Plan: | Alexanderknoop |
---|---|
Status: | vastgesteld |
Plantype: | bestemmingsplan |
IMRO-idn: | NL.IMRO.0599.BP1042Alexandrknp-va03 |
De thans geldende bestemmingsplannen voor dit plangebied zijn verouderd. Het opstellen van het bestemmingsplan gebeurt in het kader van het Meerjarenprogramma actualisering bestemmingsplannen.
Het accent ligt in dit bestemmingsplan op het vastleggen van de bestaande situatie. Voor het overige geldt dat met dit bestemmingsplan de geldende, maar verouderde bestemmingsplannen worden geactualiseerd. Veranderingen die in de loop van de jaren hebben plaatsgevonden en nieuw beleid van de gemeente en andere overheden zijn meegenomen. Daarmee wordt voldaan aan de actualiseringsplicht voor bestemmingsplannen die is opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebied Prins Alexander. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de rijksweg A20 en de woonwijk Ommoord. In het oosten wordt het plangebied begrensd door de gemeentegrens en de gemeente Capelle aan den IJssel. In het zuiden wordt het gebied globaal begrensd door de Hoofdweg, met een uitstulping rond winkelcentrum Alexandrium. In het westen ten slotte wordt het gebied Alexanderknoop begrensd door snelweg A16.
Het is met name de infrastructurele kruising van de Goudselijn met de metrolijn en de Prins Alexanderlaan en de Hoofdweg die hebben geleid tot de naam Alexanderknoop.
Figuur: plangrenzen
De volgende geldende plannen zijn geheel binnen het plangebied van het bestemmingsplan gelegen. Bij elk bestemmingsplan is aangegeven wanneer het is vastgesteld door de gemeenteraad en wanneer het is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland:
412: de tweede herziening van het bestemmingsplan "Oosterflank" d.d. 15-12-1994 / 06-06-1995
517: bestemmingsplan "Hoofdweg-West" d.d. 03-09-1998 / 08-12-1998
Figuur: Vigerende bestemmingsplannen
Algemeen
Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van de provincie gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid aangeven en de provinciale belangen die met dat beleid worden behartigd veilig stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft de provincie de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden, te weten het provinciale bestemmingsplan ofwel inpassingsplan, de verordening en het opleggen van aanwijzingen. Met de inwerkingtreding van de Wro is de goedkeuringstaak van Gedeputeerde Staten ten aanzien van ruimtelijke plannen komen te vervallen. Dit betekent dat de provincie dient te handelen vanuit het provinciaal belang. Enkel op die basis kan de provincie gebruik maken van het instrumentarium dat op grond van de Wro beschikbaar is.
Vastgesteld door Provinciale Staten op 9 juli 2014
De Visie ruimte en mobiliteit bestaat uit verschillende delen:
Het bestemmingsplan "Alexanderknoop" bevat de volgende provinciale onderwerpen:
Het bestemmingsplan maakt een kantoorontwikkeling mogelijk. De Alexanderknoop is een van de belangrijke provinciale en stedelijke OV-knooppunten waar kantoorontwikkeling is toegestaan. Deze kantoorontwikkeling is ook opgenomen in het regionale kantorenprogramma.
Het bestemmingsplan biedt ruimte voor het mogelijk maken van detailhandel in Alexandrium via een wijzigingsbevoegdheid. Het winkelcentrum Alexandrium heeft een ontwikkelstatus en de hoeveelheid b.v.o.'s waren reeds mogelijk in het vorige bestemmingsplan. Gezien de huidige situatie omtrent leegstand van detailhandel zijn in de wijzigingsbevoegdheid de randvoorwaarden opgenomen, dat detailhandelsplannen een positief advies van de provinciale Adviescommissie Detailhandel en een actueel marktruimte onderzoek dienen te bevatten.
Het groepsrisico van de autosnelweg A20 ligt boven de oriënterende waarde. Het groepsrisico van de A20 is al hoog en door dit plan zal een geringe toename van het groepsrisico plaatsvinden. Door onder andere maatregelen bij nieuwbouw/functieverandering en risicocommunicatie in het gebied is het groepsrisico aanvaardbaar te achten.
2.1.2 Detailhandelbeleid Stadsregio Rotterdam
Vastgesteld op 3 juli 2012 door het algemeen bestuur van de Stadsregio Rotterdam
Het beleid is gericht op het versterken van de bestaande detailhandelsstructuur. Het nastreven van clustering van detailhandel in winkelgebieden en het afbouwen van verspreide bewinkeling. Uitzonderingen hierop zijn tuincentra en bouwmarkten.
Alexandrium heeft de status "regionaal verzorgend centrum (> 100 winkels) (Shopping Mall), "perifere detailhandelsconcentratie" (Woonmall) en "grootschalige detailhandelsconcentratie" (Megastores) gekregen. Uitgangspunt is het op peil houden van deze centra. Dynamiek moet kunnen worden gefaciliteerd, maar ontwikkelingen dienen daarbij te passen. De plannen moeten bijdragen aan de versterking van de ruimtelijk functionele samenhang; grote kwantitatieve uitbreidingen zijn over het algemeen niet aan de orde, het komt aan op initiatieven die de positie van het centrum versterken; deze centra huisvesten geen brandstores of een hoogwaardig gespecialiseerd aanbod.
Het gebied van het Alexandrium en omgeving mag zich sterker ontwikkelen tot een aantrekkelijke mix van stedelijke functies, werken, winkelen, voorzieningen en wonen. Tevens mag het gebied zich samen met Capelle XL en de Woonmall sterker profileren als het "Woonwalhalla van Europa" en kan het centrum nadrukkerlijker worden gepositioneerd als "Shopping Mall".
2.1.3 Regionale kantorenprogramma Stadsregio Rotterdam
Behandeld in het Dagelijks Bestuur op 10 juli 2013 en ter vaststelling in het Algemeen Bestuur van de Stadsregio Rotterdam op 9 oktober 2013
Op 9 oktober 2013 heeft het Algemeen Bestuur van de Stadsregio Rotterdam het Regionaal kantorenprogramma 2013-2014 vastgesteld. Aanleiding voor het opstellen van dit programma is enerzijds het uit balans zijn van vraag en aanbod in de kantorenmarkt en anderzijds de eis in de provinciale verordening Ruimte tot regionale afstemming.
Het programma dient als kader bij de beoordeling van nieuwe bestemmingsplannen voor kantoren.
Het doel van het programma is:
Conform het huidige – stadsregionale – beleid gaat het regionale kantorenprogramma ervan uit dat 80% van het kantorenaanbod wordt gerealiseerd bij stedelijke multifunctionele knooppunten. Rotterdam Alexander is zo'n knooppunt naast de locaties Rotterdam Central District, Centrum Rotterdam en Schiedam Centrum/Schieveste en Zuidplein). De overige hoeveelheid van het kantorenplanaanbod mag onder andere als ondersteunende zakelijke dienstverlening op bedrijventerreinen worden gerealiseerd.
Algemeen
Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer.
Het bestemmingsplan "Alexanderknoop" betreft een gebiedsbestemmingsplan.
Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad
De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad.
Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners.
Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen, waarvan geen in het gebied Prins Alexander is gelegen, krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar).
Vastgesteld op 2 april 2009 door de Rotterdamse gemeenteraad
Op 2 april 2009 heeft de gemeenteraad van Rotterdam de visie Werklocaties 2030 vastgesteld. Deze visie is de ruimtelijk-economische uitwerking van de Stadsvisie Rotterdam 2030 en tevens een vertaling naar de werklocaties in de regio Rotterdam. Werklocaties zijn gebieden waarin de economische functie(s) dominant aanwezig zijn. Het doel van de Visie Werklocaties 2030 is de bijdrage van de verschillende deelgebieden aan de gewenste economische ontwikkeling van Rotterdam en regio in kaart te brengen. De visie Werklocaties 2030 geeft inzicht in de vraag naar welke ontwikkelingen waar mogelijk zijn en in de match tussen publieke en private belangen. Het gaat hier om het vaststellen van de hoofdlijnen voor de ruimtelijk - economische ontwikkeling. Hierdoor ontstaat een kader voor de toetsing van projecten op hun bijdrage aan de doelen van de Stadsvisie Rotterdam 2030. Vanuit dit perspectief wordt Rotterdam gekenmerkt door drie ontwikkelingszones met belangrijke werklocaties: de haven- en industriële zone (Maasvlakte 2, Stadshavens en Ridderster), de kennis- en dienstenzone (Rotterdam Airpark, Alexander en Spaanse Polder/Noordwest) en het kerngebied (Binnenstad, Hart van Zuid, Stadionpark en Kralingse Zoom).
Het plangebied ligt in de "kennis en dienstenzone" van Rotterdam en de economische oriëntatie is vooral gericht op de Randstad. In de Randstadgemeenten bevindt zich tevens het aanvullende of concurrerende aanbod aan locaties. Om te kunnen concurreren met de Randstad moeten hoogwaardige werklocaties worden aangeboden in combinatie met een bijbehorend woningen- en voorzieningenaanbod. In deze Visie staat dat er belangstelling is vanuit de markt om de locatie Alexanderknoop te verdichten. Tevens is de inzet om de centrumfunctie beter vorm te geven door toevoeging van verblijfsverlengende functies en de versterking van het winkelaanbod. Naast de huidige toevoeging van nieuwe kantoren zal de inzet voor de komende jaren juist moeten zijn gericht op de herontwikkeling en transformatie van de aanwezige en verouderde kantorenvoorraad. In dit bestemmingsplan wordt tegemoetgekomen aan deze visie door toevoeging van Lotus fase 3b.
Vastgesteld op 18 februari 2003 door de Rotterdamse gemeenteraad
Het verkeer- en vervoersbeleid voor de stad Rotterdam is vastgelegd in het Verkeer- en Vervoersplan Rotterdam 2003- 2020 (VVPR). Het plan beschrijft de noodzakelijke ontwikkelingen in Rotterdam op het gebied van verkeer en vervoer voor de komende 15 á 20 jaar.
In het Verkeers- en vervoersplan Rotterdam 2003-2020 is aangegeven dat Rotterdam steeds meer de kenmerken van een netwerkstad krijgt. Waar vroeger de Rotterdamse binnenstad het middelpunt van het stedelijke vervoersnetwerk vormde, zijn inmiddels in Rotterdam meerdere centra ontstaan, die veel bezoekers van binnen en buiten de stad trekken. Deze centra worden knooppunten genoemd, die winkels, kantoren, sport- en recreatievoorzieningen omvatten. Naast knooppunten zijn er “stadspoorten”. Een stadspoort is een knooppunt van wegen, openbaar vervoer, fiets en taxi. Het is de bedoeling dat automobilisten die in de binnenstad moeten zijn bij een stadspoort met veel P+R plekken overstappen op het openbaar vervoer, teneinde de binnenstad bereikbaar te houden. Dit gaat gepaard met een (parkeer)tarievenbeleid.
De Alexanderknoop vervult zowel de functie van “stadspoort” als “knooppunt”.
In het Verkeers- en Vervoersplan staan verder onder andere de volgende uitgangspunten centraal:
• Het huidige vervoersnet volgt en ondersteunt de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de stad onvoldoende. Het netwerk is op veel verbindingen op orde, maar er zitten ook gaten in het netwerk.
• Er ontstaat een sterke toename van de kriskrasrelaties in het stedelijke verplaatsingspatroon. Een toenemend aantal reizigers bezoekt de knooppunten. In het plan staat de verwachting dat de ontwikkeling naar een netwerkstad doorzet.
• Doorgaand autoverkeer door de wijken zoveel mogelijk weren. Concentratie van het autoverkeer op een beperkt aantal hoofdroutes, die zo goed mogelijk zijn / worden ingepast in de omgeving. Op die routes wordt de doorstroming op peil gehouden.
• Zorgen voor bereikbaarheid. Bij bereikbaarheid gaat het om doorstroming, gewenste rijsnelheid, nieuwe tramlijnen, A13/16 en parkeermogelijkheden.
• Zorgen voor leefbaarheid. Leefbaarheid betekent dat mensen zich veilig voelen op straat, dat er schone lucht is en dat er geen geluidsoverlast is in woonwijken, ook al ligt die woonwijk een hoofdroute door de stad.
Vastgesteld op 14 mei 2013 door het College van Burgemeester en Wethouders
Deze stedelijke detailhandelsnota getiteld "Detailhandel Rotterdam, Een stad waar winkelen een plezier is!" is op 14 mei 2013 door het College van B en W vastgesteld. In aansluiting op het stadsregionale detailhandelsbeleid en "WNKLN N RTTRDM" (gericht op de Binnenstad) is het doel van deze nota het bieden van een stedelijk kader voor de detailhandel voor de overige winkelgebieden in Rotterdam. De ambities en beleidsuitgangspunten betreffen, onder andere:
Vastgesteld op 3 juli 2012 door College van burgemeester en wethouders
Doel
Centraal in de Horecanota 2012-2016 staat het stimuleren van goede initiatieven, het bij elkaar brengen van vraag en aanbod, het vooraf bieden van duidelijke richtlijnen, het beperkt sturen door vergunningverlening en gebiedsgerichte aanpak en het normeren door toezicht en handhaving.
Visie
Vanuit de markt- en leefbaarheidsanalyse op horeca, de uitkomsten van de evaluatie van de vorige horecanota en de stedelijke ambities is de visie op de horeca als volgt geformuleerd: 'bruisende, aantrekkelijke stad met ruimte voor initiatieven van ondernemers'. Deze visie is nader uitgewerkt in een drietal ambities:
Stedelijke focusgebieden, algemene gebiedskaders en horecagebiedsplannen
Om (naast wat het bestemmingsplan nu toestaat) in de toekomst beter te kunnen sturen op welke horeca zich in een bepaald gebied kan vestigen, in het kader van het stimuleren van kwaliteitshoreca en waarborgen van leefbaarheid, worden gebiedsgerichte vestigingsvoorwaarden opgesteld. Om te kunnen komen tot gedegen vestigingsvoorwaarden in een gebied, die recht doen aan de ambities ten aanzien van de horecafunctie van de stad Rotterdam in zijn geheel, zijn een vijftiental stedelijke focusgebieden beschreven. De omschrijvingen van de focusgebieden geven de visie weer hoe deze gebieden zich afzonderlijk en in verhouding tot elkaar zouden moeten ontwikkelingen om recht te doen aan de bovenlokale horecafunctie die in de stad gewenst is. Naast de visie op bovenlokale horeca en de ontwikkelrichting hiervan, is ook in zijn algemeenheid ten aanzien van de hoofdfunctie van gebieden gekeken wat de gewenste ontwikkelrichting is, waarbij onderscheid is gemaakt in 'woongebieden', 'gemengde woongebieden', 'publieksintensieve recreatiegebieden', 'bedrijventerreinen/industriegebieden/havengebied'. Bij inwerkingtreding van de horecanota gelden deze gebiedskaders als toetsingskader voor de vergunningverlening totdat de horecagebiedsplannen zijn vastgesteld. Gebieden, zoals Prins Alexander, maken integrale vierjaarlijkse gebiedsplannen, waar het gebiedsplan horeca nu deel van uit gaat maken. In deze horecagebiedsplannen wordt per gebied de horeca-ontwikkelrichting per buurt/straat/pand weergegeven.
Een logische wijze om via vestigingsvoorwaarden te sturen op kwaliteit en waarborging van de leefbaarheid zijn de Rotterdamse bestemmingsplannen. Bestemmingsplannen bieden echter geen tot zeer weinig sturingsmogelijkheden voor kwalitatieve horeca. In bestemmingsplannen staan ruime omschrijvingen van de mogelijkheden om in bepaalde panden horeca te exploiteren. Tevens worden de plannen voor 10 jaar vastgesteld en is tussentijdse aanpassing niet gebruikelijk. Dit alles betekent dat gerichte planvorming, het stellen van vestigingsvoorwaarden ten aanzien van bepaalde exploitatie categorieën in bepaalde gebieden, op basis van het bestemmingsplan niet mogelijk is. Daarom worden horecagebiedsplannen opgesteld waarin de gewenste ontwikkelrichtingen voor horeca beschreven staat.
Het gebied Alexanderknoop is te omschrijven als een gemengd woongebied volgens de Horecanota. Dit gebied kenmerkt zich door een mix van functies (wonen, werken, winkelen en horeca). Uitbreiding van de horeca in dit soort gebieden is volgens de Horecanota toegestaan, waarbij (per straat of op pandniveau) wordt beoordeeld of de horeca ondersteunend is aan de primaire functie per straat. Monitoring moet uitwijzen of de druk van de horeca op de openbare orde en het woon- en leefklimaat niet te groot wordt.
Rotterdam heeft buiten het centrum drie stedelijke magneten op het gebied van grootschalig uitgaan met een bovenlokale aantrekkingskracht. In het plangebied ligt één van de drie zogenoemde focusgebieden, namelijk de grote discotheek aan de Alexanderlaan 37. Deze focusgebieden, dragen bij aan het levendige en jonge imago van Rotterdam.
Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad
In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer:
De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn.
Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen.
Vastgesteld op 16 mei 2002 door de Rotterdamse gemeenteraad
Op basis van de in de beleidsnota opgenomen wensen en aangeduide oplossingsrichtingen ten aanzien van de plaatsing van antennes, masten en apparatuurkasten en de verschillende gebieden die binnen de stad zijn te onderscheiden is dit beleid geformuleerd.
