direct naar inhoud van Regels

Kom Eersel, eerste herziening

Status: Vastgesteld
Idn: NL.IMRO.0770.BPE2011-VAST

Artikel 25 Wonen – 1

 

25.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wonen;

  2. aan-huis-verbonden beroepen;

  3. lichte bedrijvigheid op de begane grond, genoemd in bijlage 2 (Staat van bedrijfsactiviteiten, functiemenging) onder de milieucategorie A;

  4. dienstverlening, ter plaatse van de aanduiding ‘dienstverlening’;

  5. detailhandel, ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel’;

  6. horeca in categorie A, B, C en D, ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’;

  7. kantoren, ter plaatse van de aanduiding ‘kantoor’;

  8. woonzorgvoorzieningen, ter plaatse van de aanduiding ‘maatschappelijk';

  9. woonwagenstandplaatsen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘woonwagenstandplaats’;

  10. garageboxen, ter plaatse van de aanduiding ‘garage’;

  11. een ondergrondse parkeergarage met hellingbaan/inrit ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’;

  12. voorzieningen voor verkeer en verblijf;

  13. tuinen, erven en verhardingen;

  14. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

 

alsmede voor:

  1. de instandhouding en bescherming van rijksmonumenten ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijksmonument’;

  2. de instandhouding en bescherming van gemeentelijke monumenten ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – gemeentelijk monument’;

  3. het behoud en herstel van cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorische waardevolle bebouwing’.

  4. afschermende beplanting, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - afschermend groen’;

 

25.2 Bouwregels

 

25.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. Aanvullende nieuwbouw of splitsing van woningen is niet toegestaan, met uitzondering van aanvullende nieuwbouw ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’, waarbij geldt dat het aantal toe te voegen woningen niet meer mag bedragen dan ter plaatse van deze aanduiding is aangegeven.

  2. De aangegeven bebouwingstypologie dient te worden aangehouden:

  1. aaneengebouwde woningen ter plaatse van de aanduiding ‘aaneengebouwd’;

  2. twee aaneengebouwde woningen en geschakelde woningen ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’;

  3. vrijstaande woningen ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’;

  4. gestapelde woningen ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’.

  5. patiowoningen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - patio’.

  1. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

De bouwgrens mag uitsluitend worden overschreden met een erker, balkon en/of luifel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. De overschrijding mag niet meer bedragen dan 1,5 m.

  2. Een erker mag uit maximaal 1 bouwlaag bestaan.

  3. De breedte van de overschrijding mag in totaal niet meer dan de helft van de breedte van het hoofdgebouw bedragen.

  4. De afstand tot de bestemmingsgrens mag niet minder bedragen dan 3 m.

  1. De voorgevel moet worden gesitueerd in de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak of op een afstand van niet meer dan 3 m daarachter.

  2. De goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is aangegeven. Indien de goothoogte op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan groter is dan ter plaatse van de aanduiding is aangegeven, geldt deze goothoogte als de maximale goothoogte.

  3. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is aangegeven. Indien de bouwhoogte op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan groter is dan ter plaatse van de aanduiding is aangegeven, geldt deze bouwhoogte als de maximale bouwhoogte.

  4. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – afwijkende bouwhoogte’ mag de bouwhoogte van 30% van het hoofdgebouw niet meer bedragen dan 4,5 m.

  5. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag bij:

  1. vrijstaande woningen aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 m;

  2. halfvrijstaande en geschakelde woningen aan één zijde niet minder bedragen dan 3 m;

  3. aaneengebouwde woningen bij de eindwoningen niet minder bedragen dan 3 m;

  4. patiowoningen bij de eindwoningen niet minder bedragen dan 3 m.

Indien de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedraagt dan de in 1, 2, 3 of 4 genoemde afstanden, geldt deze bestaande afstand als de minimaal toegestane afstand.

  1. Bij patiowoningen mag de oppervlakte van de onbebouwde ruimte binnen het bouwvlak niet minder dan 15 m² bedragen.

 

25.2.2 Ondergrondse parkeergarage

Een ondergrondse parkeergarage mag worden gebouwd binnen het bouwvlak alsmede ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’.

 

25.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. Bij gestapelde woningen mogen geen aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd.

