direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch
Plan: Dongen Buitengebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0766.BP2009000001-0001

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven;

en tevens voor:

  • b. ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw': glastuinbouw als hoofdtak;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve kwekerij': intensieve kwekerij in gebouwen als hoofdtak;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij': intensieve veehouderij als hoofdtak;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch- agrarisch hulp- en nevenbedrijf': een agrarisch hulp- en nevenbedrijf;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone – molenbiotoop': tevens voor de belangen van de molen als werktuig en als beeldbepalend cultuurhistorisch waardevol element;
  • g. de uitoefening van nevenfuncties, ondergeschikt aan het agrarische bedrijf;
  • h. aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende recreatieve fiets- en wandelpaden en voorzieningen;
  • i. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, natuurvriendelijke oevers, water, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
3.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

3.2.1 Binnen het bouwvlak
  • a. binnen bouwvlakken mogen worden gebouwd:
    • 1. gebouwen, kassen, teeltondersteunende voorzieningen en voorzieningen voor opslag voor zover aan te merken als bouwwerk, geen gebouw zijnde;
    • 2. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • 3. op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - zonder gebouwen': uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde;
  • b. per bouwvlak is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan met dien verstande dat:
    • 1. een binnen een bouwvlak reeds aanwezige woning als bedrijfswoning wordt aangemerkt;
    • 2. indien meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn bedraagt het aantal bedrijfswoningen per bouwvlak ten hoogste het aantal zoals aangegeven op de kaart;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' de bouw van een bedrijfswoning niet is toegestaan;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' uitsluitend de bouw van een bedrijfswoning met bijgebouwen is toegestaan;
  • c. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en / of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste:
bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte / inhoud  
bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen)   6 m   10 m   200 m²/750 m³  
bijgebouwen bij een woning, inclusief overkappingen / per woning   3,5 m   7 m   80 m²  
silo's (met uitzondering van mestopslagruimten)     12 m    
mestopslagruimten als zelfstandig bouwwerk     6 m   2.500 m³  
biomassa- en mestvergistingsinstallaties   6 m   10 m    
warmtekracht koppeling, opslagtanks CO2     8 m    
emissiepunt, -koker bij intensieve veehouderij     12 m    
schoorstenen bij glastuinbouwbedrijven     12 m    
wateropslagruimten als zelfstandig bouwwerk     6 m    
overige bedrijfsgebouwen en overkappingen   7 m   11 m    
erf- of terreinafscheidingen     2 m    
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     6 m    

  • d. de goothoogte van bedrijfswoningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van het hoofdgebouw ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van het hoofdgebouw ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt;
  • e. de afstand van gebouwen, kassen en / of voorzieningen voor opslag – voor zover aan te merken als bouwwerk, geen gebouw zijnde- tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 5 m;
  • f. indien gebouwen op een bouwvlak niet aaneen worden gebouwd, geldt een onderlinge afstand van ten minste 3 m;
  • g. de voorgevel van een gebouw, kas of voorzieningen voor opslag – voor zover aan te merken als bouwwerk, geen gebouw zijnde- wordt in of achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw (bedrijfsgebouw) gebouwd; indien de bedrijfswoning dichter bij de weg is gelegen dan het hoofdgebouw mag tot op 3 m achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning worden gebouwd;
  • h. de gezamenlijke oppervlakte aan ondersteunende kassen, permanente tunnels of boogkassen op de gronden zonder de aanduiding 'glastuinbouw' bedraagt ten hoogste 1.000 m²per bouwvlak;
  • i. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van een intensieve kwekerij op de gronden zonder de aanduiding 'intensieve kwekerij' bedraagt ten hoogste 1.000 m²;
  • j. schoorstenen bij glastuinbouwbedrijven en emissiepunten en –kokers bij intensieve veehouderijen mogen uitsluitend in een ronde vorm worden gebouwd waarbij de diameter niet meer dan 3 m mag bedragen.
3.2.2 Buiten het bouwvlak
  • a. buiten bouwvlakken zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde – met uitzondering van overkappingen en voorzieningen voor opslag – , tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en overige teeltondersteunende voorzieningen toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m.
3.3 Ontheffing van de bouwregels
3.3.1 Ontheffing teeltondersteunende voorzieningen

