Seadwei 1, Eastermar (wijziging bestemming)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0737.00BPVIWP26-vg01 |
| Plantype: | wijzigingsplan |
Toelichting wijzigingsplan i.c. bestemmingsplan Buitengebied 2013, Seadwei 1, Eastermar (wijziging bestemming)
Inhoudsopgave
4.5.1 Externe veiligheid inrichtingen
4.5.2 Weg- en railtransport gevaarlijke stoffen
4.5.3 Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen
Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Op het perceel Seadwei 1 te Eastermar is sinds enige jaren een kleinschalig weg- en waterbouwbedrijf gevestigd. Er is medewerking gevraagd aan een bestemmingsplanwijziging voor het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch - bedrijf grondgebonden' in de bestemming 'Bedrijf - 2'. Medewerking kan worden verleend via een wijziging ex. artikel 3.6 W.R.O. van het bestemmingsplan.
In hoofdstuk 2 wordt het planologische beleidskader geschetst op gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 3 vindt de beoordeling van het verzoek plaats. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 en 6 komen achtereenvolgens de juridische planopzet en de uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 2 Beleidskader
2.1 Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is vertaald in bestemmingsplannen. Dit houdt in dat de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheden passen binnen het gemeentelijk beleid.
Aan het betreffende perceel is in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' de bestemmingen 'Agrarisch - bedrijf grondgebonden' toegekend. Verder rust er een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro op deze bestemming. Door toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid kan de bestemming gewijzigd worden naar de bestemming ‘Bedrijf – 2’, mits:
1. de uitoefening van de betreffende bedrijfsfunctie plaatsvindt binnen de bestaande oppervlakte aan gebouwen en het bijbehorende erf;
2. erfbebouwing in de vorm van silo’s, mestopslag, kassen, en dergelijke is gesloopt;
3. een zorgvuldige landschappelijke inpassing plaats vindt, rekening houdend met de specifieke landschapskenmerken en het bebouwingspatroon ter plaatse;
4. de bestaande woonfunctie bij het bedrijf gehandhaafd blijft;
5. het geen industriële bedrijven, geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven betreft.
Daarnaast dient geen onevenredige afbreuk te worden gedaan aan: het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de verkeersveiligheid, de ontsluitingssituatie, de parkeersituatie, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Hoofdstuk 3 Beoordeling
3.1 Bouwplan
Het verzoek is gericht op een wijziging van de bestemming. De bouwmogelijkheden worden met het voorliggende plan niet vergroot.
3.2 Ruimtelijke inpasbaarheid
Hieronder volgt een beoordeling van de criteria voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid.
Ad.1.
Voor het uitoefenen van het bedrijf is geen uitbreiding van bebouwing nodig. De activiteiten kunnen worden uitgevoerd binnen de bestaande bebouwing.
Ad.2.
Er is geen erfbebouwing in de vorm van silo’s, mestopslag, kassen meer op het perceel aanwezig.
Ad.3.
Het perceel ligt in het wouden landschap. Wij vinden de bestaande groene inpassing van het perceel voldoende.
Ad. 4.
Het gezin van de aanvrager blijft in de bedrijfswoning wonen.
Ad. 5.
Er wordt een kleinschalig weg- en waterbouwbedrijf op het perceel gevestigd en geen industriële bedrijven, geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven.
De algemene criteria voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid wordt behandeld bij de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4.
Wij kunnen, gelet op het voorgaande, constateren dat het wijzigingsplan voldoet aan de in de wijzigingsbevoegdheid gestelde specifieke criteria.
3.3 Functionele inpasbaarheid
Het perceel ligt in een gebied met her en der verspreid woningen en (agrarische) bedrijven. Omdat op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan al een agrarisch bedrijf met bedrijfswoning is toegestaan kan worden gesteld dat een bedrijgsfunctie op de betreffende locatie inpasbaar is.
3.4 Conclusie
Op grond van het voorgaande is de conclusie dat het verzoek past binnen het gemeentelijk beleid.
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten
4.1 Ecologie
De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van wilde dier- en plantensoorten. In deze wet zijn de voormalige Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet opgenomen. De Wet Natuurbescherming staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het voorziet in duidelijke en eenvoudige regels ter bescherming van waardevolle ntuur en in minder administratieve lasten.
Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevinsgwet.
Het verzoek heeft betrekking op een functiewijziging. Daarnaast is het plangebied een overwegend bebouwd en bestraat perceel met relatief weinig groenvoorzieningen. is op het perceel veel (menselijke) verstoring aanwezig in de vorm van bedrijfsactiviteiten. Onder dergelijke omstandigheden zijn er weinig mogelijkheden voor natuurwaarden aanwezig. Het lijkt dan ook onwaarschijnlijk dat beschermde dier- en plantsoorten voorkomen en/of worden beïnvloed door de beoogde ingreep. Redenen hiervoor zijn ook dat in het plangebied geen geschikt biotoop voor deze soorten aanwezig is en de uitstralende effecten van de ingreep beperkt zijn.
4.2 Archeologie
Een van de doelstellingen van het Verdrag van Malta is de afstemming van het archeologisch belang met de ruimtelijke ordening. Daarom heeft de wetgever ervoor gekozen om de bescherming van het archeologisch erfgoed in te bedden in de ruimtelijke ordening. Op grond van de Monumentenwet 1988 dient de gemeente bij het vaststellen van bestemmings- en wijzigingsplannen rekening te houden met archeologische waarden en verwachtingen.
Het wijzigingsplan heeft geen betrekking op een uitbreiding van de bouwmogelijkheden. Nader archeologisch onderzoek is dan ook niet aan de orde. Voor de volledigheid hebben wij de FAMKE kaart geraadpleegd.
De FAMKE kaart geeft de volgende adviezen. Voor de periode IJzertijd - Middeleeuwen beveelt de provincie aan om bij ingrepen van meer 5000m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten. Voor de periode Steentijd - Bronstijd is nader onderzoek nodig bij ingrepen van meer dan 2500m².
De functiewijziging heeft betrekking op een bouwperceel van ongeveer 2500m². Gelet op de FAMKE kaart kan nader archeologisch onderzoek achterwege blijven.
4.3 Water
Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen waarin wordt aangegeven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.
In deze paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is een schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: “het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten”.
Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect.
Voor het plan Seadwei 1, Eastermar is een watertoets aangevraagd op www.dewatertoets.nl. De uitkomst is dat de korte procedure moet worden gevolgd. Het plan Seadwei 1, Eastermar heeft een beperkte invloed op de wateraspecten die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke
plannen. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan kan worden opgevangen met standaard maatregelen die vermeld staan in de leidraad watertoets. Naast dit wateradvies staan hieronder eventueel enkele aandachtspunten die gelden voor uw plan.
Leidraad watertoets
Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werkt Wetterskip Fryslân met de Leidraad Watertoets te raadplegen via de link: www.wetterskipfryslan.nl/watertoets. In Leidraad Watertoets, hoofdstuk 4. De wateraspecten, staan de aandachtspunten voor alle
wateraspecten omschreven waarmee rekening gehouden moet worden en is informatie te vinden over de te nemen standaard maatregelen. Uit de waterparagraaf of ruimtelijke onderbouwing moet duidelijk lijken wat voor wateraspecten van toepassing zijn en hoe hier in het plan rekening mee wordt gehouden.
Waterwet
Voor bepaalde werkzaamheden heeft u een watervergunning nodig. Bijvoorbeeld als er een sloot wordt gedempt, afvalwater wordt geloosd op oppervlaktewater of grondwater wordt onttrekken. Soms is het doen van een melding voldoende. Een watervergunning aanvragen is dan niet nodig. Op onze website www.wetterskipfryslan.nl treft u meer informatie aan over de Waterwet en u kunt daar onder andere ook meldingsformulieren en het aanvraagformulier voor een watervergunning downloaden. Via Omgevingsloket online (www.omgevingsloket.nl
) kunt u vooraf nagaan of u een watervergunning nodig heeft of een melding moet doen (vergunningcheck). U kunt hier ook meteen de vergunning aanvragen of de melding doen.
Afronding watertoetsprocedure
In de besluitvormingsfase, ten tijde van het toesturen van het voorontwerp bestemmingsplan of ontwerp omgevingsvergunning, controleert Wetterskip Fryslân of de waterbelangen voldoende zijn meegenomen en geborgd in het ruimtelijke plan of besluit.
4.4 Geluid
In het kader van Geluid is de Wet Geluidhinder van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Alhoewel er al een bedrijfswoning bij het bedrijf aanwezig is hebben wij toch nog gekeken naar het wegverkeerslawaai.
Toetsingskader Wet Geluidhinder
Een in het kader van de Wet Geluidhinder zoneplichtige weg heeft aan weerszijden een wettelijke zone (aartikel 74 Wgh), met uitzondering van wegen waarvoor een 30 km-regime geldt.
Het perceel Seadwei 1 te Eastermar ligt niet in een 30-km zone. Er moet dan ook gekeken worden naar de geluidszone van het wegverkeerslawaai. Op basis van het akoestich onderzoek wegverkeerslawaai in het kader van het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (zie fragment hieronder) blijkt dat de 48dB zone op de Seadwei ligt. Dit betekent dat er geen extra maatregelen op basis van het wegverkeerslawaai nodig zijn voor de bedrijfswoning.
4.5 Externe veiligheid
Ter voorkoming van onveilige situaties is regelgeving vastgelegd met als doel om zowel individuele personen als groepen mensen een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dergelijke ongevallen kunnen ontstaan doordat binnen bedrijven wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, maar ook het transport van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee. Tenslotte kunnen ook buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen in dit verband risicovol zijn. De risico’s worden bepaald aan de hand van het zogenaamde plaatsgebonden risico (voor individuen) en het groepsrisico (voor groepen mensen). Voor deze drie situaties is verschillende wet- en regelgeving van toepassing, waarop onderstaand zal worden ingegaan.
4.5.1 Externe veiligheid inrichtingen
Op grond van het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi) moet afstand worden aangehouden tussen risicovolle en risicogevoelige functies. Risicovolle functies betreffen hoofdzakelijk bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken, welke veiligheidsrisico’s opleveren voor hun directe omgeving. In de omgeving van het plangebied doen zich geen risicovolle inrichtingen voor die van invloed op het plangebied zijn.
4.5.2 Weg- en railtransport gevaarlijke stoffen
De huidige regelgeving voor transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water staat beschreven in de circulaire 'Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' (Crnvgs), die te zijner tijd zal worden vervangen door het 'Besluit transportroutes externe veiligheid' (Btev)).
Het plangebied is gelegen aan de Seadwei. Over deze weg vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Buiten het plangebied komen in de directe omgeving geen andere wegen of spoorlijnen voor die in dit opzicht veiligheidsrisico’s met zich meebrengen.
4.5.3 Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen
Voor transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de nabijheid van het plangebied komen geen buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen als bedoeld in voornoemd besluit.
4.6 Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).
Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
(NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor Luchtkwaliteit. Het NSL is in werking getreden op 1 augustus 2009. Voor Fryslân is geen regionaal samenwerkingsprogramma afgesproken. Grote projecten moeten dus wel getoetst worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de Regeling NIBM.
De regeling houdt in dat als er een verslechtering van de luchtkwaliteit van ten hoogste 3% of minder van de grenswaarde optreedt, het project niet in betekenende mate (nibm) bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Voor de komende jaren wordt door Milieu en Natuur Planbureau een daling van de relevante achtergrondconcentraties van zowel PM10 als NO2 met circa 0,4 - 0,6 µg/m³ per jaar verwacht als gevolg van (internationaal) bronbeleid.
Indien de toename van het verkeer op de weg groter zou zijn dan ongeveer 700 mvt/etmaal kan de grens van 3% (een toename van 1,2 μg/m3 NO2 of PM10) worden overschreden. Met het voorliggende plan is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarmee wordt dus aan de 3%-norm voldaan. Het plan kan dan ook worden beschouwd als een nibm-project. Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan, gelet op het voorgaande, achterwege blijven.
4.8 Milieu
Een grond-, weg- en waterbouwbedrijf staat niet in de bedrijvenlijst onder categorie 1
en 2 bedrijven genoemd. Op andere locaties in de gemeente zijn dergelijke bedrijven
wel onder de bestemming bedrijven categorie 2 met een aanduiding "specifieke vorm
van bedrijf - grondverzet- en wegenbouwbedrijf' bestemd. Verder hebben wij
geconstateerd dat huidige agrarisch bouwperceel is gelegen op een afstand van meer
dan 30 meter vanaf woningen derden. Dit is ook de afstand die aangehouden moet
worden ten opzichte van het gewenste bedrijf.
4.7 Conclusie
De diverse omgevingsaspecten staan de gewenste ontwikkeling niet in de weg.
Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied. De wijze waarop deze regeling juridisch is vormgegeven, wordt in grote lijnen bepaald door de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de bestemmingen, zoals die in dit wijzigingsplan van toepassing zijn. De bestemmingen zijn juridisch vastgelegd in de planregels en op een digitale en analoge verbeelding. De verbeelding en de planregels vormen één geheel en zijn niet afzonderlijk leesbaar.
De regels bevatten allereerst een bestemmingsomschrijving.
Per bestemming wordt uitgewerkt voor welke doelen of functies de gronden mogen worden benut. Naast de bestemmingsomschrijving zijn in de regels bouw- en gebruiksregels en regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden opgenomen. In de bouwregels zijn - gerelateerd aan de toegelaten gebruiksfuncties - eisen gesteld aan de hoogte, aard, situering, aantal bouwlagen enzovoorts van gebouwen en bouwwerken.
De gebruiksregels verbieden bepaalde vormen van gebruik binnen een bestemming (specifieke gebruiksregels) dan wel alle gebruik in strijd met de gegeven bestemming (algemene gebruiksregels). Tenslotte bevatten de meeste bestemmingen regels om het bestemmingsplan te wijzigen. Die wijzigingen kunnen betrekking hebben op een functiewijziging en/of op het veranderen van bouw- en/of gebruiksregels.
In het algemeen zijn binnen de bestemming “Bedrijf – 2 ” diverse typen bedrijfsdoeleinden te
onderscheiden. In de regels behorende bij deze bestemming wordt verwezen naar de bedrijvenlijst, welke is gebaseerd op de "Basiszoneringslijst" van de VNG (bijlage 1 van de regels).
In deze VNG-lijst is (per bedrijfsvorm) informatie gegeven over de mogelijke milieubelasting
van een bedrijfstype of -inrichting.
Er worden in de VNG-lijst zes milieucategorieën onderscheiden, oplopend van 1 tot en met
6: Onder categorie 1 vallen bedrijven die toelaatbaar worden geacht tussen woonbebouwing
en onder categorie 6 (als andere uiterste) zijn bedrijven opgenomen, die op aanzienlijke
afstand (1000-1500 meter) vanaf woonbebouwing gerealiseerd moeten worden. De diverse
bedrijfsbestemmingen corresponderen met de maximaal toegelaten milieucategorie volgens
de VNG-lijst. De bestemming ‘Bedrijf – 2’ staat bedrijven uit de milieucategorie 1 en 2 toe.
De afstanden, die in de feitelijke situatie ten opzichte van gevoelige bebouwing in acht
genomen kunnen worden, zijn daarbij maatgevend geweest voor het leggen van de onderscheiden bedrijfsbestemmingen.
Een andere factor die bepalend is voor de keuze van bedrijfsbestemmingen is de beleidskeuze van provincie en gemeente, dat in het buitengebied in principe alleen bedrijven uit de lagere milieucategorieën zich kunnen vestigen in vrijkomende agrarische bedrijfscomplexen.
Alle niet agrarische bedrijven in het buitengebied krijgen in principe de bestemming ‘Bedrijf
– 2’. Bedrijven die vallen binnen een hogere milieucategorie, krijgen op hun vestigingsplaats
een aanduiding, op grond waarvan dat bedrijf binnen de bestemming ‘Bedrijf – 2’ toch is
toegestaan. In dit verband kan worden gedacht aan aannemersbedrijven. Voor enkele bijzondere niet-agrarische bedrijfstypen gelden aparte bestemmingsregels.
De bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen moeten binnen een bouwvlak worden gerealiseerd. Door middel van de aanduiding “maximale goot-, bouwhoogte en maximum bebouwingspercentage” is aangegeven welke afmetingen de gebouwen mogen hebben. Voor
bedrijfswoningen geldt een aparte regeling.
Met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid kunnen de bouwmogelijkheden worden
verruimd. De bedrijfsbestemming kan in een woonbestemming worden gewijzigd.
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.
6.1 Economisch
De wijziging wordt op verzoek van een private partij doorgevoerd. Realisatie vindt plaats binnen de randvoorwaarden die de gemeente onder meer met dit wijzigingsplan aangeeft.
Tussen de aanvrager en gemeente is, met inachtneming van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening, een overeenkomst gesloten met betrekking tot verhaal van eventuele planschade. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en hoeft geen exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening te worden vastgesteld.
Hierbij merken wij nog op dat de kosten voor het voeren van een wijzigingsplanpocedure worden gedekt door de leges die door een wijzigingsplanprocedure door de initiatiefnemer moet worden betaald.
6.2 Maatschappelijk
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is Afdeling 3.4 Awb van toepassing. Het wijzigingsplan wordt, overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Er is een zienswijze ingediend. Hieraan is tegemoet gekomen door:
een aanduiding op de planverbeelding op te nemen met daarin aangegeven de maximale goot- en bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%) en
de dubbelbestelling “Waarde - Landschap (Woudenlandschap) op de planverbeelding en in de regels op te nemen.