direct naar inhoud van 8.4 Externe veiligheid
Plan: Buitengebied West Maas en Waal
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0668.BUIWestMenW-BOH1

8.4 Externe veiligheid

Beleid

Externe veiligheid gaat over het beperken van de risico's van het gebruik van gevaarlijke stoffen. Het landelijke externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen van calamiteiten en het beheersen van risico's bij de productie en de verwerking van deze stoffen, de opslag en het transport van deze stoffen over de weg, het water, het spoor en via de buisleiding. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden.

Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat één persoon per jaar overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen bij, of in de nabijheid van:

  • een bedrijf dat met gevaarlijke stoffen werkt of deze in opslag heeft;
  • een transportroute van gevaarlijke stoffen (weg, waterweg, spoorlijn en buisleiding).

Voorwaarde is dat de persoon onbeschermd is en onafgebroken in de nabijheid van het bedrijf en die transportroute aanwezig is.

In een nieuwe situatie mag deze kans maximaal 10-6 zijn (1 op 1.000.000) per jaar. Dit is wettelijk vastgelegd.

Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

In het plangebied en langs de rand van het plangebied zijn een aantal risicobronnen aanwezig met betrekking tot de externe veiligheid. De volgende bronnen zijn ontleend aan de Risicoatlas van de provincie Gelderland:

  • aardgastransportleidingen;
  • gasontvangstations (bij Beneden-Leeuwen en Dreumel);
  • risicovolle inrichtingen, te weten een bedrijf waar opslag plaatsvindt van land- en tuinbouwbenodigdheden en een lpg-tankstation;
  • propaangastanks van agrarische bedrijven;
  • transport van gevaarlijke stoffen over de weg;
  • transport van gevaarlijke stoffen over het water (Waal en Maas).

De onderstaande uitsnede uit de de Risicoatlas van de provincie Gelderland geeft een beeld van de ligging en spreiding van de verschillende risicobronnen in de gemeente West Maas en Waal. De onderbroken rode lijnen zijn de grote aardgastransportleidingen, het rode driehoekje duidt de plaats aan van het bovenvermelde lpg-tankstation en de rode stippen geven de locaties aan van de risicovolle bedrijven, gasontvangstations en plaatsen waar grote tanks (propaantanks) liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.BUIWestMenW-BOH1_0034.png"

Overzicht risicobronnen externe veiligheid (uitsnede van Risicokaart provincie Gelderland)

Voor de beoordeling van risico’s van transport van gevaarlijke stoffen is de circulaire ‘Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’ (RNVGS) richtinggevend. In deze circulaire wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het beleid zoals verwoord in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. In de toekomst zal deze circulaire vervangen worden door het Besluit transportroutes externe veiligheid.

Het beleid van de overheid is erop gericht om het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, via het water en het spoor zoveel mogelijk plaats te laten vinden via speciaal daarvoor aangegeven routes. Deze routes samen vormen het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Rijk heeft het initiatief genomen voor dit basisnet en het wordt verder ontwikkeld in overleg met de provincies en de gemeenten. De beoordeling van het risico van het vervoer van gevaarlijke stoffen op de belangrijke wegen in het plangebied en de grote rivieren voor de ruimtelijke functies binnen het plangebied is gebaseerd op de rapporten van het Rijk over dit basisnet. In de toekomst zullen de veiligheidsnormen uit deze rapporten worden vastgelegd in het nieuwe Besluit transportroutes externe veiligheid.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico kunnen vormen voor personen die in de omgeving van het bedrijfsterrein verblijf houden, bijvoorbeeld in woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels.

Het besluit verplicht gemeenten en provincies om bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met het veiligheidsaspect van deze bedrijven. In dat kader moet in de eerste plaats het plaatsgebonden risico worden bepaald en worden getoetst aan de gestelde normen. Verder moet ook het groepsrisico worden verantwoord. De hoogte van het groepsrisico dient te worden beoordeeld ten opzichte van de oriënterende waarde. De oriënterende waarde speelt een rol bij de beoordeling door het bevoegd gezag van de aanvaardbaarheid van het groepsrisico.

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) inwerking getreden. Dat besluit brengt met zich mee dat rondom buisleidingen een 10-6 /1 x per jr. plaatsgebonden risicocontour moet worden vastgesteld en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een leiding het groepsrisico dient te worden verantwoord.

In het plangebied liggen bij diverse agrarische bedrijven propaantanks. De veiligheidsafstanden rondom propaantanks met een maximale inhoud van 13 m3 zijn geregeld in paragraaf 3.3.4 van het Besluit voor algemene regels inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). In de bijbehorende artikelen zijn veiligheidsafstanden opgenomen die in acht genomen moeten worden genomen bij het bepalen van voldoende afstand tussen deze tanks en (beperkt) kwetsbare objecten in de directe omgeving, zoals woningen. Bij inrichtingen met grotere propaantanks worden de veiligheidsafstanden middels de milieuvergunning geregeld.