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in 3.2.1 onder h ten behoeve van ondersteunende kassen, permanente tunnels of boogkassen binnen het bouwvlak tot een gezamenlijke oppervlakte van 5.000 m², met inachtneming van het volgende:

  • a. ontheffing is alleen toelaatbaar indien dit voor een doelmatige bedrijfsuitoefening noodzakelijk is;
  • b. ontheffing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • c. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen;
  • d. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing van het betreffende deel van het bouwvlak, die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
  • e. ontheffing wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.3.2 Ontheffing overschrijding bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.2.2 onder a voor de bouw van een gebouw of een voorziening voor opslag die de grenzen van het bouwvlak met ten hoogste 15 m overschrijdt, met inachtneming van het volgende:

  • a. overschrijding is alleen toelaatbaar voor zover een doelmatige bedrijfsvoering, milieuwetgeving of wetgeving op het terrein van dierenwelzijn dit noodzakelijk maakt;
  • b. overschrijding van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij' en de aanduiding 'reconstructiewetzone- extensiveringsgebied' is uitsluitend toegestaan indien dat noodzakelijk is op grond van milieuwetgeving of wetgeving op het terrein van dierenwelzijn;
  • c. ontheffing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • d. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen;
  • e. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing van het betreffende gebouw of de voorziening, die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
  • f. ontheffing wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.

3.3.3 Ontheffing hoogte silo's, schoorstenen en emissiepunten, -kokers

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in 3.2.1 onder c voor de bouw van:

  • a. een silo- niet zijnde een mestopslagruimte- tot een bouwhoogte van 15 m;
  • b. een mestopslagruimte tot een bouwhoogte van 8 m;
  • c. een wateropslagruimte als zelfstandig bouwwerk tot een bouwhoogte van 11 m;
  • d. schoorstenen, emissiepunten en/of –kokers tot een bouwhoogte van 15 m;

met inachtneming van het volgende:

  • e. ontheffing is alleen toelaatbaar indien dit voor een doelmatige bedrijfsuitoefening noodzakelijk is;
  • f. ontheffing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • g. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing van het betreffende deel van het bouwvlak, die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 3 meter;
  • h. ontheffing wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.3.4 Stallingsruimte voor hobbymatig agrarisch gebruik

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen ten behoeve van de bouw van stallingsruimte voor vee, anders dan ten behoeve van een agrarisch bedrijf , met inachtneming van het volgende:

  • a. ontheffing wordt slechts verleend voor de gronden met de aanduiding 'wro-zone-ontheffingsgebied-1';
  • b. de oppervlakte en bouwhoogte van een stallingsruimte mag niet meer dan 20 m² respectievelijk 3 m bedragen;
  • c. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden.
3.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan:
    • 1. op of grenzend aan het bouwvlak;
    • 2. grenzend aan bestemmingsvlakken van andere bestemmingen waar een woning toegestaan en aanwezig is;

waarbij het gebruik van verlichting bij een paardenbak buiten het bouwvlak niet is toegestaan;

