direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oud Mathenesse
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0599.BP1106OMathenesse-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het bestemmingsplan voor Oud Mathenesse, vastgesteld in 2008, is in 2018 niet meer actueel. Het opstellen van het nieuwe bestemmingsplan gebeurt in het kader van het Meerjarenprogramma voor actualisering van bestemmingsplannen.

Oud Mathenesse is de meest westelijke wijk van gebied Delfshaven. De wijk ligt tegen Schiedam aan en wordt doorsneden door de Franselaan. In de driehoekige kom tussen de Schiedamseweg en Tjalklaan ligt het wereldwijd bekende Witte Dorp.

Het plangebied is inclusief het Witte Dorp en is circa 87 hectare groot. Het gebied grenst bij de Hogenbanweg aan Schiedam en verder aan de Buislaan (parallel aan de Horváthweg), het metroviaduct aan de Tjalklaan, het Marconiplein en de Schiedamseweg ter hoogte van de stadshavens van het Merwe-Vierhavengebied.

1.2 Ligging en begrenzing

Het bestemmingsplangebied kan worden getypeerd als een stedelijk woongebied ingeklemd tussen de stadshavens van het Merwe-Vierhavengebied, het stedelijk woongebied van Schiedam-Oost, de infrastructuur van het metroviaduct, de Tjalklaan en het Marconiplein en de bufferzones van volkstuincomplex 'Volkslust' en sportpark 'Nieuw Vreelust'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1106OMathenesse-va01_0002.png"

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

In het gebied van het nieuwe bestemmingsplan geldt het bestemmingsplan:

0576 Oud Mathenesse

vastgesteld 18-09-2008 goedgekeurd 04-12-2008 onherroepelijk 27-02-2009.

alsmede de Parapluherzieningen:

1077 Terrassen vastgesteld 11-11-2014 onherroepelijk 25-04-2015;

1097 Parkeernorming Rotterdam vastgesteld 14-12-2017 onherroepelijk 31-03-2018;

1104 Biologische Veiligheid vastgesteld 14-06-2018 in werking per 18-08-2018.

1.4 Samenvatting plan

De gemeente maakt een bestemmingsplan voor dit gebied, omdat het bestemmingsplan uit 2008 verouderd is. Het bestemmingsplan gaat over Oud Mathenesse inclusief het Witte Dorp. Het is een stedelijk woongebied en ligt tussen het Merwe-Vierhavengebied, Schiedam-Oost, het metroviaduct, de Tjalklaan en het Marconiplein. In grote lijn gelden in het bestemmingsplan de volgende ontwikkelingen:

  • Meer mogelijk in enkele panden met voorzieningen
    Voor een paar panden met voorzieningen is ook de functie wonen toegestaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor het gezondheidscentrum in de witte villa aan de Poolsestraat. Zo is in de toekomst op deze plek bijvoorbeeld ook een woning met praktijk aan huis mogelijk.
  • Vooral woningen op straatniveau aan de Franselaan
    In het nieuwe bestemmingsplan zijn op straatniveau woningen, maar bijvoorbeeld ook praktijkwoningen toegestaan. Er is echter geen plek meer voor nieuwe winkels, buurthuizen en dergelijke voorzieningen.
  • Concentratie detailhandel
    Buiten het boodschappencentrum Franselaan/Pinkstraat zijn geen nieuwe winkels meer toegestaan.
  • Geen uitbreiding horeca
    De gemeente wil in Oud Mathenesse en het Witte Dorp geen uitbreiding van horeca. Verder gebruikt de gemeente in de hele stad nieuwe regels voor vergunningen en horeca.
  • Beschermen beeldbepalende panden
    De gemeente vindt de cultuurhistorie van gebieden belangrijk. In Oud Mathenesse staan enkele beeldbepalende gebouwen. Deze gebouwen kunnen niet zomaar gesloopt worden.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

Algemeen

Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van het Rijk gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het nationale ruimtelijk beleid aangeven en de nationale belangen die met dat beleid worden behartigd proberen veilig te stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft het Rijk de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden. Het Rijk kan een bestemmingsplan opstellen, een zogenaamd rijksinpassingsplan. Daarnaast zijn er instrumenten die
uitvoering van het rijksbeleid kunnen verzekeren zoals de bevoegdheid tot het stellen van algemene
regels in een algemene maatregel van bestuur (amvb) en het opleggen van aanwijzingen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is in werking getreden en geeft de rijksbelangen weer die doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen.

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vastgesteld op 13 maart 2012

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Voor de middellange termijn (2028) kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden:
1) Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur;
2) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
3) Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Daarnaast benoemt het Rijk 13 nationale belangen, waar het rijk verantwoordelijk voor is. Het betreft:
1) Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
3) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
4) Efficiënt gebruik van de ondergrond;
5) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
6) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;
7) Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen;
8) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
9) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening, en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
10) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
11) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
12) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
13) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

De nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft de nationale belangen, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, geografisch weer. Op deze kaart in de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid, zodat een samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur zichtbaar wordt.

De structuurvisie infrastructuur en ruimte vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving.

2.1.2 Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte

Vastgesteld op 15 juni 2011

In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. In de beleidsnota schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet in (naar verwachting) 2019.

De komende jaren werkt de Rijksdienst aan drie programmalijnen:

  • Water en erfgoed
  • Landschap: transformatie van het landelijk gebied
  • Transformatie in de stad en in krimpgebieden
2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang.

2.1.3.1 Relevant beleid voor het plangebied

Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied.

2.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017

Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder.

Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

2.1.4.1 Toetsing

Het bestemmingsplan maakt de volgende ontwikkeling mogelijk: de transformatie van gebouwen en delen van gebouwen tot maximaal circa 30 extra woningen.

De mogelijkheden voorzien in een duidelijke behoefte. Deze afspraken zijn ook opgenomen in de door regiogemeenten van de toenmalige Stadsregio Rotterdam opgestelde woonvisie 'Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam 2014-2020' (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam), opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid. In april 2014 is deze woonvisie aanvaard door de provincie en daarmee als regionale woonvisie te beschouwen. Uit de woonvisie blijkt dat er een substantiële behoefte is aan nieuwe woningen in de stad en regio: het gaat om 28.000 nieuwe woningen tot 2020. Daardoor zijn de planologische mogelijkheden voor nieuwe woningen in overeenstemming met de ladder.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit

Vastgesteld door Provinciale Staten op 30 mei 2018

De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Visie ruimte en mobiliteit. De visie geldt als structuurvisie. Parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit zijn het Programma mobiliteit, het Programma ruimte en de Verordening ruimte vastgesteld.

De Visie ruimte en mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma ruimte. Dit programma kent, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie. Beide worden vastgesteld door Provinciale Staten. Gezamenlijk beschrijven ze het integrale ruimtelijk beleid.

De provinciale belangen zoals opgenomen in de Visie Ruimte en Mobiliteit, zijn verankerd in de Verordening Ruimte. Er zijn geen provinciale belangen in het geding.

2.2.2 Verordening Ruimte

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2014

Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Verordening ruimte. Hierin is de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies.

Ladder voor duurzame verstedelijking:

Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. Uitgangspunt is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. De behoefte aan die ontwikkeling staat in de toelichting van een bestemmingsplan.

Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat de toelichting tevens een motivering waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien (artikel 3.1.6 van het Bro en artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte).

Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1 van het Bro).

De provinciale ladder voor duurzame verstedelijking is per 29 juni 2018 gelijk aan de ladder uit het Bro, voor zover het gaat om ontwikkelingen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Voor een toetsing aan de ladder wordt dan ook verwezen naar paragraaf 2.1.4.

2.3 Gemeentelijk beleid

Algemeen

Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer.

2.3.1 Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad

De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad.

Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners.

Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar). 

2.3.2 Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad

De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld.

Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door:

  • de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen;
  • te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en
  • woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid.

Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: 

  • een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad;
  • ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en
  • energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door:

  • het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen;
  • betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk;
  • goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken;
  • toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en
  • woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.

De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren.

2.3.3 Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad

Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten:

  • de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035;
  • de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie;
  • de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik.

Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin. De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandert- steeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen:

  • 1. City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov;
  • 2. een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht;
  • 3. regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande;
  • 4. aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt;
  • 5. versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile;
  • 6. geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt;
  • 7. gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie;
  • 8. slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict;
  • 9. gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.
2.3.4 Herijkt Gebiedsplan Delfshaven 2016-2018

Vastgesteld op 15 maart 2016 door de Gebiedscommissie Delfshaven

Het Gebiedsplan Delfshaven beschrijft op hoofdlijnen de gewenste ontwikkelrichting van de voormalige deelgemeente voor de komende jaren. Het gebiedsplan is samen met de bewoners van het gebied tot stand gekomen.

Voor Oud Mathenesse is een aantal ambities omschreven. Oud-Mathenesse en het Witte Dorp zijn wijken met een rustig, stedelijk profiel. De ambitie is dat jeugd en volwassenen er goed samen wonen en leven, kansen benutten en zorg krijgen die nodig is. In Oud Mathenesse heeft de adoptiewijkaanpak (samenwerking Woningcorporatie Woonbron en gemeente Rotterdam om tot goed onderhoud van vastgoed te komen, door ondersteuning van woningbezitters en/of Verenigingen van Eigenaren) geleid tot zichtbare verbeteringen aan het particuliere vastgoed.

In de komende jaren zal actief ingezet worden op het aantrekkelijker maken om te (blijven) wonen, het verbeteren van het woonmilieu en de leefomgeving en met het aanbod aan voorzieningen en woningen een gevarieerde bewonersgroep te interesseren of geïnteresseerd te houden. Uitgangspunt is dat de inrichting van de buitenruimte aansluit bij de behoefte en ideeën van bewoners. Waar mogelijk zal de buitenruimte verder worden vergroend.

2.3.5 Nota Detailhandel 2017

Vastgesteld op 22 en 29 juni 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad

De Nota Detailhandel uit 2013 is in 2017 geactualiseerd. De nota bestaat uit een algemeen deel dat de stedelijke ambities ten aanzien van dit onderwerp bevat en 13 separate gebiedsgerichte uitwerkingen, die het detailhandelsbeleid per gebied beschrijven. De nota en de gebiedskoersen doen geen uitspraken over het centrum, hiervoor blijft de nota 'WNKLN N RTTRDM' het relevant beleidskader.

Stedelijke ambities en spelregels ten aanzien van detailhandel

Het detailhandelsbeleid bestaat in de basis uit een beleidskader, waarin op grond van de trends en ontwikkelingen de visie en ambitie van Rotterdam op de detailhandelsstructuur wordt uitgesproken. Met dit kader zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat en sprake is van complete, compacte comfortabele en levensvatbare centra.

Om deze ambities te realiseren, is een aantal spelregels onontbeerlijk en zijn vier stedelijke ambities geformuleerd:

  • Een evenwichtige detailhandelsstructuur (aantrekkelijk, levensvatbaar, complementair)
  • Meer flexibiliteit en dynamiek ter versterking van de detailhandelsstructuur
  • Detailhandelsbeleid als kader voor ruimtelijke ontwikkelingen
  • Een bruisende Binnenstad!


De spelregels die nodig zijn om de ambities te behalen zijn:

  • Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk in de winkelconcentratiegebieden zoals in de Gebiedskoersen Detailhandel zijn vastgesteld.
  • Creëren van nieuwe winkelgebieden is enkel onder strikte voorwaarden mogelijk.
  • Geen nieuwe solitaire vestiging van winkels buiten de detailhandelsstructuur van winkelgebieden.
  • In kleine kernen kan maatwerk vereist zijn, om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden.
  • Vestiging van grootschalige detailhandel bekijken we kritisch.
  • Geen nieuwe perifere concentratiegebieden.
  • Tuincentra en bouwmarkten buiten de aangewezen winkelgebieden zijn onder voorwaarden bespreekbaar.
  • Geen detailhandel op bedrijventerreinen.
  • Winkels in tweedehandsgoederen vestigen we in winkelgebieden; uitzondering voor kringloopwinkels.
  • Internetwinkels en -afhaalpunten met een (beperkte) bezoekersfunctie worden enkel toegestaan in de winkelgebieden en op trafficlocaties.
  • Voor winkels geldt in de horecanota Rotterdam 2017-2021 de basisvrijstelling.

Gebiedskoersen

De stedelijke ambities zijn het uitgangspunt voor de gebiedsgerichte uitwerking voor detailhandel. In de gebiedskoersen detailhandel zijn de winkelgebieden ruimtelijk begrensd, zodat voor iedereen duidelijk is wat de winkelgebieden in de stad zijn en wat de gemeentelijke koers daarbij is.

De keuzes op gebiedsniveau vormen de basis voor het gemeentelijk handelen ten aanzien van enerzijds het versterken van winkelontwikkelingen (door bijvoorbeeld mee te werken aan nieuwe winkelvestiging) en anderzijds de transformatieopgave.

2.3.6 Gebiedskoers Detailhandel 2017-2020 Delfshaven

Vastgesteld op 22 en 29 juni 2017 door de Rottedamse gemeenteraad

In een stedelijk gebied als Delfshaven is een aantrekkelijk winkelaanbod essentieel. De winkelgebieden bepalen voor een belangrijk deel de sfeer en identiteit van de buurten waarin ze zijn gesitueerd. De structuur van winkelconcentraties in Delfshaven wordt gekenmerkt door twee lange linten in de richting van het centrum van de stad. De verschillende winkelgebieden zijn historisch gesitueerd aan deze twee linten. Schiedamseweg/Nieuwe Binnenweg en Vierambachtsstraat/Middellandstraat.

De winkelgebieden in Delfshaven hebben voornamelijk een boodschappenfunctie, aangezien voor het echte recreatieve winkelen, de aanwezige winkelconcentraties het moeten afleggen tegen de kwaliteiten van de binnenstad van Rotterdam. De grootste winkelconcentraties in Delfshaven zijn de Schiedamseweg en Nieuwe Binnenweg, gevolgd door de Mathenesserplein/Vierambachtsstraat en de Middellandstraat. Kleinere concentraties in het gebied zijn de Franselaan en het Mathenesserkwartier.