Vastgesteld op 28 oktober 2008 door het college van burgemeester en wethouders
Op 28 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders de Rotterdamse norm voor buitenspeelruimte als vaste gedragslijn vastgesteld. Deze norm omschrijft waar en hoe groot ruimtes voor buitenspelen in de woonomgeving dienen te zijn, zowel wat betreft locaties als stoepen, zodat kinderen en jongeren ruimte dichtbij huis hebben om te spelen en te sporten.
Stads wonen in het groen
Deze visie, met een doorlooptijd tot 2030, noemt nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden op de bouwlocatie hoek Hoofdweg / Grote Beer, het Poolsterplein, tegenover de megastores en in het westelijk gedeelte van de Alexanderknoop langs de Hoofdweg.
Gewaardeerde groengebieden – zoals Ommoordseveld, Wijktuin Ommoord, Semiramispark, Wollefoppenpark en Prinsenpark – blijven groen. De identiteit van deze gebieden versterken we. We maken betere verbindingen tussen Zevenkamp, het Wollefoppenpark en de Zevenhuizerplas. In het kader van de Visie Alexanderknoop worden bestaande groengebieden en waterlopen in Ommoord met groengebieden in Het Lage Land en Oosterflank verbonden. Het Semiramispark wordt bij het kerngebied van de Alexanderknoop betrokken.
Vrijetijdsbesteding
Het gebied is ook 's avonds levendig door nieuwe horeca en mensen in het gebied. De buitenruimte is aantrekkelijk ingericht voor bezoekers en bewoners. Het gebied heeft door de combinatie van wonen, werken, winkelen en leisure een grote aantrekkingskracht, ook op inwoners van de regiogemeenten.
Bruisend centrum van het oosten
De Alexanderknoop zal op termijn door een combinatie van wonen, werken, winkelen en leisure het bruisende centrum van het oostelijk deel van de Rotterdamse stadsregio worden. Het is een centrum met een grootstedelijke uitstraling voor mensen uit de hele regio.
vastgesteld op 29 juni 2010 door de deelraad van de voormalige deelgemeente Prins Alexander
Het centrum van Prins Alexander, de Alexanderknoop, is in 2020 door een combinatie van wonen, werken, winkelen en leisure het bruisende centrum van het oostelijk deel van de Rotterdamse stadsregio. Het is een centrum met een grootstedelijke uitstraling. Een gebied dat uitnodigt tot regelmatig bezoek. Het brandpunt van interactie voor mensen uit de hele regio. Alexandrium is in 2020 qua winkeloppervlak en verkooppunten het derde winkelcentrum van de zuidelijke Randstad.
Ontwikkelingen op korte termijn, die in het bestemmingsplan zijn meegenomen:
Ontwikkelingen op de korte termijn die niet in dit bestemmingsplan worden meegenomen zijn: de aanleg van extra verkeersinfrastructuur, het faciliteren van de eerste initiatieven vanuit de markt op het bedrijventerrein Alexander. Ook de plannen voor de bioscoop, ter hoogte van de huidige Satelliet, zijn in dit bestemmingsplan niet meegenomen. Te zijner tijd zal deze ontwikkeling worden gerealiseerd met een eigen procedure.
In deze Integrale Visie worden tevens ontwikkelingen genoemd voor de langere termijn. Deze ontwikkelingen, niet in het bestemmingsplan opgenomen, betreffen de volgende:
- Een nieuwe locatie voor de autosloperijen: Voor de huidige locatie van de autosloperijen ontstaan nieuwe kansen door de nieuwe aansluiting van rijksweg 13/16 op de Hoofdweg. Deze locatie is zeer geschikt voor vestiging van een automotive cluster. Als nieuwe locatie voor de autosloperijen geeft de Integrale Visie Alexanderknoop het meest westelijke deel van het volkstuinencomplex als optie aan.
- Ontwikkeling van de Alexanderknoop-West: Rond de Koperstaat kan door een concentratie van onderwijsfuncties, samen met onder andere woningen en vrijetijdsfuncties, een aantrekkelijk gebied ontstaan. Voor de locatie van het huidige volkstuincomplex geeft de visie de mogelijkheid aan voor kantoorontwikkeling aan de kant van het station en bedrijvigheid in het westelijke deel.
vastgesteld in 2014 door het college van burgemeester en wethouders
Het gebied Alexanderknoop is te omschrijven als een gemengd woongebied volgens de Horecanota. Dit deelgebied kenmerkt zich door een mix aan functies (wonen, werken, winkelen en horeca). Uitbreiding van horeca is in dit soort gebieden volgens de nota toegestaan, waarbij (per straat of op pandniveau) wordt beoordeeld of de horeca ondersteunend is aan de primaire functie per straat. Monitoring moet uitwijzen of de druk van de horeca op de openbare orde en het woon- en leefklimaat niet te groot wordt.
Ambitie: Voor het gebied dat tot de Alexanderknoop wordt gerekend, is de opgave het gebied ook 's avonds levendig te maken door nieuwe horeca en detailhandel. Door de combinatie van wonen, werken, winkelen en leisure heeft het gebied een grote onttrekkingskracht, ook voor inwoners van de regiogemeenten.
Voor de Alexanderknoop is de gewenste ontwikkeling gericht ontwikkelen met de categorieën A, B en C. Tot deze categorieën behoren inrichtingen die (zwak en) sterk alcoholhoudende dranken verstrekken, en/of maaltijden verstrekken en/of vrije openingstijden hanteren.
De discotheek aan de Alexanderlaan 37 is aangewezen als stedelijk focusgebied. De functie op deze locatie draagt bij aan het levendige en jonge imago van Rotterdam.
vastgesteld februari 2009 door de voormalige deelgemeente Prins Alexander
Uitgangspunt in deze groenvisie voor het gebied Prins Alexander is dat het groen moet bijdragen aan een aantrekkelijk en gezond woon-, leef- en werkmilieu. Uit de analyse blijkt dat Prins Alexander een groen gebied is in de nabijheid van het buitengebied en de aanwezigheid en potentie van recreatieve routen in de richting van de Rotte, de Rottemeren en de zevenhuizerplas. De oude lintbebouwing zijn karakteristiek en worden gewaardeerd. Voor wat betreft de differentiatie wordt geconcludeerd dat in beeld, gebruik en functie de beleving te beperkt is.Als doelstellingen worden geformuleerd dat het raamwerk versterkt en behouden moeten worden, dat het groen in relatie tot het woonmilieu aantrekkelijk gemaakt moet worden en moet wordne onderhouden, dat er geinvesteerd dient te worden in de verbindingen met de buitengebieden en ten slotte dat ingezet moet worden op de openbare ruimte als aanjager voor een sterk imago.
vastgesteld 12 december 2007 door de voormalige deelgemeente Prins Alexander
De doelstelling van de Economische Visie Prins Alexander is de potenties van het gebied in de Rotterdamse regio maximaal te benutten, zonder daarbij de realiteit en het woon- en werkklimaat van het gebied uit het oog te verliezen. Deze visie is niet bedoeld als eindplaatje maar brengt de (economische) kansen en mogelijkhedne in beeld. De visie richt zich met name op de Alexanderknoop maar ook op andere economische concentratiegebieden die een bijdrage leveren aan de economie van het gebied.
Economisch gezien is de werkgelegenheid ondanks de laagconjunctuur vrijwel gelijk gebleven de afgelopen jaren De werkloosheid ligt met 2% onder het Rotterdams gemiddelde van circa 7%. Deze economische voorspoed dankt Prins Alexander onder andere aan de gunstige ligging en de goede bereikbaarheid binnen de Stadsregio en Randstad. Met name de detailhandel (Alexandrium) en de zakelijke dienstverlening hebben goed gepresteerd in de afgelopen periode.De strategie om de economie verder te stimuleren bestaat uit drie sporen. Het eerste spoor heeft betrekking op de ontwikkeling van de Alexanderknoop tot een onderscheidend nieuw regionaal centrum.Het tweede spoor heeft betrekking het stimuleren van de kansrijke sectoren. Het derde spoor heeft juist betrekking op het faciliteren van kleine bedrijven binnen het plangebied.
Binnen het gebiedsprogramma worden voor de Alexanderknoop de volgende prioriteiten gesteld. Het versterken van de groenstedelijke woonmilieu's waar zich kansen en mogelijkheden voordoen. Het begeleiden en faciliteren van de vitalisering van bestaande (wijk)winkelcentra. Het begeleiden en faciliteren van herstructurerings- en uitbreidingsinitiatieven in winkelcentrum Alexandrium en het omliggende kantorengebied waarbij grootschalige nieuwe kantoren worden uitgesloten. Dit alles onder de voorwaarden dat de verkeerssituatie deze ontwikkelingen kan blijven accommoderen en de externe veiligheidsproblematiek kan worden opgelost. Ten slotte wordt de wens geuit in gesprek te gaan met NS Vastgoed en ProRail met betrekking tot de verbetering van het NS station en de bijbehorende perrons.
Het plangebied maakte oorspronkelijk deel uit van een veengebied dat in de 11e-12e eeuw is ontgonnen. In de 18e-19e eeuw werd een groot deel van het oorspronkelijk aanwezige veen binnen het bestemmingsplangebied voor brandstof gewonnen, waardoor grote plassen ontstonden. Bij de ontginning werden parallel lopende sloten gegraven en werden achterkades, zijkades en dwarsweteringen aangelegd. De kades dienden om de watertoevoer uit naast- of achtergelegen nog onontgonnen stukken veengebied tegen te gaan. Op de afzonderlijke percelen verrezen boerderijen, die vaak een bewoningslint in het ontgonnen landschap vormden en die soms werden verplaatst naarmate de ontginning vorderde. De voormalige "Ommoortsche Weg" vormde een dergelijk bewoningslint.
Ten gevolge van de veenwinning en de daaropvolgende droogmaking van de ontstane plassen liggen oude (prehistorische) landschappen nu dichter aan het oppervlak. Het gaat om geulafzettingen en om in hoogte variërende rivierduinafzettingen. De toppen van de rivierduinen (donken) en de flanken daarvan, evenals de oeverzones van de geulen, werden in het Mesolithicum en Neolithicum als woonplaats benut.
Vanaf de Bronstijd (2.000-800 voor Christus) ontwikkelde zich veen ter plaatse, waardoor de rivierduinafzettingen en de geulen verdwenen. Verschillende even ten noorden van het bestemmingsplangebied gelegen vindplaatsen wijzen uit dat het veen in de nabijheid van de Rotte werd bewoond in de IJzertijd (300 voor Christus-begin jaartelling) en de Middeleeuwen. Op plaatsen waar het restveen bewaard is gebleven in het bestemmingsplangebied bestaat dus nog een kleine kans op het aantreffen van sporen uit deze perioden.
Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid.
Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.
De gemeente Rotterdam heeft een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die deel uitmaakt van de gemeentelijke monumentenverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld.
Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.
Archeologische verwachtingen
Gelet op de ontstaansgeschiedenis zoals hiervoor beschreven kunnen in het gehele bestemmingsplangebied archeologisch waardevolle relicten worden aangetroffen van het Mesolithicum (8.000-5.300 voor Christus) tot in de Nieuwe tijd. De rivierduinafzettingen zijn kansrijk voor het aantreffen van bewoningssporen uit het Mesolithicum en Neolithicum. Bij en op de dicht aan het oppervlak gelegen geulafzettingen zijn bewoningssporen uit het Neolithicum te verwachten. De ervaring leert dat eventuele veenrestanten (om en nabij de Hoofdweg) ook een zekere archeologische potentie bezitten. Bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd zijn eveneens juist daar te verwachten. Door de vervening en later de droogmaking van het gebied wordt verwacht dat eventuele bewoningssporen die aan of dicht onder de oppervlakte liggen in een zekere mate zijn aangetast.
Planregels
Voor het gehele bestemmingsplangebied Waarde - Archeologie geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden het maaiveld en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 200 m2.
Met circa 90.000 inwoners is het gebied Prins Alexander, aan de noordoostzijde van Rotterdam, het grootste gebied van Rotterdam. Eind jaren vijftig, begin jaren zestig is een begin gemaakt met de ontwikkeling van dit gebied gebaseerd op een grote behoefte aan woon- en werkvoorzieningen. Eind 1961 startte de bouw van de woonwijk Het Lage Land, de eerste woonwijk in de Alexanderpolder. Het winkelcentrum Oosterhof (voormalige naam Alexandrium I / Shopping Mall) maakt onderdeel uit van de zogenoemde jaren '70/'80 bloemkoolwijk Oosterflank.
Het plangebied "Alexanderknoop" ligt tussen de snelweg A20 en de Hoofdweg. Het gebied zelf wordt fysiek verdeeld in vier kwadranten door de kruising van de metrobaan / Alexanderlaan in een westelijk en oostelijk gedeelte terwijl de Goudselijn (spoorlijn Rotterdam - Utrecht), het gebied in een noordelijk en een zuidelijk deel verdeelt. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de rijksweg A20 en de woonwijk Ommoord. In het oosten wordt het plangebied begrensd door de gemeentegrens met Capelle aan den IJssel. In het zuiden wordt het gebied globaal begrensd door de Hoofdweg, met een uitstulping rond winkelcentrum Alexandrium. In het westen wordt het gebied begrensd door snelweg A16.
Het is met name de infrastructurele kruising van de spoorlijn met de metrolijn, de Prins Alexanderlaan en de Hoofdweg die hebben geleid tot de naam Alexanderknoop. Hoewel er wel wordt gewoond binnen het plangebied wordt het gebied gedomineerd door werkfuncties. Rondom het NS-station Rotterdam Alexander en dan met name in het noordoostelijke kwadrant zijn veel kantoren gelegen. Het zuidoostelijk kwadrant wordt gedomineerd door de grote winkelgebieden, Alexandrium I, II en III. Het noordwestelijk kwadrant, het gebied ten noorden van de spoorlijn wordt gedomineerd door een grootschalig volkstuinencomplex. Het zuidwestelijk kwadrant, ten zuiden van de spoorlijn, wordt gekenmerkt door achtereenvolgens een gebied waar diverse autodealers zijn gevestigd, vervolgens een gebied met autobedrijven afgewisseld met perifere detailhandelsvestigingen en aan de zijde van de A16 een gebied met grotere complexen van autosloperijen
Ten zuiden van de Hoofdweg zijn voornamelijk kleinschalige kantoren en de woonwijken Het Lage Land en Oosterflank gesitueerd.
De gemeente Rotterdam heeft een groot aantal objecten en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd volgens de Monumentenwet 1988 en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. De gemeente Rotterdam maakt onderscheid naar rijksbeschermde stadsgezichten, naar wederopbouwaandachtsgebieden, naar rijks- en gemeentelijke monumenten en naar beeldbepalende objecten.
In het plangebied zijn geen monumenten of beeldbepalende objecten gelegen. Tevens is in het gebied geen beschermd stadsgezicht aangewezen.
Het plangebied van de Alexanderknoop heeft de potentie zich verder te ontwikkelen tot een veelzijdig stadsdeelcentrum, zoals weergegeven in de Integrale Visie Alexanderknoop (2010).
In dit bestemmingsplan zal voor de komende planperiode prioriteit worden gegeven aan kwaliteitsverbeteringen in het oostelijke deel van de Alexanderknoop (omgeving winkelcentrum Alexandrium), met name bestaande uit de vergroting van de multifunctionaliteit en de levendigheid; de opwaardering van de buitenruimte en de verbetering van de bereikbaarheid en de parkeergelegenheid;
Thans spelen enkele ontwikkelingen op bijvoorbeeld braakliggende gronden, of in de vorm van herstructurering van bestaande situaties. Deze ontwikkelingen passen in het geldende bestemmingsplan of zijn een uitwerking van het geldende bestemmingsplan.
In de milieuonderzoeken is ten aanzien van zulke "ontwikkelingen" onderzoek verricht naar de haalbaarheid. De resultaten van de onderzoeken zijn vermeld in Hoofdstuk 6 van de plantoelichting.
Bij toekomstige ontwikkelingen die nu niet in dit bestemmingsplan zijn opgenomen kan daarvoor een zelfstandige ruimtelijke procedure worden doorlopen.
In de planperiode zijn de volgende concrete nieuwe ontwikkelingen beoogd, die mogelijk worden gemaakt in dit bestemmingsplan:
Door de RET zijn knelpunten gesignaleerd met betrekking tot de capaciteit van het busstation en de doorstroming van het busverkeer rond Alexandrium. De voorstellen van de RET leiden tot een herinrichting van het busplatform, met ondermeer de aanleg van een gebouwde fietsenstalling met een capaciteit van circa 1.300 fietsparkeerplaatsen.
De herinrichting van het openbaar vervoersstation Rotterdam Alexander bestaat uit onder andere uit plannen van ProRail en NS tot verbetering van de stationsomgeving en het stationsplein, renovatie van het stationsgebouw, alsmede programmatische toevoegingen.
Ligging en karakteristiek kantoormilieu
In het plangebied ligt de kantorenlocatie Lotus 3b. Deze Rotterdamse kantorenlocatie maakt onderdeel uit van een omvangrijker kantorenproject aan de George Hintzenweg, dat ten zuiden van de A20 is gesitueerd.
Het kantoormilieu van de Alexanderknoop is te omschrijven als een Knooppuntlocatie met een concentratie van voorzieningen (o.a. detailhandel, onderwijs) en kantoren. De locatie is als kwalitatief hoogwaardig te betitelen vanwege de combinatie van een goede bereikbaarheid per auto en per openbaar vervoer (trein, metro en bus). Prins Alexander heeft een uitstekende autobereikbaarheid, doordat het een directe ontsluiting heeft op de rijkswegen A16 en A20. Tevens ligt de locatie naast het regionale openbaarvervoersknooppunt Rotterdam Alexander (trein, metro en bus) en zijn er parkeervoorzieningen (P+R) aanwezig.
