Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Middelblok
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0644.BP1022MI002-VG01

Artikel 18 Waarde - Natuur en landschap (dubbelbestemming)

18.1 Bestemmingsomschrijving

18.1.1 De voor 'Waterstaat – Natuur en landschap' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen(en), mede bestemd voor:
  1. behoud en de ontwikkeling van de aan de rivier gebonden landschapswaarden in de vorm van:
    1. de identiteit van de rivier als een samenhangend gebied met bijzondere kwaliteiten;
    2. de landschappelijke herkenbaarheid van de zoetwatergetijderivier;
    3. de visueel-ruimtelijke belevingswaarde (beeldkwaliteit) van de rivier vanaf het water en de dijken;
    4. het realiseren van een met de zoetwatergetijderivier samenhangende inrichting van oevers;
  2. gebruik ten behoeve van de bescherming van de oevers.
18.1.2 Voor zover op de verbeelding dubbelbestemmingen samenvallen, geldt de volgende volgorde:
  1. primair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterstaatkundige functie';
  2. secundair geldt het bepaalde in de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering';
  3. tertiair geldt het bepaalde in de dubbelbestemmingen 'Leiding – Brandstof' en 'Leiding – Water';
  4. quartair geldt het bepaalde in de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie' en 'Waarde – Natuur en landschap';
  5. quintair geldt het bepaalde in de onderliggende bestemming.

18.2 Bouwregels

De gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:
  1. ten behoeve van de bestemming “Waarde – Natuur en landschap” mag niet worden gebouwd;
  2. ten behoeve van andere bestemmingen mag in afwijking van het bepaalde in de andere bestemmingen niet worden gebouwd.

18.3 Afwijken van de bouwregels

18.3.1 Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
  1. artikel 18, lid 2, onder a voor de bouw van damwanden, mits:
    1. deze technisch noodzakelijk zijn en alleen bij watergebonden bedrijvigheid wordt toegepast;
    2. de belangen van het scheepvaartverkeer hierdoor niet onevenredig worden geschaad;
    3. de hoogte van de damwanden ter plaatse waar de bestemming “Water – 1” grenst aan de bestemming 'Bedrijventerrein' ten hoogste 2 meter bedraagt gemeten vanaf het gemiddelde ebniveau (0,30 -NAP), met uitzondering van de percelen met daarop de aanduiding 'bedrijfswoning' waar een damwand van ten hoogste 0,30 m +NAP is toegestaan;
    4. de hoogte van de damwanden ter plaatse waar de bestemming “Water – 1” grenst aan de bestemming 'Wonen' ten hoogste 0,30 m +NAP bedraagt.
  2. artikel 18, lid 2, onder b ten behoeve van het bouwen van bouwwerken ten dienste van andere bestemmingen, mits:
    1. de landschapswaarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad;
    2. vooraf een schriftelijk advies kan worden ingewonnen bij een natuur- en landschapsdeskundige.
 

18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

18.4.1 Omgevingsvergunningvereiste
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het afgraven, ophogen of egaliseren van de grond;
  2. het aanleggen van oppervlakteverhardingen.
18.4.2 Uitzonderingsbepaling
Het verbod van lid 18.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
  1. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
18.4.3 Procedureregels
De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 18.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits:
  1. de landschapswaarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad; van onevenredige schade is in elk geval geen sprake indien de helling van de oever voor zover grenzend aan de bestemming Wonen ten minste 30° en ten hoogste 45° bedraagt;
  2. vooraf een schriftelijk advies wordt ingewonnen bij een natuur- en landschapsdeskundige, indien de helling van de oever voor zover grenzend aan de bestemming Wonen minder dan 30° of meer dan 45° bedraagt.