereis
  • a. Bij de afgifte van een omgevingsvergunning wordt het aantal te realiseren parkeerplaatsen bepaald conform de Nota Parkeernormen 2016.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a, mag getoetst worden aan een nieuwe dan wel gewijzigde Nota Parkeernormen, als deze in werking is getreden en leidt tot een lagere parkeernorm.

12.2 Afwijken van parkeereis

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.1 indien:

  • a. uit een parkeeronderzoek blijkt dat meer of minder parkeerplaatsen noodzakelijk zijn;
  • b. het voldoen aan de in lid 12.1 genoemde parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeerplaatsen wordt voorzien.
12.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de maatvoering van de parkeervoorzieningen, zoals bedoeld in lid 12.1 indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.

Artikel 13 Procedureregels

13.1 Procedureregels bij nadere eisen

Op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen, is de volgende procedure van toepassing:

  • a. het ontwerpbesluit ligt, met bijbehorende stukken, gedurende twee weken ter inzage;
  • b. van de terinzagelegging wordt tevoren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, of op een andere geschikte wijze kennis gegeven;
  • c. de kennisgeving houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen;
  • d. gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het college van burgemeester en wethouders zienswijzen indienen tegen het ontwerpbesluit.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
14.2 Afwijken

burgemeester en wethouders kunnen eenmalig bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 14.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 14.1 met maximaal 10%.

14.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Lid 14.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

14.4 Overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

14.5 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 14.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

14.6 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 14.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

14.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 14.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 15 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan I Bedrijventerrein GDC-Noord 2009 (omleggen weg Weijerbeemd).