direct naar inhoud van Regels
Plan: Hof den Berg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0664.BPGC17-VG99

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan Hof den Berg met identificatienummer NL.IMRO.0664.BPGC17-VG99 van de gemeente Goes.

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 aan-huis-gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit

een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde prostitutie, die in hoofdzaak niet-publieksaantrekkend is en die door een bewoner op kleine schaal in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie, bed & breakfast daaronder begrepen, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de woning blijft voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit;
  • b. ten hoogste 40 m² van de netto vloeroppervlakte van de woning en de bijbehorende bouwwerken gezamenlijk mag ten behoeve van beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in gebruik zijn;
  • c. het gebruik heeft een kleinschalig karakter en zal dit behouden;
  • d. het gebruik is naar aard in overeenstemming met het woonkarakter van de omgeving;
  • e. het gebruik ondersteunt de woonfunctie, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten uitvoert tevens gebruiker en bewoner van de woning is;
  • f. het gebruik leidt niet tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • g. de uitoefening van detailhandel, anders dan als ondergeschikte nevenactiviteit in verband met het desbetreffende beroep of bedrijf, is niet toegestaan;
  • h. reclame-uitingen aan de gevel mogen niet zichtbaar zijn;
  • i. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken mogen niet onevenredig worden aangetast.
1.6 antennemast

een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

1.7 bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.8 bedrijf

een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.

1.9 bestaande afstands- hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.10 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.11 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.12 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.13 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.14 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.15 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

1.16 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.17 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.18 bijbehorend bouwwerk

de uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

1.19 bijzondere woonvorm

een woonvorm die niet gelijk is aan een huishouden, omdat er geen sprake is van onderlinge verbondenheid of continuïteit in de samenstelling van de groep en omdat de bewoners zijn aangewezen op noodzakelijke en aanwezige permanente begeleiding en/of therapie ter plaatse of in de directe omgeving.

1.20 carport

een op de grond staande overkapping van één bouwlaag bij een bestaande woning of een bestaand woongebouw, die bedoeld is als een overdekte stallingsruimte voor personenauto's, die geen eigen wanden of deuren heeft en waarvan de begrenzing wordt gevormd door bijgebouwen en/of ondersteuningen van de overkapping, die niet wordt aangemerkt als gebouw.

1.21 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied.

1.22 dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder een wasserette of een internetcafé.

1.23 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.

1.24 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.25 hoofdgebouw

een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.26 horecabedrijf

een bedrijf, gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken.

1.27 kantoor(ruimte)

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten op financieel, administratief, juridisch en ontwerptechnisch of een hiermee naar aard gelijk te stellen gebied.

1.28 maatschappelijke activiteiten

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve activiteiten en activiteiten ten behoeve van openbare dienstverlening.

1.29 nijverheidswerkplaats

een bedrijf met als doel het bieden van werk of het hobbymatig vervaardigen van producten.

1.30 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, etc.

1.31 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

1.32 passend in het straat- en bebouwingsbeeld
  • a. een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte;
  • b. een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling;
  • c. een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;
  • d. de cultuurhistorische samenhang in de omgeving.
1.33 peil
  • a. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk grenst aan een weg: de hoogte van die weg (ter plaatse van de hoofdtoegang);
  • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.34 Staat van Horeca-activiteiten

de Staat van Horeca-activiteiten die deel uitmaakt van deze regels.

1.35 verblijfsgebied

gronden waarbij de nadruk ligt op het verblijf van personen in het openbaar gebied en die tevens een verkeersfunctie hebben voor fietsers en voetgangers.

1.36 verzorgd wonen

een vorm van wonen, al dan niet in geclusterde vorm, uitsluitend in combinatie met zorg.

1.37 voorgevelrooilijn

denkbeeldige dan wel op de verbeelding aangegeven lijn die strak loopt langs de voorgevel van een hoofdgebouw tot aan de perceelsgrenzen.

1.38 voorgevel van een hoofdgebouw

het naar de wegzijde gekeerde deel van een hoofdgebouw. Indien meerdere delen van het hoofdgebouw naar de weg gekeerd zijn, is de op de verbeelding aangegeven voorgevelrooilijn bepalend.

