direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Nieuwe 150 kV hoogspanningsverbinding Woensdrecht - Bergen op Zoom
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0748.BP0252-0301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

TenneT, de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, legt een nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding aan tussen de hoogspanningsstations Bergen op Zoom en Woensdrecht.

Omdat in de regio West-Brabant steeds meer elektriciteit wordt verbruikt, neemt ook het transport van elektriciteit toe. Dit geldt ook voor het tracé tussen de hoogspanningsstations Bergen op Zoom en Woensdrecht, waartussen in 2016 al een bestaande dubbel uitgevoerde ondergrondse verbinding is vervangen door een nieuwe dubbelde 150 kV-verbinding. Deze toename is het gevolg van een grotere vraag naar elektriciteit bij station Bergen op Zoom. Dat komt enerzijds door de toegenomen vraag van de bedrijven in de omgeving van het station en anderzijds door diverse projecten waarbij duurzame energie wordt opgewekt.

Als er onderhoud aan één van de huidige ondergrondse verbindingen tussen de hoogspanningsstations wordt uitgevoerd en een storing optreedt op de andere verbinding, komt het gebied rondom hoogspanningsstation Bergen op Zoom zonder elektriciteit te zitten. Om de leveringszekerheid van elektriciteit voor de regio West-Brabant te garanderen, wordt dit knelpunt door TenneT opgelost. Tussen de hoogspanningsstations Bergen op Zoom en Woensdrecht wordt daarom nog een nieuw tracé gerealiseerd.

Er wordt een nieuwe ondergrondse 150 kV hoogspanningsverbinding, die bestaat uit één circuit, gerealiseerd tussen de hoogspanningsstations Bergen op Zoom en Woensdrecht. Door dit derde circuit aan te leggen wordt de betrouwbaarheid van het elektriciteitsnetwerk rondom hoogspanningsstation Bergen op Zoom vergroot. Op deze manier kan het gebied dat gevoed wordt door station Bergen op Zoom, altijd worden voorzien van stroom als er een storing optreedt, omdat deze extra 'weg' is aangelegd waarover de stroom kan worden getransporteerd. Tevens wordt een uitbreiding aan hoogspanningsstation Woensdrecht gerealiseerd.

Met het voorliggende bestemmingsplan wordt aanleggen en in standhouden van de nieuwe ondergrondse 150 kV hoogspanningsverbinding planologisch mogelijk gemaakt, evenals de uitbreiding van hoogspanningsstation Woensdrecht.

Het bestemmingsplan 'Nieuwe 150 kV hoogspanningsverbinding Woensdrecht - Bergen op Zoom' bestaat uit drie delen: een (digitale) verbeelding, waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels, waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen, en een toelichting, waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het (juridisch) bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Dit bestemmingsplan heeft enkel betrekking op de gedeelten van de ondergrondse hoogspanningsverbinding op het grondgebied van de gemeente Bergen op Zoom. Voor het gedeelte van de ondergrondse hoogspanningsverbinding op het grondgebied van de gemeente Woensdrecht is een separaat bestemmingsplan opgesteld, dat door de gemeenteraad van Woensdrecht wordt vastgesteld. Hoogspanningsstation Woensdrecht bevindt zich op het grondgebied van de gemeente Bergen op Zoom, de uitbreiding van het station is daarom meegenomen in voorliggend bestemmingsplan.

Het plangebied loopt vanaf de uitbreiding van station Woensdrecht, naar station Bergen op Zoom. Het tracé van de ondergrondse hoogspanningsverbinding ligt grotendeels buiten de bebouwde kom van Bergen op Zoom, en loopt via het Zoommeer en langs de rand van het Markiezaatsmeer.

Het plangebied van het bestemmingsplan is 11 meter breed. Dit wordt bepaald door de breedte van de belemmeringenstrook van de ondergrondse 150 kV hoogspanningsverbinding. Voor de exacte locatie en begrenzing van het plangebied kan de digitale verbeelding behorende bij het bestemmingsplan worden geraadpleegd.

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Het onderhavige bestemmingsplan betreft een paraplubestemmingsplan waarmee de aanleg en instandhouding van de ondergrondse hoogspanningsverbinding planologisch wordt geregeld. Voor de hoogspanningsstations is een enkelbestemming van toepassing. Op het tracé van de ondergrondse hoogspanningsverbinding blijven de onderliggende bestemmingsplannen en beheersverordeningen van kracht. Op de gronden waar in het onderhavige bestemmingsplan in een dubbelbestemming is voorzien, gelden na vaststelling van dit dus meerdere bestemmingen: vanuit het vigerende bestemmingsplan of beheersverordening en de nieuwe dubbelbestemming vanuit het onderhavige bestemmingsplan.

Ter plaatse van het plangebied vigeren de volgende bestemmingsplannen:

Plan   IMRO   Bevoegd gezag  
BP Theodorushaven-Noordland   NL.IMRO.0748.BP0209-0701   Gemeente Bergen op Zoom  
Parapluplan Parkeren en Standplaatsen   NL.IMRO.0748.BP0236-0301   Gemeente Bergen op Zoom  
Paraplubestemmingsplan Verleggen stikstof- en zuurstofleiding   NL.IMRO.0748.BP0241-0301   Gemeente Bergen op Zoom  
BP Buitengebied Zuid   NL.IMRO.0748.BP0072-0701   Gemeente Bergen op Zoom  
Bestemmingsplan Bergse Plaat / Binnenschelde 2015   NL.IMRO.0748.BP0211-0701   Gemeente Bergen op Zoom  

1.4 Opzet

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en de regels. De bestemmingen zijn geometrisch bepaald en worden digitaal verbeeld en vastgesteld. Daarnaast zijn de bestemmingen voorzien van planregels ten aanzien van bouwen en gebruik. Deze regels bepalen de randvoorwaarden waarbinnen het project kan worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan gaat daarnaast vergezeld van deze toelichting. De toelichting dient als onderbouwing van het plan en kent geen rechtstreeks bindende werking.

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

Ruimtelijke structuur (hoofdstuk 2)
In hoofdstuk 2 wordt de huidige ruimtelijke situatie van het plangebied geanalyseerd en beschreven. Vervolgens wordt de nieuwe situatie toegelicht.

Beleidsaspecten (hoofdstuk 3)
In dit hoofdstuk zijn de beleidsuitgangspunten in beeld gebracht. Er wordt ingegaan op het rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid.

Onderbouwing op onderdelen (hoofdstuk 4)
In hoofdstuk 4 wordt het ruimtelijk kader uit hoofdstuk 2 op onderdelen nader onderbouwd. Deze nadere analyse beschrijft per onderdeel de consequenties van het voorgestelde ruimtelijk kader.

Milieuaspecten (hoofdstuk 5)
In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten als gevolg van het voorgestelde ruimtelijk kader nader omschreven.

Bestemmingsregeling (hoofdstuk 6)
Op basis van de voorgaande hoofdstukken is de bestemmingsregeling opgesteld (verbeelding en regels). In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de overwegingen en uitgangspunten van de bestemmingsregeling en op de aangegeven bestemmingen en de inhoud van de bijbehorende regels. Voor wat betreft de opzet van de bestemmingsplan methodiek is aangesloten op de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en de bijbehorende Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012 (PRBP 2012).

Uitvoeringsaspecten (hoofdstuk 7)
In hoofdstuk 7 wordt aandacht besteed aan de uitvoering van het plan. Ingegaan wordt op de aspecten economische uitvoerbaarheid en handhaving.

Resultaten inspraak en overleg (hoofdstuk 8)
Dit hoofdstuk behandelt de wijze waarop het plan voorgelegd is aan de inwoners en instellingen. De resultaten van de inspraak- en overlegprocedure zijn in dit hoofdstuk opgenomen.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke structuur

2.1 Beschrijving huidige situatie

In de huidige situatie bevindt zich binnen het plangebied nog geen ondergrondse hoogspanningsverbinding tussen station Bergen op Zoom en station Woensdrecht. De reeds bestaande verbinding tussen de stations loopt via een ander tracé (zie figuur 2.1).

De gronden ter plaatse van het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan zijn in gebruik ten behoeve van diverse functies: agrarisch, bedrijventerrein, (spoor)wegen, water, natuur en groen. Er bevinden zich geen gebouwen in het plangebied.

Het bestaande station Woensdrecht 150 kV (WDT150) heeft 4 velden waarop verbindingen van TenneT aangesloten kunnen worden. Daar zijn de dubbelcircuits verbindingen naar station Bergen op Zoom 150 kV, Rilland 150 kV en Roosendaal 150 kV onderdeel van. Voor de nieuwe verbinding naar Bergen op Zoom 150 kV is geen veld beschikbaar. Om dit veld te kunnen bouwen is te weinig ruimte binnen het bestaande station. Ook wordt er rekening gehouden met de verdere uitbreiding met een zesde veld voor toekomstige ontwikkelingen. De uitbreiding van het bestemmingsplan kan niet binnen de vigerende bestemming. De uitbreiding van het station wordt in onderhavig bestemmingsplan mogelijk gemaakt met een enkelbestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.0748.BP0252-0301_0001.png"

Figuur 1 Uitbreiding station

2.2 Beschrijving nieuwe situatie

2.2.1 Hoogspanningsverbinding

In de nieuwe situatie wordt een ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV, bestaande uit één circuit, aangelegd tussen station Bergen op Zoom en station Woensdrecht. De bestaande bestemmingen blijven van kracht, er zijn wel beperkingen ten aanzien van het gebruik. In het landschap is na de realisatiefase nagenoeg niet zichtbaar dat er een ondergrondse hoogspanningsverbinding is aangelegd. Op enkele locaties zal een meetkastje komen van circa 1 meter hoog.

In onderstaande afbeelding is de nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding tussen Woensdrecht en Bergen op Zoom als een rode lijn weergegeven. Dit betreft een globale weergave van het tracé. Voor het exacte tracé dient de verbeelding te worden geraadpleegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0748.BP0252-0301_0002.jpg"

Figuur 2 Ondergrondse hoogspanningsverbindingen tussen Bergen op Zoom en Woensdrecht

2.2.2 Station Woensdrecht 150 kV

Voor de nieuwe verbinding naar 150 kV station Bergen op Zoom dient een nieuw veld te worden gebouwd. Deze kan namelijk niet op een bestaand veld waar al een verbinding op zit aangesloten worden. Ook spelen er in de regio diverse initiatieven voor de opwekking van duurzame energie. De aansluitmogelijkheden op hoogspanningsstations in de regio Bergen op Zoom zijn echter beperkt. Zowel station Woensdrecht 150 kV als Bergen op Zoom 150 kV hebben momenteel geen ruimte om duurzame initiatieven op aan te sluiten. Indien deze initiatieven doorgang vinden, dan kunnen ze na aanpassing van het station eenvoudig aangesloten worden. De velden zijn aangesloten op een centraal railsysteem op het station. Het bestaande railsysteem moet verlengd worden om het nieuwe veld op aan te kunnen sluiten. Dit kan alleen aan de zuidzijde van het station. Door deze aanpassing wordt het ook mogelijk ruimte te reserveren voor nog een extra veld. Dit wordt gedaan omdat er diverse duurzame energieprojecten in de regio spelen. Mocht er grootschalige opwekking gerealiseerd worden, dan kan er een veld aangebouwd worden.

De uitbreiding van het hoogspanningsstation is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Op deze locatie geldt in het bestemmingsplan BP Buitengebied - Zuid de bestemming "agrarisch met landschappelijke en cultuurwaarden". De gronden zijn bestemd voor het behouden, herstellen en duurzaam ontwikkelen van cultuurhistorische en landschappelijke waarden en kenmerken. Deze bestaan ter plaatse uit reliëfrijk gebied, een complex van kleinschalige bouwlanden (beslotenheid) en onregelmatige verkaveling. Door de uitbreiding van het station treedt er geen verandering op aan het reliëf. De locatie waar de uitbreiding van het station wordt gerealiseerd is namelijk reeds vlak. Ook zijn de effecten op de kenmerkende kleinschalige bouwlanden en onregelmatige verkaveling door de uitbreiding van het station verwaarloosbaar. Er wordt wel een aantal bomen gekapt en een sloot wordt verlegd. De voor de uitbreiding van het station te kappen bomen zijn echter niet beeldbepalend voor het landschap.