Geldend bestemmingsplan
In 1994 is het bestemmingsplan "Oosterflank, tweede herziening" vastgesteld, waarin is vastgelegd om kantoren en bedrijven op deze locatie te realiseren. In de tweede herziening van het bestemmingsplan is bepaald dat in het plangebied maximaal 190.000 m2 aan zelfstandige kantoren is toegestaan. Dit maximale oppervlak is als gevolg van de uitvoering van de eerste fase van het project "De Lotus", geheel benut.
Nieuwe ontwikkelingen
In de afgelopen jaren is de kantorenmarkt sterk beïnvloed door de economische crisis. Er is onder andere sprake van overaanbod, een toenemende leegstand en een afnemende nieuwbouwbehoefte. Een bouwstop voor nieuwbouw is echter niet zinvol om de balans op de kantorenmarkt te herstellen. De kantorenmarkt kent namelijk haar natuurlijke veroudering (technisch en economisch) en een vervangingsvraag vanuit de gebruikers. Er is een onmiskenbare vraag naar kantoren op basis van nieuwe concepten (Het Nieuwe Werken) en ontworpen volgens duurzaamheidsprincipes. De kantorenmarkt is inmiddels een vragersmarkt geworden. Er wordt alleen nog gebouwd voor een specifieke klant.
Beleid
Voor kantoorontwikkeling is op provinciaal gebied een aantal locaties aangewezen, die met name een grote vervoersvraag aan kunnen, omdat kantoren arbeidsintensief zijn en een compacte ruimtebehoefte hebben. Uitgangspunt is daarom dat nieuwe kantoren alleen worden toegelaten binnen de invloedsfeer van de belangrijkste haltes van openbaar vervoer in de centra van de stedelijke gebieden. De kantoren zijn gesitueerd in de directe nabijheid van één van de belangrijke openbaar vervoershaltes, Rotterdam Alexander. Dit treinstation maakt tevens onderdeel uit van een Knooppuntlocatie met Randstedelijk Openbaar Vervoer.
Op basis van het regionaal kantorenprogramma van de Stadsregio Rotterdam is een beeld van de nieuwbouwbehoefte voor kantoren geschetst. Het gemeentelijke ruimtelijk-economisch beleid is erop gericht om aan bedrijven ruimte te bieden op zich te vestigen op de meest geschikte plekken. Door de gemeente zijn, rekening houdend met de bestaande leegstandsproblematiek, scherpe keuzes gemaakt waar nog wel hoogwaardige kantoorruimte mag worden gerealiseerd, terwijl op andere locaties nieuwe uitgifte is uitgesloten. Dit voldoet aan de provinciale ladder voor duurzame verstedelijking.
Daarbij is gefocust op een aantal knooppunten, waarbij samenhang tussen het mobiliteitsbeleid en ruimtelijk-economisch beleid wordt aangebracht. Verder is door de gemeente samen met marktpartijen leegstandsbeleid ontwikkeld waarbij verouderde kantoorgebouwen en/of kantoorgebouwen op ongeschikte locaties worden getransformeerd. De combinatie van toevoeging van nieuwe passende kantoorgebouwen op geschikte locaties en het verwijderen van incourant vastgoed draagt optimaal bij aan en goede ruimtelijke ordening ("de goede gebouwen op de juiste plaats").
Nieuwe kantoorruimte zal niet vanzelf worden gevuld, maar er zal sprake moeten zijn van een onderscheidend product dat voorziet in een behoefte die elders niet op dezelfde wijze kan worden ingevuld. De toevoeging van kantorenaanbod in Rotterdam Alexander beantwoordt ook in deze tijd aan de specifieke vraag naar (toekomstbestendige) knooppunt. Verschillende studies laten zien dat de leegstandsontwikkeling in stationsgebieden onder de 10% ligt en dat de opname/aanbod ratio er gunstig is. Een groot deel van de bestaande kantorenvoorraad is niet geschikt voor de doelgroepen van Alexander. In afstemming met marktpartijen zal worden onderzocht of deze voldoende kunnen worden bediend met het bestaande aanbod. Tevens werkt de gemeente Rotterdam samen met marktpartijen aan de Aanpak van de Kantorenleegstand en heeft dit vastgelegd in een convenant dat op 13 april 2011 dat door circa vijfentwintig marktpartijen mede is ondertekend. Het doel van deze aanpak is om enerzijds vierkante meters aan de markt te onttrekken en anderzijds minder nieuwbouw toe te staan. Inmiddels is circa 200.000 m2 b.v.o. incourante kantoren uit de voorraad genomen, door transformatie, sloop of tijdelijk gebruik. De Rotterdamse aanpak wordt daarom de komende jaren gecontinueerd. Gezien de moeilijke marktsituatie op de kantorenmarkt wordt de kwantitatieve ruimte voor kantoren in dit bestemmingsplan, buiten de ontwikkeling Lotus 3b, niet verder uitgebreid.
Lotus 3b
Lotus 3b is gelegen binnen de invloedssfeer van het belangrijke knooppunt van openbaar vervoer, Rotterdam Alexander. Het programma voor de Lotus 3b is opgenomen in het regionale kantorenprogramma. Met dit programma wordt recht gedaan aan de primaire ontwikkelingsrol die bij marktpartijen en gemeenten ligt: de overprogrammering wordt gereduceerd, er wordt gestuurd op een beter evenwicht tussen ruimtevraag en -aanbod en er blijft, zij het na onderlinge afstemming, ruimte voor maatwerk. Ten aanzien van de Lotus 3b-locatie is op 28 juni 2012 door de gemeente en ontwikkelaar OVG schriftelijk vastgelegd onder welke voorwaarden de uitbreiding van kantoren met een oppervlakte van maximaal 15.000 m2 kan plaatsvinden. Voorwaarde is dat de realisatie van het kantoor door de ontwikkelaar kan worden gestart indien de ontwikkelaar eenzelfde metrage uit de Rotterdamse kantorenmarkt neemt, als het kantoormetrage in het nieuwe kantoorgebouw.
3. Uitbreiding winkelcentrum Alexandrium
Vanuit economisch perspectief is het belangrijk dat de kwaliteit van het winkelcentrum Alexandrium op peil wordt gehouden en dat dit winkelgebied extra wordt versterkt. Dit sluit aan bij zowel de provinciale als de stedelijke detailhandelsnota. Kwalitatieve uitbreiding betekent niet per definitie meer meters, maar dat kan wel de consequentie zijn. Om de kwaliteit ook voor de toekomst in stand te houden is het belangrijk dat branchelacunes worden opgevuld en dat uitbreiding van zittende retailers mogelijk wordt gemaakt om te voldoen aan de schaalvergrotingsvraag.
In 2015 is de actuele marktruimte van Alexandrium onderzocht. De uitkomsten van het dpo geven aan dat de uitbreiding reëel is en deze mogelijkheid is opgenomen in dit bestemmingsplan. Uitbreiding van het huidige winkelcentrum past ook in het huidige detailhandelsbeleid dat slecht renderende winkelmeters op slechte locaties worden gesaneerd/getransformeerd en sterke winkelgebieden als Alexandrium (samen met Zuidplein en de binnenstad van Rotterdam) worden versterkt.
Voornemen van de eigenaar is de vergroting van bestaande winkelunits en het creëren van een "favourite meeting place". Een "favourite meeting place" houdt in dat een winkelcentrum een plek moet worden waar je graag wilt zijn, omdat er aanbod is van activiteiten dat uitnodigt tot een langer verblijf. Thans is het nog een plaats waar je naartoe gaat om functioneel te winkelen. De eigenaar wil die omslag maken door een uitbreiding van detailhandel, horeca en andere voorzieningen die voor een langer verblijf in het winkelgebied zorgen.
Voor de onderbouwing van een uitbreiding van detailhandel is een positief advies van de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland noodzakelijk. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan waren de detailhandelsplannen nog in schetsvorm en daarmee onvoldoende concreet om voor te leggen aan de Adviescommissie. Juist om aan te geven dat de uitbreidingsplannen gewenst zijn en het reëel is dat deze tijdens de planperiode worden gerealiseerd is voor de uitbreiding een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in de planregels. Onder de voorwaarden dat positief door de Adviescommissie Detailhandel is geadviseerd en dat een actueel marktruimte onderzoek is verricht.
In de toekomst is ook de vestiging van een bioscoop gewenst. Deze ontwikkeling wordt niet meegenomen in dit bestemmingsplan, omdat de ontwikkeling onder meer een te grote impact heeft op de huidige verkeerssituatie rondom het Alexandrium. Dit dient eerst nader te worden onderzocht. Te zijner tijd zal dit mogelijk kunnen worden gemaakt met een aparte ruimtelijke planprocedure.
Uitspraak Raad van State op 22 november 2017 Het plandeel "Centrum - 1" met de wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding van de detailhandel is vernietigd. |
Het plangebied van dit bestemmingsplan is volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid als gemengd woongebied.
Het noordwestelijk gedeelte van het plangebied heeft de bestemming Bedrijf gekregen. Op dit gedeelte zijn voornamelijk autosloperijen gevestigd. Bedrijven met activiteiten, die behoren tot de maximale milieucategorie 3.2 van de Bedrijvenlijst zijn toegestaan. Bedrijven met activiteiten die behoren tot een hogere milieucategorie dan 3.2 hebben een maatbestemming gekregen. Het betreft het bedrijf op het adres, Hoofdweg 101, waar oppervlaktebehandeling (stralen en coaten) plaatsvindt, behorende tot milieucategorie 4.1.
Aan de zuidelijke rand van het bedrijventerrein, parallel aan de Hoofdweg, zijn vijf bedrijfswoningen gelegen. Deze bedrijfswoningen worden conform het geldende bestemmingsplan opnieuw opgenomen. Voor dit type woningen worden minder hoge eisen aan het woon- en leefklimaat gesteld door de aanwezigheid van het (vaak eigen) bedrijf en de hinder die dit veroorzaakt. Direct aangrenzend aan bedrijfswoningen, zijn bedrijven met activiteiten die behoren tot de maximale milieucategorie 3.2 van de Bedrijvenlijst toegestaan. Het afwijken van de richtafstanden ten opzichte van bedrijfswoningen wordt hier aanvaardbaar geacht, omdat de aanwezigheid van bedrijfswoningen binnen het plangebied in de regel een historisch gegroeide situatie betreft. Bovendien is wegbestemmen van de momenteel aanwezige bedrijfswoningen financieel niet haalbaar noch gewenst. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe bedrijfswoningen toegelaten, alleen de momenteel aanwezige bedrijfswoningen worden positief bestemd. De moderne bedrijfsvoering en beveiliging vereisen in het algemeen niet meer dat er continu (toezichthoudend) personeel aanwezig is. Hetzelfde gaat overigens ook op voor de bedrijfswoning aan de Koperstraat 25, die de bestemming "Gemengd - 3" heeft gekregen.
Er is dus een uitsterfregeling opgenomen, waarin is geregeld dat indien het gebruik als bedrijfswoning wordt beëindigd ten behoeve van een ander gebruik, de heringebruikname als bedrijfswoning niet meer wordt toegelaten.
De RoCa-warmtekrachtcentrale van heeft een maatbestemming Bedrijf - Nutsbedrijf gekregen. De hoogte van de bebouwing en de schoorstenen is opgenomen in de planregels. De activiteiten van dit bedrijf behoren tot milieucategorie 5.1. Op deze gronden zijn tevens de bestaande bedrijfsgebonden kantooractiviteiten toegestaan.
Bedrijven met activiteiten die behoren tot een hogere milieucategorie dan 3.2 hebben een maatbestemming gekregen. Het betreft het bedrijf op het adres: Chroomstaat 5, waar de opslag van professioneel vuurwerk plaatsvindt, behorende tot milieucategorie 5.1. In de planregels is vastgelegd dat binnen een zone van 30 meter gemeten vanuit dit pand geen (beperkt) kwetsbare objecten zijn toegestaan.
Het winkelgebied Alexandrium bestaat uit drie delen met elk zijn eigen karakter. Het Shopping Centre is een winkelcentrum. De Megastores bestaan uit grootschalige detailhandelsvoorzieningen en de Woonmall bestaat uit perifere detailhandelsvoorzieningen met een woonthema.
Het vorige bestemmingsplan "Oosterflank" dateert van de tijd dat het winkelgebied grotendeels, met uitzondering van de Shopping Mall/Oosterhof (1984), nog niet was gerealiseerd (vastgesteld op 15 december 1994). De vigerende bestemming "Centrumvoorzieningen" betrof een globale bestemming, die zowel voor de gronden van de Shopping Mall als voor de gronden van de Megastores (gerealiseerd in 1996) was opgenomen. In deze bestemming was naast winkels een grote hoeveelheid aan andere functies mogelijk, die behoren bij een stadsdeelcentrum. Dus naast detailhandel waren binnen de bestemming onder andere ook kantoren, dienstverlening, maatschappelijke en culturele voorzieningen en overheidsdiensten mogelijk.
Ten aanzien van het winkelgebied was wel al een scheiding in de omvang van de winkels gemaakt. Er is namelijk geregeld dat ten oosten van de Middeltocht 80% van de vestigingen een bruto oppervlakte van meer dan 800 m2 dienen te hebben.
De gronden bestemd voor de Woonmall hadden de bestemming "Detailhandel (Wonen)" gekregen en waren bestemd voor detailhandel binnen het thema "wonen".
In dit bestemmingsplan hebben de winkelgebieden van het Alexandrium I (Shopping Mall), II (Megastores) en III (Woonmall) de bestemmingen vanwege hun verschillende karakters elk een aparte bestemming, namelijk respectievelijk Centrum - 1, Centrum - 2 en Centrum - 3, gekregen.
"Centrum - 1"
Uitspraak Raad van State op 22 november 2017 Het plandeel "Centrum - 1" met de wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding van de detailhandel is vernietigd. |
In bijlage 5 van de toelichting is de uitspraak van de Raad van State opgenomen. Gevraagd wordt om de uitbreiding van detailhandel direct mogelijk te maken in het bestemmingsplan na inwinning van advies van de Adviescommissie Detailhandel.
"Centrum - 2"
De Megastores hebben de bestemming Centrum - 2 gekregen. Het maximale b.v.o. detailhandel binnen deze bestemming bedraagt 27.500 m2. Aangezien dit gedeelte van het winkelcentrum specifiek bestaat uit grootschalige detailhandelsvoorzieningen (GDV) is opgenomen dat deze vestigingen een b.v.o. groter dan 800 m2 dienen te hebben. In deze bestemming is ook horeca en leisure toegestaan. Leisure, zoals een bowlingbaan of een soortgelijke voorziening, zorgt voor levendigheid in het gebied.
"Centrum - 3"
De Woonmall, bedoeld voor perifere detailhandelsvoorzieningen (PDV) binnen het woonthema, heeft de bestemming Centrum - 3 gekregen. Binnen deze bestemming is detailhandel in meubels, woningtextiel en aanverwante artikelen toegestaan. Verder zijn horeca en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Het maximale b.v.o. detailhandel binnen deze bestemming bedraagt 60.000 m2. Daarvan is een b.v.o. van 10.000 m2 te gebruiken voor aan de detailhandel aan meubels en woningtextiel verwante artikelen.
Een aantal panden binnen het plangebied heeft de bestemming "Gemengd" gekregen. Er is een onderscheid gemaakt in Gemengd - 1, 2, 3 en 4.
De gronden ten zuiden van de Hoofdweg hebben de bestemming Gemengd - 1 gekregen. Binnen deze bestemming zijn kantoren met een maximale b.v.o. van 30.000 m2 en maatschappelijke voorzieningen met een maximale b.v.o. van 16.000 m2 toegestaan.
De maatschappelijke voorzieningen ten westen van de Prins Alexanderlaan hebben de bestemming Gemengd - 2 gekregen. Binnen de bestemming zijn maatschappelijke voorzieningen (onderwijs, politie) met een maximale b.v.o. van 40.000 m2 en kantoren met een maximale b.v.o. van 40.000 m2 toegestaan.
Het bedrijventerrein Prins Alexander heeft de bestemming Gemengd - 3 gekregen. Op dit gedeelte is veel detailhandel in volumineuze goederen (automerkdealers) gevestigd. In de planregels is aangegeven deze gronden zijn bestemd voor: bedrijven t/m categorie 3.2, kantoren, detailhandel in volumineuze goederen, bouwmarkten en maatschappelijke voorzieningen. Autosloperijen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan.
Aan de Kreeftstraat/Voermanweg (nummers 888-900) bestaan de functies op de begane grond voornamelijk uit detailhandel voor dagelijkse boodschappen op wijk- en buurtniveau. Op de verdiepingen bestaan de functies uit onderwijs- en woonfuncties. Deze gronden hebben de bestemming Gemengd - 4 gekregen en laat detailhandel, wonen en maatschappelijke voorzieningen toe.
Structurele groengebieden hebben de bestemming Groen gekregen. Binnen deze bestemming zijn ook voorzieningen, zoals wandel- en fietspaden en speeltoestellen toegestaan. Binnen deze bestemming is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is.
De horeca in en om het winkelgebied Alexandrium wordt mogelijk gemaakt in met name de bestemmingen Centrum - 1, Centrum - 2 en Centrum - 3. In deze horecagelegenheden ligt het accent voornamelijk op dag- en avondhoreca in de vorm van het verstrekken van dranken en ter plaatse bereide etenswaren. Hierbij valt te denken aan cafés, brasseries, bistro's, (fastfood)restaurants, cafetaria's, etc.