Bestemmingsregeling

Aardgastransportleidingen

De belangrijke aardgastransportleidingen in het plangebied zijn aangegeven met de aanduiding 'Hartlijn leiding-gas'. Aan weerszijden van de leidingen liggen zones van enkele meters breedte (4 of 5 meter) waarbinnen niet gebouwd mag worden om de aardgasleiding zelf te beschermen tegen beschadiging. De breedte varieert met de doorsnede van de leiding, Hoe groter deze is, hoe breder de zone. De leidingen plus de zones aan weerszijden van de leiding (de belemmeringenstrook) heeft de dubbelbestemming 'Leiding-Gas' (zie artikel 24).

De plaatgebonden risicocontour (PR-contour 10-6/1x per jr. ) ligt binnen deze belemmeringenstrook. In de regels is bepaald dat binnen deze stroken niet gebouwd mag worden, dus ook geen woningen of andere menselijke verblijfplaatsen die kunnen leiden tot een vergroting van het plaatsgebonden risico.

Het bestemmingsplan maakt het bij recht mogelijk om op percelen van agrarische en niet-agrarische bedrijven in het plangebied, voor zover deze binnendijks gelegen zijn, windturbines te bouwen. Om redenen van externe veiligheid dient tussen de mast van een windturbine aan de ene kant en een ondergrondse hogedrukaardgasleiding aan de andere kant een zekere afstand bewaard te worden waarmee de kans geminimaliseerd wordt dat een afgebroken rotorblad, een afgebroken gondel of het omvallen van een turbine negatieve gevolgen heeft voor de gasvoorziening. Deze afstandsregel maakt deel uit van de bouwregels van de windturbine. Er wordt voldaan de bestaade wet- en regelgeving.

Een berekening van het groepsrisico van deze aardgasleidingen is in het kader van dit bestemmingsplan om de volgende redenen niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan is conserverend van aard en maakt bij recht geen ontwikkelingen in de omgeving van deze aardgastransportleidingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante verhoging van de kans dat er, al dan niet op incidentele basis, tijdelijk of permanent, grote groepen mensen in de omgeving van deze leidingen zullen verblijven. Daarnaast zijn de personendichtheden in het plangebied over het algemeen zeer laag. Het groepsrisico zal dan ook ruim lager liggen dan de oriënterende waarde.

Risicovolle inrichtingen

Het beleid is erop gericht om geen nieuwe Bevi-inrichtingen in het plangebied toe te laten. De regels van de bestemming 'Bedrijf' en de regels voor functiewijziging van een agrarisch bedrijf in een niet-agrarisch bedrijf sluiten de vestiging van deze categorie van bedrijven expliciet uit.

Op 35 meter rondom het vulpunt van het lpg-tankstation ligt de PR-contour 10-6/1xper jr. Een deel van deze cirkel ligt in het plangebied. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om de gronden binnen deze cirkel te bebouwen met woningen of andere permanente verblijfplaatsen. Een berekening van het groepsrisico is niet noodzakelijk (zie verder de overweging over de berekening van het groepsrisico   bij Aardgastransportleidingen).

Bij het bedrijf voor land- en tuinbouwbenodigdheden vindt op twee plaatsen opslag plaats van gevaarlijke stoffen. Rondom beide opslagfaciliteiten liggen twee PR-10-6/1xper jr. contouren met stralen van 100 en 230 meter. Binnen deze contouren ligt een aantal kwetsbare objecten in de vorm van een paar woningen en een paar agrarische bedrijfswoningen.

Het bestemmingsplan biedt ook ten aanzien van de gronden binnen deze contouren geen directe mogelijkheid om zonder planwijziging nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten op te richten. Een berekening van het groepsrisico is niet noodzakelijk (zie verder de overweging over de berekening van het groepsrisico   bij Aardgastransportleidingen).

Gasontvangstations

De gasontvangstations bij Beneden-Leeuwen en Dreumel zijn geen Bevi-inrichtingen. Wel is er een richtafstand van 50 meter voor gasontvangstations opgenomen in de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' die ervoor moet zorgen dat de kans op (o.a.) gevaar voor omwonenden tot een minimum beperkt wordt.

In het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer is bepaald dat de afstand tussen de gevel van een gasontvangstation en een bestaand of geprojecteerd beperkt kwetsbaar object, waaronder een woning, om veiligheidsredenen minimaal 15 meter dient te bedragen. Deze laatste eis is in de algemene bouwregels opgenomen.

Tussen gasontvangstations en windturbines moet om redenen van externe veiligheid ook een zekere afstand bewaard worden (zie bij Aardgastransportleidingen ). Ook deze afstandsregel is opgenomen in de bouwregels van windturbines.