2.2.3 Tracékeuze en participatie

Er zijn meerdere alternatieven onderzocht en vergeleken. Een langs de A4 en de noordelijke randweg, een ander alternatief onder de Binnenschelde. Deze beide alternatieven bleken technisch niet haalbaar. Bij de tracékeuze zijn diverse partijen betrokken geweest. Zoals Air Liquide, het waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant, gemeenten Bergen op Zoom en Woensdrecht, Brabants Landschap en andere grondeigenaren. Ook is er een informatieavond geweest over de alternatieven en het voorliggend tracé.

Vanaf station Woensdrecht wordt de verbinding met twee boringen aangelegd onder het spoor, de buisleidingenstraat en Kraaijenberg door. Dit traject is tot stand gekomen in overleg met grondeigenaren (waaronder Brabants landschap). Dit om beperkingen op het grondgebruik te voorkomen en bij Brabants Landschap ook om schade aan de natuur te minimaliseren.

Voor de tracering ter plaatse van de Bergse Plaat is ook een participatiebijeenkomst gehouden. Hier is samen met omwonenden gesproken over de ligging van de verbinding. In overleg met de bewoners is een oplossing gekozen, waarbij de verbinding middels een gestuurde boring aangelegd wordt onder het retentiebekken door. Er wordt ten aanzien van de perceelgrenzen tot aan het hart van de kabel een lengte van circa 70 meter aangehouden.

Voor de parallelligging met de nieuwe stikstof- en zuurstofleidingen van Air Liquide is veelvuldig overleg geweest met Air Liquide. Air Liquide heeft akkoord gegeven op de ligging van het kabeltracé. Tevens heeft het 'platformoverleg' plaatsgevonden, waar TenneT met de kabels- en leidingeigenaren haar projecten in de regio doorneemt en de kabels- en leidingeigenaren worden geinformeerd.

Op bedrijfsterrein TNP zijn meerdere alternatieven onderzocht. Mede op verzoek van enkele bedrijven is gekozen voor een boring in de lengterichting onder de Synthesebaan. Er vindt afstemming plaats met bedrijfsvereniging TNP over de aanlegfase, om de hinder op bedrijven tijdens de aanleg tot een minimum te beperken.

Hoofdstuk 3 Beleidsaspecten

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. Deze visie vervangt verschillende bestaande nota's op het gebied van ruimtelijke ordening, waaronder de Nota Ruimte.

Het Rijk stelt in de SVIR heldere ambities voor Nederland in 2040, die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Rijk zet het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Voor een aanpak die Nederland concurrerend, leefbaar en veilig maakt, is volgens het Rijk een gewijzigde aanpak noodzakelijk. Het Rijk wil de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegenen brengen die het aangaan (burgers en bedrijven) en laat meer over aan gemeentes en provincies ('decentraal, tenzij - principe'). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudige regelgeving.

Op basis van de genoemde ambities komt het Rijk tot drie rijksdoelen:

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


Voor de hierboven genoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen geformuleerd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is. Het gaat hier om het volgende:

  • een excellente ruimtelijke-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
  • ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
  • ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
  • efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
  • betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;
  • het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen;
  • verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
  • ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
  • ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
  • zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.


Conclusie
Met het bestemmingsplan worden de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoogspanningsverbinding mogelijk gemaakt, evenals de uitbreiding van een hoogspanningsstation. Hiermee draagt het bestemmingsplan bij aan een van de nationale belangen: het bieden van ruimte voor het hoofdnetwerk voor energievoorziening. Het bestemmingsplan is niet in strijd met een van de overige nationale belangen uit de SVIR.

3.1.2 Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening

Het beleid dat in de SVIR is geformuleerd, is in het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (hierna: Barro) vastgelegd in regelgeving. In het Barro zijn nationale belangen vastgelegd waar provincies en gemeenten rekening mee moeten houden als zij inpassingsplannen en bestemmingsplannen opstellen. De elektriciteitsvoorziening is aangemerkt als een nationaal belang.

Wat betreft de elektriciteitsvoorziening zijn bestaande hoogspanningsverbindingen opgenomen. Voor hoogspanningsverbindingen, waaronder ook de schakel- en transformatorstations vallen, zijn de volgende regels opgenomen:

  • een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een hoogspanningsverbinding bevat het tracé van die hoogspanningsverbinding en laat het gebruik als hoogspanningsverbinding toe;
  • een bestemmingsplan wijst geen ander tracé van de hoogspanningsverbinding aan;
  • in afwijking van het tweede punt kan, na schriftelijk advies van de beheerder van het hoogspanningsnet, een ander tracé voor de hoogspanningsverbinding worden aangewezen, mits de hoogspanningsverbinding als zodanig in het bestemmingsplan wordt gehandhaafd, het bestemmingsplan het gebruik van dat gewijzigde tracé als hoogspanningsverbinding toelaat en het tracé aansluit op het tracé van de hoogspanningsverbinding in de naastliggende bestemmingsplannen.

Conclusie
In het Barro wordt een verbinding van minstens 220 kV gezien als een hoogspanningsverbinding. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt een ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV planologisch mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan is niet in strijd met de regels uit het Barro.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de plantoelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Dit wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking genoemd.

De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en stelt eisen aan bestemmingsplannen met het oog op een zorgvuldige afweging, transparante besluitvorming en een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. Hierbij moet ten eerste de behoefte aan de ontwikkeling worden beschreven en ten tweede moet bij buitenstedelijke ontwikkelingen worden gemotiveerd waarom deze niet binnenstedelijk plaats kan vinden.

Indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dan moet er getoetst worden aan
de Ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een nieuwe stedelijke
ontwikkeling indien een project ziet op de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke
voorzieningen. Bij de beoordeling of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling
wordt gekeken of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als een nieuw ruimtelijk besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of volgens het voorheen geldende planologische regime kon worden gerealiseerd. Indien de Ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is moet worden beschreven in hoeverre de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte.

Conclusie
De aanleg van een ondergrondse hoogspanningsverbinding en het uitbreiden van het hoogspanningsstation gelden niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Brabantse Omgevingsvisie

Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de provincie Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie op 14 december 2018 vastgesteld. De visie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op het gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

De provincie hanteert een strategie die zich richt op het verknopen en verweven van opgaven en het zoeken naar synergie en meerwaarde. Bij het zoeken naar oplossingen voor maatschappelijke opgaven vindt zij het belangrijk om vanuit meerdere richtingen naar een ontwikkeling te kijken:

  • een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar de effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar het betrekken van de dynamiek en randvoorwaarden die de onderste lagen meegeven. Hierbij wordt gekeken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek.
  • een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar het combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Vanuit een gebiedsgerichte insteek. Een nieuwe ronde manier van kijken naar een balans tussen people, planet en profit.
  • een 'brede' manier van kijken: niet vanuit één gezichtspunt kijken, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen ideeën en belangen.

De effecten op de ondergrond vragen extra aandacht omdat deze vaak een langdurige doorwerking hebben en soms zelfs onomkeerbaar zijn. Denk aan de aantasting van cultuurhistorische, archeologische of aardkundige waarden. Door 'diep' te kijken, houden we rekening met de laag-dynamische ondergrond, maar ook met de effecten op de andere lagen en met toekomstige effecten. Dit betekent onder meer de uitvoering van energieprojecten in de ondergrond schoon, veilig en ruimtelijk inpasbaar moeten zijn en dat het beschermen van een aantal waarden boven benutten gaat.

Conclusie
Met het bestemmingsplan worden de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoogspanningsverbinding mogelijk gemaakt, evenals de uitbreiding van een hoogspanningsstation. Met aspecten die invloed kunnen hebben op de ondergrond wordt in dit bestemmingsplan rekening gehouden (archeologische of aardkundige waarden). Ook met de aspecten zoals veiligheid en ruimtelijke inpasbaarheid wordt rekening gehouden.

3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Vooruitlopend op de Omgevingswet zet de provincie Noord-Brabant met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (vastgesteld door Provinciale Staten op 25 oktober 2019) de eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving bij elkaar gebundeld in één document. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vervangt onder andere de Provinciale milieuverordening, de Verordening natuurbescherming, de Verordening Ontgrondingen, de Verordening ruimte, de Verordening water en de Verordening wegen.

De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat geen nieuwe regels, maar voegt de bestaande regels uit de verordeningen samen. De regels zijn eenvoudiger opgeschreven en omgezet naar een nieuw digitaal systeem, met een meer gebruiksvriendelijke opbouw. Met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zet de provincie ook een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze. Waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen.

3.2.2.1 Natuurnetwerk Brabant

In de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, die op 25 oktober 2019 door Provinciale Staten is vastgesteld en op 5 november 2019 in werking is getreden, is een deel van het gebied waar de uitbreiding van het station wordt gerealiseerd aangeduid als 'nog om te vormen naar natuur'. Dit betreft gronden met een intensief agrarisch verleden, die een natuurbestemming krijgen. Deze gronden hebben meestal niet van de ene op de andere dag een natuurwaarde. Hiervoor is eerst omvormingsbeheer (verschraling) nodig of inrichting, zoals het afvoeren van de voedselrijke bouwvoor of bosaanplant. Om deze gronden met een natuurbestemming toch op de kaart te kunnen zetten is er het beheertype 'nog om te vormen naar natuur'. Hiermee is voor het beheer en beleid inzichtelijk waar en hoeveel natuur nog omgevormd of ingericht moet worden.

Op de locatie waar het station uitgebreid gaat worden (7.793m2) is geen natuur aanwezig. De gronden zijn in agrarisch gebruik en er is geen sprake van omvormingsbeheer. Conform de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant zijn er een aantal situaties waarin de begrenzing van het NNB gewijzigd kan worden:

  • 1. Wijziging van de begrenzing op verzoek met toepassing van nee-tenzij principe (artikel 3.19)
  • 2. Wijziging van de begrenzing op verzoek met toepassing van de saldobenadering (artikel 3.20)
  • 3. Wijziging van de begrenzing op verzoek bij kleinschalige ingrepen (artikel 3.21)

De gewenste ontwikkeling kan geen aanspraak maken op optie 2, en 3 voor herbegrenzing. Derhalve is het nee-tenzij principe van toepassing. Het nee, tenzij-principe houdt in dat ingrepen die de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNB aantasten, alleen zijn toegestaan indien er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven beschikbaar zijn. Daarnaast geldt een compensatieplicht voor het verlies van ecologische waarden en kenmerken bedoeld in artikel 3.22 (compensatieregels).

Artikel 3.19 van de Interim omgevingsverordening regelt het gebruik van: het nee-tenzij principe. Dat artikel ziet toe op dat:

  • a. Een bestemmingsplan dat toepassing geeft aan het nee, tenzij-principe, bevat een onderbouwing dat:
    • 1. er sprake is van een groot openbaar belang;
    • 2. er voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten het Natuur Netwerk Brabant;
    • 3. er geen andere oplossingen voorhanden zijn die de aantasting van het Natuur Netwerk Brabant voorkomen;
    • 4. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt;
    • 5. wordt voldaan aan de regels over het compenseren van verlies van ecologische waarden en kenmerken bedoeld in artikel 3.22;
    • 6. op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd.
  • b. Voor het onderzoek naar alternatieve locaties geldt dat:
    • 1. gezocht wordt naar alternatieve locaties binnen de gemeente en in omliggende gemeenten;
    • 2. een alternatieve locatie overwegend dezelfde functie kan vervullen;
    • 3. tijdverlies en meerkosten zijn op zichzelf geen reden om een alternatief af te wijzen.
  • c. Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 van de Interim omgevingsverordening.

Groot openbaar belang
De energievoorziening is van groot openbaar belang. Zonder robuuste transportnetwerken kan er grootschalige stroomuitval ontstaan met alle gevolgen aan toe. Elders in dit bestemmingsplan is gemotiveerd waarom het derde circuit tussen Woensdrecht en Bergen op Zoom nodig is. Ook is ruimte gereserveerd voor een extra veld op het station, zodat duurzame energie initiatieven aangesloten kunnen worden. Extra velden op de hoogspanningsstations zijn nodig om aan de duurzame energieambities te kunnen voldoen. Dit sluit ook aan bij de nationale ambities, zoals bijvoorbeeld verwoord in de ontwerp Nationale omgevingsvisie. Daarin staat aangegeven dat vitale functies in de maatschappij afhankelijk zijn van een betrouwbare toelevering en uitwisseling van energie. Ook de hoofdinfrastructuur voor opwekking, winning, conversie, opslag en transport van energie is onderdeel van dit nationale belang. Het landelijke transportnetwerk van elektriciteit zal zich verder ontwikkelen om de energietransitie te kunnen faciliteren. Hoogspanningsverbindingen van 110 kV en hoger behoren tot het landelijk hoogspanningsnet. De aanpassing van het station is nodig om de nieuwe verbinding naar Bergen op Zoom aan te kunnen sluiten. Momenteel worden Regionale Energiestrategieën uitgewerkt. Ook in de regio Woensdrecht / Bergen op Zoom worden deze voorzien. Zowel het station Bergen op Zoom als Woensdrecht heeft nu beperkte mogelijkheden om duurzame energie initiatieven op aan te sluiten. Door een nieuw veld te bestemmen bij het station Woensdrecht kan er in de toekomst eenvoudig aangesloten worden zodra er initiatieven uitgevoerd gaan worden. De ontwikkeling van duurzame energie is een van de ambities uit de provinciale Omgevingsvisie dat Brabant in 2050 volledig Energieneutraal is.

Alternatieven of andere oplossingen
Om het derde circuit aan te sluiten tussen de hoogspanningsstations Woensdrecht en Bergen op Zoom moet op de rail van station Woensdrecht aangesloten worden, omdat vanaf hier de koppeling met het landelijk hoogspanningsnet en de lokale netten is. Deze aansluiting gaat op een apart veld. Voor het optimaal functioneren van het station is het nodig de rails in de lengte te verlengen. Daarbij zijn er twee mogelijkheden: naar de noord- of de zuidzijde. Aan de noordzijde is te weinig fysieke ruimte om de rail veilig te kunnen verlengen, tenzij het perceel aan de noordzijde (boomkweker) voor een deel opgekocht en verder schadeloos gesteld zou moeten worden. Aan de zuidzijde is wel fysieke ruimte aanwezig, hier zijn de gronden agrarisch in gebruik. Bijkomend voordeel van deze zijde is dat er ook de mogelijkheden gecreëerd kunnen worden om op termijn duurzame energieprojecten op een apart veld aan te sluiten. Deze mogelijkheid is er aan de noordzijde niet. Met deze aanpassing aan de zuidzijde is de enige oplossing die technisch en veilig goed uitvoerbaar is. Bij de zuidelijke uitbreiding zijn geen gevolgen op de bedrijfsvoering van een derde en zijn er geen effecten op de aanwezige natuurwaarden Er zijn alleen effecten op de "om te vormen natuur" die onderdeel uitmaakt van het NNB. Aangezien het plangebied onderdeel is van het NNB, zal door ruimtebeslag hier niet de boogde natuur (droog schraalgrasland) gerealiseerd worden. Aangezien de gewenste ontwikkeling voorziet in een wijziging van het bestemmingsplan is herbegrenzing van het NNB noodzakelijk. Tevens dient de oppervlakte gecompenseerd te worden.

Compensatie
De op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant verplichte compensatie vindt naar keuze plaats door fysieke compensatie (overeenkomstig artikel 3.23) of financiële compensatie (overeenkomstig artikel 3.24). In overleg met de Provincie Noord-Brabant is gekozen voor financiële compensatie.

De omvang van de financiële compensatie is bepaald door de omvang van het verstoorde of vernietigde areaal NNB. Het betreft in de huidige situatie een akker zonder wezenlijke natuurwaarden. Hierdoor valt de natuur in de lichtste categorie met een ontwikkelingstijd tussen de 0 en 5 jaar, waardoor conform artikel 3.22 lid 2 van de Interim omevingsverordening Noord-Brabant geen toeslag van toepassing is. Er is geen sprake van externe effecten van verstoring en versnippering op NNB-gebied in de directe omgeving. Aangezien geen toeslag van toepassing is, bedraagt de te compenseren oppervlakte 7.793 m2, evenveel als het areaal aan NNB dat verloren gaat door uitbreiding van het station.

Het basisbedrag voor financiële compensatie bedraagt €10 per m2. Dit is gebaseerd op de
kosten voor de planontwikkeling en planuitvoering, kosten van de aanschaf van vervangende grond, kosten van de basisinrichting en kosten van ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd. Voor nog te ontwikkelen NNB, waar in dit geval nog sprake is van een landbouwfunctie, geldt een compensatie factor van 0,75. Er hoeft namelijk enkel gecompenseerd te worden voor de aankoopkosten van landbouwgrond elders. Andere kosten zoals kosten voor basisinrichting, ontwikkelbeheer en plankosten zijn niet aan de orde omdat deze kosten voor de betreffende gronden in het verleden nog niet zijn gemaakt. Dit betekent dat het financieel te compenseren bedrag uitkomt op € 58.447,50 (7.793m2 * €10/m2 * 0,75). Dit bedrag wordt door TenneT uiterlijk zes weken na de vaststelling van het bestemmingsplan gestort in de provinciale compensatievoorziening ter uitvoering van de geformuleerde compensatietaakstelling, zoals vastgelegd in artikel 3.24 lid 2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.2.2.2 Aardkundig waardevol gebied

Ter plaatse van de uitbreiding van het hoogspanningsstation is in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant de aanduiding 'Aardkundig waardevol gebied' van toepassing.

Volgens de verordening is een bestemmingsplan dat van toepassing is op een aardkundig waardevol gebied mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant. Het gebied ten zuiden van het bestaande hoogspanningsstation is op deze kaart aangemerkt als aardkundig waardevol gebied: Brabantse Wal, Meersche Duinen.

Dit gebied bestaat uit rivierterrassen van de Schelde; terraswand (fossiele klifkust); (oude) rivierduinen; stuifzand; ontsluiting Formatie van Waalre. De aardkundige betekenis is een opvallend reliëfverschil als gevolg van Pleistocene riviererosie en ene combinatie met rivier- en stuifduinen op de ‘hoge kant’. Deze bijzondere aardkundige waarden zijn echter rondom de begrenzing van het bestaande hoogspanningsstation, waar de uitbreiding plaatsvindt, niet duidelijk aanwezig. Er is sprake van een vlak akkerland. Er is dan ook geen sprake van impact van de uitbreiding van station Woensdrecht op aardkundig waardevol gebieden de Brabantse Wal en de Meersche Duinen.

3.2.2.3 Cultuurhistorisch waardevol gebied

Ter plaatse van de uitbreiding van het hoogspanningsstation is in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant de aanduiding 'Cultuurhistorisch waardevol gebied' van toepassing. Het gebied is volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart onderdeel van de Brabantse Wal. De bijzondere aardkundige structuur van de Brabantse Wal bestaat uit een steilrand, een reeks paraboolduinen en het tussenliggende duingebied. Deze bijzondere structuur is echter rondom de begrenzing van het bestaande hoogspanningsstation, waar de uitbreiding plaatsvindt niet duidelijk aanwezig. Er is geen impact van de uitbreiding van station Woensdrecht op de Brabantse Wal.

3.2.2.4 Stiltegebied

Ter plaatse van een gedeelte van het tracé is sprake van een gebied dat in de Interim omgevingsverordening als stiltegebied. Enkel tijdens de aanlegfase zal mogelijk sprake zijn van minimale geluidsproductie in het stiltegebied als gevolg van de werkzaamheden. In de gebruiksfase produceert een ondergrondse hoogspanningsverbinding geen geluid en zal geen verstoring plaatsvinden van het stiltegebied.

3.2.2.5 Conclusie

Met het bestemmingsplan worden de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoogspanningsverbinding mogelijk gemaakt, evenals de uitbreiding van een hoogspanningsstation. Het bestemmingsplan is ter plaatse van de uitbreiding van station Woensdrecht in strijd met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is namelijk sprake van NNB-gebied, met de aanduiding "nog om te vormen natuur". Er wordt door TenneT een financiële compensatie gedaan. Hiermee kan op een andere locatie natuur worden gerealiseerd, ter compensatie van het verlies van NNB. Het aardkundig waardevol gebied en cultuurhistorisch waardevol gebied worden niet verstoord. In het stiltegebied zal enkel tijdens de aanlegfase mogelijk enige verstoring optreden, maar niet in de gebruiksfase.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Bergen op Zoom 2030

De op 22 september 2011 door de gemeenteraad van Bergen op Zoom vastgestelde Structuurvisie voor het grondgebied van de gemeente levert een integrale samenhangende ruimtelijke visie voor de stad Bergen op Zoom en de kernen Halsteren, Lepelstraat, Heimolen, Klutsdorp en Kladde. De planhorizon van de structuurvisie reikt tot 2030. Binnen die termijn moet rekening worden gehouden met een lichte bevolkingskrimp als geheel, maar vooral ook met een daling van de beroepsbevolking door een toenemende vergrijzing. In het document wordt onder meer ingegaan op hoe verder te gaan met de reeds in gang gezette woonprojecten, de toekomst van de bedrijventerreinen, de fysieke infrastructuur, de recreatieve potenties, het water en het groen in en rondom de stad.

In de structuurvisie zijn aan de hand van het streefbeeld en de integrale structuurvisiekaart per gebied de beleidsuitgangspunten geformuleerd. De integrale structuurvisiekaart fungeert samen met het streefbeeld als uitgangspunt voor nog nieuw te formuleren (sectoraal) beleid en vormt een ruimtelijk toetsingskader voor toekomstige initiatieven. afbeelding "i_NL.IMRO.0748.BP0252-0301_0003.jpg"

Figuur 3 Streefbeeld voor de toekomst

afbeelding "i_NL.IMRO.0748.BP0252-0301_0004.jpg"
Figuur 4 Integrale structuurvisiekaart Bergen op Zoom

Voor delen van het plangebied zijn verschillende streefbeelden opgenomen in de structuurvisie. Ook op de integrale structuurvisiekaart zijn voor delen van het plangebied verschillende aanduidingen opgenomen. De ondergrondse hoogspanningsverbinding en uitbreiding van het station vormt geen belemmering voor de beleidsuitgangspunten uit de structuurvisie.

Hoofdstuk 4 Onderbouwing op onderdelen

In dit hoofdstuk wordt het ruimtelijke kader en de hierin geformuleerde uitgangspunten op de relevante onderdelen nader onderbouwd. Aan bod komen verkeer en groen, flora en fauna en water.

4.1 Archeologie

In de Erfgoedwet is de bescherming van het archeologisch erfgoed geregeld. Deze wet verplicht om bij de bestemming van de in het bestemmingsplan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, aangezien ze grotendeels verborgen liggen in de bodem. Hierdoor zijn ze niet eenvoudig te karteren. Voor de onbekende waarden heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) opgesteld. Voor de bekende waarden is de Archeologische Monumentkaart (AMK) opgesteld. Bij bodemverstoringen dient getoetst te worden of de archeologische waarden niet verstoord of beschadigd worden.

Onderzoek

Vanuit verschillende vigerende bestemmingsplannen en de Erfgoedverordening van de gemeente Bergen op Zoom hebben delen van het plangebied een archeologische verwachtingswaarde. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is archeologisch onderzoek (Bijlage 2 + bijbehorende oplegnotitie in Bijlage 10) uitgevoerd om inzicht te krijgen of en in hoeverre de werkzaamheden voor het aanleggen van de ondergrondse hoogspanningsverbinding van invloed zijn op de archeologische waarden in het plangebied. Ook is er archeologisch onderzoek (Bijlage 3) ten behoeve van de uitbreiding van station Woensdrecht.

Tracé
Het zuidoosten van het plangebied ligt op de Brabantse Wal, die vanaf het Laat-Paleolithicum een aantrekkelijke vestigingsplaats vormde. Dit blijkt uit vondsten op de Brabantse Wal uit de periode Laat-Neolithicum-Vroege-Bronstijd, Romeinse Tijd en Vroege-Middeleeuwen. De rest van het plangebied maakt deel uit van het zeekleigebied dat lange tijd onaantrekkelijk voor bewoning was. Er vonden diverse inbraken vanuit de zee plaats, waarbij oudere afzettingen grotendeels geërodeerd zijn. Binnen het plangebied wordt dat ook geen oude zeeklei verwacht, waarin eventueel kreekruggen aanwezig kunnen zijn die aantrekkelijk voor bewoning waren. Wel zouden ter plaatse van de ligging van de voormalige Schelde nog scheepswrakken aanwezig kunnen zijn. Binnen het zeekleigebied is alleen ter plaatse van de ‘Vossenberg’ in het noorden van het plangebied in 1880 al bewoning aanwezig, op een verhoging die in de 18e eeuw ook al aanwezig was. Op ouder kaartmateriaal ontbreekt hier echter bewoning.

Een groot deel van de kabel zal door middel van gestuurde boringen worden aangelegd. Hiermee blijven de archeologisch relevante lagen in het plangebied ongemoeid, aangezien de kabel eronder door geboord wordt. Op de drie plaatsen, waar de kabel middels een open ontgraving wordt aangelegd, is op basis van het archeologisch veldonderzoek een lage archeologische verwachting geconstateerd. De gemeentelijk archeoloog heeft aangegeven dat ondanks de lage archeologische verwachting de kans op archeologische sporen niet volledig uit te sluiten is. Onder soortgelijke omstandigheden (vergelijkbare landschappelijke situering van de locatie aan de voet van de wal en de intactheid van de bodem) zijn namelijk eerder archeologische vindplaatsen/sporen aangetroffen. Om deze reden worden er ter plaatse proefsleuven gegraven tijdens de aanleg van de lasput onder archeologische begeleiding.

Uitbreiding station Woensdrecht
Voor de locatie waar station Woensdrecht wordt uitgebreidt geldt op basis van bureauonderzoek een middelhoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Dit komt overeen met de verwachtingen van de gemeentelijke kaart. De te verwachten resten kunnen in principe dateren vanaf het Laat-Paleolithicum tot in de Late Middeleeuwen. De archeologische verwachting van de gemeente is gebaseerd op de geomorfologische en bodemkundige toestand van het plangebied. De uitbreiding van station Woensdrecht bevindt zich namelijk op de Brabantse Wal, echter niet helemaal op het hoogste punt, en is bedekt met (zwarte) enkeerdgronden, welke eventueel aanwezige archeologische resten kan hebben beschermd tegen recente bodemingrepen. Op basis van historisch kaartmateriaal is er geen bewoning uit de nieuwe tijd bekend binnen het plangebied. Het eventueel voorkomen van archeologische resten is afhankelijk van de intactheid van het bodemprofiel. Er is echter nog geen zicht op de mate waarin het bodemprofiel binnen het plangebied intact is. Om deze reden dient een vervolgonderzoek uitgevoerd te worden.

Conclusie
Op advies van de gemeentelijk archeoloog worden proefsleuven gegraven om archeologische sporen uit te sluiten. Op deze manier vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van de ondergrondse hoogspanningsverbinding blijven de regels met betrekking tot archeologie zoals opgenomen zijn in de onderliggende bestemmingsplannen van kracht. Voor de uitbreiding van station Woensdrecht geldt dat er in een later stadium vervolgonderzoek wordt uitgevoerd om de intactheid van het bodemprofiel in kaart te brengen.

Als tijdens de (graaf)werkzaamheden ten behoeve van de werkzaamheden archeologisch waardevolle zaken worden aangetroffen, worden deze conform de Erfgoedwet 2016 artikel 5.10 bij het Rijk gemeld (i.e. de gemeente Bergen op Zoom). Voor de vaststelling van het bestemmingsplan vormt het aspect archeologie geen belemmering.

4.2 Flora en Fauna

Ontwikkelingen, zoals het aanleggen van een ondergrondse hoogspanningsverbinding en het uitbreiden van een hoogspanningsstation, kunnen effect hebben op beschermde natuurwaarden. Dit betreft potentiële effecten op bijvoorbeeld vogel- en vleermuissoorten, maar ook effecten op beschermde natuurgebieden zijn mogelijk. De Wet natuurbescherming (Wnb) bevat alle regels voor de bescherming van zowel soorten als natuurgebieden.

In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mogelijke effecten van het bestemmingsplan op de beschermde natuurwaarden.

Gebiedsbescherming
Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. In Nederland zijn deze richtlijnen geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden, waaronder de Oosterschelde, het Markiezaat en het Zoommeer. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de soorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, of als een afweging heeft plaatsgevonden over alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en de inzet van compenserende maatregelen. In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Daarbij dient ook een eventuele externe werking van een initiatief op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden bepaald. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn bieden een juridisch kader dat verzekert dat menselijke activiteiten worden ondernomen op een wijze die de integriteit van Natura 2000-gebieden niet negatief beïnvloeden.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Wanneer (kleine) natuurgebieden en de daarin voorkomende soorten geïsoleerd komen te liggen, bijvoorbeeld door bebouwing en infrastructuur, bestaat het risico dat soorten niet kunnen overleven en het natuurgebied zijn waarde verliest. Door het aaneenschakelen van natuurgebieden wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van deze achteruitgang van natuur en biodiversiteit (veelheid van soorten). Provincies wijzen de NNN-gebieden aan en deze worden op hun beurt vastgelegd in ruimtelijke plannen van de gemeenten. De ecologische hoofdstructuur is planologisch beschermd met het 'nee, tenzij'-principe. Nieuwe ontwikkelingen zijn niet toegestaan als deze het gebied aantasten, tenzij er geen alternatieven zijn en de ontwikkeling van groot openbaar belang is. Schadelijke effecten op de natuur dienen te worden gecompenseerd.

Op basis van het ecologisch vooronderzoek (Bijlage 1) wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet strijdig is met het onderdeel ‘gebiedsbescherming’ van de Wet natuurbescherming mits rekening gehouden wordt met broedvogels. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van beschermde Natura 2000-gebieden. Daarnaast vindt geen fysieke aantasting plaats van beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanleggen van een ondergrondse hoogspanningsverbinding heeft eveneens geen negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland / Natuurnetwerk Brabant. De uitbreiding van station Woensdrecht vindt plaats binnen Natuur Netwerk Brabant. Het betreft een locatie waar de aanduiding "nog om te vormen natuur" op ligt. In paragraaf 2.2.2 is een motivatie opgenomen waarom de uitbreiding van het station op deze locatie nodig is. Op de effecten van de uitbreiding in het NNB en de benodigde compensatie wordt uitgebreid ingegaan in paragraaf 4.3.

Op beschermde houtopstanden in het plangebied zijn eveneens geen negatieve effecten te verwachten. Er worden geen beschermde houtopstanden gekapt. Bij beschermde houtopstanden wordt namelijk gebruik gemaakt van gestuurde boringen waardoor geen bomen gekapt hoeven te worden. Daarnaast is er sprake van kleine bosschages die niet onder de bescherming van de Wnb vallen.

Maatregelen gebiedsbescherming
Om te voorkomen dat negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen ontstaan, moet ecologische begeleiding toegepast worden. Deze ecologische begeleiding zal in de vorm van broedvogelcontroles worden uitgevoerd. Mogelijk worden delen van het tracé niet vrijgegeven omdat een broedgeval aanwezig is. Dan moet mogelijk van de planning afgeweken worden. Totdat het aangetroffen nest niet meer in gebruik is dient een verstoringsvrije zone aangehouden te worden


Soortenbescherming
De bescherming van in het wild voorkomende planten- en diersoorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. De Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn zijn voor Nederland geïmplementeerd in deze wet. Op grond van de Wet natuurbescherming gelden diverse verbodsbepalingen, zoals het doden van specifiek aangewezen vogel- en vleermuissoorten.

De beoogde ontwikkeling is mogelijk strijdig met de Wet natuurbescherming vanwege het (mogelijk) voorkomen van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen en allerlei verschillende broedvogelsoorten. Het is op basis van het ecologisch vooronderzoek (Bijlage 1) niet uit te sluiten dat door de werkzaamheden verblijfplaatsen van kleine marterachtigen verloren gaan en dat vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen en in gebruik zijnde nesten van broedvogels verstoord worden.

Maatregelen soortenbescherming
Om te voorkomen dat negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen ontstaan, moet ecologische begeleiding toegepast worden, tenzij buiten het broedseizoen gewerkt wordt. Deze ecologische begeleiding zal in de vorm van broedvogelcontroles worden uitgevoerd. Per locatie zal voorafgaand aan de start van de werkzaamheden een broedvogelcontrole uitgevoerd worden. Uit deze broedvogelcontrole komt naar voren of direct gestart kan worden met de werkzaamheden, of dat maatregelen of uitstel van de werkzaamheden nodig is.

Voor kleine marterachtigen dient eerst nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de
aanwezigheid van verblijfplaatsen van deze soorten. Pas daarna kan bepaald worden of de
beoogde werkzaamheden daadwerkelijk negatieve effecten hebben op deze soorten. Als blijkt dat verblijfplaatsen aanwezig zijn, dan zal een ontheffing worden aangevraagd en worden
mitigerende maatregelen getroffen.

Om negatieve effecten op vleermuizen te voorkomen moet overdag gewerkt worden. Er mag geen verplichting worden gebruikt gedurende de nacht voor zover deze verlichting uitstraalt naar eventuele vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen. Tevens mogen vliegroutes niet geblokkeerd worden door bijvoorbeeld hekwerken.

Conclusie
Op voorhand worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en beschermde houtopstanden. Vanwege het (mogelijk) voorkomen van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen en allerlei verschillende broedvogelsoorten zijn effecten op beschermde soorten op voorhand niet geheel uit te sluiten. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal nog onderzocht worden of deze soorten voorkomen in het gebied. Met de genoemde maatregelen en eventueel aan te vragen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming wordt het project uitvoerbaar geacht en worden de belangen van flora en fauna gewaarborgd.

4.3 Natuur Netwerk Brabant (NNB)

4.3.1 Introductie

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden in de provincie Noord-Brabant die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Het doel van het NNB is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten.

De gebieden die onderdeel uitmaken van het NNB zijn vastgelegd op de kaart van het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. Het NNB bestaat uit:

  • bestaande natuur- en bosgebieden;
  • gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming is verdwenen;
  • nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig;
  • ecologische verbindingszones.


In de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, die op 25 oktober 2019 door Provinciale Staten is vastgesteld en op 5 november 2019 in werking is getreden, zijn regels opgenomen voor de omgang met het NNB in bestemmingsplannen en bij nieuwe ontwikkelingen.

4.3.2 Inventarisatie

Het tracé van de aan te leggen ondergrondse hoogspanningsverbinding valt grotendeels buiten de begrenzing van het NNB. Op een aantal locaties doorkruist het tracé echter het NNB. Directe effecten van de werkzaamheden zoals oppervlakteverlies op het NNB in de omgeving van het tracé zijn op voorhand uit te sluiten, er wordt enkel tijdelijk in de buurt van het NNB gewerkt tijdens de realisatie. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB rond het tracé als gevolg van de beoogde werkzaamheden zijn uit te sluiten (Bijlage 1).


De uitbreiding van station Woensdrecht vindt plaats op gronden die deel uitmaken van het NNB. Het betreft 7.793 m2 van een groot NNB-gebied tussen Rijksweg A58 en de spoorlijn. Dit NNB-gebied strekt zich uit richting het zuiden. In de verdere omgeving zijn veel en grote gebieden aangewezen als NNB, zoals ook te zien aan alle gekleurde vlakken in onderstaande kaart uit het Natuurbeheerplan. De locatie van het hoogspanningsstation is aangegeven met een witte cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0748.BP0252-0301_0005.png"
Kaart met NNB gebieden in omgeving van hoogspanningsstation (witte cirkel)

Uit de onderstaande beheertypekaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat het NNB-gebied betreft met het natuurbeheertype 'N001.01 Nog om te vormen naar natuur'. Het betreft de roze vlakken. Aangrenzend bevinden zich landschapstypen L01.02 Houtwal en houtsingel. De uitbreiding wordt niet gerealiseerd in de groenblauwe mantel of in ecologische verbindingszones.


afbeelding "i_NL.IMRO.0748.BP0252-0301_0006.png"
Beheertypekaart NNB met uitbreiding van het hoogspanningsstation globaal aangegeven met wit kader


Uit de onderstaande ambitiekaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat het plan is om de gronden om te vormen naar het natuurbeheertype 'N11.01 Droog schraalgrasland'. Het betreft de gele vlakken op de kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0748.BP0252-0301_0007.png"
Ambitiekaart van het natuurbeheerplan.

Beheertype 'Nog om te vormen naar natuur'
Het beheertype 'Nog om te vormen naar natuur' omvat gronden die nog omgevormd moeten worden naar natuur. De gronden hebben vaak een intensief agrarisch of ander verleden en krijgen een natuurbestemming. Deze gronden hebben meestal niet van de ene op de andere dag een natuurwaarde. Voor de omvorming naar natuur is eerst omvormingsbeheer en/of herinrichting nodig zoals afvoer van bouwvoor of bosaanplant. Om deze gronden toch op de kaart te kunnen zetten als NNB is er het beheertype 'nog om te vormen naar natuur'. Hiermee is voor het beheer en beleid inzichtelijk waar en hoeveel natuur nog omgevormd of ingericht moet worden.

Op de locatie waar het station uitgebreid gaat worden (7.793 m2) is op dit moment geen natuur aanwezig. De gronden zijn in agrarisch gebruik en er is op dit moment geen sprake van omvormingsbeheer

Beheertype 'Droog schraalgrasland'
Droog schraalland omvat droge graslanden met lage open en kruidenrijke vegetaties. Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvorming en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd. Deze lijnvormige elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna.

4.3.3 Effectbepaling en compensatie

De uitbreiding van het hoogspanningsstation wordt gerealiseerd op gronden die onderdeel uitmaken van het NNB. De gronden zijn aangewezen als om te vormen tot natuur. Indien er door een ontwikkeling negatieve effecten op het NNB worden veroorzaakt, dan dienen deze gecompenseerd te worden. Hieronder wordt achtereenvolgens ingegaan op de effecten van de uitbreiding op het NNB en vervolgens op de compensatieopgave.

4.3.3.1 Effectbepaling

De effecten betreffen de mate waarin het NNB wordt aangetast als gevolg van de uitbreiding en de ontwikkelingsduur van de aanwezige natuur. De aantasting van NNB wordt bepaald door de mate waarin fysieke aantasting (het ruimtebeslag), versnippering en verstoring plaatsvindt.

Ruimtebeslag
Met de uitbreiding van het hoogspanningsstation is er sprake van een nieuw ruimtebeslag binnen het NNB. Het gaat hierbij om een oppervlakte van 7.793 m2, waar door het ruimtebeslag geen natuur gerealiseerd kan worden. Derhalve geldt hiervoor een compensatieplicht.

Versnippering
Van versnippering ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake. Het plangebied ligt namelijk aan de noordelijke rand van het NNB-gebied tussen de A58 en de spoorlijn. Door de uitbreiding van het hoogspanningsstation is derhalve geen sprake van versnippering binnen het NNB.

Verstoring
Bij verstoring gaat het om externe werking. Dat wil zeggen dat beoordeeld moet worden of de beoogde ontwikkeling leidt tot verstoring van NNB-gebied in de directe omgeving. In de directe omgeving van de uitbreiding van het hoogspanningsstation bevindt zich NNB met het beheertype 'nog om te vormen naar natuur' (direct aangrenzend) en het landschapstype 'houtwal of houtsingel' (minimale afstand circa 20 meter). Overige natuur- of landschapstypen liggen op grotere afstand van de uitbreiding (meer dan 100 meter). Verstoring zou kunnen optreden door geluid, licht en trillingen. Andere effectindicatoren worden niet relevant geacht gelet op de beoogde ontwikkeling. Een extra schakelveld zal in de gebruiksfase geen verstorende geluiden of trillingen veroorzaken. De schakelvelden produceren namelijk geen geluid, het zijn enkel aansluitvelden en er worden geen nieuwe transformatoren geplaatst. Tevens zijn geluidzoneringsplichtige inrichtingen, waaronder zware transformatorstations, onmogelijk gemaakt in de planregels. Er is geen effect op de a-biotische aspecten rust en stilte in de omliggende NNB-gebieden. Er wordt ook geen (extra) verlichting toegepast die uitstraalt richting het NNB. In dit geval is er geen sprake van verstoring van NNB-gebieden in de omgeving. De functie van het NNB-gebied, met haar biotische en a-biotische kenmerken en waarden, zal niet worden aangetast als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

Tijdens de realisatiefase dient echter wel rekening gehouden te worden met het mogelijke verstoren van broedvogels en andere beschermde soorten die voorkomen in het NNB. Er wordt geadviseerd om tijdens het broedseizoen de werkzaamheden uit te voeren onder ecologische begeleiding en waar mogelijk buiten het broedseizoen te werken. Als dit niet haalbaar is dan is het ook mogelijk om voor aanvang van het broedseizoen het gebied ongeschikt te maken voor broedvogels.

4.3.3.2 Herbegrenzing

Conform de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant zijn er een aantal situaties waarin de begrenzing van de NNN gewijzigd kan worden:

  • 1. Wijziging van de begrenzing op verzoek met toepassing van nee-tenzij principe (artikel 3.19);
  • 2. Wijziging van de begrenzing op verzoek met toepassing van de saldobenadering (artikel 3.20);
  • 3. Wijziging van de begrenzing op verzoek bij kleinschalige ingrepen (artikel 3.21).


De gewenste ontwikkeling kan geen aanspraak maken op optie 2, en 3 voor herbegrenzing. Derhalve is het nee-tenzij principe van toepassing. Het nee, tenzij-principe houdt in dat ingrepen die de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNB aantasten, alleen zijn toegestaan indien er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven beschikbaar zijn.

Artikel 3.19 van de Interim omgevingsverordening regelt het gebruik van: het nee-tenzij principe. Dat artikel ziet toe op dat:

  • a. Een bestemmingsplan dat toepassing geeft aan het nee, tenzij-principe, bevat een onderbouwing dat:
    • 1. Er sprake is van een groot openbaar belang;
    • 2. Er voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten het Natuur Netwerk Brabant;
    • 3. Er geen andere oplossingen voorhanden zijn die de aantasting van het Natuur Netwerk Brabant voorkomen;
    • 4. De negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt;
    • 5. Wordt voldaan aan de regels over het compenseren van verlies van ecologische waarden en kenmerken bedoeld in artikel 3.22;
    • 6. Op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd.
  • b. Voor het onderzoek naar alternatieve locaties geldt dat:
    • 1. Gezocht wordt naar alternatieve locaties binnen de gemeente en in omliggende gemeenten;
    • 2. Een alternatieve locatie overwegend dezelfde functie kan vervullen;
    • 3. Tijdverlies en meerkosten zijn op zichzelf geen reden om een alternatief af te wijzen.
  • c. Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 van de Interim omgevingsverordening.

Groot openbaar belang
De energievoorziening is van groot openbaar belang. Zonder robuuste transportnetwerken kan er grootschalige stroomuitval ontstaan met alle gevolgen aan toe. Elders in dit bestemmingsplan is gemotiveerd waarom het derde circuit tussen Woensdrecht en Bergen op Zoom nodig is. Ook is ruimte gereserveerd voor een extra veld op het station, zodat de nieuwe verbinding en toekomstige duurzame energie initiatieven aangesloten kunnen worden. Extra velden op de hoogspanningsstations zijn nodig om aan de duurzame energieambities te kunnen voldoen. Dit sluit ook aan bij de nationale ambities, zoals bijvoorbeeld verwoord in de ontwerp Nationale omgevingsvisie. Daarin staat aangegeven dat vitale functies in de maatschappij afhankelijk zijn van een betrouwbare toelevering en uitwisseling van energie. Ook de hoofdinfrastructuur voor opwekking, winning, conversie, opslag en transport van energie is onderdeel van dit nationale belang. Het landelijke transportnetwerk van elektriciteit zal zich verder ontwikkelen om de energietransitie te kunnen faciliteren. Hoogspanningsverbindingen van 110 kV en hoger behoren tot het landelijk hoogspanningsnet. De aanpassing van het station is nodig om de nieuwe verbinding naar Bergen op Zoom aan te kunnen sluiten. Momenteel worden Regionale Energiestrategieën uitgewerkt. Ook in de regio Woensdrecht / Bergen op Zoom worden deze voorzien. Zowel het station Bergen op Zoom als Woensdrecht heeft nu beperkte mogelijkheden om duurzame energie initiatieven op aan te sluiten. Door een nieuw veld te bestemmen bij het station Woensdrecht kan er in de toekomst eenvoudig aangesloten worden zodra er initiatieven uitgevoerd gaan worden. De ontwikkeling van duurzame energie is een van de ambities uit de provinciale Omgevingsvisie dat Brabant in 2050 volledig Energieneutraal is.

Alternatieven of andere oplossingen
Om het derde circuit aan te sluiten tussen de hoogspanningsstations Woensdrecht en Bergen op Zoom moet op de rail van station Woensdrecht aangesloten worden, omdat vanaf hier de koppeling met het landelijk hoogspanningsnet en de lokale netten is. Deze aansluiting gaat op een apart veld. Voor het optimaal functioneren van het station is het nodig de rails in de lengte te verlengen. Daarbij zijn er twee mogelijkheden: naar de noord- of de zuidzijde. Aan de noordzijde is te weinig fysieke ruimte om de rail veilig te kunnen verlengen, tenzij het perceel aan de noordzijde (boomkweker) voor een deel opgekocht en verder schadeloos gesteld zou moeten worden. Aan de zuidzijde is wel fysieke ruimte aanwezig, hier zijn de gronden agrarisch in gebruik. Bijkomend voordeel van deze zijde is dat er ook de mogelijkheden gecreëerd kunnen worden om op termijn duurzame energieprojecten op een apart veld aan te sluiten. Deze mogelijkheid is er aan de noordzijde niet. Met deze aanpassing aan de zuidzijde is de enige oplossing die technisch en veilig goed uitvoerbaar is. Bij de zuidelijke uitbreiding zijn geen gevolgen op de bedrijfsvoering van een derde en zijn er geen effecten op de aanwezige natuurwaarden Er zijn alleen effecten op de "om te vormen natuur" die onderdeel uitmaakt van het NNB. Aangezien het plangebied onderdeel is van het NNB, zal door ruimtebeslag hier niet de boogde natuur (droog schraalgrasland) gerealiseerd worden. Aangezien de gewenste ontwikkeling voorziet in een wijziging van het bestemmingsplan is herbegrenzing van het NNB noodzakelijk. Tevens dient de oppervlakte gecompenseerd te worden.

4.3.3.3 Compensatie

BIj herbegrenzing geldt op grond van artikel 3.22 van de Interim omgevingsverordening een compensatieplicht voor het verlies van ecologische waarden en kenmerken. De verplichte compensatie vindt naar keuze plaats door fysieke compensatie (overeenkomstig artikel 3.23 van de Interim omgevingsverordening) of door financiële compensatie (overeenkomstig artikel 3.24 van de Interim omgevingsverordening). In overleg met de Provincie Noord-Brabant is gekozen voor financiële compensatie.

De omvang van de financiële compensatie is bepaald door de omvang van het verstoorde of vernietigde areaal NNB. Het betreft in de huidige situatie een akker zonder wezenlijke natuurwaarden. Hierdoor valt de natuur in de lichtste categorie met een ontwikkelingstijd tussen de 0 en 5 jaar, waardoor conform artikel 3.22 lid 2 van de Interim omevingsverordening Noord-Brabant geen toeslag van toepassing is. Er is geen sprake van externe effecten van verstoring en versnippering op NNB-gebied in de directe omgeving. Aangezien er geen toeslag van toepassing is, bedraagt de te compenseren oppervlakte 7.793 m2, evenveel als het areaal aan NNB dat verloren gaat door uitbreiding van het station.

Het basisbedrag voor financiële compensatie bedraagt €10 per m2. Dit is gebaseerd op de
kosten voor de planontwikkeling en planuitvoering, kosten van de aanschaf van vervangende grond, kosten van de basisinrichting en kosten van ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd. Voor nog te ontwikkelen NNB, waar zoals in dit geval nog sprake is van een landbouwfunctie, geldt een compensatie factor van 0,75. Er hoeft namelijk enkel gecompenseerd te worden voor de aankoopkosten van landbouwgrond elders. Andere kosten zoals kosten voor basisinrichting, ontwikkelbeheer en plankosten zijn niet aan de orde omdat deze kosten voor de betreffende gronden in het verleden nog niet zijn gemaakt. Dit betekent dat het financieel te compenseren bedrag uitkomt op € 58.447,50 (7.793m2 * €10/m2 * 0,75). Dit bedrag wordt door TenneT uiterlijk zes weken na de vaststelling van het bestemmingsplan gestort in de provinciale compensatievoorziening ter uitvoering van de geformuleerde compensatietaakstelling, zoals vastgelegd in artikel 3.24 lid 2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.4 Stikstofdepositie

Relevant kader
Een groot aantal van de in Nederland aangewezen Natura 2000-gebieden was opgenomen in het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit vanwege de stikstofgevoelige natuur die zich binnen deze gebieden bevindt. Met het PAS werd ontwikkelingsruimte beschikbaar gesteld voor nieuwe economische ontwikkelingen (projecten). Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het PAS. De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Per project/activiteit moet daarom sinds de uitspraak van de ABRvS de stikstofdepositie worden berekend. Indien blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden, moet worden aangetoond of er al dan niet sprake is van significante effecten als gevolg van de toegenomen stikstofdepositie.

Onderzoek
De stikstofdepositie als gevolg van de nieuwe hoogspanningsverbinding tussen Woensdrecht en Bergen op Zoom en de uitbreiding van station Woensdrecht is bepaald door het uitvoeren van een AERIUS-berekening. Uit de berekening blijkt dat er tijdens de realisatiefase sprake zal zijn van eenmalige stikstofdepositie ter plaatse van een aantal leefgebieden en habitattypen in de Natura 2000-gebieden Brabantse Wal en Oosterschelde. Uit de 'Ecologische beoordeling stikstofdepositie Natura 2000' (Bijlage 9) komt echter naar voren dat significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden met zekerheid zijn uitgesloten.

In het Natura 2000-gebied Oosterschelde is geen sprake van overschrijding of dreigende overschrijding van de kritische depositiewaarde en daarmee zijn significant negatieve effecten uitgesloten.

In het Natura 2000-gebied Oosterschelde is geen sprake van overschrijding van de KDW en daarmee zijn negatieve effecten uitgesloten. In het Natura 2000-gebied Brabantse Wal zijn negatieve effecten eveneens uitgesloten op de natuurlijke kenmerken en de gestelde instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het geding. Deze conclusie geldt ondanks dat een aantal leefgebieden op de Brabantse Wal gevoelig zijn voor stikstofdepositie en er sprake is van een overbelaste situatie. De bijdrage van het project heeft, gezien de tijdelijke aard en verwaarloosbare omvang, met zekerheid geen invloed op de huidige situatie of de mogelijkheden om een verbetering van de instandhouding te bereiken. Het kunnen behalen van de instandhoudingsdoelstellingen wordt derhalve ook niet bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt door de bijdrage van het project.

Conclusie
Stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. Dit geldt voor zowel het aanleggen van de ondergrondse hoogspanningsverbinding als voor de uitbreiding van station Woensdrecht.

4.5 Water

Beleid gemeente
Gemeente Bergen op Zoom heeft in 2001 een waterplan opgesteld waarin alle verschijningsvormen van water in samenhang zijn bekeken. Dit plan is opgesteld in samenwerking met alle betrokken waterpartners en zowel door de gemeenteraad als het waterschapsbestuur in 2002 vastgesteld. De meeste uitgangspunten van het waterplan zijn nog steeds van kracht en bovendien nader uitgewerkt in het geactualiseerde verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan (vGRP 2013-2017) dat in februari 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld.

Beleid gemeente
Gemeente Bergen op Zoom heeft in 2001 een waterplan opgesteld waarin alle verschijningsvormen van water in samenhang zijn bekeken. Dit plan is opgesteld in samenwerking met alle betrokken waterpartners en zowel door de gemeenteraad als het waterschapsbestuur in 2002 vastgesteld. De meeste uitgangspunten van het waterplan zijn nog steeds van kracht en bovendien nader uitgewerkt in het geactualiseerde verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan (vGRP 2013-2017) dat in februari 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld.

Bovendien heeft de gemeente sinds de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke watertaken (2008) verschillende zorgplichten ten aanzien van water in het stedelijk gebied. Het gaat om de zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Voor het stedelijk afvalwater is deze zorgplicht uitgewerkt in het vigerende vGRP. De zorgplichten voor hemel- en grondwater komen voor de gemeente pas om de hoek kijken als grondeigenaren zelf niet voor een adequate verwerking van het water kunnen zorgen. In deze gevallen dient de gemeente voor voorzieningen te zorgen waarop particulieren kunnen aansluiten. Belangrijke voorwaarde is wel dat de maatregelen doelmatig zijn. Welke maatregelen worden getroffen, is zeer sterk locatie-afhankelijk. Zo zijn andere maatregelen nodig als de grondwaterstand laag is en er sprake is van een zandige bodem dan wanneer de bodem uit klei bestaat en het grondwater in een groot deel van het jaar reikt tot aan het maaiveld. Gezamenlijk met het waterschap dient hieromtrent een juiste (lees passende) keuze te worden gemaakt. Een passende aanpak is vastgelegd in de nota Watertaken: Gemeentelijke Wateropgave Bergen op Zoom, daterend uit 2009.

Tenslotte zorgt de gemeente voor de ruimtelijke inpassing van de diverse voorzieningen voor het waterbeheer. Ook in dat opzicht wordt bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening gehouden met noodzakelijke voorzieningen vanuit zowel het integraal waterbeleid als het rioleringsplan.

Beleid Waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits- en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer.

Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2016-2021, dat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Belangrijke speerpunten uit het waterbeheerplan zijn veiligheid, droge voeten, voldoende water, gezonde natuur, schoon water, genieten van water en het waterschap als calamiteitenorganisatie. Bovendien richt het waterschap met genoemde hoofdlijnen van het waterbeheer zich in toenemende mate op de samenwerking met de mogelijkheid in de verbinding meer maatwerk toe te passen, voor zover doelmatig.

In een toetsingskader RO “De ruimte blauw geordend”, heeft het waterschap aangegeven wat de ruimtelijke consequenties zijn van het waterbeleid. Verder heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor diverse ingrepen met betrekking tot de waterhuishouding een ontheffing of watervergunning gerelateerd aan de Keur van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.

Watertoets
Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.

In dit kader hebben waterschap en de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg gevoerd. Hierbij is door TenneT en het waterschap gesproken over de wijze van aanleggen van de ondergrondse hoogspanningsverbinding. Het waterschap heeft TenneT enkele aandachtspunten en voorwaarden meegegeven voor de nadere uitwerking van de plannen en de uitvoering van de werkzaamheden.

Een aandachtspunt is de afstand tot afvalwaterpersleidingen. Er zit circa 8 meter tussen het hart van de boring van TenneT en de onderkant van de afvalwaterpersleidingen. Het waterschap is hiermee akkoord. TenneT dient wel middels berekeningen aan te tonen dat het grondpakket onder de leidingen stabiel blijft bij het uitvoeren van de boring.

Voor de boring onder de primaire waterkeringen bij het Zoommeer geldt dat zowel het in-en uittredepunt buiten de zonering van de primaire waterkering moet liggen. Hier is door TenneT in het ontwerp rekening mee gehouden. Indien onder retentievijvers door wordt geboord mogen de terpjes/kasten niet midden op de onderhoudsstrook staan en dient de afstand tot de insteek van een A-watergang minstens 5 meter te zijn.

Een ander aandachtspunt is de noodzakelijke bemaling bij de A-watergangen bij Bergse Plaat. De hoogspanningsverbinding wordt deels aangelegd door open ontgraving en deels met een gestuurde boring. Ten behoeve van de open ontgraving en de in- en uittredepunten van de gestuurde boringen (lasmof-punten) is tijdelijk bemaling nodig. Om de werkzaamheden ter plaatse van de open ontgraving in den droge te kunnen uitvoeren, is een maximaal waterbezwaar van 800 m3/dag berekend, wat neerkomt op maximaal 25.000 m3 per maand (zie ook bemalingsadvies in Bijlage 7 + bijbehorende oplegnotitie in Bijlage 10). Hiervoor geldt een meldingsplicht. De vergunninggrens ligt bij 50.000 m3 per maand.

De bemalingsdebieten van de Lasmof-punten zijn dusdanig laag dat ze op basis van het waterbezwaar niet vergunningplichtig zijn. Enkele lasmof-punten bevinden zich in beschermd gebied, maar vanwege de grondwaterstanden is hier geen bemaling benodigd is. Voor de andere Lasmof locaties is naar verwachting wel bemaling vereist, hiervoor geldt een meldingsplicht. Bij het station Woensdrecht wordt de bestaande sloot opgeschoven naar de zuidzijde van het hek. Dit heeft geen gevolgen voor de waterhuishouding.

Juridische vertaling
Juridische vertaling van de wateraspecten in het bestemmingsplan is niet aan de orde.

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieuaspecten. Het betreft de aspecten bedrijven en milieuzonering, milieueffectrapportage, lucht, geluid, externe veiligheid en bodem.

5.1 Externe veiligheid

Toetsingskader 
In een bestemmingsplan dat kwetsbare objecten zoals woningen mogelijk maakt moet aandacht worden besteedt aan externe veiligheid. Nieuwe kwetsbare objecten mogen namelijk niet binnen de risicocontour (invloedsgebied van een risicobron) van bestaande risicobronnen liggen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld inrichtingen waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen. Ook transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water en door buisleidingen vormt een risico.

Daarnaast dient een veiligheidsafstand aangehouden te worden tot windturbines. In het handboek risicozonering windturbines staat aangegeven welke afstanden dit betreft. Uit dit handboek blijkt dat de maximale werpafstand van windturbines 245 meter is. Er zijn geen (bestemde) windturbines binnen deze afstand van de verbinding en het station.

Het beleid voor externe veiligheid is geregeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), maar ook in het besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In de genoemde besluiten zijn de diverse risiciocontouren met betrekking tot externe veiligheid vastgelegd.

Daarnaast kunnen er mogelijk zwerfstromen ontstaan. Door goede aarding aan te brengen bij de verbinding wordt voorkomen dat deze tot aanraakspanning leiden.

Ook kunnen er zwerfstromen ontstaan die mogelijk effect hebben op ondergrondse infrastructuur. Hiervoor zijn regels waar bij ontwerp aan voldaan moet worden. Deze zijn opgenomen in de NEN3654.

Situatie
Een ondergrondse hoogspanningsverbinding en een hoogspanningsstation zijn geen risicovolle inrichtingen in het kader van het Bevi. Ook zijn het Bevb en Bevt niet van toepassing. De ondergrondse hoogspanningsverbinding brengt geen externe veiligheidsrisico's met zich mee voor gevoelige functies zoals woningen die zich in de nabijheid van de ondergrondse hoogspanningsverbinding bevinden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid tot realisatie van kwetsbare objecten.

Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.2 Bodem

Toetsingskader
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient de toelichting van een bestemmingsplan een paragraaf te bevatten over bodemkwaliteit.

Er dient gemotiveerd te worden hoe de bodemkwaliteit zich verhoudt in relatie tot de boogde bestemming. De milieuhygiënische bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de bestemming van de gronden. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het beoogde gebruik van de bodem.

Situatie
Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 4 + bijbehorende oplegnotitie in Bijlage 10). Met het onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische bodemkwaliteit in het plangebied. Er zijn ten hoogste licht verhoogde gehalten aangetoond in de bodem. Voor het werken in de grond zijn geen specifieke maatregelen noodzakelijk.


Op basis van het verkennend bodemonderzoek zijn ter hoogte van de kruising van de Conradweg met de Van Konijnenburgweg echter mogelijk milieuhygiënische belemmeringen voor het realiseren van het tracé als gevolg van de aangetoonde verontreinigingen in het grondwater. De omvang van de verontreiniging is middels het verkennend bodemonderzoek niet vastgesteld. Omdat er mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, wordt voorafgaand aan het aanleggen van de kabelverbinding aanvullend grondwateronderzoek worden uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek worden de juiste maatregelen getroffen voor het aanleggen van de ondergrondse hoogspanningsverbinding.

Conclusie
De (water)bodemkwaliteit ter plaatse vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Een ondergrondse hoogspanningsverbinding is namelijk geen functie die gevoelig is voor (water)bodemverontreiniging. In de aanlegfase worden de eventueel benodigde maatregelen getroffen.

5.3 Luchtkwaliteit

Toetsingskader
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). In titel 5.2 van de wet zijn de bepalingen ten behoeve van luchtkwaliteit opgenomen.

Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en op welke wijze overschrijdingen van de luchtkwaliteit dienen te worden aangepakt. Het programma
houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur.
Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen
(grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft overeenkomstig artikel 5.12 van de Wm het NSL vastgesteld. Op 1 augustus 2009 is het NSL vervolgens in werking getreden. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de hiervoor geldende grenswaarden. De beoordelingscriteria of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. In dit Besluit is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma, een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Situatie
Het bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling voor het tracé van een ondergrondse hoogspanningsverbinding en de uitbreiding van het hoogspanningsstation. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een substantiële toename van verkeer. De werkzaamheden ten behoeve van de aanleg genereren tijdelijk extra verkeer. In de gebruiksfase is de ondergrondse hoogspanningsverbinding onbemand en vinden enkel beperkt verkeersbewegingen plaats door toezicht en onderhoud. Een ondergrondse hoogspanningsverbinding stoot zelf geen stoffen uit die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Er is dan ook geen onderzoek uitgevoerd naar de effecten van het plan op de luchtkwaliteit.

Conclusie
Het plan heeft geen blijvende verkeersaantrekkende werking. Daarnaast stoot een ondergrondse hoogspanningsverbinding geen vervuilende stoffen uit. De verwachting is daarmee dat het plan in niet betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.4 Magneetvelden

Relevant kader
Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Ook is er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan of er gezondheidseffecten bij mensen te verwachten zijn door blootstelling aan laagfrequente magneetvelden zoals die bij hoogspanningsverbindingen voorkomen. Op basis van dit wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband blootstellingslimieten aanbevolen voor magneetvelden. Deze houden in dat blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microTesla (µT) wordt afgeraden (Europese Richtlijn 1999/519/EC). Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd en in bestaande situaties nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT op voor publiek toegankelijke plaatsen wordt deze nergens overschreden. De verzamelde wetenschappelijke gegevens wijzen op het bestaan van een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het voorkomen van leukemie bij kinderen tot 15 jaar en het wonen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbinding.

Ondanks dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor een oorzakelijk verband heeft de Rijksoverheid, op advies van de Gezondheidsraad, in 2005 een beleidsadvies (Ministerie van VROM, d.d. 3 oktober 2005, verduidelijking d.d. 4 november 2008) uitgebracht voor bovengrondse hoogspannings-verbinding waarin wordt geadviseerd zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden met een jaargemiddelde veldsterkte van meer dan 0,4 microTesla. Dit komt erop neer dat het advies is om bij nieuwe situaties gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) zo veel als redelijkerwijs mogelijk buiten de magneetveldzone van 0,4 microTesla te plaatsen.

Bovengenoemd beleidsadvies van de rijksoverheid ziet op langdurige blootstelling en is van toepassing op nieuwe situaties en bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Voor alle hoogspanningsverbindingen geldt daarnaast te allen tijde de blootstellingslimiet van 100 microTesla conform de aanbeveling van de Europese Unie. Deze waarde wordt ook in Nederland gehanteerd. Op voor publiek toegankelijke plaatsen nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT wordt deze limiet nergens overschreden.

In 2018 heeft de Gezondheidsraad een nieuw advies uitgebracht over mogelijke gezondheidseffecten van magneetvelden. Hierbij geeft de Gezondheidsraad de staatssecretaris van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (voorheen VROM) in overweging om het voorzorgsbeleid rondom bovengrondse hoogspanningslijnen uit te breiden naar ondergrondse elektriciteitskabels en andere bronnen die oorzaak kunnen zijn van langdurige blootstelling aan magnetische velden uit het hoogspanningsnet.

Momenteel wordt door de minister verkend of dat een verbreding van het voorzorgsbeleid naar andere bronnen in het hoogspanningsnet wenselijk is.

Beoordeling

Ondergrondse verbindingen
Het beleid is alleen van toepassing op bovengrondse verbindingen. Op basis van ervaringscijfers bij vergelijkbare ondergrondse hoogspanningsverbindingen zijn berekeningen gedaan naar de magneetveldsterkte als gevolg van de kabelverbinding berekend op 1 meter boven maaiveld. Uit de berekeningen blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de aanbeveling voor de magneetveldsterkte van maximaal 100 µT uit de Europese Richtlijn 1999/519/EC.

TenneT heeft bij diverse kabelverbindingen onderzoek uitgevoerd naar magneetvelden. Daaruit volgt dat aangenomen mag worden dat de contour van 0,4 microTesla (jaargemiddeld) voor deze verbinding binnen 15 meter van het hart van een kabelverbinding ligt. Binnen 15 meter van het hart van de ondergrondse 150 kV-verbinding in het plangebied zijn geen objecten gelegen die in het kader van het huidige beleidsadvies voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen worden aangemerkt als gevoelige bestemming.

Hoogspanningsstation
Ook voor hoogspanningsstations is er geen beleid ten aanzien van magneetvelden. Er zijn wel berekeningen van stations gedaan. Daaruit volgt dat aangenomen mag worden dat de contour van 0,4 microTesla (jaargemiddeld) voor stations binnen 40 meter van het hek rondom het hoogspanningsstation ligt. Binnen deze afstand zijn geen objecten gelegen die in het kader van het huidige beleidsadvies voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen worden aangemerkt als gevoelige bestemming. Daaruit volgt dat aangenomen mag worden dat ruimschoots wordt voldaan aan de aanbeveling voor de magneetveldsterkte van maximaal 100 µT uit de Europese Richtlijn 1999/519/EC

Conclusie
Magneetvelden vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.5 Niet gesprongen explosieven

Voor het tracé van de ondergrondse hoogspanningsverbinding is vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven verricht (Bijlage 6 + bijbehorende oplegnotitie in Bijlage 10).

Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog getroffen is door oorlogshandelingen. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is het gebied gedeeltelijk verdacht verklaard op het aantreffen van CE in de bodem vanaf net onder het maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog tot op een diepte van 2 en 2,5 meter minus maaiveld. De minimale diepteligging van de mogelijk aan te treffen CE is net onder het maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Indien de bodem geroerd is, dan kan worden aangenomen dat er in de bodem vanaf het maaiveld tot de diepte waar de bodemroerende activiteiten hebben plaatsgevonden zich geen CE meer bevinden.

In de onverdachte gebieden kan de ondergrondse hoogspanningsverbinding zonder vervolgstappen worden gerealiseerd.

Er zijn verdachte gebieden in agrarische grond gedetecteerd en bij het spoor. De noodzakelijke vervolgstappen dienen te worden ondernomen om de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding in deze gebieden mogelijk te maken. Voor de verdachte gebieden in agrarisch grond geldt dat voor aanvang van de werkzaamheden detectie dient plaats te vinden. Voor de verdachte gebieden bij het spoor geldt dat middels een gestuurde boring onder het verdachte gebied door kan worden geboord voor het aanleggen van de ondergrondse hoogspanningsverbinding.

Voor de uitbreiding van station Woensdrecht geldt dat op basis van de verwachtingenkaart NGE van de gemeente Bergen op Zoom het niet nodig is gebeken om vooronderzoek naar de aanwezigheid van niet gespronge conventionele explosieven te verrichten. NGE vormt geen belemmering voor de uitbreiding van het station.

5.6 Kabels en leidingen

Het tracé van de nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding ligt dicht in de buurt bij een (geplande) stikstof- en zuurstofleiding van Air Liquide, die in 2018 zijn vastgelegd in het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Verleggen stikstof- en zuurstofleiding' met IMRO-identificatienummer NL.IMRO.0748.BP0241-0301. Er zijn door TenneT gesprekken gevoerd met Air Liquide om dit af te stemmen.

Ook kruist het tracé van de nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding nabij station Woensdrecht 'Leidingstraat Nederland'. LSNed beheert een obstakelvrij leidingentracé tussen de industriegebieden van Rotterdam en Moerdijk, in de richting van Vlissingen en Antwerpen. TenneT stemt met LSNed af over het kruisen van de leidingstraat. Uitgangspunt is dat de belangen van LSNed niet worden geschaad. Ook voor een afvalwaterpijpleiding van SABIC IP geldt dat deze niet mag worden geschaad. Hierover wordt afgestemd met de beheerder van deze leiding, PPS-Pipelines.

Ook andere kabels en leidingen worden gekruist, zoals leidingen van Zeeland Refinery, Zebra Gas en waterleidingen en riool van Brabantse Delta. Er is een KLIC-melding gedaan. Bij de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt rekening gehouden met de belangen van de aanwezige kabels en leidingen in het plangebied. Hierover is afstemming geweest met de beheerders van de betreffende kabels en leidingen en er is een overleg geweest waarbij alle kabels- en leidingeigenaren uitgenodigd zijn. Dit betreft het 'platformoverleg' waar TenneT met de kabels- en leidingeigenaren haar projecten in de regio doorneemt en de kabels- en leidingeigenaren worden geinformeerd.

5.7 Milieueffectrapportage

Relevant kader

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een instrument om bij besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu het milieubelang een volwaardige plaats te geven. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage kan worden bepaald welke m.e.r.-procedure van toepassing is.

Voor het bestemmingsplan is op grond van het Besluit milieueffectrapportage een vormvrije m.e.r. aanmeldingsnotitie noodzakelijk.

Aanmeldnotitie

Onderhavig plan omvat de aanleg van een ondergrondse hoogspanningsverbinding en de uitbreiding van een hoogspanningsstation. Hierdoor is het een project (kolom 4) in de zin van het Besluit milieueffectrapportage. De ontwikkeling valt onder activiteit D24.2 uit het Besluit milieueffectrapportage: "de aanleg, wijziging, of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding".

De drempelwaarden bij deze activiteit zijn:

1. een spanning van 150 kV of meer; en
2. een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d van punt 1 van onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

Er is sprake van het aanleggen van een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 150 kV. De aanleg vindt niet voor minstens 5 kilometer plaats in een gevoelig gebied. Hiermee worden de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage niet gehaald en kan worden volstaan met het doorlopen van vormvrije m.e.r. procedure. Voor dit bestemmingsplan is aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r. opgesteld. Deze aanmeldingsnotitie is bijgevoegd in Bijlage 8.
Conclusie
Gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en de verwachte effecten, zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten. Nadere analyse in een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.

De aanmeldingsnotitie gaat niet in op de uitbreiding van station Woensdrecht, omdat de uitbreiding van het station formeel niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Op basis van de onderzoeksrapportages die zijn bijgevoegd bij onderhavig bestemmingsplan blijkt echter dat de conclusie 'Gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en de verwachte effecten, zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten' ook geldt wanneer wordt gekeken naar de uitbreiding van station Woensdrecht.

In aanvulling op de aanmeldingsnotitie in Bijlage 8 wordt hier nog opgemerkt dat zich geen cumulatie voordoet met andere TenneT-projecten in de directe omgeving. Het project 380 kV Rilland-Tilburg wordt namelijk pas uitgevoerd nadat ondergrondse hoogspanningsverbinding en de uitbreiding van station Woensdrecht zijn gerealiseerd. In de aanlegfase is er dus geen sprake van cumulatie en ook in de eindistuatie is er geen sprake van cumulatie. De hoogspanningsverbinding die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt bevindt zich namelijk ondergronds, waardoor er ook geen lanschappelijke cumulatie-efecten optreden en is vrijwel geen sprake van een paralelligging van de ondergrondse hoogspanningsvervinding tussen Woensdrecht en Bergen op Zoom en het tracé van de 380 kV verbinding Rilland-Tilburg.

5.8 Conclusie

In de voorgaande hoofdstukken (4 en 5) is op basis van de beschikbare onderzoeken aangetoond dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is, zonder dat er onaanvaardbare negatieve effecten op het milieu en de leefomgeving verwacht worden. De aspecten archeologie, bodem, ecologie, luchtkwaliteit, magneetvelden, externe veiligheid, niet gesprongen explosieven en water vormen geen belemmeringen voor het voorziene project. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Er is hiermee sprake van een uitvoerbaar bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Bestemmingsregeling

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het hiervoor beschreven ruimtelijk kader juridisch is vertaald. Ingegaan wordt op de juridische opzet van het bestemmingsplan (de verbeelding en de regels).

Dit bestemmingsplan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om een ondergrondse 150 kV hoogspanningsverbinding te realiseren en in stand te houden. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een dubbelbestemming. De onderliggende bestemmingen en aanduidingen uit de vigerende bestemmingsplannen en herzieningen daarvan blijven onverkort van toepassing ter plaatse van de ondergrondse hoogspanningsverbinding. Tevens wordt een uitbreiding van hoogspanningsstation Woensdrecht mogelijk gemaakt.

6.2 Verbeelding

Welke bestemming de gronden binnen het plangebied hebben, is te zien op de verbeelding. Er is een digitale verbeelding en een analoge verbeelding. Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid (bijvoorbeeld topografische gegevens).

6.3 Regels

De regels gaan over het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de SVBP 2012 De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:

  • hoofdstuk 1: Inleidende regels, met daarin begripsbepalingen die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten;
  • hoofdstuk 2: Bestemmingsregels, met daarin per bestemming onder meer een bestemmingsomschrijving, bouwregels en afwijkingsregels;
  • hoofdstuk 3: Algemene regels, met daarin algemene regels en bouw-, afwijkings- en wijzigingsregels
  • hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, met daarin het overgangsrecht en de slotregel.
6.3.1 Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat twee artikelen, welke van belang zijn voor een juiste toepassing van de regels. In artikel 1 worden begripsbepalingen gegeven met daarin een nadere uitleg van een aantal in de regels gehanteerde begrippen. Hierdoor wordt de eenduidigheid en daarmee de rechtszekerheid vergroot. Artikel 2 bevat regels die aangeven op welke wijze bepaalde zaken, zoals grondoppervlakte en inhoud van gebouwen dienen te worden gemeten.

6.3.2 Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bevat artikelen waarin regels zijn opgenomen betreffende de op de verbeelding voorkomende bestemmingen en de op de verbeelding aangegeven aanduidingen met betrekking tot de toegestane (hoofd)bebouwing. Bij de opbouw van deze regels is, voor zover voorkomend binnen de verschillende bestemmingen, de indeling overeenkomstig de SVBP 2012 aangehouden:

  • Bestemmingsomschrijving
    In dit onderdeel wordt de materiële inhoud van de bestemming aangegeven: de functies die binnen de bestemming “bij recht” zijn toegestaan. De bestemmingsomschrijving vormt de eerste “toetssteen” voor bouwactiviteiten en/of gebruiksvormen. Beide zijn slechts toegestaan, voor zover zij zullen plaatsvinden binnen de opgenomen omschrijving.
  • Bouwregels
    Dit onderdeel geeft aan welke bouwwerken mogen worden opgericht. Voorop staat dat slechts mag worden gebouwd ten behoeve van de voor de bestemming aangegeven bestemmingsomschrijving.

De in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen worden hieronder achtereenvolgens toegelicht.

Bedrijf
Deze bestemming in artikel 3 is nodig om de uitbreiding op station Woensdrecht mogelijk te maken. De regeling is gebaseerd op de regeling zoals die voor het station is opgenomen in het bestemmingsplan 'BP Buitengebied Zuid' met IMRO-identificatienummer NL.IMRO.0748.BP0072-0701, dat op 16-07-2015 is vastgesteld door de gemeente Bergen op Zoom.

Leiding - Hoogspanning
Deze dubbelbestemming in artikel 4 is enerzijds nodig om de ondergrondse hoogspanningsverbinding aan te kunnen leggen en anderzijds om deze, na aanleg, te beschermen. Om dit laatste doel te bewerkstelligen zijn bouw- en aanlegregels opgenomen.

6.3.3 Algemene regels

Algemene aanduidingsregels
In artikel 5 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Het plangebied valt gedeeltelijk binnen het radarverstoringsgebied en de zogenaamde IHCS-zone van de vliegbasis Woensdrecht. Binnen deze zones geldt een beperking van de bouwhoogte. Daarnaast valt het plangebied ter plaatse van de uitbreiding van station Woensdrecht gedeeltelijk binnen de geluidzone die is bedoeld ter bescherming en instandhouding van de geluidruimte in verband met de aanwezigheid van industrieterrein Fokker Services/vliegbasis. Een deel van het plangebied, ter plaatse van de uitbreiding van station Woensdrecht, valt binnen het NNB. De begrenzing van het NNB zal hier door de provincie Noord-Brabant worden gewijzigd in de Interim Omgevingsverordening. Dit is met een aanduiding op de verbeelding en bijbehorende algemene aanduidingsregel weergegeven.

Anti-dubbeltelregel
De anti-dubbeltelregel in artikel 6 is erop gericht om grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing te laten.

Overige regels
In artikel 7.1 is de verhouding met onderliggende bestemmings- en inpassingsplannen geregeld.

6.3.4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht
In artikel 8 zijn de overgangsregels opgenomen. De overgangsregels voor bouwen hebben ten doel de rechtstoestand te begeleiden van bouwwerken die op het tijdstip van het in werking treden van het bestemmingsplan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden en die afwijken van de bouwregels van het plan. Overgangsregels voor gebruik betreft het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan (rechtens) afwijkt van de in het onderhavige plan gegeven bestemming.

Slotregel
In artikel 9 is de slotregel opgenomen. Dit artikel ten slotte, geeft aan onder welke naam de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald (citeertitel).

Hoofdstuk 7 Uitvoeringsaspecten

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6:12 van de Wro dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan zoals in het Bro is omschreven is voorgenomen. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien:

  • 4. het kostenverhaal anderszins is verzekerd;
  • 5. het bepalen van een tijdvak of fasering niet nodig is;
  • 6. het stellen van locatie-eisen of regels niet nodig is.


Onderhavig bestemmingsplan maakt de aanleg en instandhouding van een ondergrondse kabelverbinding mogelijk, evenals een uitbreiding van station Woensdrecht 150 kV. De kosten van de aanleg en instandhouding en het risico komen voor rekening van de initiatiefnemer (TenneT). Gelet op het voorgaande is het kostenverhaal anderszins verzekerd. Er bestaat hierdoor geen noodzaak tot het opstellen van een exploitatieplan.

Door wijzigingen van de planologische bestemming en de bijbehorende regels, kan er voor belanghebbenden schade als gevolg van waardedaling ontstaan. Deze schade wordt planschade genoemd. De grondslag voor de tegemoetkoming in planschade wordt gevormd door afdeling 6.1 van de Wro. Tegemoetkoming is aan de orde indien schade ontstaat in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak door een wijziging van het planologisch regime, die leidt tot een planologisch nadeel voor een belanghebbende. Overigens leidt niet ieder planologisch nadeel tot (voor vergoeding in aanmerking komende) schade. Een tegemoetkoming wordt toegekend voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins verzekerd is. Dit laatste is bijvoorbeeld aan de orde bij de vestiging van zakelijke rechten en de verwerving van objecten. In deze gevallen is sprake van een volledige schadeloosstelling, inclusief een tegemoetkoming in planschade. De planschade is op die manier anderszins verzekerd.

De gemeente Bergen op Zoom sluit een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer over de eventuele kosten als gevolg van verzoeken om tegemoetkoming in planschade. Deze overeenkomst wordt gesloten voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. TenneT verzorgt voor eigen rekening de aanleg van de verbinding. Er zijn geen kosten voorzien voor de gemeente. Het sluiten van een exploitatieovereenkomst is niet nodig. Ook kan afgezien worden van een exploitatieplan zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro. Het bestemmingsplan wordt hiermee geacht economisch uitvoerbaar te zijn.

7.2 Handhaving

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de (gemeentelijke) overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor daadwerkelijke controle en handhaving ligt bij de gemeente. De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik en bebouwing) van het plangebied tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan en een deugdelijk mutatiesysteem bij uitvoering van het bestemmingsplan. Onderdeel van dit mutatiesysteem is een goede registratie van verleende vergunningen. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de feitelijke situatie. Daarnaast vindt registratie plaats van verleende vergunningen.

Handhaving kan plaatsvinden via publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Dit laatste is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving. Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden.

Daarnaast wordt de preventieve handhaving onderscheiden. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op het gebruik van gronden en gebouwen. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen waaronder bijvoorbeeld informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de grondgebruikers. Hoewel het effect van dergelijke middelen niet goed meetbaar is, wordt aan deze middelen toch een zekere betekenis toegekend.

Daarnaast zijn in het bestemmingsplan instrumenten van toezicht opgenomen. Genoemd wordt onder andere de mogelijkheid om omgevingsvergunningen ten behoeve van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden te verlenen. Deze instrumenten maken een toetsing mogelijk, voordat met de beoogde activiteit een aanvang wordt gemaakt. De te nemen besluiten op basis van de genoemde bevoegdheden dienen te berusten op een deugdelijke motivering.

Hoofdstuk 8 Resultaten inspraak en overleg

8.1 Inleiding

Het bestemmingsplan 'Nieuwe 150 kV hoogspanningsverbinding Woensdrecht - Bergen op Zoom' heeft tot doel om de aanleg en bescherming van een ondergrondse hoogspanningsverbinding mogelijk te maken en bevat hiervoor het planologisch kader.

De tracékeuze is tot stand gekomen in intensief overleg met belanghebbenden en omwonenden. Zie hierover paragraaf 2.2.3.

8.2 Resultaten vooroverleg

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept-ontwerpbestemmingsplan door de gemeente toegezonden aan diverse instanties. De ontvangen reacties zijn betrokken bij de verdere totstandkoming van het bestemmingsplan. Zo hebben de reacties van de provincie Noord-Brabant hebben geleid tot enkele aanscherpingen aan het bestemmingsplan.

8.3 Zienswijzenprocedure

De procedure voorziet in de mogelijkheid voor een ieder om tegen het ontwerpbestemmingsplan zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Daartoe zal het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken gedurende zes weken digitaal en op het stadskantoor ter inzage worden gelegd. De terinzagelegging zal op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend worden gemaakt. Bewoners binnen het plangebied en direct omwonenden worden per brief op de hoogte gesteld van het ontwerpplan.

Het ontwerpbestemmingsplan is vanaf 10 september 2020 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn was het voor een ieder mogelijk schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen in te dienen. In Bijlage 11 is de nota zienswijzen opgenomen. In deze nota is per zienswijze een samenvatting opgenomen, met daarbij een reactie. Per zienswijze is aangegeven of deze heeft geleid tot een bijstelling van het bestemmingsplan.

8.4 Vaststelling

Na de vaststelling van het plan wordt het bestemmingsplan gedurende 6 weken ter visie gelegd. Belanghebbenden kunnen binnen deze termijn beroep en/of een verzoek om voorlopige voorziening aan de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State indienen.