De Franselaan functioneert als basis boodschappencentrum en heeft een rol voor de direct omwonenden. De positie en rol van de supermarkt aan de Pinkstraat is essentieel voor het functioneren. Ondanks de trekkracht van de supermarkt is zichtbaar dat de winkels in de plint aan de Franselaan het moeilijk hebben. Daarbij is ook de trend van een vergrijzend ondernemersbestand duidelijk zichtbaar in de straat.

Om de functie ook in de toekomst te kunnen vervullen, is het van belang dat de partners in het gebied de kwaliteit van het winkelgebied in de gaten houden en blijven handhaven. De supermarkt aan de Pinkstraat is een essentiële pijler van deze winkelvoorziening. In dat kader is het van belang om eventuele modernisering en uitbreiding van de supermarkt richting Franselaan te faciliteren.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1106OMathenesse-va01_0003.png"

2.3.7 Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld door B&W op 1 november 2016

In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen.

Belang voor de stad

Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten. De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden.

Visie en ambities

Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren.

De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.

  • Rotterdam bruist!;
  • de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden;
  • bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid;
  • ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot;
  • minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel;
  • uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust);
  • wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty).

Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen)

In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken.

Wat is horeca?

Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting.

De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel.

Exploitatievergunning of niet?

In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak.

Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1106OMathenesse-va01_0004.png"

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1106OMathenesse-va01_0005.png"

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1106OMathenesse-va01_0006.png"

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan (zie ook paragraaf 2.3.8) dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties.

Exploitatievergunning

Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten.

Exploitatiecategorieën

De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie).

Gebiedsgericht werken

Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan biedt het kader hiervoor.

2.3.8 Horecagebiedsplan 2017-2019 Delfshaven

Vastgesteld door B&W op 27 juni 2017

Algemene ontwikkelrichting

Op 6 april 2017 is het Gebied Delfshaven door de burgemeester aangewezen als veiligheidsrisicogebied. Dit houdt in dat in Delfshaven sprake is van een verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van (vuur)wapens, dan wel van een ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en dat er een dringende maatschappelijke behoefte bestaat om tegen het bezit en het gebruik van (vuur)wapens op te treden. Ervaring leert dat de verstoring ook vanuit openbare inrichtingen, dus ook horeca-inrichtingen, kan worden veroorzaakt. Wetende dat Delfshaven ruim 200 horeca-inrichtingen herbergt (circa één horeca-inrichting per 375 inwoners) draagt de nadrukkelijke aanwezigheid van het grote aantal aan horeca-inrichtingen, maar ook de vele niet vergunningplichtige (maatschappelijke) inrichtingen, zoals stichtingen en verenigingen, in sterke mate bij aan het beeld en de veiligheidsbeleving van de bewoners van Delfshaven. Daarnaast zijn de meeste panden in Delfshaven voornamelijk vooroorlogse panden, panden die niet heel goed zijn geïsoleerd en vaak bestaan uit grotendeels houten constructies. Al met al brengt dat mee dat bepaalde categorieën horeca niet zonder meer overal gevestigd kunnen worden, zonder rekening te houden met het woon- en leefklimaat van de bewoners in de directe omgeving. Alsook dat terrassen op binnenterreinen en achtertuinen niet wenselijk zijn, omdat deze veel (geluids)overlast kunnen veroorzaken voor de directe omgeving.

Ontwikkelrichting

In de komende jaren zal actief ingezet worden op het aantrekkelijker maken om te (blijven) wonen, het verbeteren van het woonmilieu en de leefomgeving en met het aanbod aan voorzieningen en woningen een gevarieerde bewonersgroep te interesseren of geïnteresseerd te houden. Uitgangspunt is dat de inrichting van de buitenruimte aansluit bij de behoefte en ideeën van bewoners. Waar mogelijk zal de buitenruimte verder worden vergroend. Voor horeca geldt in principe de ontwikkelrichting consolideren, waarbij vrijgesteld van de vergunningplicht niet is toegestaan.

Franselaan

De Franselaan is een doorgaande winkelstraat. Deze leidt naar Schiedam. De laan verdeelt de wijk in twee buurten: de Schepenbuurt en de Landenbuurt. De aanwezige voorzieningen zijn veelal van goede kwaliteit en worden intensief benut. Het aanbod is momenteel voldoende en sluit goed aan op de wensen van bewoners en ondernemers. Wel ziet men een dreigende verschraling van het aanbod: behalve een tweetal cafés, een snackbar en een restaurant zijn er in de laatste twee jaren meerdere bakkerijen/winkels omgevormd tot inrichtingen die ondergeschikt horeca exploiteren: er zijn te veel horeca gerelateerde inrichtingen aanwezig. Om verdere verschraling te voorkomen is het dan ook vooralsnog niet wenselijk dat het aantal horeca-inrichtingen (vergunningplichtig en/of vrijgesteld van de vergunningplicht) toeneemt.

2.3.9 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam

Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad

In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer:
- het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ);
- het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt;
- het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening;
- het verbreden van het draagvlak voor de archeologie;
- het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'.
De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn.

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen.

2.3.10 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020" en de Monumentenverordening Rotterdam 2010

Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld op 30 oktober 2010 door de Rotterdamse gemeenteraad

Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad. De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld.

In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium.

Hoofdstuk 3 Beschrijving van het plangebied

3.1 Archeologie

3.1.1 Beleidskader

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid.

Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

De gemeente Rotterdam heeft een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die deel uitmaakt van de gemeentelijke monumentenverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld.

Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

3.1.2 Bewoningsgeschiedenis

Het bestemmingsplangebied maakt deel uit van een klei-op-veen-gebied langs de rechteroever van de Nieuwe Maas. Hoewel archeologische locaties uit het bestemmingsplangebied vooralsnog niet bekend zijn, kan op grond van nabijgelegen vindplaatsen aangenomen worden dat het gebied in de Romeinse tijd (begin jaartelling-350 na Christus) werd bewoond. Ook bewoning uit de IJzertijd (800 voor Christus-begin jaartelling), op het onderliggende veen, is mogelijk.

Het gebied werd in 10e-11e eeuw ontgonnen. Ten gevolge van de ontwatering kwam het maaiveld lager te liggen, waardoor de overstromingskans toenam. Rond het midden van de 12e eeuw werd het gebied overstroomd en werd een kleipakket afgezet. In de 13e eeuw kwam het gebied binnendijks te liggen met de aanleg van de Schielands Hoge Zeedijk en de polder Oud-Mathenesse, waarvan de ten oosten van het bestemmingsplangebied gelegen Laansloots polderdijk deel uitmaakte. De genoemde dijk is in het kader van de aanleg van de Beneluxlijn op één plaats onderzocht (E. Jacobs, 1998: Opgraving van een zeventiende-eeuwse boerderij en een dertiende-eeuwse dijk), Rotterdam (BOORrapporten 33).

3.1.3 Archeologische verwachtingen

In het bestemmingsplangebied kunnen bewoningssporen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen voorkomen. Aangezien middeleeuwse (polder)dijken veelal als woonplaats werden benut, is de Schielands Hoge Zeedijk in het bijzonder van archeologische waarde. Deze dijk is wel behoorlijk opgehoogd (oorspronkelijke hoogte circa 3,5 meter boven NAP), dus de eerste meters onder maaiveld hebben hier geen archeologische potentie.

3.1.4 Aanbevelingen

Waarde - Archeologie 1

Voor het tracé van de dijk (Waarde - Archeologie 1) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 100 vierkante meter.

Waarde - Archeologie 2

Voor de rest van het plangebied (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden het maaiveld en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 100 vierkante meter.

3.2 Stadsgezichten en Monumenten

Algemeen

De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium – Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijks beschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”.

Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM)

Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object ten minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.

Beschermde stadsgezichten (BS)

Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen.

Wederopbouwaandachtsgebieden

Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam twee wederopbouwaandachtsgebieden van nationaal belang. Verder heeft de gemeente in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen wettelijke bescherming.

Beeldbepalende objecten (BO)

In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden.

Het plangebied

Binnen het bestemmingsplangebied is geen beschermd stadsgezicht gelegen.

Binnen het bestemmingsplangebied zijn geen monumenten gelegen.

Binnen het bestemmingsplangebied zijn enkele beeldbepalende objecten gelegen.

3.3 Cultuurhistorie

3.3.1 Ontstaan en historische ontwikkeling

Tot in de dertiende eeuw lag dit gebied buitendijks, waarbij rivierklei werd afgezet op bosveen. Het was een nagenoeg onbewoond rietgorzengebied. Tussen 1288 en 1310 werd de Mathenesser- en Schiedamsedijk aangelegd en het gebied ingepolderd. Het gebied te oosten van de Laanslootseweg (nu: de Tjalklaan ) werd onderdeel van de Spaansepolder, een klei-op-veenpolder met strokenverkaveling, oriëntatie NW-ZO. Ten westen hiervan ontstond de Oud Mathenessepolder met een rationele blokverkaveling. De Spaansepolder was vooral in gebruik voor veeteelt, de Oud Mathenessepolder mogelijk ook voor landbouw. De boerderijen stonden verspreid langs de Mathenesserdijk, de Schiedamsedijk en de Laanslootseweg. Tussen 1905 en 1908 wordt aangrenzend aan het plangebied het spoortalud Spaansebocht en het rangeerterrein Tjalklaan aangelegd als onderdeel van de havenspoorlijn-noord. Vanaf circa 1915 worden tussen deze spoorlijnen sportvelden (Sparta) aangelegd. In latere jaren worden hier ook een zwembad, een kinderboerderij, een kerk en een school gebouwd.

3.3.2 Oud Mathenesse

De wijk Oud Mathenesse wordt in twee fasen gebouwd. Het gedeelte ten zuiden van de Franselaan wordt gebouwd tussen circa 1925 en 1935. Er zijn in hoge dichtheden woonflats met tuinen gerealiseerd. De meeste straten zijn noord-zuid georiënteerd, dus niet conform de oude slotenverkaveling.

Het deel ten noorden van de Franselaan is in de vijftiger jaren gebouwd. Hier zijn volgens een wat ruimere opzet woonflats met openbaar groen gerealiseerd. Net als in het zuidelijke deel van de wijk hebben alle straten een noord-zuid oriëntatie. De stadsvernieuwing komt in deze wijk pas laat en mondjesmaat op gang. Eind tachtiger jaren alleen in het zuidelijke deel. Er worden bouwblokken gerenoveerd. Incidenteel is sprake van nieuwbouw, ter vervanging van gesloopte flatgebouwen, dan wel verdichting zoals het geval is aan de Tjalklaan.

3.3.3 Witte Dorp

In de punt tussen de Tjalklaan en de Schiedamsedijk wordt door architect J.J.P.Oud een complex noodwoningen ontworpen, bedoeld voor niet meer dan twintig jaar. Het wijkje wordt gebouwd tussen 1921 en 1925; het gaat om kleine, op staal gefundeerde woningen. Het wijkje wordt vanwege zijn architectuur van witte huisjes van één bouwlaag met roodpannen daken gauw het “Witte Dorp” genoemd. Door de oorlogsperikelen en de herstelperiode erna blijven de noodwoningen veel langer staan dan de bedoeling was. Ze worden vanwege hun architectuur en hun beroemde architect zelfs tot monument uitgeroepen. De woningen zijn echter klein, tochtig en gescheurd. Renovatie in de tachtiger jaren leidt tot onvoldoende verbetering van de situatie. Tussen 1989 en 1991 wordt alsnog het Witte Dorp in fasen gesloopt en er vindt nieuwbouw plaats van witte/rode bakstenen huizen in een sterk gelijkend verkavelingspatroon.

3.3.4 Cultuurhistorische verkenning

Voor het bestemmingsplan is een cultuurhistorische verkenning uitgevoerd. (Geest, J van; Cultuurhistorische Verkenning Oud Mathenesse en Vreelust, augustus 2018).

De stedenbouwkundige structuur van de wijk is grotendeels gebaseerd op de ideeën van Witteveen. De stedenbouw is bepalend voor de karakteristiek van Oud Mathenesse; een unieke ‘buitenwijk’ nabij drukke infrastructuur en nabij de stenige en stedelijkere woonwijken van Rotterdam-west. Het gedachtegoed van Witteveen komt tot uitdrukking in de aanleg van de groenstructuur rondom en in de wijk, in de bouwblokken van drie en vier lagen met een kap, in het (geknikte) stratenpatroon, in de straatwanden langs de hoofdassen en in de ruimtelijke samenhang met Schiedam.

Oud Mathenesse heeft vanaf de jaren 1920 als een proeftuin voor sociale woningbouw gefungeerd. Eerst met de semi-permanente woningen van het Witte Dorp, toen met de 1000-woningenplannen vlak voor en tijdens de oorlog. Tijdens de wederopbouw, maar ook tijdens de stadsvernieuwing in de jaren 1970-1980 stond de bouw van relatief kleine en goedkope woningen centraal in Oud Mathenesse. De architectuur van de woningen uit de wederopbouwperiode hebben waardevolle, karakteristieke elementen die ook in andere Rotterdamse naoorlogse woonwijken te vinden zijn.

Typerend is dat er door de hele woonwijk telkens kleine winkelruimtes en werkplaatsen hebben gelegen. Deze ruimtes zijn opgenomen in de woningbouwblokken of liggen er pal naast. Vanaf de bouw van de wijk was hiermee de wijk aantrekkelijk voor (kleine) ambachtslieden en middenstanders die op loopafstand van hun woning een winkel of atelier konden houden.

De groenstructuur van de wijk werd al voor een deel ontworpen in plannen die Witteveen in de jaren 1920 had ontwikkeld voor de hele stad Rotterdam. In het Algemeen Uitbreidingsplan uit 1928 was een park- en sportgebied opgenomen in Vreelust. Ter plekke van Oud Mathenesse was een groene buitenwijk gepland. In het stedenbouwkundig plan uit 1934 werd e.e.a. nader gedetailleerd. In de naoorlogse jaren werden aanpassingen op het plan doorgevoerd, waarbij de inbedding van de wijk in het groen en de zichtlijnen vanuit de Franselaan naar de singel overeind bleven.