1.39 wonen

de huisvesting van personen die zelfstandig, of nagenoeg zelfstandig dan wel onder geringe en vrijblijvende begeleiding plaatsvindt.

1.40 woning

een gebouw dat dient voor de huisvesting van personen.

1.41 zorgvoorziening

Voorziening voor medische of klinische zorg.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstanden

afstanden van bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot de

perceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2 bebouwd oppervlak

het bebouwd oppervlak van een bouwperceel of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen bij elkaar op te tellen, tenzij in de regels anders is bepaald.

2.3 bebouwingspercentage

het bebouwingspercentage wordt per bouwperceel berekend van het totale bouwperceel waar het percentage is ingeschreven.

2.4 bouwhoogte van een bouwwerk

de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5 breedte, lengte en diepte van een gebouw

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels van het hart van de scheidingsmuren.

2.6 dakhelling

de dakhelling van een bouwwerk wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.7 goothoogte van een bouwwerk

de goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.8 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.9 oppervlakte van een bouwwerk

de oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.10 verschillende goothoogten van een bouwwerk

indien een gebouw met betrekking tot de constructiedelen als bedoeld onder 2.7 over verschillende hoogten beschikt, wordt als volgt gemeten:

  • a. indien zich aan de voorgevelzijde een goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de hoogte aan de voorgevelzijde;
  • b. indien zich in geval van een lessenaarsdak aan de voorgevelzijde van het gebouw geen goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de laagste hoogte.
2.11 vloeroppervlakte

de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Gemengd

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke activiteiten, uitsluitend in de vorm van sociaal-medische activiteiten;
  • b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - horeca t/m categorie 1a': tevens horecabedrijven uit categorie 1a van de Staat van Horeca-activiteiten zoals opgenomen in bijlage 1 bij de regels;
  • c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor': tevens kantoren;
  • d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening': tevens dienstverlening;
  • e. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1': tevens opslag of een nijverheidswerkplaats;
  • f. parkeervoorzieningen, tuinen, erven, paden, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming.
3.2 Bouwregels

Op de gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2.1 Algemeen
  • a. binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak mogen hoofdgebouwen met de daarbij behorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, behorende bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel.

3.2.2 Hoofdgebouwen
  • a. de breedte van een hoofdgebouw bedraagt ten minste 5 m;
  • b. bij toepassing van hellende dakvlakken bedraagt de dakhelling ten minste 30° en maximaal 55°.

3.2.3 Maatvoering
  bouwwerk   maximum goothoogte   maximum bouwhoogte  
a.   hoofdgebouwen   zie op de verbeelding aangegeven maat   zie op de verbeelding aangegeven maat  
b.   bijbehorende bouwwerken   3,2 m   5 m  
c.   bouwwerken, geen gebouwen zijnde     - 2 m
- voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m
- vlaggenmasten: 8 m  
3.3 Nadere eisen
3.3.1 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de plaatsing van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken en bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar;
  • b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen;
  • c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.3.2 Voorwaarden

Nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten.

3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Hoofdgebouwen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in:

  • a. lid 3.2.3 sub a mits deze maat met ten hoogste 1 m zal worden overschreden;
  • b. lid 3.2.3 sub c tot een hoogte van ten hoogste 10 m. Voor vlaggenmasten kan worden afgeweken tot 15 m.

3.4.2 Voorwaarden

Er mag slechts worden afgeweken zoals bedoeld in 3.4.1 indien:

  • a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 4 Maatschappelijk

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een bijzondere woonvorm, met daarbij behorende maatschappelijke activiteiten in de vorm van sociaal-medische activiteiten;
  • b. parkeervoorzieningen, tuinen, erven, paden, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
4.2 Bouwregels

Op de gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

4.2.1 Algemeen
  • a. binnen een bouwvlak mogen hoofdgebouwen met de daarbij behorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. op gronden buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, behorende bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel;
  • c. het aantal bewonersplaatsen voor een bijzondere woonvorm bedraagt ten hoogste het met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangeduide aantal.

4.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • d. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' [gs] zijn uitsluitend gestapelde zorgwoningen toegestaan;
  • e. de breedte van een hoofdgebouw bedraagt ten minste 5 m;
  • f. bij toepassing van hellende dakvlakken, bedraagt de dakhelling ten minste 30° en maximaal 55°.