De beide hotels aan de Hoofdweg hebben de bestemming Horeca - Hotel gekregen. Het eetcafé op bedrijventerrein Prins Alexander heeft de bestemming Horeca gekregen.
De discotheek aan de Prins Alexanderlaan 37 heeft de bestemming "Horeca - discoteek" gekregen.
Voor afhaalzaken wordt geen functieaanduiding voor horeca gebruikt. Afhaalzaken vallen buiten de definitie van horeca en zijn toegestaan in detailhandel.
Binnen de bestemming "Verkeer – Verblijfsgebied" zijn tevens ongebouwde terrassen toegestaan aangrenzend aan bestemmingen die horeca toelaten.
In het vorige bestemmingsplan was geregeld dat de gronden voor kantoren in het plangebied een maximale b.v.o. van 190.000 m2 aan zelfstandige kantoren was toegestaan. Met de voltooiing van het Lotusproject is deze hoeveelheid vierkante meters bereikt. In dit bestemmingsplan is de bestaande kantoorbebouwing aan de Marten Meesweg/George Hintzenweg en de Hoofdweg heeft de bestemming Kantoor gekregen en is op de verbeelding vastgelegd met een bebouwingsvlak en een bouwhoogte.
Voor het gedeelte van het gebied, dat is gelegen aan weerzijden van de Marten Meesweg en ten westen van de G.H. Betzweg zijn de functies uit het vorige bestemmingsplan wederom toegestaan, te weten functies als dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen.
De gasleiding heeft de dubbelbestemming Leiding - Gas gekregen. Aan weerszijden van het hart van de gasleiding is een zone met een breedte van 4 meter opgenomen.
De ondergrondse hoogspanningsleiding heeft de dubbelbestemming Leiding - Hoogspanning gekregen.
Binnen de bestemmingen Centrum - 1 en Gemengd - 1, Gemengd - 2, Gemengd - 3 en Gemengd - 4 zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, cultuur, gezondheidszorg, maatschappelijke en publieke dienstverlening verstaan, zoals bibliotheek, congrescentrum, buurthuis, politiebureau, brandweerkazerne e.d. Het betekent dat een dergelijke maatschappelijke voorziening die past in deze definitie zonder planwijziging vervangen kan worden door een andere passende voorziening.
Binnen maatschappelijke voorzieningen is onderscheid te maken tussen geluidsgevoelige en niet-geluidsgevoelige voorzieningen. Onder geluidsgevoelige voorzieningen worden voorzieningen, zoals scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verstaan.
Daarnaast zijn er niet-geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen, zoals een politiebureau, brandweergarage, buurthuis, kerkgebouw of consultatiebureau.
Kinderdagverblijf
Een kinderdagverblijf is een geluidsgevoelige functie. Het betreft een gelegenheid waar kinderen onder toezicht kunnen verblijven voor een groot deel van de dag. Deze functie mag zich uitsluitend vestigen op locaties waar geluidsgevoelige maatschappelijke functies zijn toegestaan.
De rijksweg A20 met bijbehorende voorzieningen heeft de bestemming Verkeer - Autosnelweg gekregen.
Het tracé van de metrolijn met bijbehorende voorzieningen heeft de bestemming Verkeer - Metro/sneltram gekregen. Binnen deze bestemming zijn de bestaande stations met bijbehorende voorzieningen, zoals perrons, en een stationsgebouw mogelijk gemaakt.
Het tracé van de spoorlijn Rotterdam-Gouda met bijbehorende voorzieningen heeft de bestemming Verkeer - Spoorverkeer gekregen. Binnen deze bestemming is ook een stationsgebouw met mogelijkheid voor detailhandel, alsmede horeca (bijvoorbeeld een lunchroom of een café) mogelijk gemaakt. In het kader van de revitalisering van het busstation is ook een gebouwde fietsenstalling binnen deze bestemming mogelijk.
De woonstraten met bijbehorende trottoirs, pleinen, snippergroen e.d. hebben de bestemming Verkeer - Verblijfsgebied gekregen. In deze bestemming is de aanleg van parkeerplaatsen, speeltoestellen e.d. mogelijk, zodat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). Binnen deze bestemmingen is de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Binnen deze bestemming is ten noorden van het treinstation Rotterdam Alexander een busstation (aangeduid met "openbaar vervoersstation") en gebouwde fietsenstalling in meerdere lagen mogelijk.
Binnen de bestemming Verkeer - Wegverkeer zijn de hoofdontsluitingswegen opgenomen, die gebaseerd op de wegcategorisering duurzaam veilig 50-km/u wegen zullen blijven. Deze bestemming is bedoeld voor ontsluitingswegen met de voorzieningen, zoals bruggen, viaducten, parkeerplaatsen, wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies mogelijk.
Het volkstuinencomplex "Ommoord" heeft de bestemming Recreatie - Volkstuin gekregen. Binnen deze bestemming zijn volkstuinen met de bijbehorende bebouwing en een verenigingsgebouw mogelijk.
Deze bestemming is toegekend aan gebouwen ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening (trafohuizen).
In dit bestemmingsplan is aantal voorzieningen van openbaar nut als Bedrijf - Nutsvoorziening bestemd.
De woningen hebben de bestemming Wonen gekregen. De bouwhoogte van de woningen is op de verbeelding opgenomen.
In de planregels is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.
Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden, alsmede het Besluit omgevingsrecht (Bor). Gelijktijdig is het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken van de Woningwet vervallen.
De vergunningvrije activiteiten zijn nu opgesomd in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Bor.
Een omgevingsvergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2 van het Bor is zonder meer toegestaan, hiervoor hoeft niet naar het bestemmingsplan te worden gekeken. Voor bouwwerken die toegestaan zijn op grond van artikel 3 van het Bor is bij strijdigheid met het bestemmingsplan wel een omgevingsvergunning vereist.
Algemeen
Aanleiding voor het opnemen van deze parkeerregeling is gelegen in het feit dat de stedenbouwkundige bepalingen (waaronder de parkeernormen) uit de Bouwverordening Rotterdam 2010 met de nieuwe Wro (1 juli 2008) en de daarop gebaseerde overgangswet (29 november 2014) hun werkingskracht hebben verloren. Dit betekent dat de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening geen aanvullende werking meer hebben op bestemmingsplannen die vanaf 29 november 2014 worden vastgesteld. Het betreft met name de bepalingen over het parkeren (en laden en lossen). Immers, bij elke bouwaanvraag kwam via de toetsing aan de Bouwverordening de vraag aan de orde of bij het bouwplan wel voldoende parkeergelegenheid wordt of kan worden gerealiseerd. Nu de grondslag aan deze bepalingen is komen te vervallen, kan hier ook niet meer aan worden getoetst.
Het overgangsrecht zorgt ervoor dat de parkeernormen uit de Bouwverordening wel van toepassing blijven, voor vijf jaar, voor alle plannen vastgesteld vóór 29 november 2014.Het opleggen van de parkeernormen moet geregeld worden door het opnemen van een zogenoemde voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. Als grondslag hiervoor geldt het tweede lid van artikel 3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waarin is opgenomen dat een bestemmingsplan regels kan bevatten waarvan de uitleg bij het gebruik van een bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Hierdoor is het mogelijk om in de bestemmingsplanregel te verwijzen naar gemeentelijke beleidsregels over parkeernormen. Omdat nu nog geen beleid is vastgesteld, is er voor gekozen de normen uit de Bouwverordening Rotterdam 2010 op te nemen in het bestemmingsplan. Tevens is in de regels een bepaling opgenomen waarmee geregeld is dat nieuw beleid ten aanzien van parkeernormen de nu vastgelegde parkeernormen kan vervangen.
Regeling
In de regels van het bestemmingsplan is nu de regel 'Voorwaardelijke verplichting over parkeren' opgenomen. In deze regeling wordt voor de parkeernormen verwezen naar de bijlage Parkeernormen. Deze normen zijn gelijk aan de normen zoals opgenomen in de Bouwverordening Rotterdam 2010. Er is geen materiele wijziging van de toetsingsnormen beoogd. Slechts de wettelijke grondslag is gewijzigd.
Uitvoering
Bij het bouwen van woningen en voorzieningen worden in het bestemmingsplan eisen gesteld aan de aanwezige parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. In het centrum geldt dat er alleen maximumnormen zijn, in de andere gebieden zijn er ook minimumnormen. Wat betreft de parkeergelegenheid wordt er een parkeereis gesteld. Deze parkeereis wordt berekend aan de hand van de parkeernormen die zijn opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. De minimumparkeernormen zijn er om te zorgen dat de behoefte aan parkeerruimte bij nieuwe ontwikkelingen geaccommodeerd wordt. De maximumnormen zijn bedoeld om de bereikbaarheid en leefbaarheid van de binnenstad te verbeteren. Om overlast in het openbaar gebied tegen te gaan moet de parkeereis door de ontwikkelaar op eigen terrein gerealiseerd worden.
Afwijkingsbepaling
In situaties waarin dit tot onoverkomelijke problemen leidt kan een beroep worden gedaan op de afwijkingsbepaling.
Onder a, wordt met dubbelgebruik bedoeld dat bij het ontwikkelen van meerdere functies, zoals wonen, bedrijfsfuncties, winkelfuncties e.a. die op verschillende tijdstippen gebruik maken van parkeerplaatsen, een deel van de parkeerplaatsen dubbel gebruikt kan worden. De totale parkeereis voor het geheel wordt hierdoor lager dan de parkeereisen per functie afzonderlijk.
Onder b, wordt met parkeereisovereenkomst bedoeld een overeenkomst, tussen de ontwikkelaar en de gemeente, waarbij de gemeente de verplichting op zich neemt om (een deel van) de parkeerplaatsen in de omgeving beschikbaar te stellen of te realiseren. De ontwikkelaar betaalt hiervoor een compensatiesom. De hoogte van de afkoopsom is afhankelijk van het aantal te compenseren parkeerplaatsen en het gebied waarin de ontwikkeling wordt geïnitieerd.
Onder b en c, wordt gesproken over een gemeentelijk belang. Dit houdt in dat de ontwikkeling zodanig gewenst is vanuit de gemeente dat de gemeente toestaat dat een deel van de parkeereis wordt opgelost in het openbare gebied. De ontwikkelaar moet hierbij kunnen aangeven met gegronde redenen dat het niet mogelijk is om de parkeereis op eigen terrein te realiseren.
Onder d, wordt gesproken over een bijzonder gemeentelijk belang. Het gaat hierbij om zeer uitzonderlijke situaties, waarbij met gegronde redenen aangetoond is, dat het niet mogelijk is om aan (een deel van) de parkeereis op eigen terrein te voldoen én er ook geen mogelijkheden bestaan om (een deel van) de parkeereis in de openbare ruimte op te lossen. Het verschil met het gemeentelijk belang, zoals genoemd in onderdeel b en c, zit in het feit dat de gemeente de ontwikkeling zodanig gewenst vindt, uit economisch oogpunt of uit het oogpunt van milieu, hinder of woonomgeving, dat er volledige vrijstelling van de parkeereis wordt toegestaan. Deze afwijking zal slechts worden verleend na een bestuurlijk besluit waarin de motivering van het verlenen van deze afwijking is opgenomen.
Deze artikelen bevatten de algemene gebruikelijke afwijkingsmogelijkheden. Deze mogelijkheden gelden voor het gehele plangebied. Met het oog op flexibiliteit of op een concreet bouwplan kunnen de regels met betrekking tot de toegestane afmetingen, maten (waaronder minimale en maximale afstanden) en percentages in beperkte mate worden aangepast.
De Alexanderknoop is gelegen tussen de rijksweg A20 en een belangrijke uitvalsweg van Rotterdam richting Capelle aan den IJssel, de Hoofdweg. Het gebied is uitstekend te bereiken met het openbaar vervoer (intercitystation NS, metro, bus) en de auto (A16, A20 en Hoofdweg). Tevens is er een grote P+R-voorziening.
Verkeersproductie
Onderstaande tabel geeft de verkeersintensiteiten weer op de op- en afritten van de A20 (aansluiting Capelseweg) in 2012 en 2023 (motorvoertuigen per etmaal).
2012 mvt | 2023 mvt | 2012 vracht | 2023 vracht | Groei mvt % | Groei mvt absoluut | |||
afrit vanuit Nieuwerkerk | 8.815 | 10.096 | 724 | 950 | 2,4% | 1.281 | ||
oprit naar Nieuwerkerk | 9.762 | 11.265 | 893 | 1.232 | 2,4% | 1.503 | ||
oprit richting Terbregseplein | 32.733 | 36.146 | 2.173 | 2.945 | 0,8% | 3.413 | ||
afrit vanaf Terbregseplein | 31.060 | 34.285 | 2.077 | 2.868 | 0,9% | 3.225 |
tabel: Verkeersintensiteiten op de op- en afritten A20/Capelseweg in 2012 en 2023 (mvt/etmaal).
In de berekening van de verkeersintensiteiten zijn de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan meegenomen. Het betreft hierbij onder andere de ontwikkeling van de Lotus-locatie (toevoeging kantoren met een oppervlakte van 15.000 m2).
De totale groei van het aantal motorvoertuigen op de op- en afritten bedraagt in de periode 2012- 2023 tussen de 1.281 en 3.413 voertuigen. Deze groei wordt slechts voor een deel veroorzaakt door de toename van het programma in het bestemmingsplan. De Lotus-ontwikkeling genereert ca. 900 extra ritten per etmaal. Als gevolg van transformatie van bestaand programma neemt het aantal ritten vanuit de Alexanderknoop met ca. 400 mvt/ etmaal af. Per saldo bedraagt de toename van de intensiteiten als gevolg van het bestemmingsplan Alexanderknoop daarmee ca. 500 mvt/ etmaal. De overige groei van het autoverkeer op de op- en afritten van de A20 wordt veroorzaakt door autonome ontwikkelingen (ontwikkelingen buiten het plangebied van de Alexanderknoop).
In werkelijkheid zullen de verkeersintensiteiten op de op- en afritten van de A20 waarschijnlijk lager uitvallen dan weergegeven in bovenstaande tabel. Op dit moment is sprake van leegstand in een deel van de kantoren in de Alexanderknoop. Deze leegstand is niet meegenomen in de berekeningen van de verkeersintensiteiten. Recente tellingen op het onderliggend wegennet bevestigen de lagere verkeersproductie van het plangebied.
Kwaliteit verkeersafwikkeling
De druk op het wegennet in het noordoosten van Rotterdam is groot. In de ochtend- en avondspitsperiode en tijdens drukke weekeinden doen zich geregeld knelpunten in de verkeersdoorstroming voor. Congestiegevoelige locaties zijn het kruispunt Hoofdweg/Capelseweg en de toe- en afritten A20/Capelseweg.
In de periode tot 2023 nemen de verkeersintensiteiten rond de Alexanderknoop toe. Deze verkeerstoename wordt grotendeels veroorzaakt door autonome ontwikkelingen. De groei van het autoverkeer als gevolg van de ruimtelijke ontwikkelingen (kantoren Lotus) die worden mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan is beperkt.
Maatregelen ter verbetering van de verkeersafwikkeling
Om de bereikbaarheid in en rond de Alexanderknoop te garanderen, zetten de gemeente en de stadsregio Rotterdam in op optimale benutting van de bestaande infrastructuur. De volgende maatregelen worden de komende jaren ingezet.
Mobiliteitsmanagement
De gemeente Rotterdam werkt in De Verkeersonderneming samen met het Rijk, de stadsregio, het Havenbedrijf en het regionale bedrijfsleven aan de uitvoering van het programma Beter Benutten. Het programma is gericht op het oplossen van knelpunten op de Ruit, het stedelijk wegennet en in de haven (A15) en borduurt voort op de eerdere A15-aanpak en de aanpak Slim Bereikbaar. Mobiliteitsmanagement is hier vertaald als het tot stand brengen van een koppeling tussen de potentiële klanten van innovatieve mobiliteitsdiensten (reizigers, werkgevers) en de dienstverleners (leveranciers van mobiliteit, informatie en services). In 2013 is middels een aanbestedingsprocedure een traject gestart om dienstverleners in het zadel te helpen. In 2014 zal dit op grotere schaal worden uitgerold. Prins Alexander is één van de focusgebieden waar de Verkeersonderneming zich met mobiliteitsmanagement op richt.
In 2008 is specifiek voor de Alexanderknoop een convenant gesloten, dat ertoe moet leiden dat het spitsverkeer de komende jaren sterk wordt gereduceerd. In het convenant werken de gemeente Rotterdam, Stadsregio Rotterdam, VNO/NCW West, Kamer van Koophandel, Deltalinqs en De Verkeersonderneming samen. In aanvulling op de inspanningen van de overheden op het gebied van infrastructuur en verkeersmanagement gaan de werkgevers maatregelen nemen die er voor zorgen dat hun medewerkers slimmer reizen en zo hun bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke doelstellingen.
De komst van het nieuwe kantorencomplex De Lotus is gebruikt om zowel de vraag- als de aanbodkant van mobiliteit stappen te zetten. Projectontwikkelaar OVG en de voormalige deelgemeente Prins Alexander hebben initiatief genomen om binnen de Alexanderknoop het mobiliteitsmanagement op te pakken. Voor de gehele Lotusontwikkeling is een gebiedsgerichte mobiliteitsaanpak georganiseerd. Zo krijgen werknemers van bedrijven die naar de Alexanderknoop verhuizen bijvoorbeeld een reisadvies van een persoonlijke reisassistent.