Het inmiddels volwassen groen is waardevol vanwege een opvallend grote variëteit aan bomen- en plantensoorten. Bovendien is de groenstructuur zeer divers; het bestaat uit verschillende elementen die met elkaar in verbinding staan.

Het groen brengt in de vrij dichtbebouwde wijk, rust en ruimte. Het groen biedt mogelijkheden voor verduurzaming van de wijk, kan sociale betekenis hebben (beweging, ontmoeting) en is bovendien, mits goed onderhouden, gunstig voor de economische waarde van de wijk in zijn geheel en voor de waarde van de afzonderlijke gebouwen.

Uit de cultuurhistorische verkenning blijkt dat een aantal objecten cultuurhistorisch waardevol is en als beeldbepalend is te beschouwen. De CV adviseert om de beeldbepalende objecten te beschermen met een dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Die dubbelbestemming werpt een drempel op tegen sloop, zodat sloop in principe niet mogelijk is. Alleen indien maatschappelijke, technische of economische overwegingen zwaarwegend genoeg zijn om een uitzondering te maken, kan er een sloopvergunning worden verleend. Verder leidt de dubbelbestemming ertoe dat in geval van nieuwbouw voldoende rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van de locatie.

Beeldbepalende gebouwen:

  • twee vrijstaande panden Serumpark
  • lage winkels in Landenbuurt
  • directiekeet Witte Dorp
  • flat en bijbehorend bouwblok kop Franselaan, Van Embden
  • Finlandiaschool

Beeldbepalende straatwanden:

  • Hogenbanweg
  • Franselaan

Beeldbepalend groen:

  • talud van de Schiedamsedijk
  • brede oevers langs de Hoekersingel
  • binnentuinen met wandelpad Midscheeps
  • groene perken langs de Franselaan
  • bosplantsoen langs de Brigantijnstraat
  • brede middenbermen van de Hogenbanweg

De beeldbepalende gebouwen kunnen beschermd worden met een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie.

Bij de beeldbepalende karakteristieke straatwanden Hogenbanweg en Schiedamseweg Beneden is in de regels voor gebouwen opgenomen dat dakkapellen niet in het voordakvlak zijn toegestaan. Verder kunnen deze gevelwanden beschermd worden door gedetailleerd te bestemmen met maximale goot- en bouwhoogte conform de huidige situatie.

Beeldbepalende groenstructuren kunnen beschermd worden met de bestemming 'Groen'.

3.4 Huidig gebruik

3.4.1 Wonen

Het gebied is heel duidelijk te kenmerken als een woonwijk. Oud Mathenesse heeft circa 6.500
inwoners, in het Witte Dorp wonen ruim 600 mensen. Het gebied heeft een dalend inwoneraantal. Behalve in ruimtelijk opzicht lijken deze wijken ook in samenstelling van de bevolking en sociale structuur sterk op elkaar. Qua bebouwing valt het gebied in twee te onderscheiden delen uiteen. In het oostelijk gedeelte van het gebied ligt het “Witte Dorp”. Het westelijke gedeelte (het eigenlijke Oud Mathenesse) wordt gekenmerkt door woningblokken die hoofdzakelijk zijn gebouwd in de periode van de eind jaren 30 tot eind jaren 50. Zowel ten noorden als ten zuiden van de Franselaan gaat het om overwegend open bouwblokken. De blokken ten noorden van de Franselaan zijn 10 jaar later en met een ruimere opzet gerealiseerd dan de bebouwing ten zuiden van de Franselaan. Bovendien kenmerkt het gebied zich door de noord-zuid ligging van de bouwblokken met uitzondering van de bouwblokken langs de doorgaande oost-west routes. Op verschillende plaatsen binnen het plangebied zijn bouwplannen uitgevoerd, zoals de “Boog” die afwijken van dit principe. De bebouwing langs de Tjalklaan springt het meeste in het oog.

3.4.2 Niet-woonfuncties

Binnen Oud Mathenesse vormt de al genoemde Franselaan de as van de wijk. Het is een doorgangsroute naar Schiedam waaraan winkels, horecagelegenheden en voorzieningen zijn gelegen. Langs de Buislaan, aan de noordrand van het plangebied, zijn kleine bedrijven gevestigd.

3.4.3 Infrastructuur

De wijk Oud Mathenesse ligt ingeklemd tussen het (langs de Nieuwe Maas gelegen) handels- en industrieterrein, de gemeente Schiedam en de spoor- en metroverbinding. Het woongebied wordt omgeven door vier belangrijke verkeerswegen: de Tjalklaan (onderdeel van de Parklane), Schiedamseweg, Hogebanweg en Horváthweg (buiten het plangebied). Het gebied wordt ontsloten via de Franselaan op de Tjalklaan en via de Hogebanweg op de Horváthweg. Het naastgelegen Marconiplein is een van de belangrijkste verkeersknooppunten in Rotterdam. Zes wegen komen op dit knooppunt bijeen. De Tjalklaan geeft aansluiting op de A20. De Tjalklaan maakt onderdeel uit van “Parklane”. Dit is een stedelijke hoofdroute die een aantal economische centra en woonwijken met elkaar verbindt. De Schiedamseweg vanaf het Marconiplein naar Schiedam is eveneens een stedelijke hoofdroute.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Inleiding

In het bestemmingsplan Oud Mathenesse is overwegend de huidige situatie bestemd. De huidige situatie gaat niet alleen over het feitelijke gebruik, maar ook over de huidige mogelijkheden. Die zijn veelal ruimer dan het huidige gebruik om ruimte te bieden voor gewenste mogelijkheden.

Gerealiseerde bouwplannen en ontheffingen ten opzichte van het vorige plan zijn in het nieuwe plan bestemd en van een passende regeling voorzien. Overeenkomstig het huidige beleid en nieuwe inzichten zijn enkele kleinschalige ontwikkelingen van een nieuwe bestemmingsregeling voorzien.

4.2 Ontwikkelingen

4.2.1 Meer mogelijk in enkele panden met voorzieningen

Op steeds meer locaties in Rotterdam wordt de mogelijkheid geboden om leegstaand maatschappelijk vastgoed te transformeren naar woningen of woon-werkwoningen. Vaak zijn de gebouwen nog goed of bijzonder, maar functioneel verouderd. De transformatie naar woningen of woon-werkwoningen biedt de mogelijkheid om deze gebouwen opnieuw te gebruiken en een nieuwe, vaak bijzondere invulling te geven.

Leegstand van maatschappelijk goed zoals schoolgebouwen is in Oud Mathenesse op dit moment niet aan de orde. De huidige gebouwen voorzien planologisch in een noodzakelijke behoefte op buurt- en wijkniveau. Van transformatie op een grote schaal is nu dan ook geen sprake. Incidenteel kan een dergelijke transformatie wel ruimte bieden voor een nieuwe invulling.

Drie panden in het Serumpark staan op de gemeentelijke lijst met te verkopen vastgoed (W15, W16 en W17 op onderstaande figuur). De panden waren vroeger onderdeel van het Seruminstituut en zijn bestemd als maatschappelijke voorziening. Vooral de twee panden aan de Poolsestraat (de witte villa's) zijn geschikt voor het huidige gebruik als praktijk of gezonheidscentrum. Door de ligging in het park zijn de panden minder geschikt als solitaire woonbestemming.

Het derde pand in het Serumpark (W17) is een voormalig quarantainegebouw. Het ligt aan de Grieksestraat en is omgeven door groen. Naast de huidige bestemming voor maatschappelijke voorziening stuit herontwikkeling naar wonen of een praktijkwoning op minder problemen. Milieutechnisch is er geen bezwaar om de extra mogelijkheid toe te voegen aan de bestemming Maatschappelijk.
Tevens blijft het mogelijk om de maatschappelijke voorzieningen voor de wijk te behouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1106OMathenesse-va01_0007.png"

Figuur met 17 locaties met mogelijk nieuwe geluidsgevoelige functies in het plangebied

4.2.2 Vooral woningen op straatniveau aan de Franselaan

Aan de zuidzijde van de Franselaan zijn meerdere panden met gemengde bebouwing aanwezig. Op de verdiepingen zijn deze panden in gebruik voor woningen (W03 t/m W08). De begane grond wordt gemengd gebruikt. Hier treft men horeca, praktijkruimten, kleinschalige bedrijvigheid, maar ook hier vooral woningen.

Voor alle woningen gelden de algemene regels voor werken aan huis. Het vorige bestemmingsplan stond ook detailhandel toe. In het nieuwe bestemmingsplan is de niet gebruikte ruimte voor detailhandel afgehaald, zo is er geen nieuwe detailhandel mogelijk. Praktijkruimten blijven op de begane grond toegestaan. In combinatie met de regeling voor werken aan huis biedt dit voldoende ruimte zonder een onevenredige aantasting van een goed woon- en leefklimaat.

4.2.3 Concentratie detailhandel

Het beleid van de gemeente Rotterdam is erop gericht om detailhandel zo veel mogelijk te concentreren in winkelcentra en winkelstraten, en niet in woonwijken. Dit is ook van toepassing in Oud Mathenesse. Buiten de concentratiegebieden worden de mogelijkheden voor detailhandel beperkt en worden meerdere mogelijkheden geboden als alternatief, zoals kleinschalige bedrijvigheid, maatschappelijke voorzieningen en diverse soorten dienstverlening. De aanwezige detailhandel is op maat bestemd. In het kader van het bestemmingsplan is onderzocht of locaties tevens voor transformatie naar wonen geschikt zijn.

Buiten het boodschappencentrum Franselaan/Pinkstraat is geen detailhandel meer toegestaan, tenzij reeds aanwezig in de huidige situatie. Op deze locaties zijn wel andere functies toegestaan, zoals kleinschalige bedrijvigheid en dienstverlening. Ook transformatie tot woningen is toegestaan, waaronder het samentrekken van de begane grond met de erboven gelegen woningen.

Op deze manier krimpt de potentiële hoeveelheid voor detailhandel en wordt de concentratie tot de winkelstraten gestimuleerd. Er is echter geen actief uitsterfbeleid opgenomen.

Uitbreidingsruimte supermarkt Pinkstraat

De Gebiedskoers detailhandel voor Delfshaven geeft aan dat het winkelcentrum Franselaan functioneert als basis boodschappencentrum en een rol heeft voor de direct omwonenden. De positie en rol van de supermarkt aan de Pinkstraat is essentieel voor het functioneren. Ondanks de trekkracht van de supermarkt is zichtbaar dat de winkels in de plint aan de Franselaan het moeilijk hebben. Daarbij is ook de trend van een vergrijzend ondernemersbestand duidelijk zichtbaar in de straat.

Om de functie ook in de toekomst te kunnen vervullen, is het van belang dat de partners in het gebied de kwaliteit van het winkelgebied in de gaten houden en blijven handhaven. De supermarkt aan de Pinkstraat is een essentiële pijler van deze winkelvoorziening.

De mogelijkheden voor een eventuele uitbreiding van de supermarkt richting Franselaan zijn beperkt en worden sterk bepaald door het huidige gebruik van de panden in de directe omgeving, waaronder het Huis van de Wijk. Voorstellen voor uitbreiding zijn onvoldoende concreet. Daarom is een uitbreiding niet in het bestemmingsplan opgenomen.

4.2.4 Geen uitbreiding horeca

De bestemmingsregelingen rond horeca zijn de laatste jaren flink in beweging geweest. Het horecagebiedsplan bepaalt het type horeca en de gewenste ontwikkelrichting. Die ontwikkelrichting wordt mogelijk gemaakt binnen het bestemmingsplan. Zoals gebruikelijk legt het bestemmingsplan niet het type horeca vast.

Naast het bestemmingsplan dient het horecagebiedsplan als toetsingskader voor de exploitatievergunning.

De nieuwe bestemmingsregelingen rond horeca vragen om een herijking van bestemmingsregels in het bijzonder ten aanzien van maatschappelijke voorzieningen, waaronder buurthuizen en verenigingsgebouwen. Op steeds meer locaties in de stad opereren verenigingsgebouwen en buurthuizen feitelijk als horeca. Hun publiek aantrekkende werking vormt overlast voor omwonenden.

Voor Oud Mathenesse en het Witte Dorp geldt ter concentratie van de reeds bestaande horeca de ontwikkelrichting "consolideren, waarbij vrijgesteld van de vergunningplicht niet is toegestaan".

De locaties waar horeca is toegestaan zijn met een functieaanduiding op de verbeelding aangegeven.

4.2.5 Beschermen beeldbepalende objecten cultuurhistorie

Uit de cultuurhistorische verkenning blijkt dat een aantal objecten cultuurhistorisch waardevol is en als beeldbepalend is te beschouwen. De objecten die in de verkenning zijn aangewezen als beeldbepalend hebben een dubbelbestemming gekregen. Deze dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' werpt een drempel op tegen sloop. Sloop is in principe niet mogelijk. Alleen indien maatschappelijke, technische of economische overwegingen zwaarwegend genoeg zijn om een uitzondering te maken, kan er een sloopvergunning worden verleend. Verder leidt de dubbelbestemming ertoe dat in geval van nieuwbouw voldoende rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van de locatie.

Het gedetailleerd bestemmen van de bouwblokken met een maximale goot- en bouwhoogte overeenkomstig de huidige situatie leidt ertoe dat het gevelbeeld behouden blijft en er bijvoorbeeld geen balkons op de bovenste laag kunnen worden dichtgezet.

4.3 Juridische planbeschrijving

4.3.1 Gemengde bebouwing

Om het voorzieningenniveau in de wijk te kunnen verbeteren is in het vorige bestemmingsplan een verruiming van de bestemmingen mogelijk gemaakt. Daarom hebben de meeste voorzieningen gevestigd op de begane grond de bestemming “Gemengde bebouwing” gekregen. Dat houdt in dat naast het huidige gebruik ook wijziging mogelijk is naar andere functies, zoals bijvoorbeeld van bedrijfsruimte naar ruimte voor een maatschappelijke voorziening. Vanuit milieuhygiënische redenen gelden er wel beperkingen voor geluidsgevoelige bestemmingen. In het plangebied Oud Mathenesse wordt in de bestemming Gemengde bebouwing onderscheid gemaakt in de Gemengd - 1, Gemengd - 2 en Gemengd - 3.