4.2.3 Bijbehorende bouwwerken
  • a. de oppervlakte bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 250 m² per bouwperceel;
  • b. bij toepassing van hellende dakvlakken, bedraagt de dakhelling ten minste 30° en maximaal 55°.

4.2.4 Maatvoering

Voor de goothoogte, bouwhoogte en de afstand tot de voorgevelrooilijn van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  bouwwerk   maximum goothoogte   maximum bouwhoogte   minimale afstand tot de voorgevelrooilijn  
a.   hoofdgebouwen   zie op de verbeelding aangegeven maat   zie op de verbeelding aangegeven maat   -  
b.   bijbehorende bouwwerken   3,2 m   5 m   3 m achter (het verlengde van) de
voorgevelrooilijn  
c.   bouwwerken, geen gebouwen zijnde     - 2 m
- voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m
- vlaggenmasten: 8 m  
 

4.3 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de bestemming Maatschappelijk wijzigen in de bestemming Wonen met inachtname van de volgende regels:

  • a. het aantal woningen blijft gelijk aan het aantal zorgwoningen;
  • b. de wijzigingsbevoegdheid kan uitsluitend worden toegepast indien de woningen passen in de planningslijst woningbouw van regio De Bevelanden;
  • c. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • d. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de aangrenzende gronden.

Artikel 5 Tuin

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuinen behorende bij de op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouwen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'monumentale boom': tevens een beeldbepalende boom.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

5.2.2 Maatvoering
  bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte/inhoud  
a.   bouwwerken, geen gebouwen zijnde   -   3 m   -  
b.   erfafscheidingen   -   2 m   -  
c.   masten   -   8 m   -  
5.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen:

  • a. het gebruik van gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen en kampeermiddelen;
  • b. het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen;
  • c. het gebruik van gronden voor reclamedoeleinden.

Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen, straten en paden;
  • b. verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen;

alsmede voor:

  • c. bij deze doeleinden behorende voorzieningen zoals rabatten, parkeervoorzieningen, straatmeubilair, speelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het openbare nut.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. niet voor bewoning bestemde gebouwen.

6.2.2 Maatvoering niet voor bewoning bestemde gebouwen
bouwwerk   maximum goothoogte   maximum bouwhoogte   maximum oppervlakte  
nutsvoorzieningen   3,2 m   3,2 m   15 m²  

6.2.3 Maatvoering bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  bouwwerk   maximum bouwhoogte  
a.   antennes   5 m  
b.   lichtmasten en overige masten   8 m  
c.   overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   2 m  

6.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de verkeersveiligheid nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van bebouwing.

6.4 Afwijken van de bouwregels
6.4.1 Afwijken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in:

  • a. lid 6.2.2 sub a mits deze maat met maximaal 1 m zal worden overschreden;
  • b. lid 6.2.3 sub a, b en c tot een hoogte van maximaal 10 m.

6.4.2 Voorwaarden

Er kan slechts worden afgeweken zoals bedoeld in 6.4.1, met dien verstande dat:

  • a. dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
6.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in 6.1, wordt in ieder geval gerekend het in gebruik nemen van onbebouwde gronden ten behoeve van opslagdoeleinden. Het opslaan in open ruimten van bouwmaterialen, puin en specie is uitsluitend toegestaan in verband met normale onderhoudswerkzaamheden dan wel ter verwezenlijking van de bestemming.

Artikel 7 Wonen

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - carport': tevens carports;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - verzorgd wonen': uitsluitend verzorgd wonen;
  • d. parkeervoorzieningen, tuinen, erven, paden, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en andere voorzieningen ten behoeve van het wonen;
  • e. aan-huis-gebonden beroepen.
7.2 Bouwregels

Op de gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.2.1 Algemeen
  • a. binnen een bouwvlak mogen hoofdgebouwen met de daarbij behorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. op gronden buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, behorende bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel;
  • c. het aantal woningen bedraagt ten hoogste het met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangeduide aantal;
  • d. het bebouwingspercentage bedraagt maximaal 80% per bouwperceel.