Dynamisch en operationeel verkeersmanagement
De gemeente Rotterdam werkt samen met Rijkswaterstaat, de provincie Zuid Holland, stadsregio Rotterdam, stadsgewest Haaglanden en de gemeente Den Haag binnen het samenwerkingsverband Bereik! aan het programma DVM Zuidvleugel. Gezamenlijke doelstelling binnen DVM Zuidvleugel is het, door de inzet van maatregelen op het gebied van dynamisch verkeersmanagement (DVM), zo lang en gelijkmatig mogelijk rijdend houden van het verkeer op het wegennet in de Zuidvleugel van de Randstad, zonder dat hiervoor grote infrastructurele aanpassingen en investeringen nodig zijn. Met behulp van de inzet van DVM-maatregelen wordt, op basis van actuele verkeersinformatie, geprobeerd verkeershinder tijdens reguliere spitsperioden, calamiteiten en wegwerkzaamheden zo veel mogelijk te beperken. DVM Zuidvleugel maakt evenals mobiliteitsmanagement onderdeel uit van het programma Beter Benutten.
Naast dynamisch verkeersmanagement op het niveau van de Zuidvleugel, voert de gemeente Rotterdam ook operationeel verkeersmanagement uit op haar eigen wegennet. Hiertoe is in 2011 de Rotterdamse Verkeersregiekamer opgericht. Vanuit de Verkeersregiekamer wordt het verkeer op de hoofdwegen in de stad gemonitord. Indien nodig wordt er door middel van het geven van actuele verkeersinformatie op DRIPs (dynamische route-informatiepanelen) en aanpassen van verkeerslichten-regelingen, actief ingegrepen in de verkeersstromen in de stad.
Revitalisatie openbaar vervoersstation
Het openbaar vervoersstation Rotterdam Alexander wordt gerevitaliseerd. Het verouderde station zal zodanig worden vormgegeven dat het weer aan de eisen van deze tijd voldoet. Het is de bedoeling om gelijktijdig met het station ook een kwaliteitsverbetering/ uitbreiding van de fietsenstalling te realiseren. De Alexanderknoop is één van de belangrijkste openbaar vervoerknooppunten in de regio Rotterdam. De revitalisatie van het openbaar vervoersstation zal bijdragen aan een toename van het openbaar vervoergebruik in en rond de Alexanderknoop.
De stadsregio Rotterdam heeft in het Regionaal Investeringsprogramma Verkeer en Vervoer een bedrag van € 2,5 miljoen opgenomen voor herinrichting van het busstation Prins Alexander, als onderdeel van de "Quick Wins Rotterdam Vooruit".
Fysieke maatregelen in de komende jaren
Fysieke maatregelen in/ rond de Alexanderknoop voor autoverkeer zijn de komende jaren niet aan de orde. In 2010 is in opdracht van de voormalige deelgemeente Prins Alexander en de gemeente Capelle aan den IJssel de planstudie "Wegenstructuur Noordoostrand Rotterdam" uitgevoerd. Deze studie ging behalve van de autonome groei van het autoverkeer uit van twee groeiscenario's voor ruimtelijk programma te weten gestage ontwikkeling en ambitieuze groei van de bedrijvigheid ter plaatse van de Alexanderknoop. In de planstudie worden drie infrastructurele maatregelen in/rond de Alexanderknoop voorgesteld. Door de huidige economische situatie zijn de beide in de planstudie onderzochte ambitieniveaus ten aanzien van het ruimtelijk programma onrealistisch gebleken. De in de "Wegenstudie Noordoostrand" voorgestelde maatregelen zijn wel opgenomen in het programma Beter Benutten. Op dit moment is geen zicht op uitvoering van deze maatregelen, vanuit de gemeente Rotterdam zijn hiervoor geen financiële middelen beschikbaar.
Het rijksbeleid op het gebied van water is vastgelegd in de Nota Ruimte (2004). De doelstellingen voor het ruimtelijk beleid die hieruit voortkomen omvatten: borging van veiligheid tegen overstromingen, voorkoming van wateroverlast en watertekorten en verbetering van water- en bodemkwaliteit. Daarnaast hecht het rijk bij de uitvoering van het ruimtelijk beleid grote betekenis aan de borging en ontwikkeling van natuurwaarden, de ontwikkeling van landschappelijke kwaliteit en van bijzondere, ook internationaal erkende, landschappelijke cultuurhistorische waarden.
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) van 2 juli 2003 zijn de taken en verantwoordelijkheden van gemeenten, waterschappen, zowel qua inhoud als qua financiering, beschreven en is een werknorm voor de kans dat het oppervlaktewater het niveau van het maaiveld overschrijdt (o.a. in bebouwd gebied) vastgelegd.
Daarnaast is sinds 1 november 2003 de watertoets wettelijk verplicht voor ruimtelijke plannen. De wijziging op het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (Bro) per 1 november 2003 regelt vooral een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en een uitbreiding van het vooroverleg van artikel 10 Bro.
Sinds eind 2000 is ook de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. Die richtlijn moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is.
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (vastgesteld op 11 november 2009 door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor de provincie Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht.
De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen:
Een onderdeel van het Waterplan2 Rotterdam is het uitvoeringsprogramma 2007-2012. Hierin staat welke projecten in de komende 5 jaar worden uitgevoerd en welke projecten worden voorbereid voor uitvoering na 2012. Het Waterplan2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030.
Deelgemeentelijk Waterplan Prins Alexander 2009 - 2013
In het Deelgemeentelijk Waterplan is voor het gebied Prins Alexander een doorvertaling gemaakt van het Waterplan2 van Rotterdam. Hierin zijn locatiespecifieke streefbeelden vastgesteld en is voor de watergangen de ambitie weergegeven voor de waterkwaliteit en de waterkwantiteit. Tevens zijn concrete maatregelen geformuleerd om te komen tot de gewenste streefbeelden.
In het Deelgemeentelijk Waterplan zijn voor het plangebied meerdere maatregelen genoemd. De maatregelen bevinden zich niet in de directe nabijheid van de ontwikkellocaties.
Voor ontwikkelingen is het waterbeheerplan van HHSK 2010 - 2015 van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) van belang. Ontwikkelingen gaan vaak gepaard met een toename van het verharde oppervlak. In het waterbeheerplan van HHSK 2010 - 2015 is beschreven hoe het Hoogheemraadschap omgaat met het bergen van oppervlaktewater bij een toenemende verharding van het oppervlak. In zijn algemeenheid geldt verder dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanleg van overstorten, van de hemelwaterafvoer op het oppervlaktewater, het dempen en graven van water en het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur maakt het mogelijk dat het Hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.
De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van het oppervlaktewater in het bestemmingsplan Alexanderknoop is het HHSK. Het wateradvies is aan HHSK en Gemeentewerken Rotterdam - afdeling Watermanagement voorgelegd. De opmerkingen zijn in de tekst verwerkt.
Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van de huidige waterhuishouding binnen het plangebied. Ingegaan wordt op de aspecten oppervlaktewater, afval- en hemelwater, grondwater, waterkeringen en waterveiligheid.
Het gebied Prins Alexander bestaat voor het grootste deel uit voormalig polderlandschap. Vanaf de jaren '60 tot op heden is het gebied ontwikkeld tot het huidige stedelijk gebied.
Het deel van het plangebied ten westen van de Prins Alexanderlaan valt in de wijk Het Lage Land, het oostelijk deel is onderdeel van de wijk Oosterflank.
De wijken Het Lage Land en Prinsenland hebben één gezamenlijk watersysteem. Het westelijk deel van het plangebied vormt tussen de A20 en de Hoofdweg een eigen peilgebied (NAP -6,80 meter) dat gevoed wordt vanuit Ommoord. Via een stuw onder de Hoofdweg watert dit peilgebied af naar Het Lage Land (NAP -7,0 meter). Het oostelijk deel van het plangebied maakt deel uit van het peilgebied in de wijk Oosterflank met een waterpeil van NAP -6,5 meter.
F
iguur overzicht peilgebieden en watergangen in plangebied
Voor grondwater liggen een aantal peilbuizen in het plangebied, waarvan er twee in de buurt van de ontwikkelingen liggen. De ligging van de peilbuizen is weergegeven in de onderstaande figuur.
Figuur locatie peilbuizen
De grondwaterstand wordt met de peilbuizen 1134571-93 en 1134571-94 structureel gemeten sinds 2010. Een samenvatting van de meetresultaten is weergegeven in de tabel.
Peilbuis | Maaiveldhoogte | Gemeten grondwaterstand | ||
Laagste | Hoogste | Gemiddelde | ||
1134571-93 | - 5,71 | - 6,79 | - 6,29 | - 6,55 |
1134571-94 | - 5,46 | - 6,58 | - 6,02 | - 6,26 |
Tabel meetresultaten grondwaterstand
Uit de tabel blijkt dat gemiddeld genomen de ontwateringdiepte rond de gewenste 0,8 meter ligt.
Waterkeringen
Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een waterkering. Dit onderdeel is daarom niet nader in beeld gebracht.
Waterveiligheid
Het bestemmingsplangebied ligt geheel binnen de primaire waterkering (dijkring 14 met een overschrijdingskans van 1/10.000).
De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke delen van de provincie in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire kering onder water lopen en welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden. In de figuur is dit voor het plangebied weergegeven.
Figuur potentiële waterdiepte bij doorbraak primaire kering
Uit de figuur blijkt dat bij een dijkdoorbraak het plangebied vrijwel volledig onder water komen te staan (op de A20 en de spoorlijn na). Er zijn waterdieptes mogelijk tot 5 meter.
Het rioleringsysteem in het gebied Prins Alexander bestaat grotendeels uit een gemengd stelsel. Het stelsel bestaat hoofdzakelijk uit vrijvervalleidingen.
Het plangebied valt in zijn geheel binnen district 18, 'Alexanderpolder'. In het plangebied bevindt zich één overstort op oppervlaktewater (G.H. Betzweg), zie figuur. Het afvalwater van district 18 wordt afgevoerd richting de afvalwaterzuiveringsinstallatie Kralingse Veer.
Figuur Overstorten in plangebied
Dit hoofdstuk beschrijft per wateraspect de effecten die de ontwikkellocaties hebben op de waterhuishouding.
Waterbergingsopgave
In het deelgemeentelijk waterplan is aangegeven dat het watersysteem kwantitatief op orde is. Overal in het gebied is voldoende waterberging aanwezig en voldoet het watersysteem aan de bergingseisen van het NBW.
Wateropgave in relatie tot de verbeelding en regels
De in het plangebied aanwezige watergangen en -partijen hebben de bestemming Water gekregen. De onderhoudstroken langs de hoofdwatergangen, waarop de Keur van het HHSK van toepassing is, zijn met een aanduiding op de verbeelding aangegeven.
Op grond van de Keur van HHSK (artikel 67 lid 11) is het verboden (behoudens ontheffing) bouwwerken op te richten of houtgewassen te planten binnen een zone van 5 meter (gemeten vanuit de insteek van het talud) langs hoofdwatergangen respectievelijk boezemwatergangen, ten behoeve van het onderhoud van genoemde watergangen.
Een initiatiefnemer met bouwvoornemens in een keurstrook wordt geadviseerd om contact op te nemen met HHSK over antwoord op de vraag of voor het bouwproject in kwestie ontheffing van het bouwverbod in de Keur kan worden verleend.
Voor de uitvoering van werken binnen de op de verbeelding opgenomen dubbelbestemming Waterstaat - Waterstaatkundige functie is vergunning vereist van het HHSK, onverminderd de bepalingen van het bestemmingsplan terzake.
Het terrein ter plaatse van de ontwikkellocatie Lotus 3b is thans een braakliggend terrein in afwachting van de toekomstige ontwikkeling. De ontwikkeling zorgt voor een toename van circa 3.500 m2 aan verhard oppervlak.
Het beleid van het HHSK is erop gericht dat het functioneren van het watersysteem niet verslechtert als gevolg van de nieuwbouwplannen. Dit betekent dat het realiseren van verhard oppervlak gecompenseerd moet worden door aanvullende waterberging.
Door het HHSK is de benodigde compensatie als gevolg van de te verwachten extra verharding gebiedsafhankelijk berekend. In dit gebied geldt dat een verhardingstoename gecompenseerd moet worden door een wateroppervlak dat minimaal gelijk is aan 14,8% van de netto verhardingstoename. Bij een verharding van 3.500 m2 betekent dit dat er 518 m2 aan open water gerealiseerd moet worden binnen hetzelfde peilgebied (GPG-199) of het aangrenzende lagere peilgebied.
In de watervergunningaanvraag, die hiervoor moet worden ingediend, moet aangegeven worden op welke wijze de verharding wordt gecompenseerd.
De toename van verhard oppervlak bij locatie Lotus 3b kan gevolgen op de grondwaterstand hebben. Wanneer er sprake is van het aanbrengen van ondergrondse objecten, zoals een parkeergarage, is nader geohydrologisch onderzoek nodig.
Waterkeringen
Het plangebied bevindt zich niet in de nabije omgeving van waterkeringen.
Waterveiligheid
De ontwikkelingen in het gebied hebben geen invloed op het veiligheidsrisico binnendijks en dragen beperkt bij aan de totale waarde binnen dijkringgebied 14.
Afvalwater
De ontwikkelingen in het bestemmingsplan zullen leiden tot een toename van het aantal vierkante meters aan voorzieningen, zie onderstaande tabel. Dit houdt in dat er een toename is te verwachten van de hoeveelheid afvalwater die wordt geproduceerd.
Ontwikkeling | b.v.o. voorzieningen [m2] |
1. Revitalisering OV-station | 500 m2 extra |
2. Nieuwbouw kantoren Lotus | 15.000 m2 extra |
Tabel toename aantal m2 voorzieningen
Op basis van het bekende oppervlak is een inschatting te maken van de toename van de afvalwaterbelasting als gevolg van de ontwikkelingen:
Voorzieningen
- Gemiddelde belasting van 3 m3 per hectare/uur
- 15.500 m2 / 10.000 m2 * 3 m3 = 4,7 m3/uur
De totale toename van de afvalwaterproductie wordt daarmee geschat op 4,7 m3 per uur voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
Hemelwater
Ten aanzien van hemelwater ligt de voorkeur in principe bij het gescheiden afvoeren van afval- en hemelwater. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI. Het heeft de voorkeur het hemelwater zoveel mogelijk ter plaatse weer terug te brengen in het milieu. Wel moet per locatie bepaald worden of en hoe gescheiden afvoeren op een effectieve manier uitgevoerd kan worden, ook gezien de geohydrologische eigenschappen van het gebied en het feit dat het huidige rioolstelsel bestaat uit een gemengd stelsel.
Aanbevolen wordt ook om naar toepassing van begroeide daken op gebouwen te kijken. Ze houden hemelwater tijdelijk vast en verminderen en vertragen de afvoer van het hemelwater.
Voor de materiaalkeuze van de bebouwing gelden randvoorwaarden, aangezien verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen moet worden. Aangezien uitloogbare materialen een belasting vormen voor de waterkwaliteit, is het wenselijk deze niet toe te passen.
Voor het bepalen van de afvoer van afval- en hemelwater dient een rioolplan te worden opgesteld. Geadviseerd wordt om hiervoor tijdig een overleg te organiseren tussen de ontwikkelende partij, de waterbeheerder en de rioolbeheerder.
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren.
In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast bestaat er voor enkele milieuthema's Rotterdams beleid. De voor dit bestemmingsplan relevante thema's worden in dit hoofdstuk verder uitgewerkt.
Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r.. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden.
Plangebied
Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. In het bestemmingsplan zijn geen activiteiten opgenomen die voorkomen op de C/D-lijst. De ontwikkelingen liggen niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000 gebied. Bovendien hebben de ontwikkelingen vanwege de beperkte omvang nauwelijks negatieve effecten op het milieu. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken waarvan de resultaten beschreven zijn in dit hoofdstuk.
Op grond van het bovenstaande is bestemmingsplan "Alexanderknoop" niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig.
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. De gemeente Rotterdam gebruikt al sinds de jaren '50 instrumenten om bedrijven in te passen in de omgeving. Dit gebeurde eerst door middel van de Hinderwetverordening. Vanaf de jaren '70 werkt de gemeente met de Rotterdamse 'Staat van Inrichtingen'. Deze is afgeleid van de inrichtingen die zijn opgenomen in het Hinderbesluit en uitgebreid met een indeling in milieucategorieën. Begin jaren '90 heeft Rotterdam beleid vastgesteld waarbij voor de milieuzonering gebruik wordt gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering).
De (huidige) VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging.
Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking.
De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen.
Plangebied
Het plangebied van dit bestemmingsplan is volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid als gemengd gebied. In het bestemmingsplan zijn de functies zoals bijvoorbeeld; kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig bestemd en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Het inpassen van deze functies is maatwerk.
In het plangebied ligt tussen de Hoofdweg en het treinspoor het bedrijventerrein Prins Alexander. Het westelijk gedeelte van dit bedrijventerrein heeft de bestemming "Bedrijf" gekregen. Op dit gedeelte zijn voornamelijk autosloperijen gevestigd. Hier zijn tevens enkele bedrijfswoningen gelegen (zie 4.3.1).
Het oostelijk deel van het bedrijventerrein heeft de bestemming Gemengd - 3 gekregen. Op dit gedeelte is veel detailhandel in volumineuze goederen (automerkdealers) gevestigd. In de planregels is aangegeven deze gronden zijn bestemd voor: bedrijven t/m categorie 3.2, kantoren, detailhandel in volumineuze goederen, bouwmarkten en maatschappelijke voorzieningen. Autosloperijen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan.
In het plangebied bevindt zich de RoCa Electriciteitscentrale. Dit is een cat. 5.1 bedrijf en krijgt een maatbestemming.