De bestemming “Gemengd - 1” wordt gebruikt voor de panden aan de zuidzijde van de Franselaan. Op de begane grond en op de verdiepingen zijn woningen aanwezig en toegestaan. Het huidige gebruik is feitelijk dus nog niet 'gemengd'. Voor alle woningen gelden de algemene regels voor werken aan huis. Het vorige bestemmingsplan bood voor de begane grond extra flexibliteit, waardoor ook andere functies waren toegestaan, zoals praktijkruimten, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, kleinschalige bedrijvigheid en zelfs detailhandel. De mogelijkheden uit het vorige plan zijn beperkt gebleven tot realisatie van enkele praktijkruimten en het is niet te verwachten dat dit in de nieuwe planperiode anders zal zijn. De mogelijkheden voor werken aan huis en praktijkruimten blijven behouden. Het behoud van de woningen draagt bij aan het in stand houden van de gewenste woningvoorraad.

De bestemming "Gemengd - 2" wordt gebruikt voor de meeste panden met gemengde bebouwing. De meeste panden met deze bestemming liggen aan de zuidzijde van de Franselaan en op de koppen van de bouwblokken. De begane grond van deze panden is veelal in gebruik voor dienstverlening, kleinschalige bedrijvigheid (maximaal milieucategorie 2), praktijkruimte of maatschappelijke voorzieningen. Stedenbouwkundig en milieutechnisch bestaat er geen bezwaar tegen transformatie van de begane grond van deze panden en verbouwing tot woningen.

De bestemming "Gemengd - 3" wordt gebruikt voor de panden met gemengde bebouwing waar stedenbouwkundig of milieutechnisch wel een bezwaar bestaat tegen woningen op de begane grond (zoals De Boog). Op de begane grond zijn diverse functies toegestaan, maar geen woningen, geen geluidgevoelige maatschappelijke voorzieningen en ook geen detailhandel.

De bestemming "Detailhandel" is feitelijk ook een gemengde bestemming. Deze bestemming is gebruikt voor de gemengde bebouwing in het boodschappencentrum rond de Pinkstraat hoek Franselaan. Alleen op de verdiepingen zijn woningen toegestaan, terwijl de begane grond niet alleen detailhandel toestaat, maar ook dienstverlening en horeca ter plaatse van de functieaanduidingen.

In de bestemming Detailhandel is op het adres Franselaan 277A een belwinkel toegestaan.

4.3.2 Groen

Structurele groengebieden zijn bestemd als "Groen". Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden, auto-ontsluitingen en speeltoestellen toegestaan. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk bijvoorbeeld indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

4.3.3 Horeca

In de "Horecanota Rotterdam" worden de hoofdlijnen van het horecabeleid in de gemeente Rotterdam beschreven. Dit beleid is, voor zover ruimtelijk relevant, vastgelegd in dit bestemmingsplan.

Horeca definitie en afbakening

Het bedrijfschap Horeca en Catering deelt horeca in vier bedrijfsgroepen in, te weten de drankensector, fastfoodsector, restaurantsector en hotelsector. Voor de definitie van een horecabedrijf zoals in de horecanota bedoeld wordt, is aangesloten bij het begrip 'openbare horeca-inrichting' uit de Rotterdamse APV. Binnen een openbare horeca-inrichting kan een ondernemer verschillende activiteiten ontplooien op het gebied van etenswarenverstrekking, het schenken van (alcoholhoudende) drank en het aanbieden van amusement. Beleidsonderwerpen die wel voor de horecabranche gelden of sterke raakvlakken hebben maar niet binnen de horecanota expliciet beschreven worden, zijn de hotelsector, de kwaliteitseisen ten aanzien van terrassen (nota kwaliteitseisen voor terrassen) en het programma gericht op het tegengaan van (overmatig) alcohol- en drugsgebruik en uitgaansgeweld.


Vergunningvrij exploiteren

Rotterdam biedt een groot aantal bedrijven, waarbij horeca ondergeschikt is aan de primaire detailhandelfunctie en bedrijven waar het exploiteren van horeca een minimale weerslag heeft op de omgeving, de mogelijkheid om vergunningvrije horeca te exploiteren. Dit betreft bijvoorbeeld het koffiehoekje in de supermarkt, de bakkerij waar ook een gebakje gegeten kan worden en het restaurant in ouderenhuisvesting. Vergunningvrij betekent dat geen vergunning hoeft te worden aangevraagd en derhalve ook geen leges verplicht zijn. De exploitatie van de volgende inrichtingen kan zonder vergunning plaatsvinden:

  • 1. inrichtingen die geopend zijn tussen 07.00 en 22.00 uur, geen (zwak of sterk) alcoholische drank schenken, geen versterkt geluid ten gehore brengen, geen vergunningplichtig terras exploiteren (gevelzitplaats wel mogelijk) en geen speelautomaten hebben.
  • 2. bedrijfskantines, voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik zijn;
  • 3. inrichtingen in musea, crematoria, begraafplaatsen en rouwcentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering;
  • 4. inrichtingen in ziekenhuizen, ouderenhuisvesting en verpleegtehuizen, voor zover deze uitsluitend gericht zijn op de bewoners/patiënten en hun bezoekers;
  • 5. horeca in tuincentra en congrescentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering en uitsluitend gericht zijn op hun bezoekers.


Exploitatievergunning nodig
Voor alle overige inrichtingen, waar horeca de primaire bedrijfsfunctie betreft, is een exploitatievergunning vereist. De horeca-exploitatievergunning wordt afgegeven voor de inpandige m² alsmede voor de eventuele m² terras en heeft een looptijd van vijf jaar. Voor de beoordeling van de aanvraag van de exploitatievergunning geldt dat het bestemmingsplan van de betreffende locatie leidend is. Of een vergunning wordt toegewezen, hangt daarnaast onder andere af van afwegingen die ten aanzien van het beleid worden gemaakt (horecagebiedsplannen). Daarnaast wordt beoordeeld of het pand bouwtechnisch en geluidstechnisch geschikt is voor de door de ondernemer aangevraagde activiteiten. Voor het proces en vereisten van de vergunningverlening wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van de horecanota 2012-2016.

Terrassen
Binnen de bestemmingen 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Verkeer - Wegverkeer' zijn tevens ongebouwde terrassen toegestaan aangrenzend aan bestemmingen die horeca toelaten. Dit is in overeenstemming met het Bestemmingsplan Parapluherziening Terrassen (vastgesteld 11-11-2014).

De parapluherziening heeft betrekking op meerdere bestemmigsplannen. De herziening betreft een groot aantal bestaande, dus vergunde/gedoogde terrassen op zowel openbare als particuliere gronden bij horecagelegenheden, sportvoorzieningen, ontmoetingscentra, etc. Deze terrassen staan opgesomd in een lijst die onderdeel uit maakt van de regels van de parapluherziening. De regel is zo geformuleerd dat de bestemming het vergunde gebruik als terras toelaat. Een wijziging van de exploitant of van het soort onderneming, of het beëindigen van de exploitatie betekent niet dat de bestemming daardoor ook wijzigt. Een bestemming kan immers alleen wijzigen als de gemeenteraad een planherziening vaststelt.

Daarnaast is in de herziening aanvullend in zijn algemeenheid geregeld dat terrassen mogelijk worden gemaakt op locaties in het openbare gebied waar nu nog geen terras aanwezig is, maar waar in het aangrenzende pand volgens het bestemmingsplan wel horeca is toegelaten. Het toestaan van (nieuwe) terrassen bij horecagelegenheden die passen in het bestemmingsplan wordt ruimtelijk aanvaardbaar geacht. Immers, de horecafunctie is reeds bestemd en derhalve door de gemeenteraad aanvaardbaar bevonden, en de terrasfunctie past qua gebruik bij deze horecafunctie. Deze regeling brengt tevens de nodige flexibiliteit mee voor de exploitatie van reeds vergunde/gedoogde horecaterrassen in het openbare gebied. Mochten de wijziging (verruiming of verplaatsing) van een terrasexploitatie gewenst zijn, dan past deze immers door deze aanvullende regeling in het bestemmingsplan. Uiteraard kunnen ook nieuwe terrassen pas worden geëxploiteerd nadat een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is verleend. Daarbij zal tevens het woon- en leefklimaat worden betrokken.

4.3.4 Bedrijven

Aan de Buislaan zijn op de kop van de bouwblokken in de bestemming 'Bedrijf' kleine bedrijven toegestaan. Ook binnen de gemengde bestemmingen 'Gemengd - 2' en 'Gemengd - 3' zijn kleine bedrijven toegestaan, maar dan alleen op de begane grond. Het gaat om bedrijven tot en met milieucategorie 2 die zijn opgenomen in de lijst met toegestane bedrijfsactiviteiten.

Hoog-risico biologische laboratoria

Binnen bedrijfsbestemmingen en maatschappelijke bestemmingen zijn in principe ook laboratoria toegestaan. Voorheen waren binnen deze bestemmingen dus ook hoog-risico biologische laboratoria toegestaan. Dit is vanuit het oogpunt van veiligheid niet wenselijk, daarom zijn hoog-risico biologische laboratoria nu in beginsel niet toegestaan binnen de maatschappelijke bestemmingen en bedrijfsbestemmingen (met inbegrip van de gemengde bestemmingen). Daartoe is in de regels van het bestemmingsplan een verbodsbepaling opgenomen. Het betreft hoog-risico biologische laboratoria die onder de werking van het bij dit plan gevoegde beleidskader “Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond” vallen en genoemd zijn in artikel 4.4 onder k, categorie 4, onderdeel C van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. In geval van het werken met genetisch gemodificeerde organismen zijn dat alle categorieën van fysische inperking op inperkingsniveaus III en IV, zoals genoemd in Bijlage 4 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Kort gesteld zijn het laboratoria met biologische veiligheidsklasse 3 of hoger.

Na nadere afweging is het wel mogelijk om een hoog-risico laboratorium toe te staan. Burgemeester en wethouder kunnen daarvoor bij omgevingsvergunning afwijken. Ook daartoe is in de regels een bepaling opgenomen. Bij de afweging wordt een advies van de GGD/VRR betrokken. Deze instanties geven een advies op basis van het “Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond”. Aan de hand van het beleidskader kan worden beoordeeld of de risico's van een hoog-risico biologisch laboratorium voldoende beheersbaar zijn bij calamiteiten en of een hoog-risico biologisch laboratorium al dan niet wenselijk is op de voorgenomen locatie.

4.3.5 Leidingen

In het plangebied is een planologisch relevante hogedruk aardgastransportleiding gelegen. Deze leiding is met een zone van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn aangegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan en bestemd met een dubbelbestemming "Leiding - Gas". Het bestemmingsplan gebruikt ter bescherming van deze leiding een aanlegvergunningstelsel. In de regels is aangegeven welke werkzaamheden verboden zijn. Ook is aangegeven voor welke werkzaamheden een vergunning verleend kan worden na een positief advies van de leidingbeheerder.

In het plangebied liggen enkele grote drinkwater transportleidingen ten behoeve van de watervoorziening. Deze leidingen zijn planologisch relevant en de ligging is inclusief een beschermende zone van 5 meter aan weerszijden met de dubbelbestemming "Leiding - Water" opgenomen op de verbeelding.

In het plangebied zijn ondergrondse hoogspanningsverbindigen gelegen (150 kV). Deze verbindingen zijn met een beschermende zone van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding aangegeven op de verbeelding met een dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanning".

4.3.6 Maatschappelijke voorzieningen

Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen of kerkgebouwen niet geluidsgevoelig zijn.

In dit bestemmingsplan zijn in de bestemming "Maatschappelijk - 1" zowel geluidsgevoelige als niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Dit betekent dat een functie die past in deze definitie zonder planwijziging vervangen kan worden door een andere functie binnen deze definitie.

In de bestemming "Maatschappelijk - 2" zijn alleen de niet-geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om het Huis van de Wijk, Steunpunt de Buut van Pameijer, maar ook buitenschoolse opvang is een niet-geluidsgevoelige maatschappelijke voorziening.

4.3.7 Parkeerregeling

Dynamische verwijzing

Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken.

Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 34.1 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning.

Beleidsregeling

De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen:

http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Rotterdam/486392/486392_1.html

De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is.

4.3.8 Seksinrichtingen

Het schrappen van het algemene bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht maakt het mogelijk de exploitatie van seksinrichtingen aan gemeentelijke regelgeving te onderwerpen. In de "Nota prostitutie en seksbranche, Rotterdam 2015" staat hoe dit in de gemeente Rotterdam is geregeld. Het beleid is gericht op het tegengaan van misstanden en mensenhandel in de seksbranche, op een beheersbare vergunde sector, op het versterken van de positie van de sekswerker en op het beschermen van het woon- en leefklimaat.

Het vergunningstelsel wordt als middel gebruikt om de grip op de vergunde branche te behouden en te verbeteren. Het vormt daardoor een barrière voor mensenhandel. De gestelde voorwaarden en vereisten worden streng gecontroleerd en bij nieuwe vergunningaanvragen worden exploitanten gescreend op grond van de Wet Bibob.
Het nieuwe vergunningstelsel sluit beter aan bij de verschillende activiteiten die in de seksbranche worden aangeboden. Daarnaast kunnen vergunningen voor nieuwe seksbedrijven worden aangevraagd via een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan.

Het vergunnen van seksbedrijven dient niet ten koste te gaan van de veiligheid en aantrekkelijkheid van de stad. Overlastgevende seksbedrijven worden aangepakt en nieuwe vergunningen worden alleen verleend wanneer aan de strikte vestigingsvoorwaarden voor seksinrichtingen wordt voldaan.

Binnen dit bestemmingsplan is op het adres Schiedamseweg Beneden 555 een seksinrichting toegestaan en op de verbeelding aangegeven met een functieaanduiding "seksinrichting".

4.3.9 Straalverbinding

Over het plangebied ligt een straalpad ten behoeve van de telecommunicatie. Om de onbelemmerde doorgang van de signalen te waarborgen geldt een hoogtebeperking voor bouwwerken van 78 meter NAP binnen het straalpad. De onbelemmerde doorgang is vanwege de gegeven maximum bouwhoogten niet in het geding.

4.3.10 Toetsingsvlakken Luchtverkeersleiding

Over het plangebied zijn (trechtervormige) toetsingsvlakken gelegen t.b.v. communicatie- en navigatieapparatuur van de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL). Om de kwaliteit van de navigatieapparatuur te waarborgen dient de bebouwing onder het toetsingsvlak te blijven. De maximum bouwhoogte blijft in het hele plangebied onder deze toetsingsvlakken, zodat van een belemmering geen sprake is. Het aangeven van de vlakken op de verbeelding van het plan is niet nodig.

4.3.11 Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied

Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bijlage II Bor) gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. De wijziging van 1 november 2014 heeft ertoe geleid dat het bouwen van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied (op grond van artikel 2 van Bijlage II Bor) is verruimd ten opzichte van de oude regeling. Dat betekent dat er bij een woning of ander hoofdgebouw meer aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen vergunningvrij mogen worden gebouwd dan voorheen het geval was. De verruiming is mede het gevolg van een andere benadering voor het berekenen van de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken.

Het vergunningvrije bouwen moet in samenhang gezien worden met de regels in het bestemmingsplan. Dat leidt ertoe dat het bestemmingsplan in beginsel geen invloed heeft op het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken op grond van artikel 2 Bijlage II Bor. Het bestemmingsplan kan alleen maar regelen wat er méér is toegestaan dan wat de regeling uit artikel 2 toelaat.

Hoeveel er op grond van de nieuwe regeling aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht, is afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied maakt onderdeel uit van het achtererfgebied. Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe groter de oppervlakte aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het komt erop neer dat maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gebouwd. Dat is het geval bij grote percelen. Bij een doorsnee perceel zal deze oppervlakte veel beperkter zijn.

4.3.12 Uitsterfregeling belwinkels

De aanwezigheid van belwinkels wordt in Rotterdam in menig deelgemeente in toenemende mate als problematisch ervaren. Voor belwinkels die alleen de mogelijkheid bieden om (goedkoop) te telefoneren geldt de Winkeltijdenwet niet en dat betekent dat die dienst 24 uur per dag, 7 dagen in de week, mag worden aangeboden. Dit kan leiden tot overlast door het komen en gaan van klanten op late uren in straten waar wonen en detailhandel van oudsher worden gecombineerd. Overeenkomstig het vorige bestemmingsplan legt dit bestemmingsplan de realisatie van belwinkels aan banden.

Het bestemmingsplan bestemt hiertoe dergelijke bestaande belwinkels positief. Op de plankaart en in de planregels wordt hiertoe op adres de nadere aanduiding 'belwinkel' opgenomen. In het overige plangebied is verder geen belwinkel toegestaan. 

Het plangebied Oud Mathenesse kent momenteel nog 1 belwinkel.

4.3.13 Verkeers- en verblijfsgebied

De hoofdwegen in het plangebied hebben de bestemming "Verkeer - Wegverkeer" gekregen. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen, viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Binnen de bestemming "Verkeer - Wegvrkeer" zijn doorgaans de 50-km wegen opgenomen.

De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk bijvoorbeeld indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

4.3.14 Voorzieningen van openbaar nut

Deze bestemming is toegekend aan gebouwen ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening (trafohuizen). Kleine bouwwerken van openbaar nut zijn niet bestemd en kunnen in principe overal worden gerealiseerd. Het gaat hierbij om gebouwtjes met een inhoud van minder dan 80 m3.

In dit bestemmingsplan is een enkele voorziening van openbaar nut als "Bedrijf - Nutsvoorziening" bestemd.

4.3.15 Water, waterstaat en waterkeringen

De in het plangebied aanwezige singels en watergangen hebben de bestemming "Water - 1" gekregen. De onderhoudstroken langs de hoofdwatergangen, waarop de Keur van het hoogheemraadschap van toepassing is, zijn met een dubbelbestemming "Waterstaat - Waterstaatkundige functie" op de verbeelding aangegeven. De kernzone van de waterkering is op de verbeelding aangegeven met een dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering". De beschermingszone van de dijk is bestemd met een aanduidingsregel "vrijwaringszone - dijk".

Op grond van de Keur van het Hoogheemraadschap van Delfland is het verboden (behoudens ontheffing) bouwwerken op te richten of houtgewassen te planten binnen een strook van 5 meter (gemeten vanuit de insteek van het talud) langs hoofdwatergangen respectievelijk boezemwatergangen, ten behoeve van het onderhoud van genoemde watergangen.

Een belanghebbende met bouwvoornemens in een keurstrook (zoals aangegeven op de verbeelding) wordt geadviseerd om contact op te nemen met genoemd hoogheemraadschap over antwoord op de vraag of voor het bouwproject in kwestie ontheffing verleend kan worden van het bouwverbod in de Keur.

Voor de uitvoering van werken binnen de voor "Waterstaat - Waterkering" bestemde zone zoals aangegeven op de verbeelding, is onverminderd de bepalingen van het bestemmingsplan terzake, vergunning vereist van het Hoogheemraadschap.

4.3.16 Werken aan huis

In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

Hoofdstuk 5 Water

5.1 Beleidskader

5.1.1 Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.

Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.

5.1.2 Provinciaal beleid

Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht.

5.1.3 Regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen:

  • Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk;
  • Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig;
  • Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.

5.2 Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf.

Voor het bestemmingsplan is door het I-bureau van Stadsontwikkeling een wateradvies opgesteld en besproken met de waterbeheerders. (Zie Bijlage 2)

De beheerder van het oppervlaktewater in Oud Mathenesse is het Hoogheemraadschap van Delfland.
De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3 Huidige watersysteem

5.3.1 Oppervlaktewater

Het plangebied ligt overwegend in een peilgebied met een vast peil van NAP -2,45 meter. Een klein gedeelte van het plangebied ligt in een iets hoger gelegel peilgebied met een vast peil van NAP -1,70 meter. Het plangebied watert via een gemaal aan de Tjalklaan en een persleiding af op de Delfhavense Schie.

Het plangebied is overwegend verhard, maar op de binnenterreinen tussen de bouwblokken zijn onverharde tuinen aanwezig. Aan de randen van het plangebied is onverharde bodem in de vorm van wegbermen, dijken en openbaar groen aanwezig. Alleen in de noordzijde en in de oostzijde is open water aanwezig

De in het plangebied aanwezige singels en watergangen hebben de bestemming "Water - 1" gekregen. De onderhoudstroken langs de hoofdwatergangen waarop de Keur van het hoogheemraadschap van toepassing is, alsmede de ondergrondse verbinding hiertussen, zijn met een dubbelbestemming "Waterstaat - Waterstaatkundige functie" op de verbeelding aangegeven.

5.3.2 Grondwater

Voor grondwater liggen er veel peilbuizen in het plangebied. De gemiddelde ontwateringsdiepte is in het grootste deel van het plangebied bij de peilbuizen groter dan 0,80 meter. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Alleen in het Witte Dorp is er een aantal peilbuizen waar het grondwater rond de 0,70 meter beneden maaiveld ligt. In dit gebied is ook een klacht uit 2015 bekend over onder gelopen kelders na zware regenval. Binnen het plangebied hebben de overige klachten over wateroverlast op één na allemaal betrekking op rioleringen.

In de wijk staat nog een aantal huizen met houten paalfunderingen, grondwateronderlast en paalrot zijn hier aandachtspunten.

5.3.3 Riolering: afval- en hemelwater

Het bestemmingsplangebied valt geheel binnen rioleringsdistrict 4. In het plangebied ligt een gemengd stelsel. Dit betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). In het Witte Dorp ligt daarnaast nog een regenwaterstelsel dat afwatert op het oppervlaktewater bij de Professor Poelslaan. Alle rioolwater wordt via Districtsgemaal Hoekersingel en een persleiding afgevoerd naar AWZI Dokhaven.

Binnen het plangebied zijn vier vuilwateroverstorten aanwezig. Alleen het oppervlaktewater onder de metrolijn is niet direct belast door een riooloverstort. Op alle overige oppervlaktewateren komen riooloverstorten uit. Rioolwater dat in de betrekkelijk kleine waterpartij aan de Professor Poelslaan komt zal een sterk negatieve impact hebben op de waterkwaliteit aldaar.

5.3.4 Waterkwaliteit

Binnen het plangebied liggen geen Kaderrichtlijn Water (KRW) waterlichamen.

In de herijking van het Waterplan 2 van Rotterdam is als streefbeeld opgenomen voor het gehele plangebied ‘procesgestuurd, helder maar instabiel’. Bij procesgestuurde watersystemen is de verblijftijd van het water vaak langer dan twintig dagen. Het is dan mogelijk om de waterkwaliteit te beïnvloeden door biologische processen.

5.3.5 Waterkeringen en waterveiligheid

Waterkeringen

In en langs het plangebied ligt een primaire zeewering (Delflandsedijk Rivierdeel). Rondom de waterkeringen worden verschillende beschermingszones gehanteerd.

Deze waterkering heeft de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' gekregen. De beschermingszone van de waterkering is aangegeven met een algemene aanduidingsregel 'vrijwaringszone - dijk'.

Waterveiligheid

Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen. De primaire waterkeringen worden zo ontworpen dat iedereen die achter de waterkering woont, kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z.. de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 jaar). Dit uitgangspunt is vertaald in een norm per dijktraject. Voor de primaire waterkering in het plangebied betekent dit dat de kans op overstromen per jaar vastgesteld is op 1 : 100.000 jaar.

De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico’s te krijgen is er een landelijk informatie systeem overstromingen (LIWO). De maximale waterdiepte in het plangebied ten gevolge van een overstroming is opgenomen in onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1106OMathenesse-va01_0008.png"

Figuur Potentiële waterdiepte bij doorbraak primaire kering

Doordat de berekening op een hoog abstractieniveau is uitgevoerd is het detailniveau van de kaarten beperkt. Wel kan uit de kaart worden opgemaakt dat in het plangebied een waterdiepte kan ontstaan van rond 4 meter. Bij een dergelijke diepte is er kans op slachtoffers en is evacuatie in geval van een overstroming noodzakelijk.

5.3.6 Klimaatbestendigheid

Uit de hiervoor beschreven paragrafen valt het volgende te concluderen met betrekking tot het plangebied:

Het plangebied is sterk verhard, op de aantal binnentuinen na maar daar heeft de gemeente weinig invloed op;

Er is relatief weinig oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied.

Ook de aanwezigheid van vier riooloverstorten is een aanwijzing dat neerslagpieken maar matig gebufferd zijn in het plangebied.

Ook is het plangebied gevoelig voor hittestress door de geringe hoeveelheid vocht die door het systeem wordt vastgehouden.

Wateropgave

De direct naast het plangebied gelegen wijk Spangen heeft een wateropgave. In dat gebied bestaat het risico op inundatie uit oppervlaktewater, dus het overstromen van de aanwezige waterlopen, van eens in de 100 jaar. Een klein deel van het gebied met wateropgave ligt in het plangebied Oud Mathenesse. Dit gedeelte wordt grotendeels ingenomen door het openbaar vervoer knooppunt. Er zijn hier maar beperkt mogelijkheden om iets te doen aan de wateropgave.

5.4 De wateropgave

5.4.1 Oppervlaktewater

De mogelijk gemaakte ontwikkelingen voorzien niet in nieuwe bouwlocaties. Er wordt daarom geen toename van het verhard oppervlak verwacht. Ook is er geen nieuw oppervlaktewater voorzien. De hoeveelheid oppervlaktewater zal daarom niet veranderen.

5.4.2 Grondwater

Er vindt geen toename van de verharding plaats en er zijn geen nieuwe ondergrondse objecten voorzien. Er worden geen effecten op de grondwaterstand verwacht.

5.4.3 Riolering: afval- en hemelwater

De hoeveelheid afvalwater zal door de ontwikkelingen afnemen.

Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht, de gemeente Rotterdam heeft daarbij een voorkeur voor het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Een deel van de ontwikkelingen betreft functieverandering van bestaande gebouwen. De eerste keus is daarbij om afval- en hemelwater gescheiden te verwerken. Verder stimuleert de gemeente toepassing van groene daken.

5.4.4 Waterkwaliteit

De ontwikkelingen hebben geen invloed op de waterkwaliteit.

Om het streefbeeld uit het Waterplan 2 ‘procesgestuurd, helder maar instabiel’ water te realiseren is het nodig de riooloverstorten te verwijderen en natuurvriendelijke oevers aan te leggen.

5.4.5 Waterkeringen en waterveiligheid

Invloed op de waterkering wordt niet verwacht. In de zones van de waterkering worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De ontwikkelingen in het gebied hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks. Ook neemt de economische waarde binnendijks niet significant toe.

5.4.6 Klimaatkansen

Door het neerslag-afvoerproces minder snel te maken kan meer water in het plangebied gebufferd worden. Hiermee kunnen de risico’s van water op straat bij neerlagpieken en de risico’s op hittestress worden beperkt. Omdat er relatief weinig oppervlaktewater in het plangebied aanwezig is, liggen de beste mogelijkheden bij de aanleg van groene daken en het verwijderen van overtollige bestrating.

Hoofdstuk 6 Milieu

6.1 Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren.

In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2 Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.

6.2.1 Plangebied

Het bestemmingsplan maakt de volgende ontwikkeling mogelijk: de transformatie van gebouwen en delen van gebouwen tot maximaal circa 30 extra woningen. De ontwikkelingen liggen niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000 gebied. Bovendien hebben de ontwikkelingen vanwege de beperkte omvang geen grote negatieve effecten op het milieu. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken waarvan de resultaten beschreven zijn in hoofdstuk 6 van dit bestemmingsplan.

Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. In het bestemmingsplan zijn geen activiteiten opgenomen die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.. Het bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

Conclusie

Het plangebied ligt niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000 gebied. Op grond van het bovenstaande is bestemmingsplan Oud Mathenesse niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig. Het bestemmingsplan is eveneens niet kaderstellend voor mogelijke toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten, zodat het bestemmingsplan niet planm.e.r.-plichtig is.

6.3 Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering).

De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging.

Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking.

De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.3.1 Plangebied

Bedrijven in of nabij het plangebied
Het plangebied van dit bestemmingsplan geldt in het Rotterdamse beleid als een woongebied. In deze gebieden kunnen bedrijven in milieucategorie 2 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben.

In het bestemmingsplan worden bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan van de bedrijvenlijst die opgenomen is in de bijlage van de regels. Deze bedrijven zijn toegestaan op de begane grond, waarboven wordt gewoond, of in op zichzelf staande gebouwen. In de praktijk laten deze functies zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. Een uitzondering hierop vormen de volgende bedrijfsactiviteiten: handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven. Dit zijn eveneens activiteiten in milieucategorie 2, maar vanwege de verkeersaantrekkende werking en het gegeven dat deze bedrijven soms gebruik gaan maken van het verblijfsgebied worden deze bedrijven niet als passend in een woonwijk gezien. Daarom zijn nieuwe bedrijven met dergelijke activiteiten niet toegestaan.

Overige activiteiten in of nabij het plangebied
In en nabij het plangebied zijn in het Merwehaven-Vierhavensgebied en in de Spaanse Polder activiteiten aanwezig die van invloed kunnen zijn op de nieuwe woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. De activiteiten zijn aan te merken als activiteiten in de milieucategorie 3 en 4 en liggen op ruim voldoende afstand, (ruim) meer dan 200 meter, tot de nieuwe woningen.

6.3.2 Conclusie

In Oud Mathenesse en de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan.

6.4 Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer.
Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te
zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden, maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als
geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.

Rotterdams beleid

In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde, biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.

Plangebied

Het bestemmingsplan Oud Mathenesse maakt nieuwe woningen mogelijk op een aantal locaties. Deze locaties moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidsgevoelige objecten worden beschouwd. Het betreft de locaties op onderstaande kaarten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.BP1106OMathenesse-va01_0009.png"

Figuur met 17 locaties met mogelijk nieuwe geluidsgevoelige functies in het plangebied

6.4.1 Wegverkeer

Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.

Tabel Breedte geluidszones langs wegen

Soort gebied   Stedelijk-   -gebied   Buiten-   -stedelijk-   -gebied  
Aantal rijstroken   1 of 2   3 of meer   1 of 2   3 of 4   5 of meer  
Zonebreedte   200 meter   350 meter   250 meter   400 meter   600 meter  

Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidsberekeningen uitgevoerd. De rekenresultaten zijn gegeven in tabel 5.1 van het akoestisch onderzoek dat als bijlage is gevoegd bij de toelichting (Zie Bijlage 3).

Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op 8 ontwikkellocaties vanwege alle voor deze locaties relevante zoneplichtige stedelijke wegen aan de voorkeurswaarde (48 dB) voldoet. Het betreft hierbij ontwikkellocaties W09 t/m W13 en W15 t/m W17.

Op de overige onderzochte locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen voor woningen van 63 dB vanwege een stedelijke weg en 53 dB vanwege een buitenstedelijke weg worden daarbij niet overschreden.

6.4.2 Railverkeer

Ten noorden van het plangebied ligt de spoortlijn Rotterdam - Delft. Dit spoortraject is aangegeven op de geluidplafondkaart. De geluidzone van dit spoortraject is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond (GPP) op het betrokken referentiepunt (artikel 1.4a Besluit geluidhinder).

De GPP's langs de zuidzijde van het spoortraject Rotterdam - Delft variëren ter hoogte van het plangebied van 64.0 dB tot en met 66,9 dB. De geluidzone langs deze spoorlijn bedraagt derhalve maximaal 600 meter.

Alle ontwikkellocaties (waar nieuwe geluidsgevoelige functies kunnen worden toegevoegd) die binnen de geluidszone van 600 meter vanaf het spoor zijn gelegen zijn onderzocht op de geluidsbelasting veroorzaakt door het railverkeer.

Uit tabel 5.2 van het akoestisch rapport (Bijlage 3) blijkt dat de voorkeurswaarde van 55 dB voor woningen op ontwikkellocatie W01 vanwege het railverkeer over het spoortraject Rotterdam - Delft wordt overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 68 voor woningen wordt daarbij niet overschreden.

De geluidbelasting bij de overige ontwikkellocaties vanwege het railverkeer over het spoortraject Rotterdam - Delft voldoet aan de voorkeurswaarde van 55 dB voor woningen.

6.4.3 Industrielawaai

In het Rijnmondgebied zijn reeds in de jaren 90 rond meerdere industrieterreinen waarop de zogenaamde grote lawaaimakers zich bevinden een geluidcontour van 50 dB(A) vastgesteld. Deze vastgestelde geluidcontour mag door de op het industrieterrein gelegen bedrijven niet worden overschreden. Het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de daaromheen vastgestelde 50 dB(A)-geluidcontour is de geluidzone.

Een groot deel van het plangebied bevindt zich binnen de geluidzone van het industrieterrein "Waal-Eemhaven". Tevens ligt het gehele plangebied binnen de geluidzone van het industrieterrein "Havens Noordwest, Oost-Frankenland". Deze industrieterreinen zijn derhalve in het onderzoek de relevante geluidbronnen voor het plangebied. De ligging van de vastgestelde 50 dB(A)-geluidcontouren rond deze terreinen is in het akoestisch rapport opgenomen.

Uit tabel 5.3.1. van het akoestisch rapport (Bijlage 3) blijkt dat de voorkeurswaarde van 50 dB(A) bij ontwikkellocaties W14 en W15 vanwege het industrieterrein Waal-Eemhaven wordt overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een gezoneerd industrieterrein voor nieuwe woningen (55 dB(A)) wordt daarbij niet overschreden. Op de overige locaties blijft de geluidbelasting onder de voorkeurswaarde.

Uit tabel 5.3.2 van het akoestisch rapport blijkt dat de voorkeurswaarde van 50 dB(A) bij ontwikkellocatie W14 vanwege het industrieterrein Havens Noordwest, Oost-Frankenland wordt overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een gezoneerd industrieterrein voor nieuwe woningen (55 dB(A)) wordt daarbij niet overschreden. Op de overige locaties blijft de geluidbelasting onder de voorkeurswaarde.

6.4.4 Cumulatie geluid

Binnen het plangebied is sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarden voor wegen railverkeerslawaai op ontwikkellocatie W01 en wegverkeerslawaai en industrielawaai op ontwikkellocatie W14. Derhalve is een cumulatie van meerdere bronsoorten aan de orde.

In het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht weergegeven van de cumulatieve geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Daarbij is de gecumuleerde geluidbelasting weergegeven op rekenpunten waar sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde door meer dan één geluidbronsoort. De daarbij gebruikte (cumulatieve) geluidbelastingen vanwege wegverkeer zijn exclusief de aftrek conform artikel 110g van de Wgh. De maximale cumulatieve geluidbelasting is berekend op rekenpunt W14.01 en bedraagt (afgerond) 59 dB.

6.4.5 Ontheffingsbeleid Rotterdam

Het Ontheffingsbeleid is alleen van toepassing op nieuwe woningen waarvoor hogere waarden moeten worden vastgesteld en geldt niet voor andere geluidgevoelige bestemmingen. Eén van de belangrijkste criteria van het gemeentelijke ontheffingsbeleid is het creëren van minimaal één geluidluwe gevel en indien van toepassing minimaal één geluidluwe buitenruimte per woning. Van een geluidluwe gevel/buitenruimte is sprake als de gecumuleerde geluidsbelasting van alle wegen niet hoger is dan 53 dB en de gecumuleerde geluidsbelasting van alle spoorwegen niet hoger is dan 55 dB. Bij woningen met een geluidluwe gevel wordt gesteld dat deze een goede geluidskwaliteit hebben, ook als de geluidsbelasting op andere gevels van de woning hoog is, omdat dan aan ten minste één kant van de woning buiten kan worden gezeten of een raam open kan zonder last te hebben van het lawaai.

Wegverkeer

De gecumuleerde geluidbelasting inclusief aftrek conform artikel 110g van de Wgh is vanwege de zoneplichtige wegen bij de ontwikkellocaties berekend. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de beoogde woningen op alle ontwikkellocaties over minimaal één geluidluwe gevel beschikken.

Railverkeer

Alle ontwikkellocaties beschikken vanwege het railverkeerslawaai over minimaal één geluidluwe gevel en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid.

Industrie

Ontwikklellocatie 14 bestaat momenteel uit twee panden. Het zuidelijk gelegen pand beschikt vanwege het industrielawaai niet over een geluidluwe gevel. Indien dit pand wordt samengevoegd met het naastgelegen pand zal de te realiseren woning op deze locatie aan de noordzijde geluidluw zijn en aan de eisen van het ontheffingsbeleid voldoen.

De overige ontwikkellocaties beschikken wel over minimaal één geluidluwe gevel en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid.

6.4.6 Conclusie en maatregelen

Wet geluidhinder

Bij een overschrijding van de maximaal toelaatbare waarde op de gevel, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Wgh, mogen geen geluidgevoelige bestemmingen in het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betekent dat de geluidbelasting bij deze bestemmingen in ieder geval moet worden beperkt tot de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Tevens bestaat bij een overschrijding van de voorkeurswaarde de verplichting om te onderzoeken of mogelijkerwijs de geluidbelasting door middel van maatregelen tot de voorkeurswaarde teruggebracht kan worden.

Actieplan geluid

De cumulatieve geluidbelasting, zonder aftrek conform artikel 110g van de Wgh, vanwege de relevante onderzochte zoneplichtige wegen is bij 8 van de in totaal 17 ontwikkellocaties hoger dan 55 dB. Het betreft hierbij ontwikkellocaties W01, W03 t/m W08 en W14. De plandrempel van 55 dB, zoals genoemd in het Rotterdams Actieplan geluid 2013-2018, wordt bij deze ontwikkellocaties overschreden. In het kader van het Actieplan geluid moeten geluidreducerende maatregelen ter beperking van de geluidbelasting worden overwogen.

Mogelijke maatregelen

Bij het toepassen van maatregelen wordt onderscheid gemaakt tussen maatregelen aan de bron, in de overdracht en bij de ontvanger. Een belangrijk criterium voor het al dan niet treffen van maatregelen is de doeltreffendheid of redelijkheid van de maatregelen.

In het akoestisch onderzoek is nader ingegaan op de mogelijke maatregelen. Omdat niet tot het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen wordt overgegaan is het treffen van ontvangermaatregelen en/of het vaststellen van hogere waarden noodzakelijk.

6.4.6.1 Wegverkeerslawaai

De geluidbelasting op ontwikkellocaties W09 t/m W13 en W15 t/m W17 voldoet vanwege alle voor deze locaties relevante zoneplichtige wegen aan de voorkeurswaarde (48 dB).

Op de overige onderzochte locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere stedelijke wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen voor woningen van 63 dB vanwege een stedelijke weg en 53 dB vanwege een buitenstedelijke weg worden daarbij niet overschreden. Maatregelen zijn gewenst.

De cumulatieve geluidbelasting, zonder aftrek conform artikel 110g van de Wgh, vanwege de relevante onderzochte zoneplichtige wegen is bij 8 van de in totaal 17 ontwikkellocaties hoger dan 55 dB. De plandrempel van 55 dB, zoals genoemd in het Rotterdams Actieplan geluid 2013-2018, wordt bij deze ontwikkellocaties overschreden.

Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden getroffen om de geluidbelasting tot voorkeurswaarde te beperken, wordt geadviseerd om hogere waarden aan te vragen bij het college van burgemeester en wethouders.

6.4.6.2 Railverkeerslawaai

De geluidbelasting bij 13 van de in totaal 14 ontwikkellocaties, gelegen binnen de geluidzone van het spoortraject Rotterdam - Delft, voldoet vanwege het railverkeer over het spoortraject Rotterdam - Delft aan de voorkeurswaarde voor woningen (55 dB).

De voorkeurswaarde van 55 dB voor woningen wordt op ontwikkellocatie W01 vanwege het railverkeer over het spoortraject Rotterdam - Delft overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 68 dB voor woningen wordt daarbij niet overschreden. Maatregelen zijn gewenst.

Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting tot voorkeurswaarde te beperken, wordt geadviseerd om hogere waarden aan te vragen bij het college van burgemeester en wethouders.

6.4.6.3 Industrielawaai

De voorkeurswaarde van 50 dB(A) wordt op ontwikkellocaties W14 en W15 vanwege het industrieterrein Waal-Eemhaven en op ontwikkellocatie W14 vanwege het industrieterrein Havens Noordwest, Oost-Frankenland overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een gezoneerd industrieterrein voor nieuwe woningen (55 dB(A)) wordt daarbij niet overschreden. Op de overige locaties voldoet de geluidbelasting vanwege de onderhavige industrieterreinen aan de voorkeurswaarde.

Gebleken is dat bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn om daarmee de geluidbelasting tot voorkeurswaarde te reduceren. Geadviseerd wordt om hogere waarden aan te vragen bij het college van burgemeester en wethouders.

6.4.7 Hogere waarden

Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden getroffen, is het niet mogelijk om de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai, het railverkeerslawaai en het industrielawaai tot de voorkeurswaarde te beperken. In dat geval dienen de maximaal berekende geluidbelastingen als hogere waarden te worden aangevraagd. De daarbij vast te stellen hogere waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. Deze waarden dienen bij het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van het bestemmingsplan Oud Mathenesse als hogere waarden te worden aangevraagd.