7.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend minimaal 2 aaneengebouwde woningen zijn toegestaan;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' [gs] tevens gestapelde woningen toegestaan;
  • c. de breedte van een hoofdgebouw bedraagt ten minste 5 m;
  • d. bij toepassing van hellende dakvlakken, bedraagt de dakhelling ten minste 30° en maximaal 55°.

7.2.3 Bijbehorende bouwwerken
  • a. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 50 m2 per bouwperceel;
  • b. carports zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - carport';
  • c. bij toepassing van hellende dakvlakken, bedraagt de dakhelling ten minste 30° en maximaal 55°.

7.2.4 Maatvoering

Voor de goothoogte, bouwhoogte en de afstand tot de voorgevelrooilijn van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  bouwwerk   maximum goothoogte   maximum bouwhoogte   minimale afstand tot de voorgevelrooilijn  
a.   hoofdgebouwen   zie op de verbeelding aangegeven maat   zie op de verbeelding aangegeven maat   -  
b.   bijbehorende bouwwerken   3,2 m   5 m   -  
c.   bouwwerken, geen gebouwen zijnde     - 2 m
- voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m
- vlaggenmasten: 8 m  
 
7.3 Specifieke gebruiksregels

 

7.3.1 Voorwaardelijke verplichting - gebruik

Het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken op de bouwpercelen met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - carport' is slechts toegestaan indien op eigen terrein voorzien wordt in ten minste één parkeerplaats.

7.4 Nadere eisen
7.4.1 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de plaatsing van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar;
  • b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen;
  • c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.4.2 Voorwaarden

Nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten.

7.5 Afwijken van de bouwregels
7.5.1 Hoofdgebouwen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in:

  • a. lid 7.2.4 sub a mits deze maat met ten hoogste 1 m zal worden overschreden;

7.5.2 Bijbehorende bouwwerken
  • a. lid 7.2.4 sub b, mits deze maat met maximaal 1 m zal worden overschreden.

7.5.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. lid 7.2.4 sub c tot een hoogte van ten hoogste 10 m.

7.5.4 Voorwaarden

Er mag slechts worden afgeweken zoals bedoeld in 7.5.1 indien:

  • a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. het onder 7.5.3 sub a genoemde niet geldt voor erfafscheidingen.

7.6 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - begeleid wonen' wijzigen in de bestemming Wonen zonder functieaanduiding met inachtname van de volgende regels:

  • a. het aantal woningen blijft gelijk aan het aantal woningen voor begeleid wonen;
  • b. de wijzigingsbevoegdheid kan uitsluitend worden toegepast indien de woningen passen in de planningslijst woningbouw van de gemeente Goes;
  • c. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • d. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de aangrenzende gronden.

Artikel 8 Waarde - Archeologie

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn - bij wijze van dubbelbestemming - bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

8.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 8.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien:
    • 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologische deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is;
    • 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1:
      • de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
      • de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder a genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige;
  • c. het bepaalde in dit lid onder b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 50 m²;
    • 3. een bouwwerk dat niet dieper wordt gebouwd dan 40 cm beneden het peil;
    • 4. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm beneden het peil kan worden geplaatst;
    • 5. een bouwwerk dat zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
    • 6. begeleiding van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige.
8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de navolgende werken en / of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 40 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • b. het ophogen van gronden met een hoogte van ten minste 2 m;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

8.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 8.3.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. de werken en werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 8.2 onder b in acht is genomen;
  • b. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn;
  • c. de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • d. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 50 m²;
  • e. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm onder het peil;
  • f. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologische deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 8.3.1 nodig is.

8.3.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 8.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden regels te verbinden, gericht op:
    • 1. het behoud van archeologische resten in de bodem;
    • 2. het doen van opgravingen;
    • 3. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.
8.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
8.4.1 Sloopverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, bouwwerken te slopen.

8.4.2 Uitzonderingen op het sloopverbod

Het verbod als bedoeld in lid 8.4.1 is niet van toepassing indien:

  • a. de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 8.2 in acht is genomen;
  • b. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. de diepte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 40 cm beneden het peil bedraagt;
  • d. de oppervlakte waar bodemverstoringen door de sloopwerkzaamheden plaatsvinden ten hoogste 50 m² bedraagt;
  • e. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologische deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen sloopvergunning als bedoeld in lid 8.4.1 nodig is.