Propaangastanks van agrarische bedrijven

In het plangebied ligt een aantal agrarische bedrijven die beschikken over een propaangastank. Een paar bedrijven beschikken over twee tanks. De inhoud van deze tanks bedraagt maximaal 13 m3.

Deze tanks hebben PR-10-6/1xper jr. -contouren met stralen van 35-50 meter. Een deel van deze contouren ligt over gronden buiten de grenzen van de agrarische bouwpercelen van de betreffende bedrijven.

Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om de gronden binnen deze cirkels te bebouwen met nieuwe woningen of andere permanente verblijfplaatsen. Een berekening van het groepsrisico in de omgeving van deze tanks in het kader van dit bestemmingsplan is dan ook niet noodzakelijk (zie verder de overweging over berekening groepsrisico   bij Aardgastransportleidingen ).

Transport van gevaarlijke stoffen over de weg

Door de gemeente West Maas en Waal lopen geen wegen die tot het landelijke Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen behoren. Over de grotere wegen in de gemeente (waaronder de belangrijke provinciale N322 en de N323) vindt slechts incidenteel of in een lage frequentie vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarom mag worden aangenomen dat er aan weerszijden van deze wegen geen bouwbeperkingen gelden met het oog op de externe veiligheid en dat deze wegen niet voorzien zijn van een veiligheidszone die breder is dan de bestaande rijbaan van deze wegen. Dat betekent verder dat binnen de PR-10-6/1xper jr. contouren langs deze wegen binnen in het plangebied geen woningen of andere (beperkt -) kwetsbare objecten voorkomen.

Het bestemmingsplan biedt voor de gronden die vlak langs de bovenvermelde wegen liggen geen mogelijkheden om zonder planwijziging nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten op te richten. Een berekening van het groepsrisico is in het kader van dit bestemmingsplan is daarom niet noodzakelijk (zie verder de overweging over berekening groepsrisico   bij Aardgastransportleidingen ) .

Transport van gevaarlijke stoffen over het water (Waal en Maas)

De Waal en de Maas behoren tot het landelijke Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen per schip over deze waterwegen zijn de volgende normen en het volgende beleid van belang voor het bestemmingsplan. De PR-10-6/1xper jr. contouren liggen langs de meest voorkomende waterlijnen van beide rivieren. Voor wat betreft de bepaling van de waterlijn wordt een onderscheid gemaakt tussen: 1. de Waal en de Maas benedenstrooms van de stuw van Lith en 2. de gekanaliseerde Maas bovenstrooms van Lith.

De Waal en de Maas benedenstrooms van Lith stromen gedurende het grootste deel van het jaar binnen de bijbehorende de kribben. De dan bestaande oevers vormen de waterlijnen. Gemiddeld 50 dagen per jaar zijn de rivieren breder en verdwijnen de kribben geheel of gedeeltelijk onder water. De afstand tussen beide oevers is dan groter. De meest frequent voorkomende waterlijnen zullen wettelijk worden vastgelegd.

De waterlijnen van de Maas bovenstrooms van Lith vallen samen met de lijnen van de oevers aan weerszijden van de rivier bij een waterstand ten opzichte van het NAP welke voor het betreffende deel van de Maas geldt als stuwpeil.

Eén en ander brengt met zich mee dat de uiterwaarden van beide rivieren gedurende het grootste deel van het jaar buiten de PR-10-6/1xper jr. contouren liggen. Het beleid van het Rijk is erop gericht om kwetsbare objecten zoals woningen en woonboten die binnen deze waterlijnen liggen op termijn weg te saneren. In het plangebied komen deze niet voor. Het bestemmingsplan biedt ook geen mogelijkheden om nieuwe kwetsbare objecten middels een planwijzigingsprocedure mogelijk te maken.

Bij calamiteit op schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren kunnen brandende stoffen over het water uitstromen. Deze vormen ook een gevaar voor nabijgelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De zones langs de waterlijnen waarvoor dit gevaar bestaat zijn de zogenaamde 'plasdrasaandachtsgebieden'. Voor de Waal en de Maas benedenstrooms van Lith behoren de gehele uiterwaarden hiertoe, bij de Maas bovenstrooms van Lith is dat een zone van 25 meter aan weerszijden van beide waterlijnen.

In de plasdrasaandachtsgebieden langs beide rivieren komen kwetsbare bestemmingen voor (woningen en bedrijfswoningen). Het bestemmingsplan maakt middels planwijziging nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten mogelijk in het kader van de functiewijziging van vrijgekomen agrarische gebouwen.

In de betreffende regels is als voorwaarde opgenomen dat de regionale brandweer bij de beoordeling van dit veiligheidsaspect bij deze planwijzigingen moet worden betrokken.

Een berekening van het groepsrisico voor bestemmingen die langs deze vaarwegen gelegen zijn is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk (zie verder de overweging over berekening groepsrisico bij Aardgastransportleidingen ).