  • b. het gebruiken van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan;
  • c. het gebruiken van een bijgebouw ten behoeve van bewoning is niet toegestaan;
  • d. fruitteelt ter plaatse van gronden die zijn gelegen binnen een afstand van 50 meter van de plangrens, rondom de kern Dongen en binnen een afstand van 50 meter van de bestemming Wonen-3 is niet toegestaan;
  • e. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn slechts toegestaan voor een periode van minder dan 6 maanden per jaar;
  • f. voorzieningen voor opslag, niet zijnde bouwwerken, zoals mestbassins en bassins voor de opslag van andere stoffen zoals water, zijn buiten bouwvlakken niet toegestaan;
  • g. de opslag van bagger en grondspecie is op de onbebouwde gronden niet toegestaan;
  • h. met betrekking tot de toegestane nevenfuncties, zoals genoemd in 3.1 onder g, is tabel 3.1 van toepassing, met dien verstande dat:
    • 1. uitsluitend de genoemde nevenfuncties zijn toegestaan, binnen de bestaande bebouwing en tot de omvang zoals vermeld in tabel 3.1;
    • 2. nevenfuncties aangeduid met een + op de betreffende gronden rechtstreeks zijn toegestaan;
    • 3. nevenfuncties aangeduid met een – op de betreffende gronden niet zijn toegestaan;
    • 4. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties aangegeven in tabel 3.1, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van een agrarisch loonbedrijf of opslag en stalling met andere nevenfuncties ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut;
  • i. het gebruik van gronden of gebouwen voor de huisvesting van (seizoens)arbeiders is niet toegestaan.

Tabel 3.1.

nevenfunctie   op de gronden met de aanduiding 'wro-zone-
ontheffings-
gebied-2.1'  
op de gronden aangeduid als 'reconstructiewetzone-landbouwont-
wikkelingsgebied-1'  
op de overige gronden   maximale omvang binnen bestaande bebouwing  
verbrede landbouw  
verkoop aan huis van (eigen) agrarische producten   +   +   +   100 m²  
verkoop aan huis van boerderij- en streekproducten   +   +   +   100 m²  
agrarisch natuur- en landschapsbeheer   +   +   +   -  
blauwe diensten   +   +   +   -  
sociale functie (resocialisatie therapie, kinderopvang, zorgboerderij)   O   -   O   400 m²  
agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten  
vis-, escargots- of wormenkwekerij   +   +   +   400 m²  
agrarisch handels- en exportbedrijf vergelijkbaar met categorie A, B1 of B2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O   -   -   400 m²  
agrarisch hulp- en nevenbedrijf in categorie A, B1 of B2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O   -   -   400 m²  
opslag en stalling van agrarische producten, goederen, werktuigen of materialen in de bestaande bebouwing   +   +   +   1.000 m²  
agrarische loonbedrijven   O   O   O   1.000 m²  
veehandelsbedrijven, foeragehandel   O   O   O   400 m²  
veearts, hoefsmederij   O   O   O   400 m²  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (zoals kaasmakerij, vleesverwerking, palingrokerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij)   O   O   O   400 m²  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten en de verkoop ervan   O   O   O   400 m², met maximaal 100 m² vloeroppervlakte voor verkoop  
niet-agrarische bedrijfsactiviteiten  
hoveniersbedrijf, boomverzorgingsbedrijf   O   -   -   400 m²  
tuincentrum   O   -   -   400 m²  
opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen, werktuigen of materialen (bijv. boten, caravans) in categorie A, B1 of B2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de bestaande bebouwing   O   O   O   1.000 m²  
overige bedrijven in de categorieën A, B1 of B2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   O   -   -   400 m²  
recreatieve functies  
kinderboerderij / speelboerderij   O   -   -   400 m²  
paardrijactiviteiten   +   -   +   400 m²  
manege / rijschool   O   -   O   400 m²  
fietsenverhuur   O   -   -   400 m²  
wandel,- fiets,- of ruiterpaden over het terrein   +   +   +   -  
kleinschalige horecagelegenheid (waaronder theetuin, boerderijterras)   O   -   -   100 m²  
verblijfsrecreatieve eenheden in woningen (logies met ontbijt, maximaal 2 kamers)   +   -   +   100 m²  
verblijfsrecreatieve eenheden in (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing   O   -   -   200 m²  
georganiseerde activiteiten (survivalactiviteiten, kinderfeestjes, boerengolf)   +   -   +   400 m²  
kampeerboerderij   O   -   -   400 m²  
kleinschalig kamperen   O   -   O   200 m²  
overige dienstverlening:  
verzorging van mens of dier (zoals kapsalon, schoonheidssalon, trimsalon)   O   -   -   60 m²  
natuur- en milieueducatie, bezoekboerderijen, rondleidingen   +   +   +   100 m²  
museum / tentoonstellingsruimte   O   -   -   400 m²  
niet-agrarisch verwante detailhandel (bijv. kunst- en antiekhandel)   O   -   -   400 m²  
dierenpension, hondenfokkerij   -   -   O   400 m²  
3.5 Ontheffing van de gebruiksregels
3.5.1 Ontheffing mantelzorg