8.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning voor het slopen, zoals in lid 8.4.1 bedoeld, kan slechts worden toegepast indien:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het slopen een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het slopen regels te verbinden, gericht op:
    • 1. het behoud van archeologische resten in de bodem;
    • 2. het doen van opgravingen;
    • 3. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.
8.5 Wijzigingsbevoegdheid
8.5.1 Geheel of gedeeltelijk verwijderen archeologische bestemming

Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsvlak met de in lid 8.1 genoemde bestemming verwijderen, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. op grond van archeologisch onderzoek wordt het niet meer noodzakelijk geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet;
  • c. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

8.5.2 Wijziging vorm bestemmingsvlak

Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van het bestemmingsvlak met de in lid 8.1 genoemde bestemming veranderen, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. wijziging is op grond van archeologisch onderzoek noodzakelijk of gewenst met het oog op de bescherming of de veiligstelling van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden;
  • b. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.

Artikel 9 Waarde - Cultuurhistorie 1

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de aldaar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische, archeologische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing.

Voor de verschillende zones als weergegeven op de kaart in bijlage 2, worden de volgende kwalitatieve kenmerken onderscheiden.

Zone C:

  • stedenbouwkundig patroon van straten, pleinen en de groene ruimte in relatie ook met de vroegere vestingswal en de singels;
  • profilering en inrichting van de openbare ruimte;
  • samenhang in maatvoering tussen de gevels horizontaal (percelering), verticaal (gevelhoogte) en de openbare ruimte.

Ingeval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die

ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

9.2 Specifieke gebruiksregels
  • a. De functies dienen te zijn gericht op de versterking, ondersteuning en complementering van de lokale en regionale centrumfuncties van de binnenstad met inbegrip van de sociale, culturele en cultuurhistorische waarden, zoals die voortvloeien uit de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht in zijn geheel en van diverse onderdelen afzonderlijk.
  • b. Bij de onder a. genoemde doelstelling dienen de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden verband houdend met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht te worden gerespecteerd en zo mogelijk te worden versterkt.
  • c. Het gestelde in dit lid geldt als toetsingskader voor het verlenen van een omgevingsvergunning en/of afwijking behorend tot deze regels.
9.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, ten behoeve van de instandhouding en versterking van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden, bij het verlenen van een omgevingsvergunning nadere eisen te stellen aan het materiaal- en kleurgebruik van gebouwen.

 

Artikel 10 Waarde - Cultuurhistorie 2

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de aldaar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische, archeologische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing.

Voor de verschillende zones als weergegeven op de kaart in bijlage 2, worden de volgende kwalitatieve kenmerken onderscheiden.

Zone B:

  • regelmaat van beeldbepalende panden en gebouwen met ondersteunende beeldkwaliteit;
  • stedenbouwkundig patroon van straten en andere ruimten in relatie tot de haven, de vroegere vestigingwal en de singels;
  • profilering en inrichting van de openbare ruimte;
  • situering en afmeting van de bebouwing, waaronder concentraties van monumenten;
  • individueel herkenbare identiteit van de gevels in de gevelwanden;
  • samenhang in de maatvoering tussen de gevels horizontaal (percelering), verticaal (gevelhoogte) en de openbare ruimte.

Ingeval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die

ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

10.2 Specifieke gebruiksregels
  • a. De functies dienen te zijn gericht op de versterking, ondersteuning en complementering van de lokale en regionale centrumfuncties van de binnenstad met inbegrip van de sociale, culturele en cultuurhistorische waarden, zoals die voortvloeien uit de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht in zijn geheel en van diverse onderdelen afzonderlijk.
  • b. Bij de onder a. genoemde doelstelling dienen de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden verband houdend met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht te worden gerespecteerd en zo mogelijk te worden versterkt.
  • c. Het gestelde in dit lid geldt als toetsingskader voor het verlenen van een omgevingsvergunning en/of afwijking behorend tot deze regels.
10.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, ten behoeve van de instandhouding en versterking van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden, bij het verlenen van een omgevingsvergunning nadere eisen te stellen aan het materiaal- en kleurgebruik van gebouwen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de plankaart en hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, erkers, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, alsmede andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt;
  • b. de bouw van andere bouwwerken ten dienste van nutsvoorzieningen, mits deze voorzieningen van geringe horizontale en verticale afmetingen zijn en de bouwhoogte in ieder geval niet meer dan 10 m bedraagt; in afwijking van het in de vorige zin bepaalde bedraagt de bouwhoogte van voorzieningen voor telecommunicatie ten behoeve van privégebruik maximaal 15 m en voor gemeenschappelijk gebruik maximaal 30 m;
  • c. voor de bouw van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwtjes ten dienste van nutsvoorzieningen; de inhoud van deze gebouwtjes bedraagt ten hoogste 50 m3 en de bouwhoogte ten hoogste 3 m.
12.2 Bestaande maten