  2. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ worden gebouwd.

  3. In afwijking van het bepaalde onder b mogen aan- en uitbouwen en bijgebouwen die op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan reeds aanwezig waren buiten het bouwvlak en de aanduiding 'bijgebouwen', worden gehandhaafd en op dezelfde locatie worden herbouwd.

  4. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd; indien de afstand op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan minder dan 3 m bedraagt, geldt deze bestaande afstand als de minimaal toegestane afstand.

  5. Ter plaatse van de aanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding – 01’ en ‘specifieke bouwaanduiding – 02’ zijn bijgebouwen voor de voorgevel toegestaan.

  6. Bij vrijstaande hoofdgebouwen dient één der zijstroken vrij van aan- en uitbouwen en bijgebouwen te blijven tot 3 m achter de achtergevelrooilijn en het verlengde daarvan.

  7. Het bebouwingspercentage van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ mag maximaal 50% bedragen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 100 m², met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 03’ de maximum gezamenlijk oppervlakte 200 m2 mag bedragen.

  8. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.

  9. Met betrekking tot de bouwhoogte geldt het volgende:

  1. Van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m, behoudens het bepaalde onder 2, 3 en 4 hierna.

  2. Indien aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd in de perceelsgrens, mag de bouwhoogte in de perceelsgrens niet meer bedragen dan 3 m en van daaraf in gelijke mate met de afstand tot de perceelsgrens toenemen tot niet meer dan 5,5 m, behoudens het hierna onder 3 bepaalde.

  3. Indien aan- en uitbouwen en bijgebouwen aan weerszijden van de perceelsgrens aaneengesloten worden gebouwd, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m.

  4. Ter plaatse van de aanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding - 02’ en 'specifieke bouwaanduiding - 04' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 6 m.

  1. Bij patiowoningen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – patio’ gelden de volgende bepalingen:

  1. De oppervlakte van de onbebouwde ruimte mag binnen het bouwvlak niet minder bedragen dan 15 m².

  2. De goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is aangegeven.

  3. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’ is aangegeven.

 

25.2.4 Garageboxen

Ter plaatse van de aanduiding ‘garage’ mogen garageboxen worden gebouwd onder de volgende voorwaarden:

  1. De oppervlakte per garagebox mag niet meer bedragen dan 20 m².

  2. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.

 

25.2.5 Woonwagenstandplaatsen

Voor het bouwen van woonwagens ter plaatse van de aanduiding ‘woonwagenstandplaats’ gelden de volgende bepalingen:

  1. Woonwagens mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

  2. Er zijn niet meer dan 5 woonwagens toegestaan.

  3. De oppervlakte van een woonwagen mag niet meer bedragen dan 55 m².

  4. De bouwhoogte van een woonwagen mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

  5. De afstand tussen twee woonwagens mag niet minder bedragen dan 5 m.

  6. In afwijking van het bepaalde in 25.2.3 gelden voor het bouwen van bijgebouwen bij woonwagens de volgende bepalingen:

  1. Bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak gebouwd worden.

  2. Bijgebouwen mogen sanitaire units bevatten.

  3. De afstand tot de openbare weg mag niet minder bedragen dan 3 m.

  4. Per woonwagen is niet meer dan 1 bijgebouw toegestaan.

  5. De oppervlakte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 30 m².

  6. De goothoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 2,5 m.

  7. De dakhelling van bijgebouwen mag niet minder bedragen dan 30° en niet meer bedragen dan 45°.

 

25.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.

  2. Overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ worden gebouwd.

  3. Overkappingen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd; indien de afstand op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan minder dan 3 m bedraagt, geldt deze bestaande afstand als de minimaal toegestane afstand.

  4. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel niet meer mag bedragen dan 1 m.

  5. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.

  6. De gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag niet meer bedragen dan 20 m².

 

25.3 Nadere eisen

  1. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing.

  2. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving.

 

25.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken:

  1. van de bouwregels voor de bouw van één praktijkruimte aansluitend aan een woning, in samenhang met omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 25.6 onder a. Hiervoor gelden de volgende bepalingen:

  1. De vloeroppervlakte mag niet meer dan 100 m² bedragen, met dien verstande, dat ten hoogste 50% van de gronden gelegen achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan mogen worden bebouwd.