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.4 onder b voor het bieden van mantelzorg in een bedrijfswoning, aan- of uitbouw of een bijgebouw bij een woning, met in achtneming van het volgende:

  • a. ontheffing wordt slechts verleend ter plaatse van percelen waarop krachtens het plan een woning is toegestaan die ook feitelijk aanwezig is;
  • b. ontheffing wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • c. ontheffing wordt slechts verleend indien sprake is van medische noodzaak, onderschreven door een indicatie-orgaan;
  • d. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als mantelzorgruimte toegestaan;
  • e. ontheffing leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
3.5.2 Ontheffing tijdelijke huisvesting seizoensarbeiders

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.1 onder i voor het tijdelijk huisvesten van seizoensarbeiders, met in achtneming van het volgende:

  • a. de ontheffing wordt slechts verleend ter plaatse van bouwvlakken;
  • b. de ontheffing kan worden verleend voor de plaatsing van verplaatsbare wooneenheden ten behoeve van de huisvesting van aan het betreffende agrarisch bedrijf verbonden seizoensarbeiders, met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 200 m² en een bouwhoogte van ten hoogste 3,5 meter;
  • c. ontheffing kan tevens worden verleend voor het gebruik van bestaande gebouwen ten behoeve van de huisvesting van aan het betreffende agrarisch bedrijf verbonden seizoensarbeiders, met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 500 m²;
  • d. ontheffing wordt slechts verleend voor een aaneengesloten periode van maximaal 6 maanden per kalenderjaar;
  • e. de tijdelijke huisvesting is alleen toelaatbaar voor zover een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt;
  • f. de ontheffing leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • g. ontheffing wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
  • h. indien ontheffing wordt verleend als genoemd onder b, wordt voorzien in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
  • i. ontheffing als bedoeld onder b wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.5.3 Ontheffing ten behoeve van nevenfuncties

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.4. onder h ten behoeve van het gebruik van bestaande bebouwing voor de in tabel 3.1 voor de betreffende gronden met een O aangegeven nevenfuncties, met inachtneming van het volgende:

  • a. de nevenfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
  • b. ontheffing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • c. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • d. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 3 meter;
  • e. zorg wordt gedragen voor een ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf;
  • f. op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • g. de opslag van goederen, anders dan in gebouwen is niet toegestaan;
  • h. in afwijking van het bepaalde onder g is voor de nevenfuncties agrarisch loonbedrijf en hoveniersbedrijf een buitenopslag van 100 m² toegestaan;
  • i. de bestaande bebouwing mag voor de nevenfunctie worden benut tot de maximum oppervlakte aangegeven in de tabel;
  • j. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in de tabel, tot een maximum van:
    • 1. 500 m²;
    • 2. 2.000 m² bij een combinatie van een agrarisch loonbedrijf of opslag en stalling met een andere nevenfunctie;
  • k. ontheffing wordt slechts verleend indien een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst;
  • l. ten behoeve van kleinschalig kamperen is het bepaalde in 3.5.4 en 3.5.5 van toepassing.
3.5.4 Ontheffing ten behoeve van kleinschalig kamperen