Met betrekking tot bestaande maten geldt het volgende:

  • a. voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat:
    • 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden;
    • 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden;
  • b. ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt;
  • c. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het overgangsrecht bouwwerken, als opgenomen in dit plan, niet van toepassing.
12.3 Parkeerregeling
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
  • b. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van het op dat moment van toepassing zijnde gemeentelijk parkeerbeleid bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.

Artikel 13 Algemene gebruiksregels

Het is verboden de in dit plan begrepen gronden, gebouwen en bouwwerken te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming. Tot het verboden gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruiken, te doen of te laten gebruiken van gronden voor de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- enstraatprostitutie. Verder wordt onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan onbebouwde gronden te gebruiken of te laten gebruiken:

  • a. als opslagplaats voor bagger en grondinspectie;
  • b. als opslagplaats voor vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe (bouw)materialen en afval;
  • c. puin, grind of brandstoffen.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 Vrijwaringszone molenbiotoop
14.1.1 Bouwregels

Binnen de als 'vrijwaringszone - molenbiotoop' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. tussen de 100 en de 400 m vanaf de molen geldt ten aanzien van de maximale bouwhoogte de volgende regel:
    • 1. maximale bouwhoogte = (0,013 x afstand tot molen) + (0,2 x askophoogte van molen);

waarbij:

  • alle maten in meters worden uitgedrukt;
  • de maximale bouwhoogte en de askophoogte beide dienen te worden bepaald ten opzichte van hetzelfde peil.

 

14.1.2 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in lid 14.1.1 teneinde:

  • a. een bouwwerk toe te laten dat, gezien vanuit de molen, aan de achterzijde van bestaande bebouwing wordt opgericht en waarbij de hoogte en de breedte binnen de hoogte en breedte blijft van de bestaande bebouwing waarachter het bedoelde bouwwerk wordt opgericht;
  • b. een bouwwerk toe te laten dat strekt ter vervanging van bestaande bebouwing en dat al dan niet wordt gebouwd ten behoeve van een andere functie dan de functie van de bestaande bebouwing voor zover de bebouwingsmogelijkheden, krachtens het vigerende bestemmingsplan waarin de bestaande bebouwing is toegelaten, niet worden vergroot.

Voor zowel de afwijking onder a als b geldt dat de windvang, het functioneren en de zichtbaarheid van de molen niet onevenredig mogen worden aangetast.

14.1.3 Procedureregels

Voorafgaand aan een afwijking als bedoeld in lid 14.1.2 winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies bij een deskundige instantie over de vraag of bij het bouwplan de belangen van de molen als werktuig en beeldbepalend element voldoende worden ontzien en over de eventueel te stellen voorwaarden.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels

15.1 Afwijkingsbevoegdheid
15.1.1 Afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van de regels in dit plan voor:

  • a. het oprichten van antennes en masten tot een hoogte van 15 m;
  • b. geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein;
  • c. overschrijdingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%.

15.1.2 Voorwaarden

Er kan slechts worden afgeweken zoals genoemd in lid 15.1.1, mits:

  • a. dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 16 Algemene wijzigingsregels

16.1 Geringe afwijkingen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van geringe afwijkingen, die in het belang van een ruimtelijke of technisch beter verantwoorde plaatsing van gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 5 m toelaatbaar.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 17 Overgangsrecht

17.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  • b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  • c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd zijn met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
17.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 18 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Hof den Berg'.