  2. Bebouwing dient op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van de woning te worden gebouwd.

  3. De bebouwing dient te zijn georiënteerd op en rechtstreeks bereikbaar te zijn vanaf de openbare weg.

  4. De goothoogte mag niet meer dan 3 m bedragen.

  5. De bouwhoogte mag niet meer dan 5,5 m bedragen.

  1. van het bepaalde in artikel 25.2.1 onder c voor overschrijding van de achtergevelrooilijn, ten behoeve van het vergroten van de diepte van de woning tot een maximale diepte van 15 m, voor zover de afstand van de achtergevel tot de achterste perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt;

  2. het bepaalde in artikel 25.2.5 onder f ten behoeve van de dakafdekking van bijgebouwen met een kap waarvan de dakhelling niet minder dan 10° mag bedragen.

 

25.5 Specifieke gebruiksregels

 

25.5.1 Aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid

Binnen de bestemming ‘Wonen – 1’ is de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid toegestaan bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  1. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 60 m².

  2. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken.

  3. De activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving.

  4. Detailhandel is niet toegestaan.

  5. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

 

25.5.2 Detailhandel

Ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel’ is detailhandel toegestaan, onder de volgende voorwaarden:

  1. Detailhandel is uitsluitend toegestaan op de begane grond.

  2. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken.

  3. Uitbreiding van het bestaande bvo zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan is niet toegestaan.

  4. In afwijking van het bepaalde sub c is ter plaatse van de aanduiding ‘functiemenging’ per detailhandelsvestiging uitbreiding van het bestaande bvo zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan toegestaan met niet meer dan 10%.

 

25.5.3 Dienstverlening

Ter plaatse van de aanduiding ‘dienstverlening’ is de uitoefening van dienstverlening toegestaan als nevengeschikte activiteit bij de woonfunctie, mits het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt.

 

25.5.4 Kantoren

Ter plaatse van de aanduiding ‘kantoor’ is een kantoor toegestaan als nevengeschikte activiteit bij de woonfunctie, mits het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt.

 

25.5.5 Horeca

Ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’ is horeca toegestaan, onder de volgende voorwaarden:

  1. Horeca is uitsluitend toegestaan op de begane grond.

  2. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken.

  3. Uitbreiding van het bestaande bvo zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan is niet toegestaan.

 

25.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken:

  1. van het bepaalde in 25.5.1 onder a voor één praktijkruimte met een maximale oppervlakte van 100 m2 aansluitend aan een woning, in samenhang met een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels als bedoeld in artikel 25.4 onder a, mits het gebruik geen nadelige invloed zal hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt.

  2. van het bepaalde in lid 25.1 onder c voor het toestaan van lichte bedrijvigheid die niet voorkomt in bijlage 2 (Staat van bedrijfsactiviteiten, functiemenging), met dien verstande, dat de bedrijvigheid naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de toegelaten milieucategorie A.

  3. van het bepaalde in lid 25.1 voor de nieuwvestiging van dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorzieningen als nevengeschikte activiteit bij de woonfunctie uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'functiemenging'.

 

25.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

 

25.7.1 Slopen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorisch waardevolle bebouwing’ geheel of gedeeltelijk te slopen.

 

25.7.2 Uitzonderingen

Het in lid 25.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;

  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

  3. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan omgevingsvergunning is verleend.

 

25.7.3 Toelaatbaarheid

  1. De in lid 25.7.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de cultuurhistorische waarden van de gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet worden verkleind.

  2. In afwijking van het bepaalde in sub a kan een omgevingsvergunning worden verleend als op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

  3. Indien het bevoegd gezag voornemens is om de omgevingsvergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a of b, wordt de gemeentelijke monumentencommissie om advies gevraagd.

 

25.8 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

25.8.1 Omgevingsvergunning

Het is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - afschermend groen' verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas.

 

25.8.2 Uitzonderingen

Het in lid 25.8.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden welke:

  1. het normale onderhoud betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;

  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

 

25.8.3 Toelaatbaarheid

De in lid 25.8.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de instandhouding en bescherming van de afschermende beplanting ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – afschermend groen’.