Vanwege de bovenstaande redenen zal aan het college worden voorgesteld de hoogste berekende geluidsbelasting van een geluidsbron (een weg, een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein) op een locatie als hogere waarde vast te stellen. Deze hogere waarde geldt dan als maximaal toegestane geluidsbelasting vanwege de betreffende geluidsbron op de betreffende locatie.

Locatie   Bestemming Wonen   Zoneplichtige geluidbron   Lden*
Weg-
verkeer
[dB]  
Lden
Rail-
verkeer [dB]  
Letm
Industrie
[dB(A)]  
W01   Pinasplein 3-17/Hogenbanweg 22   Rijksweg 20
Spoortraject Rotterdam-Delft  
53
-  
-
56  
-
-  
W02   Boeierstraat 3   Rijksweg 20   51   -   -  
W03   Franselaan 242-248   Franselaan   60   -   -  
W04   Franselaan 214-216   Franselaan   60   -   -  
W05   Franselaan 212   Franselaan   61   -   -  
W06   Franselaan 206-208   Franselaan   61   -   -  
W07   Franselaan 192-196   Franselaan   61   -   -  
W08   Franselaan 148-156   Franselaan
Tjalklaan  
61
49  
-
-  
-
-  
W14   Schiedamseweg Beneden 455-457   Schiedamseweg+tram
Waal-Eemhaven
Havens NW, Oost-Frankenland  
51
-
-  
-
-
-  
-
51
51  
W15   Poolsestraat 4   Waal-Eemhaven   -   -   53  
           

* Deze waarden zijn inclusief de aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder.

Ontheffingsbeleid Rotterdam

Bij realisatie van meer dan één woning op ontwikkellocatie 14 zal er aandacht moeten worden besteed aan de aanwezigheid van een geluidluwe gevel bij de zuidelijk gelegen woning.

Alle beoogde woningen op de overige ontwikkellocaties kunnen over minimaal één geluidluwe gevel beschikken en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam.

6.5 Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal.

Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

6.5.1 Plangebied

De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Op basis van de indicatieve bodemkwaliteitskaart is de bodem binnen het plangebied zeer licht tot licht verontreinigd.

Voor de (inpandige) transformatiemogelijkheden die dit plan biedt speelt de bodemkwaliteit geen rol.

Voor eventuele nieuwbouw/herontwikkeling dient minimaal een historisch bodemonderzoek verricht te worden in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. De huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de transformatiemogelijkheden. Verder maakt dit bestemmingsplan geen nieuwbouw mogelijk die gepaard gaat met bodemverstorende activiteiten.

6.6 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden, vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan.

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.

Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als:

  • er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden;
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect;
  • het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling;
  • de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.


Rotterdams beleid

Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.

Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

6.6.1 Plangebied

Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. (Zie Bijlage 5 Onderzoek luchtkwaliteit)

De in de Wet luchtkwaliteit genoemde grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) geldt vanaf 01-01-2015 en is 40 µg/m3. De grenswaarde voor fijnstof (PM10) is 40 µg/m3 en geldt sinds 01-07-2011. Het aantal dagen waarop de daggemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 voor PM10 mag worden overschreden is 35. Deze daggemiddelde grenswaarde wordt overschreden bij een jaargemiddelde concentratie van 32,4 µg/m3 en hoger.

Volgens de NSL Monitoringstool-2017 wordt in het plangebied vanaf 2015 aan de grenswaarde voor NO2 in het plangebied voldaan. Ook wordt in 2011 en later aan de grenswaarden (daggemiddelde en jaargemiddelde) voor fijnstof voldaan. De concentraties van de overige stoffen die ingevolge de Wet luchtkwaliteit moeten worden getoetst zijn zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, lood en de uurgemiddelde grenswaarde van stikstofdioxide (NO2). De waarden van deze stoffen liggen in Rotterdam en omgeving ruim onder de grenswaarden en worden daarom buiten beschouwing gelaten.

De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt betreffen circa 17 locaties waarbij de transformatie van bedrijfsfuncties naar woningen wordt mogelijk gemaakt. Het gaat om circa 3.000 m2 bruto vloeroppervlakte, dit levert circa 30 nieuwe woningen op.

Door de afdeling Verkeer & Vervoer is onderzocht wat het effect van deze mogelijke ontwikkelingen op het aantal verkeersbewegingen per etmaal is.

Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en ten minste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan Oud Mathenesse blijven hier ruim onder, zodat duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Het aantal van circa 30 woningen is minder dan het aantal van 1.500 woningen dat, onder het NIBM regime, mag worden gebouwd bij een eenzijdige verkeersontsluiting. Het plan draagt daarmee in niet-betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De nieuwe woningen komen niet binnen de contouren van de grenswaarden en voldoen daarmee aan het Rotterdams beleid.

6.6.2 Conclusie

In deze analyse is aangetoond dat het effect van de bestemmingsplan Oud Mathenesse een niet in betekenende mate (NIBM) bijdrage geeft aan de luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan Oud Mathenesse voldoet daarmee aan de Wet Luchtkwaliteit en tevens aan het Rotterdamse beleid.

Cumulatie van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan met ontwikkelingen in de directe omgeving is niet aan de orde.

De locaties waar nieuwe woningen mogelijk zijn liggen niet binnen contouren langs wegen waar de grenswaarden van 40 microgram per m3 worden overschreden. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden.

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe scholen en kinderdagverblijven mogelijk binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg.

6.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid.

Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd. Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.

Rotterdams beleid

De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR).

6.7.1 Risicobronnen voor het plangebied

Voor het bestemmingsplangebied is door het Ingenieursbureau een onderzoek Externe Veiligheid en verantwoording groepsrisico uitgevoerd. Zie bijlage Bijlage 6 Externe Veiligheid en verantwoording groepsrisico.

In en nabij het bestemmingsplangebied zijn risicobronnen aanwezig. Deze kunnen van invloed zijn op de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk gaat maken. Volgens de Quickscan Milieu van de DCMR dient in het onderzoek aandacht te worden besteed aan de volgende relevante bronnen:

  • het transport van gevaarlijke stoffen over de A20;
  • het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor;
  • het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas;
  • het transport van hoge druk aardgas per ondergrondse pijpleiding door het plangebied;
  • het bedrijf Berser Shipping Holland B.V., gelegen in de Spaanse Polder.

Aanvullend is het risico van het vervoer van LPG door het bestemmingsplangebied in beeld gebracht.

6.7.2 Transport gevaarlijke stoffen over weg (Rijksweg A20, traject Z49)

Aan de noordkant van het plangebied is de A20 gelegen. Over deze in het Basisnet opgenomen Rijksweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.

Plaatsgebonden risico

Volgens de Regeling basisnet bedraagt de maximale 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico 20 meter en ligt daarmee buiten het plangebied.

Groepsrisico

Het groepsrisico is reeds eerder berekend. Deze berekening is nog steeds actueel en geldig voor dit plangebied. Uit de berekening blijkt dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico in de Basisnet transportsituatie niet wordt overschreden (factor 10 onder de oriëntatiewaarde). Het plangebied ligt op circa 300 meter van de A20. De nieuwe ontwikkelingen van dit plan hebben geen invloed op het groepsrisico. De reden hiervoor is dat de omvang van de ontwikkelingen, in relatie tot de afstand tot de A20, hiervoor te gering is.

Plasbrandaandachtsgebied

Naast het risicobeleid wordt door middel van een plasbrandaandachtgebied ook rekening gehouden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen, zoals benzine. Deze stoffen hebben een relatief beperkte effectafstand, waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) bedraagt 30 meter, gemeten vanaf de rand van de autosnelweg en ligt daarmee ver buiten het plangebied.

6.7.3 Transport gevaarlijke stoffen over rail

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het tracé Rotterdam CS-Schiedam vindt niet plaats. Er is daardoor geen risico. Over het tracé Rotterdam CS-Gouda (Goudse Lijn, route 30) gaan wel goederentreinen met gevaarlijke stoffen.

Plaatsgebonden risico

Volgens de Regeling basisnet bedraagt de maximale 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico 7 meter en ligt daarmee buiten het plangebied.

Groepsrisico

Het groepsrisico voor het traject westelijk van Rotterdam CS is reeds eerder berekend. Deze berekening is nog steeds actueel en geldig voor dit plangebied. Uit de berekening blijkt dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico in de Basisnet transportsituatie niet wordt overschreden (factor 10 onder de oriëntatiewaarde). Het plangebied ligt op circa 2 km van de Goudse Lijn. De nieuwe ontwikkelingen van dit plan hebben geen invloed op het groepsrisico. De reden hiervoor is dat de omvang van de ontwikkelingen, in relatie tot de afstand tot de Goudse Lijn, hiervoor te gering is.

Plasbrandaandachtsgebied

Naast het risicobeleid wordt door middel van een plasbrandaandachtgebied ook rekening gehouden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen, zoals benzine. Deze stoffen hebben een relatief beperkte effectafstand, waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) bedraagt 30 meter gemeten vanaf de rand van het spoor en ligt daarmee buiten het plangebied.

6.7.4 Transport gevaarlijke stoffen over water (Nieuwe Maas)

Plaatsgebonden risico

Volgens de Regeling Basisnet kent dit deel van de rivier geen 10-6/jr plaatsgebonden risico.

Provinciaal oeverbeleid

Het plangebied ligt zeer ruim buiten de veiligheidszone van de rivier.

Groepsrisico

Uit eerder onderzoek blijkt dat het groepsrisico voor de plangebieden Merwe-Vierhavens en Oud Mathenesse ten hoogste 0,28 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Het plangebied ligt op circa 1 km van de Nieuwe Maas. De ontwikkelingen van dit plan hebben geen invloed op het groepsrisico. De reden hiervoor is dat de omvang van de ontwikkelingen, in relatie tot de afstand tot de Nieuwe Maas, hiervoor te gering is.

6.7.5 Risico aardgastransportleiding

Door het plangebied loopt een ondergrondse hoge druk aardgastransportleiding van de GasUnie. De leiding (nummer W-521-03) is een relevante risicobron met betrekking tot externe veiligheid. De kenmerken van deze leiding zijn aangegeven in Bijlage 6. Het invloedsgebied (1% letaal) van het groepsrisico is 165 meter.

6.7.5.1 Plaatsgebonden risico

De leiding valt onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Voor de leiding zijn reeds eerder risicoberekeningen uitgevoerd. Deze berekeningen zijn nog steeds actueel en geldig voor dit plangebied. Uit de berekening blijkt dat er geen 10-6/jr plaatsgebonden risicocontour buiten de leiding ligt.

6.7.5.2 Belemmerde strook

Binnen deze strook zijn geen ontwikkelingen.

6.7.5.3 Groepsrisico

Het groepsrisico is zeer klein en bedraagt in de huidige ruimtelijke omgeving minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Van de nieuwe ontwikkelingen van dit plan ligt alleen de locatie Fransenlaan nr. 148-156 binnen het invloedsgebied van het groepsrisico. Op deze locatie wordt de transformatie van 400 m2 horeca/detailhandel naar 4 woningen mogelijk gemaakt. Dit heeft geen invloed op het groepsrisico.

6.7.6 Risico LPG route

Het wegtransport van LPG (autogas) vindt plaats over de Tjalklaan, het Marconiplein en de Schiedamseweg vice versa het autotankstation aan de Gustoweg. De vergunde doorzet van dit LPG tankstation bedraagt volgens de Wabo-vergunning 500 m3/jr. Dit betekent dat er per jaar ca. 70 transporten plaatsvinden. Het risico van dit transport is eerder onderzocht.

6.7.6.1 Plaatsgebonden risico

Het resultaat van de berekening is dat er geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour buiten de route ligt.

6.7.6.2 Groepsrisico

Het berekende groepsrisico is een factor 100 beneden de oriënterende waarde. De ontwikkelingen hebben geen invloed op dit groepsrisico. De reden hiervoor is dat de omvang van de ontwikkelingen, in relatie tot de afstand tot de Tjalklaan c.q. de Schiedamseweg, hiervoor te gering is.

6.7.7 Risico inrichting bedrijf Berser Shipping Holland

Berser Shipping Holland BV (Schuttevaerweg 96-102, Spaanse Polder) ligt ten noorden van het plangebied. Het is een inrichting die valt onder categorie f van het Bevi (PGS15). De hoofdactiviteiten betreffen laad-, los- en overslagactiviteiten en opslag van onder andere gevaarlijke stoffen.

6.7.7.1 Plaatsgebonden risico

Het Plaatsgebonden Risico voor Berser is berekend door de DCMR. De contour ligt buiten het plangebied en vormt daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

6.7.7.2 Groepsrisico

Het groepsrisico voor Berser is berekend door de DCMR. Uit de berekening blijkt dat er geen (0) groepsrisico is. De ontwikkelingen hebben geen invloed op dit groepsrisico. De reden hiervoor is dat de omvang van de ontwikkelingen, in relatie tot de afstand tot Berser, hiervoor te gering is.

6.7.8 Eindconclusie

Externe veiligheid is geen belemmering voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan Oud Mathenesse mogelijk maakt.

De groepsrisico’s als gevolg van de rijksweg A20, het spoor, de Nieuwe Maas, de hoge druk aardgastransportleiding, het binnenstedelijke LPG transport en van het bedrijf Berser Shipping Holland nemen door dit bestemmingsplan niet toe en blijven onder 0,3 maal de oriënterende waarde.

Volgens het groepsrisicobeleid van de gemeente Rotterdam geldt voor deze situatie een lichte verantwoording van het groepsrisico. In het bestemmingplan Oud Mathenesse wordt aandacht besteed aan het aspect zelfredzaamheid. Het groepsrisico geeft geen beperkingen voor de ruimtelijke ontwikkelingen in dit bestemmingplan. Bij de definitieve inrichting van de te ontwikkelen locaties dient ten aanzien van de blusvoorzieningen en bereikbaarheid door hulpdiensten advies te worden gevraagd bij de Regionale Brandweer Rotterdam-Rijnmond. Hiermee is het groepsrisico volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.

6.8 Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn.

De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur.

Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt.

De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets).

Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.