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen ten behoeve van het gebruik van onbebouwde gronden en bestaande bebouwing voor het toestaan van kleinschalig kamperen op en in aansluiting op een agrarisch bouwvlak met inachtneming van het volgende:

  • a. ontheffing wordt slechts verleend voor de gronden in tabel 3.1 in de regel 'kleinschalig kamperen' met een O aangegeven;
  • b. ontheffing wordt slechts verleend voor ten hoogste 15 seizoensgebonden standplaatsen;
  • c. ten behoeve van sanitair en ondersteunende voorzieningen mag ten hoogste 200 m² van de bestaande bebouwing worden gebruikt;
  • d. het kleinschalig kamperen dient milieuhygiënische inpasbaar te zijn;
  • e. de afstand tussen de minicamping en de meest nabij gelegen woning van derden bedraagt ten minste 50 meter;
  • f. ontheffing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • g. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
  • h. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;
  • i. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • j. er wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste 110% van het aantal standplaatsen bedraagt;
  • k. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in tabel 3.1, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie met een agrarisch loonbedrijf of opslag en stalling ten hoogste 2.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.
3.5.5 Ontheffing ten behoeve van uitbreiding kleinschalig kamperen

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen ten behoeve van het gebruik van onbebouwde gronden en bestaande bebouwing voor de uitbreiding van kleinschalig kamperen op en in aansluiting op een agrarisch bouwvlak met inachtneming van het volgende:

  • a. ontheffing wordt slechts verleend voor de gronden in tabel 3.1 in de regel 'kleinschalig kamperen' met een O aangegeven;
  • b. ontheffing wordt slechts verleend tot een totale omvang van ten hoogste 25 seizoensgebonden standplaatsen;
  • c. ten behoeve van sanitair en ondersteunende voorzieningen mag ten hoogste 200 m² van de bestaande bebouwing worden gebruikt;
  • d. het kleinschalig kamperen dient milieuhygiënische inpasbaar te zijn;
  • e. de afstand tussen de minicamping en de meest nabij gelegen woning van derden bedraagt ten minste 50 meter;
  • f. ontheffing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • g. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
  • h. zorg wordt gedragen voor een ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf;
  • i. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst;
  • j. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;
  • k. er wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste 110% van het aantal standplaatsen bedraagt;
  • l. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in tabel 3.1, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie met een agrarisch loonbedrijf of opslag en stalling ten hoogste 2.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.
3.5.6 Ontheffing ten behoeve van voorzieningen voor opslag buiten het bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.4 onder f voor het gebruiken van een voorziening voor opslag, geen bouwwerk zijnde, buiten een bouwvlak, met in achtneming van het volgende:

  • a. ontheffing wordt uitsluitend verleend voor opslagvoorzieningen grenzend aan het bouwvlak;
  • b. ontheffing ten behoeve van de opslag van mest wordt verleend voor een bassin in de vorm van een mestzak of foliebassins;
  • c. de inhoud van een mestbassin bedraagt per bedrijf ten hoogste 2.500 m³;
  • d. het gebruik van een bassin ten behoeve van handelsdoeleinden is niet toegestaan;
  • e. ontheffing is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
  • f. ontheffing leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • g. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplan-tingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 m;
  • h. ontheffing wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.6 Aanlegvergunning
3.6.1 Aanlegverbod zonder vergunning

Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone-molenbiotoop' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het beplanten met bomen, heesters en andere hoog opgaande beplanting;
  • b. het ophogen van gronden.
3.6.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het verbod van lid 3.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal beheer of onderhoud ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn;
  • c. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor ingevolge deze regels ontheffing is verleend;
  • d. het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting die als zij volgroeid zijn, niet hoger zijn dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de gebouwen op het zelfde bouwperceel zoals in het plan is toegestaan of het laagste punt van een zuiver verticaal staande wiek van de molen.
3.6.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning
  • a. De werken of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien daardoor geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de belangen van de molen als werktuig en als beeldbepalend element.
  • b. Alvorens omtrent het verlenen van een aanlegvergunning te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de molendeskundige over de vraag of door het verlenen van een aanlegvergunning geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan het huidige en / of toekomstige functioneren van de molen als werktuig door windbelemmering en / of de waarde van de molen als beeldbepalend cultuurhistorische waardevol element onevenredig in gevaar brengen of kunnen brengen.
3.7 Wijzigingsregels
3.7.1 Wijziging ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen

Burgemeester en wethouders kunnen een bouwvlak wijzigen en vergroten voor het plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen en het toekennen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-permanente teeltondersteunende voorzieningen', met dien verstande dat:

  • a. wijziging alleen is toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • b. ten behoeve van stellingen en permanente overkappingsconstructies het bouwvlak met ten hoogste 2 ha mag worden vergroot;
  • c. ten behoeve van lage, permanente teeltondersteunende voorzieningen (zoals containervelden) het bouwvlak met ten hoogste 4 ha mag worden vergroot;
  • d. op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-permanente teeltondersteunende voorzieningen' zijn uitsluitend permanente teeltondersteunende voorzieningen en erfafscheidingen toegestaan;
  • e. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 3 meter;
  • f. wijziging niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • g. wijziging leidt niet tot onevenredige gevolgen voor het waterbeheer; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen;
  • h. medewerking slechts wordt verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
3.7.2 Wijziging bij beëindiging agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen, na bedrijfsbeëindiging, de bestemming van een bouwvlak met de bestemming Agrarisch wijzigen in de bestemming Wonen-2 en Agrarisch –zonder bouwvlak- met dien verstande dat:

  • a. het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak en het bouwvolume van de gebouwen niet mogen worden vergroot;
  • b. bestaande nevenfuncties zoals bedoeld in tabel 3.1 als vervolgactiviteit zijn toegestaan;
  • c. de maximaal toelaatbare goot- en bouwhoogte van de gebouwen niet mag worden gewijzigd;
  • d. wijziging niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  • e. wijziging alleen is toegestaan indien handhaving van de bestemming Agrarisch niet in de rede ligt.
3.7.3 Wijziging bij beëindiging agrarisch hulp- en nevenbedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen, na bedrijfsbeëindiging van een agrarisch hulp- en nevenbedrijf, de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – agrarisch hulp- en nevenbedrijf' verwijderen met dien verstande dat:

  • a. de bestemming Agrarisch gehandhaafd blijft;
  • b. de maximale toelaatbare goot- en bouwhoogte van de gebouwen niet mag worden gewijzigd;
  • c. wijziging niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
3.7.4 Wijziging ten behoeve van een tweede agrarische bedrijfswoning

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de bouw van een tweede agrarische bedrijfswoning, met inachtneming van het volgende:

  • a. voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid worden binnen het bouwvlak reeds aanwezige woningen aangemerkt als bedrijfswoningen;
  • b. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is, waarbij in ieder geval sprake moet zijn van een omvang van het bedrijf die duurzaam werk en inkomen biedt aan twee volwaardige arbeidskrachten en waar permanent toezicht door twee personen vereist is; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • c. de bedrijfswoning moet in de directe nabijheid van de reeds bestaande bedrijfsgebouwen worden geprojecteerd;
  • d. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • e. voor het overige is het bepaalde in lid 35.3 van toepassing.
3.7.5 Vergroting of vormverandering bouwvlak grondgebonden agrarisch bedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met inachtneming van het volgende:

  • a. de oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ten hoogste 2 ha;
  • b. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • c. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • d. wijziging wordt slechts toegepast als voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
  • e. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;
  • f. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • g. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen.
3.7.6 Vergroting of vormverandering bouwvlak glastuinbouwbedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak met de aanduiding 'glastuinbouw' ten behoeve van de uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf, met inachtneming van het volgende:

  • a. de oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ten hoogste 3,5 ha waarvan ten hoogste 3 ha benut mag worden voor kassen;
  • b. wijziging wordt slechts toegepast indien de lengte-breedte verhouding van de kas passend is binnen de structuur van het landschap en passend binnen de structuur van het bebouwingslint waarin het bedrijf is gelegen;
  • c. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • d. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • e. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 3 meter;
  • f. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;
  • g. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • h. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen.
3.7.7 Vergroting of vormverandering bouwvlak glastuinbouwbedrijf in doorgroeigebied en LOG

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak met de aanduiding 'glastuinbouw' in het gebied met de aanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied-1' of 'reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied-1' ten behoeve van de uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf, met inachtneming van het volgende:

  • a. de oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ten hoogste 5,5 ha waarvan ten hoogste 5 ha benut mag worden voor kassen;
  • b. wijziging wordt slechts toegepast indien tevens aannemelijk is dat bij vergroting geen sprake is van een onevenredige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit, onder andere gelet op:
    • 1. een lengte-breedte verhouding van kassen die passend is binnen de structuur van het landschap en passend binnen de structuur van het bebouwingslint waarin het bedrijf is gelegen;
    • 2. de onderlinge afstanden tussen kassen in relatie tot doorzichten naar het achterliggende gebied;
    • 3. de locatie van bijbehorende voorzieningen als silo's en bassins;
    • 4. de wijze waarop rekening wordt gehouden met aanwezige natuur-, landschaps- of cultuurhistorische elementen in de directe omgeving;
  • c. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
  • d. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;
  • e. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • f. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • g. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • h. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen.
3.7.8 Vergroting of vormverandering bouwvlak intensieve veehouderij

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij' in het gebied met de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' of de aanduiding 'reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied-1' ten behoeve van de uitbreiding van een intensief veehouderijbedrijf, met inachtneming van het volgende:

  • a. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is en, voor zover het bouwvlak is gelegen in het gebied met de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied', er sprake is van een duurzame locatie voor de intensieve veehouderij; er is sprake van een duurzame locatie indien een bestaand agrarisch bouwvlak een zodanige ligging heeft dat het zowel uit milieu-oogpunt (ammoniak, geur, luchtkwaliteit, en dergelijke), vanuit ruimtelijk oogpunt (voldoen aan bijlage 5, deel B reconstructieplan de Meierij, rekening houdend met waarden van natuur, landschap, cultuurhistorie en dergelijke) als vanuit maatschappelijk oogpunt, verantwoord is om het te laten groeien tot een bouwvlak van maximaal 2,5 ha voor een intensief veehouderijbedrijf;
  • b. de oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ten hoogste 1,5 ha;
  • c. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • d. wijziging wordt slechts toegepast als voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
  • e. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;
  • f. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen.
3.7.9 Vergroting of vormverandering bouwvlak intensieve veehouderijbedrijven in verband met milieuwetgeving of wettelijke dierenwelzijnseisen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij' in het gebied met de aanduiding 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied', 'reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied-1' of 'reconstructiewetzone – verwevingsgebied' met inachtneming van het volgende:

  • a. wijziging is uitsluitend toegestaan voor zover milieuwetgeving of wetgeving op het terrein van dierenwelzijn dit noodzakelijk maakt; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies aan de agrarisch deskundige;
  • b. wijziging wordt slechts toegepast als voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
  • c. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;
  • d. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen.
3.7.10 Vergroting of vormverandering bouwvlak intensieve kwekerij

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve kwekerij' met inachtneming van het volgende:

  • a. de oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ten hoogste 1,5 ha;
  • b. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;
  • c. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;
  • d. wijziging wordt slechts toegepast als voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;
  • e. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;
  • f. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;
  • g. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden; indien het verhard oppervlak toeneemt of kan toenemen met 1.000 m² of meer, vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen.