21.3 Afwijken van de bouwregels
21.3.1 Omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.1 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad.
21.3.2 Advisering over de omgevingsvergunning
Alvorens omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).
21.4 Aanlegvergunning
21.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op de in lid 21.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:
-
a. het aanleggen van paden, wegen en parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
-
b. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatie- leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
-
c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
-
d. het vellen of rooien van struiken of bomen;
-
e. het beplanten van gronden met struiken of bomen.
21.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod
Het verbod van lid 21.4.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die:
-
a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
-
b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
-
c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
21.4.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning
Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 21.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de in lid 21.1 genoemde aanwezige verbindingen niet onevenredig worden aangetast.
21.4.4 Advisering over de aanlegvergunning
Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 21.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de leidingbeheerder, zoals genoemd in lid 21.4.3.