6.8.1 Rotterdams beleid

Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Vrijwel alle NNN-gebieden en -verbindingen zijn gelegen in het buitengebied van Rotterdam of direct langs de grote rivieren.

6.8.2 Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd.

Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is de Oude Maas, op circa 7,5 kilometer afstand tot het bestemmingsplangebied. De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000 gebied. Hiervoor zijn de ontwikkelingen te klein van omvang en is de afstand tussen het bestemmingsplangebied en het Natura 2000 gebied te groot.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de voormalige ecologische hoofdstructuur van het Rijk en de provincies. Het meest nabij gelegen NNN-gebied is de Nieuwe Maas. De ontwikkelingen hebben op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit NNN-gebied. Hiervoor zijn de ontwikkelingen te beperkt van omvang.

6.8.3 Soortbescherming

De bescherming van dier- en plantensoorten is in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming geregeld. Het doel is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wet natuurbescherming kent zowel verbodsbepalingen als een zorgplicht. De soortbescherming kent 3 verschillende beschermingsregimes:

  • 1. Bescherming volgend uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1 soorten). In principe zijn alle inheemse vogels beschermd. In de praktijk betreft het vooral de bescherming van actieve nesten van vogels, die gedurende de broedperiode niet mogen worden verstoord. Voor sommige vogelsoorten geldt dat nesten en eventuele vaste rustplaatsen ook buiten het broedseizoen, dus jaarrond, beschermd zijn.
  • 2. Bescherming volgend uit de Habitatrichtlijn of uit de verdragen van Bern of Bonn (artikel 3.5 soorten).
  • 3. Nederlandse soorten (artikel 3.10 soorten). De bescherming van een beperkt aantal soorten volgt niet uit Europese regelgeving maar is specifiek Nederlands. De betreffende soorten zijn opgenomen als bijlagen bij de wet. In lijst A zijn dieren ondergebracht en in lijst B de planten.

Vrijstelling en ontheffing zijn bij alle beschermingsregimes mogelijk indien aan bepaalde wettelijke belangen wordt voldaan. Ruimtelijke ingrepen of economische ontwikkelingen zijn geen wettelijke belangen.

Daarnaast geldt bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling altijd de zorgplicht conform artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming.

6.8.4 Ontwikkelingen

Voor het bestemmingsplan is een Flora- en faunatoets uitgevoerd (zie Bijlage 7 Flora- en faunatoets). Deze toets geeft aan dat voor dit bestemmingsplan alleen de soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming relevant is: Het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied (Oude Maas) ligt buiten de invloedssfeer van mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen in het bestemmingsplangebied. Het bestemmingsplan voorziet ook niet in ontwikkelingen die enige impact zullen hebben op dit gebied. Significante negatieve invloed op de Natuurnetwerk Nederland gebieden als gevolg van de bestemmingsplanwijzigingen zijn tevens uitgesloten.

In het bestemmingsplangebied is de afgelopen jaren niet uitgebreid geïnventariseerd. Het voorkomen van de volgende wettelijk beschermde soorten is wel vastgesteld: Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis.

Het nieuwe bestemmingsplan maakt meerdere ontwikkelingen mogelijk maar op niet meer dan drie locaties wordt verwacht dat dat tot ruimtelijke ingrepen zal leiden.

Mogelijke herbestemming van een gebouw aan de Grieksestraat tot woning of woon-werkpand. Indien dat tot bouwactiviteiten leidt is een onderzoek naar vleermuizen nodig. Niet uitgesloten is dat er een ontheffing nodig zal zijn. Bij de juiste mitigerende maatregelen zal die worden verkregen.

Mogelijke herbestemming van twee panden aan de Grieksestraat tot woningen of woon-werkpanden. Indien dat tot (ver)bouwing leidt is onderzoek nodig naar Huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Mitigatie- en compensatiemogelijkheden zijn ter plaatse ruim voor handen zodat er naar verwachting voor de vogels met jaarrond beschermde rust of verblijfplaats geen ontheffingstraject nodig zal zijn.

Zorgplicht conform artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming is altijd van toepassing. Geadviseerd wordt in te zetten op natuur inclusief bouwen of renoveren.

Geadviseerd wordt natuurvriendelijke oevers aan te leggen en, indien mogelijk, de hoeveel heit oppervlaktewater uit te breiden.

Bij ruimtelijke activiteiten die binnen een bestaande bestemming vallen (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw van woningen of renovatie of het herinrichten van een park of oeverzone) dient voorafgaand aan de uitvoering ervan nog flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd.

Indien er in de toekomst alsnog ontwikkelingen gepland worden, waarbij een bestemmingsplanwijzing of projectbestemmingsplan noodzakelijk is, dan dient opnieuw getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.

Eventuele benodigde ontheffingen dienen verkregen te zijn voordat met de realisatie van de ontwikkelingen begonnen kan worden.

Gezien het bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan 'aanvaardbaar' is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.

Hoofdstuk 7 Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden.

Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan legt overwegend de huidige planologische mogelijkheden vast. Daarmee biedt het bestemmingsplan ruimte voor de reeds bestaande bouwmogelijkheden en veranderingen van gebruik. Het betreft vooral flexibiliteit voor gebruiksmogelijkheden. Het gaat niet om bouwplannen die op financiële haalbaarheid getoetst kunnen worden. Dit geldt ook voor het weghalen van de mogelijkheid voor nieuwe detailhandel in woonstraten. De panden behouden flexibele gebruiksmogelijkheden.

Bij de mogelijke transformatie van de drie maatschappelijke gebouwen (Serumpark), naar woningen, woon-werkwoningen en/of praktijkruimten zijn nog geen concrete bouwplannen bekend. De gebouwen en grond zijn in eigendom van de gemeente. Te zijner tijd zal er alleen een ontwikkeling opgestart worden op basis van een financieel haalbaar plan. Het bestemmingsplan is met bovenstaande financieel uitvoerbaar.

Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld, omdat door middel van (toekomstige) gronduitgiften het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden is verzekerd.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan:

  • 1. GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM;
  • 2. MRDH, Metropoolregio Rotterdam Den Haag;
  • 3. HHD, Hoogheemraadschap van Delfland;
  • 4. BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam;
  • 5. VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond;
  • 6. DCMR, Milieudienst Rijnmond;
  • 7. LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland;
  • 8. TenneT, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet;
  • 9. ProRail, beheerder spoorwegnetwerk;
  • 10. KPN Telecom;
  • 11. VWS Pipeline Control;
  • 12. Monet, vereniging van mobiele netwerkoperators;
  • 13. NGU, N.V. Nederlandse Gasunie;
  • 14. Ministerie van Defensie;
  • 15. Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;
  • 16. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
  • 17. RWS, Rijkswaterstaat, directie Zuid-Holland.

9.1 GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM

Het concept ontwerpbestemmingsplan is door het invullen van het E-formulier aangeboden aan GS. Het E-formulier stelt vragen en de daarop gegeven antwoorden geven inzicht in de vraag of het bestemmingsplan mogelijk strijdig is met het provinciaal beleid en dus door de porvincie bekeken moet worden.

Aan de hand van de antwoorden op de vragen uit het formulier volgt dat het plan niet hoeft te worden toegezonden aan de provincie. Provinciale belangen zijn niet in het geding.

Commentaar:

Voor kennisgeving aangenomen.

9.2 VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

De afdeling Risicobeheersing van de VRR brengt in het kader van externe veiligheid advies uit over de verantwoording van het groepsisico en de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid. Zij doet dit door midddel van een analyse van de omgeving, waarbij risicobronnen, mogelijke scenario's en hun effecten worden beschouwd.

VRR geeft aan dat voor het beoordelen van het ruimtelijk plan het college van B&W een gemotiveerde afweging dient te maken tussen de overwegingen met betrekking tot externe veiligheid en de toegevoegde waarde van het ruimtelijk plan. Graag verneemt de VRR het besluit van B&W met betrekking tot de onderstaande adviespunten.

NGU geeft aan dat zowel de Wet ruimtelijke ordening als de Wet veiligheidsregio's mogelijkheden bieden om maatregelen ten behoeve van de verbetering van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid te borgen. Bij de Wet ruimtelijke ordening gaat het daarbij voornamelijk om voorwaarden die kunnen worden gesteld aan (het gebruik van) bestemmingen. Ook bouwkundige maatregelen kunnen in het bestemmingsplan geborgd worden. De Wet veiligheidsregio's biedt mogelijkheden op het gebied van organisatorische maatregelen en voorlichting. Voor dit plan geldt het volgende advies:

9.2.1 Binnen 15 meter vanaf gasleiding beschermen tegen hitte

Eventuele herontwikkelingen binnen de 1% letaliteitcontour van de hogedruk aardgastransportleiding (15 meter vanuit het hart van de leiding W-521) zodanig te construeren dat deze beschermd zijn tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) als gevolg van een fakkelbrand. Hierbij kan voor de gevels en daken gericht naar de leiding worden gedacht aan blinde gevels of het beperken van het glasoppervlak. De gevels, daken en/of glasoppervlakken die gericht zijn naar de leiding behoren bestand te zijn tegen een warmtestralingsflux van 15 kW/m2. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient bij de brandpreventieve toets rekening te worden gehouden met de effecten van een fakkelbrand op de gevel/ het dak.

Commentaar:

Het bestemmingsplan voorziet niet in de (her)ontwikkelingen binnen deze contour.

9.2.2 Binnen 15 meter vanaf gasleiding goede ontvluchtingsmogelijkheden

Eventuele herontwikkelingen binnen de 1% letaliteitcontour van de hogedruk aardgastransportleiding (15 meter vanuit het hart van de leiding W-521) zodanig te construeren dat aanwezigen bij een dreigende fakkelbrand goede ontvluchtingsmogelijkheden hebben. Voor het ontvluchten van de voorziene objecten is het wenselijk minimaal één (nood)uitgang van de leiding af te richten en in voldoende mate aan te laten sluiten op de infrastructuur van de omgeving.

Commentaar:

Het bestemmingsplan voorziet niet in de (her)ontwikkelingen binnen deze contour.

9.2.3 Draag zorg voor een goede voorlichting

Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand". Doorgaans is schuilen in een gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Op de website "www.rijnmondveilig.nl" vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident.

Commentaar:

Zoals door de Veiligheidsregio wordt gesteld vallen deze adviezen niet binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening en kan dit niet in het bestemmingsplan worden geregeld.

9.3 DCMR, Milieudienst Rijnmond

DCMR geeft aan geen formele reactie te geven in het kader van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Commentaar:

Wij danken voor deze opmerking en nemen het voor kennisgeving aan.

9.4 NGU, N.V. Nederlandse Gasunie

NGU geeft aan dat in het plangebied een gastransportleiding ligt.

9.4.1 Voorrangsbepaling

NGU verzoekt een regeling op te nemen met voorrangsbepaling. In dit plan valt de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' samen met enkele andere bestemmingen (zoals archeologie). Op basis van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient een onderlinge rangorde te worden aangegeven. Dit is nu niet het geval. Gezien de veiligheidsaspecten die gelden om een veilige ligging van de gastransportleiding te waarborgen, verzoekt NGU om een bepaling op te nemen, zodat de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' bij samenvallen met andere bestemmingen voorrang krijgt.

Commentaar:

Naar aanleiding van de vooroverlegreactie voor wat betreft het onderdeel “voorrangsbepaling” heeft nader overleg plaatsgevonden. Als gevolg daarvan is de Gasunie tot de conclusie gekomen dat de in het concept ontwerpbestemmingsplan opgenomen bestemmingsregels de belangen van de Gasunie voldoende borgen en het opnemen van een voorrangsregeling niet nodig is. Immers, in de bestemming 'Leiding - Gas' is een bouwverbod opgenomen om te bouwen ten behoeve van de onderliggende bestemmingen. Alleen na afwijking, en dus na nadere afweging, kan er gebouwd worden conform de onderliggende bestemmingen. Teneinde afstemmingen met de Gasunie te garanderen is de mogelijkheid om af te wijken van het genoemde bouwverbod als binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen, waarbij als randvoorwaarde geldt dat, alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, advies nodig is van de leidingbeheerder.

9.4.2 Gebruiksregel strijdig gebruik

NGU verzoekt om het artikel 'Leiding - Gas' uit te breiden met het opnemen van een gebruiksregel.

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  • het opslaan van goederen, met uitzondering het opslaan van goederen t.b.v. van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding.
  • het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen, indien daardoor een kwetsbaar object wordt toegelaten.

Commentaar:

Het opslaan van goederen is verboden vanwege 22.4.1 lid h. De gevraagde uitzondering betreft werken en werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en is derhalve als uitzondering genoemd.

Door artikel 22.4.3 Omgevingsvergunning aan te vullen met de passage ", met dien verstande dat kwetsbare objecten niet zijn toegestaan" wordt voorkomen dat kwetsbare objecten worden toegelaten.

9.4.3 Aanvullende bepalingen

NGU verzoekt artikel 22.4.2. uit te breiden met de volgende bepalingen:

het verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning, zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.

Commentaar:

Er bestaat geen bezwaar om in artikel 22.4.2 bedoelde graafwerkzaamheden op te nemen.

9.5 RWS, Rijkswaterstaat, directie Zuid-Holland

Rijkswaterstaat ziet geen aanleiding voor het geven van een inhoudelijke reactie.

Commentaar:

Wij danken voor deze opmerking en nemen het voor kennisgeving aan.

9.6 Participatie en informatie

In de startfase heeft de gebiedsdirecteur enkele commissieleden aangewezen die een actieve rol vervullen bij het nieuw op te starten bestemmingsplan. De commissie maakt wensen/advies voor het nieuwe bestemmingsplan kenbaar bij de startbijeenkomst.

Tijdens de startbijeenkomst is in overleg met betrokkenen besloten welke ontwikkelingen wel of niet worden meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Deze zijn in de startnotitie aangegeven.

Op het moment dat het ontwerp ter inzage ligt wordt de gebiedscommissie / het wijkcomité om advies gevraagd.

Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, is een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging is een informatieavond georganiseerd waar een ieder vragen kan stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.