Straal- en Coatingbedrijf Den Brinker Rotterdam B.V.is een cat. 4.1 bedrijf en krijgt een maatbestemming.
Special Effects Wiessenhaan v.o.f heeft opslag voor professioneel vuurwerk (cat. 5.1) en heeft een maatbestemming in artikel Toegestane bedrijven van de planregels gekregen. Halfords Superstore heeft een verkooppunt voor consumentenvuurwerk (cat. 5.1) en daarvoor zijn in artikel 8.4 van de planregels specifieke gebruiksregels opgenomen. Zie ook paragraaf 6.7.7.
Overige activiteiten in of nabij het plangebied
In en nabij het plangebied zijn er activiteiten die van invloed zijn op het plangebied in verband met geluid, lucht en externe veiligheid. De invloed van de activiteiten komt aan de orde bij de desbetreffende paragrafen over.
De overige activiteiten in of nabij het plangebied zijn niet belemmerend voor (nieuwe ontwikkelingen binnen) dit bestemmingsplan, anders dan die reeds in het bestemmingsplan zijn genoemd, en/of waarmee reeds rekening is gehouden.
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer.
Volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder (Wgh), maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen, zoals scheepvaart, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht.
In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.
Rotterdams beleid
In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeursgrenswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.
Als in een geluidszone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.
Soort gebied | Stedelijk- | -gebied | Buiten- | -stedelijk- | -gebied | ||||
Aantal rijstroken | 1 of 2 | 3 of meer | 1 of 2 | 3 of 4 | 5 of meer | ||||
Zonebreedte | 200 meter | 350 meter | 250 meter | 400 meter | 600 meter |
Tabel Breedte geluidszones langs wegen
Voor de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling "revitalisering van het openbaar vervoersstation" geldt het volgende. De herinrichting van het busplatform maakt onderdeel uit van de revitalisering van het openbaar vervoersstation. De Marten Meesweg vormt thans de enige toegangsweg tot het busplatform en deze weg zal niet worden verschoven in de richting van de gevels van gebouwen met geluidsgevoelige functies. Geluidsonderzoek is op dit moment daarom niet aan de orde. Ten tijde van de daadwerkelijke uitvoering dient door middel van een geluidsonderzoek te worden onderzocht of reconstructie in het kader van de Wet geluidhinder aan de orde is.
Op de thans braakliggende locatie op de hoek Grote Beer/Hoofdweg zijn geen geluidsgevoelige voorzieningen (maatschappelijk en woningen) toegestaan vanwege de nabije ligging bij een druk verkeerskruispunt. Op de verbeelding hebben deze gronden de aanduiding "milieuzone - geluidsgevoelige functies" gekregen.
In het plangebied ligt de E.ON-warmtekrachtcentrale. Rondom dit bedrijf ligt een geluidszone, vastgesteld in het kader van de Wgh. Binnen deze geluidszone worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, die geluidsgevoelige functies toelaten. Akoestisch onderzoek is daardoor niet nodig.
Overeenkomstig de systematiek bij wegverkeerslawaai hebben ook spoorwegen (trein en metro) een geluidszone. De breedte van de geluidszone voor spoorwegen is vastgesteld in het Regeling zonekaart spoorwegen. geluidhinder. Wanneer geluidsgevoelige bestemmingen in een zone liggen, dient te worden getoetst aan de voorkeurswaarde voor railverkeerslawaai.
Voor spoorwegtrajecten, die zijn aangegeven op de geluidsplafondkaart, is de geluidszone afhankelijk van de hoogte van het geluidsproductieplafond (GPP) op het betrokken referentiepunt (art. 1.4a Bg).
Ter hoogte van het plangebied ligt het traject 601, Spoorweg Rotterdam – Utrecht. De breedte van de geluidszone langs dit spoorwegtraject is 300 tot 600 meter. De GPP's langs dit traject variëren van 64 tot 68 dB. De breedte van de geluidzone langs het traject 617, Metro, is 100 meter.
Binnen de geluidszone van de spoorlijn en metrolijn worden geen nieuwe geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt.
De Wet geluidhinder levert geen beperkingen op voor dit bestemmingsplan.
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen.
Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan.
De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.
Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als:
Rotterdams beleid
Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.
Het Rotterdams beleid schrijft voor dat er binnen de contouren van de grenswaarden geen
nieuwe woningen mogen worden gebouwd.
Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang.
De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en
kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen
aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft
betrekking op de gronden binnen een afstand van 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen een afstand van 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en
omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de
beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe
bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.
Ten behoeve van het bestemmingsplan is een onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit in het plangebied. Als onderzoeksgebied zijn de wegen in en rondom het plangebied genomen waar de planontwikkeling mogelijk een merkbare invloed heeft op de verkeersintensiteiten.
Grenswaarden en actuele waarden luchtkwaliteit
De in de Wet luchtkwaliteit genoemde grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) geldt vanaf 01-
01-2015 en is 40 µg/m3. De grenswaarde voor fijnstof (PM10) is 40 µg/m3 en geldt sinds 01-
07-2011.
Het aantal dagen waarop de daggemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 voor PM10 mag
worden overschreden is 35. Deze daggemiddelde grenswaarde wordt overschreden bij een
jaargemiddelde concentratie van 32,4 µg/m3 en hoger.
Volgens de monitoringstool-2011 wordt in het plangebied vanaf 2011 aan de grenswaarde
voor NO2 in het plangebied voldaan. Ook wordt in 2011 en later aan de grenswaarden
(daggemiddelde en jaargemiddelde) voor fijnstof voldaan.
De concentraties van de overige stoffen die ingevolge de Wet luchtkwaliteit moeten worden
getoetst zijn zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, lood en de uurgemiddelde grenswaarde
van stikstofdioxide (NO2). De waarden van deze stoffen liggen in Rotterdam en omgeving
ruim onder de grenswaarden en worden daarom buiten beschouwing gelaten.
Ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied
Cumulatie met andere plannen in de omgeving is niet aan de orde, omdat dergelijke plannen
niet bestaan.
Toetsing
Toetsing van de ontwikkelingen aan de regeling NIBM leidt tot de conclusie dat deze een niet in betekenende mate (NIBM) verslechtering geven van de luchtkwaliteit. De reden hiervoor is dat de ontwikkelingen ruim onder het criterium van 100.000 m2 blijven. Er komen geen nieuwe woningen in het plangebied.
Het Besluit Gevoelige Bestemmingen is niet van toepassing, omdat ter plaatse wordt voldaan aan de
grenswaarden van de luchtkwaliteit.
De Beleidsregel buitenklimaat: Het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen heeft tot gevolg dat er in de bestemmingen gelegen binnen een afstand van 100 meter vanaf de rand van de A20 en een afstand van 50 meter vanaf de rand van de verkeersintensieve wegen in het gebied, de Prins Alexanderlaan en de Hoofdweg geen kinderopvang (geluidsgevoelige maatschappelijke voorziening) mogelijk wordt gemaakt.
Aangetoond is dat het bestemmingsplan "Alexanderknoop" leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit die onder de NIBM grens blijft. Dit plan voldoet aan de Regeling NIBM en daarmee aan de Wet Luchtkwaliteit. Het plan voldoet tevens aan het Rotterdamse beleid.
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal.
Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat door middel van onderzoek moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit voldoet aan de normen die gelden voor de betreffende bestemming. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging zal door middel van te nemen maatregelen moeten worden aangegeven dat de beoogde bestemming haalbaar is.
In 2000 is de Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam opgesteld. Dit document geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd.
In het westelijke deel van het plangebied, aan weerszijden van de Hoofdweg is vanwege de geschiedenis (veel autosloperijen, garages en metaal(afval)verwerkende bedrijven) de bodem ernstig diffuus verontreinigd.
Aan de oostzijde van het plangebied, rondom het winkelcentrum Alexandrium, is bij de herinrichtig van het gebied in de negentiger jaren, de bodem grotendeels gesaneerd. Ten noorden van de spoorlijn Rotterdam-Gouda is het licht verontreinigde oude maaiveld opgehoogd met circa één meter schoon zand. De ernstig verontreinigde gebieden ten zuiden van de spoorlijn zijn gesaneerd en voorzien van een meter schoon zand. Ook de aanwezige puntbronnen zijn gesaneerd.
Medio zestiger jaren is ten noorden van de spoorlijn de rijksweg A20 aangelegd. Over eventuele bodemverontreiniging is weinig bekend. De kans op puntbronnen is klein.
De bodemkwaliteit is naar verwachting niet beperkend voor de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen.
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. In de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (c-RNVGS, hierna: circulaire) wordt het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen, die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen, beschreven. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico en een oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het persoonsgebonden risico wordt uitgedrukt in de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats buiten een inrichting zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeluk binnen die in-richting. Dit risico is een maatstaf voor de persoonlijke veiligheid van mensen die in de omgeving van een risicovolle activiteit wonen of werken (objecten). Het groepsrisico is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het groepsrisico kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.
Voor het transport van gevaarlijke stoffen gelden de normen voor het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico zoals hierboven is aangegeven. Het belangrijkste beleidsdocument is daarbij de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (n-RNVGS) uit 1996. In de 'Handreiking externe veiligheid vervoer gevaarlijke stoffen' (VNG, 1998) is een praktische uitwerking weergegeven van de nota. Volgens de n-RVGS kan het (lokaal of regionaal) bevoegd gezag gemotiveerd afwijken van de oriëntatiewaarde. De rol van de provincie is te toetsen, of de afweging van het bevoegd gezag in redelijkheid kon worden gemaakt.
In augustus 2004 is door het Rijk de circulaire uitgebracht. De circulaire gaat ondermeer in op de toepassing van de risicobenadering bij omgevingsbesluiten. Met ingang van 1 januari 2010 is de circulaire gewijzigd. De wijziging heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en over het water. Met de wijziging wordt geanticipeerd op de toekomstige Wet vervoer gevaarlijke stoffen inzake totstandkoming van een basisnet (Wet Basisnet). Het voorstel is op 19 juni 2012 door de Tweede Kamer en op 9 juli 2013 door de Eerste Kamer aangenomen. Het Basisnet zal in april 2015 in werking treden. Ingaande 31 juli 2012 is de Circulaire gewijzigd waardoor deze nu ook van toepassing is op spoorwegen.
Rotterdams beleid
De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het groepsrisico niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk groepsrisico. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriëntatiewaarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).
Huidige situatie
De Alexanderknoop geldt als een belangrijk infrastructureel en stedelijk knooppunt binnen de gemeente Rotterdam. Dit gebied kenmerkt zich door een goede verbinding met de Rijkswegen A20 en A16. Dankzij het intercitystation Station Alexander en de metro, plus het busstation, zijn er ook uitstekende openbaar vervoersverbindingen. Dit knooppunt heeft dan ook groeipotentieel, dat gedeeltelijk al benut is en in de toekomst verder benut zal worden. In de directe omgeving van het knooppunt zijn vele kantoren, voorzieningen (winkelcentrum Alexandrium) en woningen ontwikkeld. Ook voor de toekomst zijn er nog steeds verdere ontwikkelingsmogelijkheden. Daardoor zal in de toekomst het aantal mensen, dat in de nabijheid van het knooppunt werkt, woont of winkelt verder toenemen.
De situatie met betrekking tot externe veiligheid is echter een zwaarwegend aspect in de huidige situatie en bij verdere toekomstige verdichting. Over het spoor in de Alexanderknoop worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Door de komst van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland wordt de kans op een ongeval met een trein met gevaarlijke stoffen bij de Alexanderknoop verkleind. Door een andere routering (Betuweroute) en een aangepaste treinsamenstelling ligt het groepsrisico ter plekke onder de Oriëntatiewaarde. De verantwoording van verdere verdichting vraagt dan ook niet méér inzet. Er behoeven ook geen kansverkleinende maatregelen te worden genomen. De kans op een ongeval met een trein met gevaarlijke stoffen is dan ook zeer klein. Maar omdat de persoonsdichtheid nabij het spoor hoog is kunnen de gevolgen van een dergelijk ongeval, in termen van letale en niet letale slachtoffers, ondanks het Basisnet, zeer groot zijn.
Om deze gevolgen van een mogelijk ongeval met gevaarlijke stoffen te beperken heeft de gemeente Rotterdam opdracht gegeven om te onderzoeken hoe het effect (doden en gewonden) van een eventueel ongeluk op de aanwezige populatie verkleind kan worden. Centraal staat de vraag hoe de zelfredzaamheid van de aanwezige personen in het gebied aan weerszijden van het spoor kan worden verbeterd om het aantal slachtoffers te beperken. De focus bij deze vraag ligt op de maatgevende ongevalsscenario's van een warme BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) en het vrijkomen van een toxische wolk. Onderzocht zijn drie verschillende mogelijkheden: evacueren, ontruimen of schuilen.
Dit onderzoek is uitgevoerd door de VRR en de gemeente Rotterdam. Op basis van het in het onderzoek geschetste incidentverloop, de optredende effecten en de mogelijkheden van de hulpverleningsdiensten in geval van een ongeval met toxische stoffen en een dreigende warme BLEVE is geconstateerd dat er te weinig tijd is voor een veilige ontruiming of evacuatie van aanwezige personen in de Alexanderknoop. Het handelingsperspectief schuilen is de enige reële mogelijkheid. Derhalve is het Handelingsperspectief "Schuilen in een veilige ruimte van een gebouw, met voorbereiding op ontruiming/evacuatie" de enige reële mogelijkheid waar gemeente en VRR zich op kunnen richten om het aantal slachtoffers bij een ongeval te beperken. Op 21 januari 2014 is door het college van B&W van de gemeente Rotterdam het Handelingsperspectief "Schuilen in een veilige ruimte van een gebouw, met voorbereiding op ontruiming/evacuatie" (zie Bijlage 3) vastgesteld. Daarmee wordt bewerkstelligd dat het effect van een ongeval en daarmee het aantal slachtoffers wordt beperkt en dat, met inachtneming van de juiste bouwkundige maatregelen, de stedelijke ontwikkeling in de omgeving van het knooppunt doorgaan.
Rijksweg A20
Over de A20 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Gerekend is met de Basisnet transporten die over dit deel van de rijksweg A20 (wegvak Z51) zullen worden vervoerd.
Plaatsgebonden risico
Binnen de plaatsgebonden 10-6-contour (veiligheidszone) zijn geen nieuwe Kwetsbare objecten toegestaan. Volgens de circulaire (stcrt.2012, nr 14687, 20 juli 2012) bedraagt de veiligheidszone 32 meter uit het hart van de rijksweg A20. De ontwikkellocatie ligt niet in deze zone en het levert dus geen ruimtelijke beperking op.
Plasbrandaandachtsgebied
In het Basisnet "Weg" is in verband met het vervoer van brandbare vloeistoffen een PlasbrandAandacht Gebied gedefinieerd. Het Plasbrand Aandacht Gebied reikt tot een afstand van 30 meter uit de zijkant van de rijksweg A20. Er bevinden zich in de huidige situatie geen kwetsbare bestemmingen binnen dit PAG. De ontwikkellocatie ligt niet binnen het Plasbrand Aandacht Gebied .
Resultaten groepsrisicoberekeningen
Berekeningen op basis van het transport Basisnet 2023 zijn gemaakt voor de huidige ruimtelijke situatie en de plansituatie. Van de onderstaande tabel en figuur is af te lezen dat in beide situaties het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde uitkomen. Het wegvak van de A20 ter hoogte van de Alexanderknoop is door het Rijk als groepsrisico-aandachtspunt aangeduid. De ontwikkeling van De Lotus (fase 3b) heeft een zeer geringe invloed op het groepsrisico.
Variant | Hoogste over- of onderschrijdings-factor van het GR totale route | Aantal slachtoffers bij de hoogste overschrijding van het GR met bijhorende frequentie |
huidige ruimtelijke situatie | 4,2 | 1199 bij 2,8 x10-8/jr |
plansituatie | 4,7 | 1573 bij 1,9 x10-8/jr |
Tabel Resultaten berekening groepsrisico's autosnelweg A20
Figuur: Groepsrisico huidige situatie (rode lijn) en plansituatie (groene lijn).
Rijksweg A16
Het risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de A16 is onderzocht in het kader van het milieuonderzoek voor het aangrenzende bestemmingsplan "Terbregse Hof". Het betrof de transportsituatie Basisnet. Voor dit aangrenzende bestemmingsplan "Terbregse Hof" is een hoogste waarde van het groepsrisico berekend van 0,1 maal de oriëntatiewaarde (152 slachtoffers met frequentie 5,3x 10-8/jr). Het groepsrisico is sindsdien niet veranderd door ruimtelijke ontwikkelingen langs de A16 bij de Terbregse Hof/Alexanderknoop-westzijde. De ontwikkeling van dit bestemmingsplan heeft door de grote afstand tot de A16 geen invloed op dit groepsrisico.
Het maximale aantal transporten van gevaarlijke stoffen per categorie en per traject is vastgelegd in de circulaire Basisnet (c-Rnvgs, juli 2012). Het betreft het traject 30100 Rotterdam Lombardijen-Breukelen (de spoorvakken met coördinaten 94.108/439.983 tot en met 102.263/44.2393).
Plaatsgebonden risico
Volgens de laatste wijziging van de circulaire (juli 2012) bedraagt het 10-6 plaatsgebonden risicocontour van de spoorbaan een afstand van 7 meter uit het hart van de spoorbundel. Voor dit bestemmingsplan betekent dit dat 10-6 /jr plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen van dit bestemmingsplan, aangezien de 10-6-contour niet buiten de spoorbaan is gelegen.
Groepsrisico
De basisnet transportcijfers en rekenparameters conform de c-RNVGS zijn gebruikt voor de berekening van het groepsrisico met RBM-II (v.2.2). De berekende groepsrisico's zijn weergegeven in de onderstaande tabel en figuur.
Ruimtelijke situatie | Hoogste over- of onderschrijdingsfactor van het GR | Aantal slachtoffers bij de hoogste overschrijding van het GR met bijhorende frequentie |
|
Huidige situatie | 0,64 | 2431 (1,1x10-9jr) | |
Plansituatie | 0,68 | 2431 (1,2x10-9jr) |
Tabel Transportintensiteiten gevaarlijke stoffen conform circulaire Basisnet
Er is een geringe toename van het groepsrisico door Lotus 3b. Dit is visueel weergegeven in de figuur, de groene lijn van het groepsrisico in de plansituatie ligt hoger dan de rode lijn van het groepsrisico van de huidige situatie.
Figuur: Groepsrisico spoor.
Op 1 januari 2011 zijn het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) in werking getreden. Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico en verantwoording van groepsrisico, ruimtelijke reservering voor belemmeringenstrook met aanlegvergunningenstelsel en de Bevb voorwaarden binnen 5 jaar verwerken in bestemmingsplannen. De aanwijzing van buisleidingen, de risicoafstanden en de aanwijzing van de rekenmethodiek zijn opgenomen in de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Als categorieën buisleidingen waarvoor het Bevb geldt zijn voorlopig alleen buisleidingen met een druk vanaf 16 bar voor het transport van aardgas en vloeibare brandstoffen aangewezen.
Hogedruk aardgasleidingen: voor hogedruk aardgasleidingen (vanaf 16 bar) moet het rekenprogramma CAROLA worden gebruikt. CAROLA staat voor: Computer Applicatie voor Risicoberekeningen aan Ondergrondse Leidingen met Aardgas. Het rekenpakket voor bevoegd gezag, adviesbureaus, leidingeigenaren en leidingexploitanten is gebaseerd op een rekenmethodiek die is ontwikkeld door de Gasunie en het RIVM. Het RIVM geeft informatie over CAROLA, verzorgd de verspreiding van dit rekenpakket in Nederland en heeft een Helpdesk CAROLA.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
In en grenzend aan het plangebied ligt een hoge druk aardgasleiding, met kenmerk W-521-04. De gasleiding heeft de bestemming Leiding - Gas gekregen. De gasleiding komt uit Ommoord en eindigt in het reduceerstation in de Koperstraat. Over het terrein van de E.ON loopt een aftakking van deze leiding (kenmerk W-521-40) naar het reduceerstation, dat op dit bedrijfsterrein is gelegen.
De kenmerken van deze leidingen zijn opgenomen in de tabel.
Eigenaar | Leidingnaam | Diameter [mm] | Druk [bar] |
N.V. Nederlandse Gasunie | W-521-04 | 406,4 | 40 |
N.V. Nederlandse Gasunie | W-521-40 | 323,9 | 40 |
Tabel Gasleidingen in het plangebied
Figuur hoge druk aardgasleiding en omgeving
Huidige Situatie
Van leiding W-521-04 bedraagt het hoogste groepsrisico 3,6 maal de oriëntatiewaarde bij 1624 slachtoffers. Dit hoge groepsrisico wordt dominant bepaald door de scholen voor middelbaar onderwijs van Zadkine en Albeda aan de Prins Alexanderlaan. Van leiding W-521-40 is dat kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bij 217 slachtoffers.
Figuur groepsrisico in huidige situatie (leiding W-521-04)
Figuur: groepsrisico in huidige situatie (leiding W-521-40)
Het ministerie van I&M en Gasunie streven er naar om de door de nieuwe regelgeving ontstane groepsrisico-aandachtspunten zoveel mogelijk te saneren. De Gasunie bepaalt de prioriteiten voor het nemen van fysieke maatregelen om het groepsrisico van alle gasleidingen in Nederland onder de oriëntatiewaarde te brengen.
Plansituatie
De rekenresultaten van de plansituatie voor beide leidingen zijn identiek aan die van de huidige situatie. De ontwikkelingen dragen dus niet bij aan het groepsrisico.
Op 27 oktober 2004 is het Bevi van kracht geworden. Tegelijk met dit besluit is een ministeriële regeling van kracht geworden waarin afstandsnormen voor onder andere LPG-tankstations zijn vastgelegd. Welke afstanden er gelden is afhankelijk van de doorzet (verkoop) van LPG in m3 per jaar en van het feit of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn de afstanden voor het plaatsgebonden risico vastgelegd en de normen voor de berekening van het groepsrisico gegeven.
In de nabijheid van het plangebied liggen twee LPG-stations:
In het plangebied van dit bestemmingsplan ligt bebouwing dat binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van deze twee benzinestations is gelegen.
LPG tankstation Capelseweg 399, gemeente Capelle aan den IJssel
Door de DCMR Milieudienst Rijnmond is een onderzoek gedaan naar het risico van dit tankstation. De LPG doorzet op het tankstation bedraagt maximaal 1.000 m3 per jaar (bron: www.risicokaart.nl). Een deel van het plangebied van dit bestemmingsplan ligt binnen het invloedsgebied van dit tankstation. In verband hiermee is het groepsrisico berekend met het programma Safeti.
De ontwikkelingen van het bestemmingsplan hebben geen invloed op het groepsrisico, omdat zij buiten het invloedsgebied vallen.
De Rijksoverheid heeft met de branchevereniging LPG het convenant LPG-autogas, 2005 afgesloten. In het convenant zijn maatregelen afgesproken zoals een hittewerende coating op LPG-tankauto's en een verbeterde vulslang. Volgens jurisprudentie mag bij de verantwoording van het groepsrisico met de (in de praktijk uitgevoerde) maatregelen rekening worden gehouden.
Op grond van het voorgaande zijn de volgende situaties berekend:
De ontwikkelingen van het bestemmingsplan (Lotus 3b) hebben geen invloed op het groepsrisco, omdat zij buiten het invloedsgebied vallen.
In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten weergegeven.
Situatienummer | Omschrijving situatie |
Maatregelen Convenant | Bevolking in berekening | Groepsrisico (factor oriëntatiewaarde) |
Aantal slacht- offers en kans |
1 | huidige situatie | nee | alles | 4,6 | 600 x 1,27 e-8 |
2 | huidige situatie | ja | alles | 0,2 | 300 x 1,66 e-9 |
3 | plansituatie Capelle | nee | alles | 1,2 | 300 x 1,30 e-8 |
4 | plansituatie Capelle | ja | alles | <0,1 | 200 x 1,0 e-9 |
5 | huidige situatie | nee | alleen Capelle aan den IJssel |
1,3 | 300 x 1,40 e-8 |
6 | huidige situatie | ja | alleen Capelle aan den IJssel |
0,2 | 300 x 1,65 e-9 |
7 | plansituatie Capelle | nee | alleen Capelle aan den IJssel |
0,2 | 120 x 1,33 e-8 |
8 | plansituatie Capelle | ja | alleen Capelle aan den IJssel |
<0,1 | 120 x 1,13 e-9 |
9 | huidige situatie | nee | alleen Rotterdam | 0,8 | 250 x 1,33 e-8 |
10 | huidige situatie | ja | alleen Rotterdam | <0,1 | 200 x 1,02 e-9 |
Tabel Rekenresultaten groepsrisico
Uit de tabel blijkt dat:
LPG tankstation President Rooseveltlaan 751
Plaatsgebonden risico
De LPG doorzet op het tankstation bedraagt maximaal 1.000 m3 per jaar (bron: www.risicokaart.nl). Toepassing van het Bevi/Revi geeft aan dat het plaatsgebonden 10-6-risicocontour van het vulpunt een afstand van 45 meter bedraagt. De plaatsgebonden 10-6-risicocontouren van de ondergrondse tank en afleverzuil bedragen respectievelijk een afstand van 25 meter en 15 meter. Het vulpunt ligt op 51 meter van het aan de overkant gelegen tuincentrum Ommoordsehof, dat geen onderdeel is van dit bestemmingsplan. Dit is de dichtstbijzijnde bebouwing. Er is geen knelpunt in de huidige situatie.
Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt hebben deze contouren, gelet op de grote afstanden tot de ontwikkelingen, geen gevolgen.
Groepsrisico
Met behulp van de LPG-tool van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is gerekend. Omdat de bebouwde omgeving van het invloedsgebied niet verandert in de planperiode, is volstaan met één berekening van het groepsrisico. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico ruim (factor 10) onder oriëntatiewaarde blijft. Het groepsrisico verandert niet door de ontwikkelingen in dit plan.
Aardgasreduceerstation
Het gasdrukregel- en meetstation aan de Koperstraat 94 heeft een 10-6 plaatgebonden risicocontour van 25 meter (bron: www.risicokaart.nl). Binnen deze afstand liggen nu geen kwetsbare objecten.
Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen in de omgeving van dit station.
Om in aanmerking te komen voor een vergunning voor het opslaan en verkopen (in de laatste dagen van het jaar) van consumentenvuurwerk dient men te beschikken over een opslagruimte (bewaarplaats / kluis) die voldoet aan een aantal veiligheidseisen.
Special Effects Wiessenhaan v.o.f aan de Chroomstraat 5 heeft opslag voor professioneel vuurwerk (milieucategorie 5.1). In de milieuvergunning voor dit bedrijf is op advies van en in overleg met de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond de noodzakelijke veiligheidsafstand bepaald op 30 meter. Binnen deze afstand zijn geen (beperkt) kwetsbare bestemmingen toegestaan. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen binnen deze afstand mogelijk.
Transport gevaarlijke stoffen over het spoor
Het plaatsgebonden risico en het plasbrand aandachtsgebied vormen geen beperking vormen voor de ontwikkelingen van Lotus 3b die het bestemmingsplan mogelijk maakt.
Het groepsrisico neemt in beperkte mate toe van 0,64 maal de oriëntatiewaarde in de huidige situatie tot 0,68 maal de oriëntatiewaarde in de plansituatie.
Ter vergroting van de zelfredzaamheid is in de planregels van het bestemmingsplan opgenomen dat van het gebouw Lotus 3b ten minste één (nood) uitgang van het spoor moet zijn afgekeerd en ten minste één (nood)uitgang van de A20/hogedruk aardgasleiding moet zijn afgekeerd. Deze planregels zullen ook voor de bestaande situaties gelden in het geval van sloop/nieuwbouw van een bestaand kantoor.
Om de effecten van een ongeval met gevaarlijke stoffen te verkleinen, zal over het Handelingsperspectief "Schuilen in een veilige ruimte van een gebouw, met voorbereiding op ontruiming/evacuatie" (zie Bijlage 3) met de ontwikkelaar van Lotus 3b in overleg worden getreden, waarbij de focus zal zijn gericht op de vraag hoe dit kan worden ingepast in het bouwplan.
Transport gevaarlijke stoffen over de weg (A16 en A20)
Het plaatsgebonden risico en het Plasbrand Aandachtgebied van de A16 en A20 vormen geen beperking vormen voor de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt.
Het groepsrisico van de A16 is minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en neemt in de plansituatie niet toe.
Het groepsrisico van de A20 is 4,2 maal de oriëntatiewaarde in de huidige situatie en neemt in de plansituatie in geringe mate toe tot 4,7 maal de oriëntatiewaarde.
Transport hoge druk aardgasleidingen
Het plaatsgebonden risico en het plasbrandaandachtsgebied vormen geen beperking voor de ontwikkeling van Lotus 3b die in het bestemmingsplan wordt mogelijk maakt.
Het groepsrisico bedraagt in de huidige situatie 3,6 maal de oriëntatiewaarde, dit hoge groepsrisico wordt dominant bepaald door de bestaande scholen van Zadkine en Albeda.
Het groepsrisico neemt als gevolg van de ontwikkeling van Lotus 3b die het bestemmingsplan mogelijk maakt niet toe.
Voor overschrijdingen van de oriëntatiewaarde (zoals bij het tracé van de gasleiding langs Zadkine) bestaat geen saneringsplicht. Wel streven het ministerie van I&M en Gasunie er naar om de door de nieuwe regelgeving ontstane groepsrisico-aandachtspunten zoveel mogelijk te saneren. De Gasunie bepaalt de prioriteiten voor het nemen van maatregelen om het groepsrisico van alle gasleidingen in Nederland onder de oriëntatiewaarde te brengen. Bij brief van 10 juli 2014 geeft de Gasunie aan dat op deze locatie vanaf 2014 fysieke maatregelen zullen worden uitgevoerd, waardoor het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde zal worden gebracht.
LPG tankstation Capelseweg 399, gemeente Capelle aan den IJssel
De plaatsgebonden risico's vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen.
In alle situaties waarbij rekening gehouden wordt met de maatregelen uit het LPG convenant blijft het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. De Rotterdamse populatie vormt een gering aandeel van de totale populatie die het groepsrisico bepaalt. In de huidige situatie zonder de maatregelen uit het convenant vertegenwoordigt het aandeel van de Rotterdamse populatie een groepsrisico van minder dan 1,0 maal de oriëntatiewaarde.
Het groepsrisico verandert niet door dit plan.
LPG tankstation President Rooseveltlaan 751
De plaatsgebonden risico's vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico ruim (factor 10) onder oriëntatiewaarde blijft. Het groepsrisico verandert niet door dit plan.
Inrichtingen
Gasdrukregel- en meetstation
Het bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen binnen de 10-6/jr plaatsgebonden risicocontour van het gasdrukregel- en meetstation. De regelgeving kent geen groepsrisico. Derhalve vormt dit station geen belemmering.
Opslag van vuurwerk
De plaatsgebonden risico's van het vuurwerkbedrijf aan de Choormstraat 5 vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Voor het vuurwerkbedrijf aan de Chroomstraat 5 geldt beperking aan het toekomstig ruimtelijk gebruik van de omgeving binnen de plaatsgebonden risicocontour van 30 meter.
Conclusie
Plaatsgebonden risico
De normen voor het plaatsgebonden risico en het plasbrand aandachtsgebied vormen geen beperking voor de ontwikkeling van het kantoorgebouw Lotus 3b die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.
Groepsrisico
De oriëntatiewaarde vanwege het LPG tankstation Capelseweg 399, gemeente Capelle aan den IJssel en voor het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor worden niet overschreden. In het laatste geval is er wel een lichte toename vanwege de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.
De oriëntatiewaarde als gevolg van het transport door de hoge druk aardgasleiding wordt overschreden. Er vindt echter geen stijging plaats vanwege de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling.
De oriëntatiewaarde vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de A20 wordt overschreden. De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling veroorzaakt een geringe stijging van de oriëntatiewaarde. In hoofdstuk 6.7.9. wordt de overschrijding alsmede de stijging van de oriëntatiewaarde verantwoord.
De verantwoording van het groepsrisico houdt concreet een afweging in tussen:
Aan de hand van de CHAMP (Communicatie- of informatieplicht, Horizonplicht, Anticipatieplicht, Motivatieplicht en Preparatieplicht)-methodiek wordt invulling gegeven aan de verantwoording van het risico van de gebiedsontwikkeling binnen de Alexanderknoop (zie Bijlage 2). Deze methode komt overeen met de verantwoording van het groepsrisico volgens de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (c-RNVGS). Tevens is het veiligheidsadvies van de Directeur Risico- en Crisisbeheersing van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) aan het college van B&W hierin opgenomen (zie Bijlage 1).
Samenvatting
De ontwikkeling van Lotus 3b heeft de volgende gevolgen voor het groepsrisico:
huidige situatie tot 0,68 maal de oriëntatiewaarde in de plansituatie;
neemt in de plansituatie toe tot 4,7 maal de oriëntatiewaarde.
De volgende groepsrisico's veranderen niet door dit bestemmingsplan:
maal de oriëntatiewaarde;
oriëntatiewaarde ;
van de oriëntatiewaarde.
De groepsrisico's van de A20 en de ondergrondse buisleiding voor hogedrukaardgas voldoen niet aan de oriëntatiewaarde. Het streven is erop gericht om met het groepsrisico beneden de oriëntatiewaarde te komen, maar dit bestemmingsplan kan dat niet beïnvloeden:
het Basisnet Weg. De gemeente Rotterdam heeft hierop geen invloed.
groepsrisico-aandachtspunt en is recent op een saneringslijst, die door de Gasunie i.o.m. het Ministerie van I&M is samengesteld, geplaatst. De Gasunie stelt, al naar gelang de beschikbare middelen, een prioriteitenlijst op voor het nemen van maatregelen om het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde te brengen.
Maatregelen
In het bestemmingsplan worden de volgende maatregelen genomen:
opgenomen dat bij kantoorgebouwen ten minste één (nood) uitgang van het spoor moet zijn afgekeerd en ten minste één (nood)uitgang van de A20/hogedruk aardgasleiding moet zijn afgekeerd. Deze planregels zullen ook voor de bestaande situaties gelden in het geval van sloop/nieuwbouw van een bestaand kantoor.
Tevens worden parallel aan dit bestemmingsplan de volgende maatregelen in het gebied getroffen:
Handelingsperspectief "Schuilen in een veilige ruimte van een gebouw, met voorbereiding op ontruiming/evacuatie" met de ontwikkelaar van Lotus 3b in overleg worden getreden, waarbij de focus zal zijn gericht op de vraag hoe dit kan worden ingepast in het bouwplan.
samenwerking met de VRR en DCMR aandacht zal worden besteed aan risicocommunicatie ten behoeve van werknemers/gebruikers/bezoekers in bebouwing nabij risicobronnen. Belangrijk onderdeel van dit project zal zijn om het handelingsperspectief 'schuilen' onder de aandacht te brengen."
aandachtspunt is. Vanaf 2016 zullen daarom fysieke maatregelen worden uitgevoerd, zodat het groepsrisico voor de gasleiding tot onder de oriëntatiewaarde wordt teruggebracht.
Afweging
Bij de bestuurlijke afweging is het van belang dat de maatschappelijke baten in verhouding staan tot de maatschappelijke kosten van de ontwikkeling van Lotus 3b. Het sociaal-economische belang van deze ontwikkeling in dit plangebied is zodanig dat in de belangenafweging de huidige groepsrisico's in het plangebied Alexanderknoop en de geringe toenames van de groepsrisico's ten gevolge van het spoor en de rijksweg A20 als aanvaardbaar zijn te achten. In de afweging is meegewogen dat:
van de A20 en de hogedruk aardgasleiding te verkleinen;
omgeving);
De overwegingen ten aanzien van economie, ruimtelijke ordening en externe veiligheid zijn in een multicriteria tabel uitgewerkt.
Conclusie
Op basis van de hiervoor genoemde maatregelen, overwegingen en het VRR advies vindt het college van B&W van de gemeente Rotterdam, bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Alexanderknoop", het volgende:
De Europese Unie heeft richtlijnen opgesteld om de biodiversiteit te behouden. Nederland heeft hieraan uitwerking gegeven in de Natuurbeschermingswet, die vooral gericht is op het beschermen van gebieden en de Flora- en faunawet die vooral gericht is op de bescherming van soorten.
De Natuurbeschermingswet beschermt specifieke gebieden (Natura 2000) op basis van Europese richtlijnen: Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetlands en Beschermde Natuurmonumenten. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Daarnaast kan hier ook het beschermen van soorten op basis van de Flora- en faunawet van toepassing zijn.
De Flora- en faunawet regelt de soortbescherming en geldt voor heel Nederland. Voor alle in het wild levende planten en dieren geldt een algemene zorgplicht. Tevens is een lijst van kracht met beschermde soorten. De bescherming van deze soorten is nader uitgewerkt in verbodsbepalingen.
Bij het opstellen van het bestemmingsplan dient rekening te worden houden met de gevolgen van het plan voor de natuur. Gekeken dient te worden of ten gevolge van het plan, of bij de uitvoering van het plan geen blijvende schadelijke effecten zullen optreden aan gebieden en soorten. Dit moet 'op voorhand in redelijkheid' worden ingeschat via een deskundigenrapport (zgn. natuurtoets, of ecologische toets).
Als er mogelijk effecten zijn, moet aannemelijk worden gemaakt dat daarvoor een ontheffing Flora- en faunawet kan worden verkregen en/of dat met zorgvuldig handelen schade kan worden voorkomen. Op grond van de Natuurbeschermingswet geldt een vergunningplicht. Als een vergunning nodig is, dan moet, om de uitvoerbaarheid voor het bestemmingsplan aan te tonen, aannemelijk worden gemaakt dat een vergunning kan worden verleend, zo nodig met mitigerende maatregelen, of door middel van compensatie.
Voor het bestemmingsplan Alexanderknoop is alleen de Flora- en faunawet relevant. Want het dichstbijgelegen Habitatrichtlijngebied (Natuurbeschermingwet) is de Oude Maas en ligt op ruim 12 kilometer van het plangebied. De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen kunnen geen significante invloed op de Oude Maas hebben.
Er lopen geen gedeelten van de provinciale ecologische hoofdstructuur door het bestemmingsplangebied. Er zijn ook geen onderdelen van de PEHS binnen het gebied gepland. Het dichtstbijgelegen onderdeel van de PEHS is het gebiedje Groenezoom bij Nieuwkerk (zoekgebied Hitland en Groene zoom). Dit is ongeveer 2 kilometer van het dichtstbijgelegen gedeelte van het plangebied gelegen. Het is onwaarschijnlijk dat de beperkte ontwikkelingen die door het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt invloed kunnen hebben op de provinciale ecologische hoofdstructuur.
Binnen het bestemmingsplangebied zijn in het verleden door IGWR-MRO 3 onderzoeken uitgevoerd.
In de quickscan welke in 2006 is uitgevoerd ten behoeve van het plan Lotus is aangegeven dat middels de Flora- en faunawet beschermde soorten aanwezig kunnen zijn en dat nader onderzoek uitgevoerd moet worden. Dit onderzoek is vermoedelijk door bureau Waardenburg uitgevoerd en bij ons niet bekend. In de natuurparagraaf uit 2008 ten behoeve van Lotus IIIa is aangegeven dat er geen conflict is met de Flora - en faunawet. Ook tijdens de bomencontrole uit 2011 zijn geen bijzondere soorten aangetroffen.
Van de ontwikkellocatie is nog geen ecologische vooronderzoek bekend.
Ten behoeve van de ontwikkelingen in het plangebied is door het ingenieursbureau van de gemeente Rotterdam een flora- en faunatoets uitgevoerd:
Vooral in de groene zones aan beide zijden van de snelweg A20 zijn fouragerende en overvliegende Gewone dwergvleermuizen (Pipistrellus pipistrellus) en Ruige dwergvleermuizen (Pipistrellus nathusii) waargenomen. In deze zones liggen ook enkele paarverblijfplaatsen van de Gewone dwergvleermuis.
De Gierzwaluw (Apus apus) is onder de Flora- en faunawet aangemerkt als jaarrond beschermde soort, broedlocaties zijn daarmee ook buiten het broedseizoen beschermd. De Gierzwaluw is nabij de ontwikkellocaties waargenomen. Gierzwaluwen gebruiken relatief steile pannendaken om onder te broeden. De huidige bebouwing op de ontwikkellocaties heeft echter platte daken welke ongeschikt zijn als broedplek voor deze vogels.
Voor de eveneens jaarrond beschermde Slechtvalk (Falco peregrinus) is de omgeving van het treinstation een ideaal fourageergebied vanwege de hoge gebouwen en de aanwezigheid van relatief grote aantallen stadsduiven. Omdat de Slechtvalk in Nederland doorgaans bovenop hoge gebouwen broedt is dit een heel aantrekkelijk gebied voor deze vogels.
Ook de Huismus (Passer domesticus) nestelt onder pannendaken. In de woonwijken direct buiten het bestemmingsplangebied is dan ook een groot aantal waarnemingen van Huismussen bekend. De enkele waarnemingen binnen het plangebied.
De waarnemingen van de Boomvalk (Falco subbuteo), Buizerd (Buteo buteo) en Sperwer (Accipiter nisus) zijn vrijwel allemaal gedaan langs de A20 welke tussen het station en het Terbregseplein door een groen gebied met hoge bomen loopt.
Binnen het bestemmingsplangebied zijn geen beschermde plantensoorten bekend.
Rond de oppervlaktewateren kunnen algemene soorten amfibieën voorkomen. Over het eventuele voorkomen van beschermde soorten amfibieën is geen informatie beschikbaar.
De enige binnen de Rotterdamse gemeentegrens voorkomende inheemse reptielensoort is de Zandhagedis. Deze leeft in het duingebied bij Hoek van Holland. Binnen het plangebied is het voorkomen van inheemse reptielen erg onwaarschijnlijk.
Over in de Flora- en faunawet beschermde soorten libellen en dagvlinders is geen informatie bekend.
Naast een aantal strikt beschermde soorten zijn ook meer algemene soorten te verwachten, zoals kleine zoogdieren (egel, mol) en algemene amfibieën (Gewone pad, Bruine kikker). Hiervoor geldt de Zorgplicht conform artikel 2 van de Flora- en Faunawet.
Geadviseerd wordt de door het bestemmingsplangebied lopende ecologische verbindingszones te versterken of meeliftend op toekomstige ontwikkelingen nieuwe verbinsingszones te realiseren.
Bij nieuwbouw met platte daken kunnen groene daken toegepast worden. Bij voorkeur wordt gekozen voor een soortenrijke beplanting. Groene daken dragen zo bij aan een gezonde stedelijke bijenstand en vergroten de soortenrijkdom.
Op erg hoge gebouwen zijn groene daken doorgaans minder kansrijk. Deze gebouwen zijn echter juist aantrekkelijk als nestplaats voor Slechtvalken. Het plaatsen van een nestvoorziening kan helpen te voorkomen dat de slechtvalken een nest bouwen op een plaats die voor de glasbewassing onhandig is. Slechtvalken leveren een bijdrage aan het beperken van duivenoverlast.
Bij aanleg van compensatiewater kan gekozen worden voor het plaatselijk toepassen van natuurvriendelijke oevers. Behalve gunstig voor de waterkwaliteit en voor de kindveiligheid leveren natuurvriendelijke oevers een positieve bijdrage aan de biodiversiteit.
Ontwikkelingen binnen bestaande bestemmingen
De gevolgen voor de aanwezige flora en fauna van werkzaamheden die binnen bestaande bestemmingen plaats gaan vinden (zoals sloopwerkzaamheden, ingrijpende renovatie, het herinrichten van openbaar groen of werkzaamheden aan watergangen) dienen voorafgaand aan de uitvoering van die werkzaamheden te worden onderzocht.
Advies
Rotterdam ambieert een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de stad, de regio en de haven. Binnen de stad speelt het streven naar duurzaamheid op alle schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad als geheel, als op het niveau van de verschillende stadsdelen: de binnenstad, wijken en buurten en op het niveau van een gebouw. Deze duurzaamheidsambitie is uitgewerkt in een aantal beleidsplannen, zoals het Programma Duurzaamheid, Rotterdamse Woningkwaliteit (RWK), het Waterplan Rotterdam, Gezond in de stad, de Rotterdamse Aanpak Luchtkwaliteit (RAL) en het Rotterdam Climate Initiative (RCI).
De voormalige deelgemeente Prins Alexander heeft haar ambities op het gebied van duurzaamheid vastgelegd in de Gebiedsvisie 2010-2014. Er zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij het Rotterdams beleid inzake duurzaamheid. De stad wil in 2025 volledig klimaatbestendig zijn en dan 50% CO2-reductie ten opzichte van 1990 behalen. Deze doelstelling is door het Rotterdams Climate Initiative vertaald in een ambitieus klimaatprogramma. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hieraan een belangrijke bijdrage leveren door bijvoorbeeld energiezuinige concepten en slim gebruik van water. Daarnaast zijn er diverse thema's, zoals groen, geluid en lucht die een rol spelen in een gezonde en prettige werk-, verblijf- en leefomgeving. Op gebiedsniveau betekenen de stedelijke ambities bijvoorbeeld het realiseren van goede loop- en fietsverbindingen naar het openbaar vervoer; op gebouwniveau het realiseren van groene daken en zonnepanelen. De mogelijkheden zijn op dit vlak weliswaar beperkt, maar het gebied Prins Alexander wil bestaande en nieuwe kansen op dit vlak optimaal benutten.
Enkele duurzaamheidsambities:
Bij duurzaam bouwen is de insteek om er zorg voor te dragen dat tijdens de hele kringloop van bouwen, renoveren en beheren van bouwwerken, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het Bouwbesluit geeft aan welk kwaliteitsniveau ten minste is vereist. In Rotterdam geldt daarnaast 'De Rotterdamse Woningkwaliteit' (RWK). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit en bestaat uit zes thema's: oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort. Een aantal van de duurzaam bouwen maatregelen kunnen worden toegepast bij nieuwe ontwikkelingen:
Eén van de meest ambitieuze doelstellingen is om de CO2-uitstoot in 2025 met 50% te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990. Ook wordt in 2025 gestreefd naar een energieneutrale gebouwde omgeving.
Om een substantiële bijdrage aan deze doelstelling te leveren en energie te besparen, is het beleid van de gemeente Rotterdam er op gericht zoveel mogelijk woningen, bedrijven en voorzieningen aan te sluiten op een collectief warmtenet. Dit warmtenet omvat een stelsel van leidingen waardoor warm water wordt gepompt voor verwarming en warm tapwater. Daarbij wordt als warmtebron gebruik gemaakt van industriële restwarmte. Bij grootschalige toepassing, op gemeentelijk niveau, wordt een grote milieuwinst behaald op het gebied van het broeikaseffect (CO2) en de lokale luchtkwaliteit (NOx).
Dankzij de in 2007 doorgevoerde aanpassing van de bouwverordening wordt aansluiting op het warmtedistributienet bevorderd. Indien ter plaatse een warmtedistributienet aanwezig is, dan dient een te bouwen bouwwerk te worden aangesloten op dat net. Dit is aan de orde als het bouwwerk minder dan 40 meter van de dichtstbijzijnde leiding ligt, of als de kosten van de aansluiting niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 meter.
De gemeente bevordert maatregelen ten aanzien van het opwekken van duurzame energie in de gebouwde omgeving. Kleine windmolens ('urban wind') en photovoltaïsche zonnepanelen (PV) zijn nu nog niet concurrerend met netstroom, maar dat wordt in de nabije toekomst wel verwacht. Naast bovengenoemde maatregelen moeten nieuw op te richten gebouwen of te renoveren gebouwen daarom wat betreft daklast ook geschikt zijn voor het (na)plaatsen van zonnepanelen, zonneboiler of een begroeid dak. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam dient bij het ontwerp van gebouwen rekening te worden gehouden met duurzaam bouwen principes en de energieprestatie eisen. Zo is het reeds langer het verplicht om een EPC-berekening (EnergiePrestatieCoëfficiënt) in de dienen in het kader van het aanvragen van een omgevingsvergunning.
De gemeente Rotterdam stimuleert de aanleg van begroeide daken in Rotterdam. Zo is er een aantrekkelijke subsidie voor huiseigenaren en heeft de stad inmiddels een aantal gemeentelijke gebouwen voorzien van een begroeid dak.
Wanneer begroeide daken op grote schaal worden toegepast dragen ze bij aan een duurzame en gezonde stad. Begroeide daken vangen regenwater op en voeren het vertraagd af. Hierdoor wordt het riool minder belast als het hard regent. Begroeide daken nemen stofdeeltjes op uit de atmosfeer en vormen zo een buffer tegen luchtvervuiling. Daarmee leveren begroeide daken een bijdrage aan de vermindering van CO2-uitstoot. Een beplant dak isoleert het pand eronder. Daardoor blijft het vooral in de zomer koeler in huis. Bovendien stralen groene daken bij hogere temperaturen minder warmte uit waardoor het ook een gunstige invloed heeft op de omgevingstemperatuur. En natuurlijk wordt de stad groener, waardoor er meer kansen komen voor flora en fauna en de leefbaarheid wordt verbeterd.
In 2013 is het grootste begroeide renovatiedak van Europa op het winkelcentrum Alexandrium/Shopping Mall met een oppervlakte van 20.000 m2 gerealiseerd.
Figuur: Europa's grootste groene dak.
Met betrekking tot handhaving is er een groot verschil tussen een stedelijk gebied en een buitengebied. In tegenstelling tot in een buitengebied is het in een omvangrijk en dichtbebouwd stedelijk plangebied ondoenlijk alle bestaande illegale bebouwing en gebruik te inventariseren. In de praktijk is het lang niet altijd mogelijk om van buitenaf waar te nemen wat zich in een pand of op een besloten binnenterrein afspeelt en het ontbreekt aan capaciteit om hier in het kader van de opstelling van een bestemmingsplan een stelselmatig onderzoek naar in te stellen. Bovendien zou een dergelijke inventarisatie altijd een momentopname zijn. Het zou te ver voeren om uit de jurisprudentie, die leert dat er in beginsel een handhavingsplicht bestaat, af te leiden dat er ook in alle gevallen een opsporingsplicht bestaat.
Uiteraard zal altijd worden gereageerd op klachten van omwonenden. Doordat illegale situaties, die reeds in strijd waren met het voorgaande bestemmingsplan, worden uitgezonderd van het overgangsrecht, bestaat, op grond van de jurisprudentie, ook na langere tijd in beginsel nog de mogelijkheid om handhavend op te treden, indien een situatie aan het licht komt die redelijkerwijze niet eerder bekend kon zijn. Juridisch zijn deze situaties immers wegbestemd. Per geval zal door het bevoegde bestuursorgaan een zorgvuldige belangenafweging worden gemaakt.
Op 16 april 2002 hebben burgemeester en wethouders de "Kadernota handhaving dS+V" vastgesteld, waarin de beleidsuitgangspunten voor de handhaving op het gebied van de dS+V zijn vastgelegd. In de nota wordt de wijze waarop het handhavingsbeleid wordt georganiseerd vastgelegd. Zo is onder andere een Handhavingscommissie ingesteld, die advies uitbrengt. Voorts heeft het college een beleid ingezet dat is gericht op programmatisch handhaven (bijvoorbeeld horeca, kinderdagverblijven, verblijfsinrichtingen). Hierbij ligt de prioriteit bij veiligheid.
Dit hoofdstuk is gebaseerd op ontwikkelingen voor het bestemmingsplan "Alexanderknoop". Het bestemmingsplan heeft een relatief conserverend karakter. Het handhaven van de reeds bestaande bestemmingen heeft geen financiële consequenties. Voor een aantal locaties in het plangebied zijn wel nieuwe ontwikkelingen voorzien:
Het bestemmingsplan maakt een revitalisering van het openbaar vervoersstation Rotterdam Alexander mogelijk. Dit vindt (deels) plaats op gronden die in particulier eigendom zijn zonder extra investeringen van de gemeente. Er is sprake van een "normale" bestemmingsplanprocedure zonder excesieve kosten.
De gronden ten behoeve van de ontwikkeling zijn in handen van de gemeente. De kosten en opbrengenten die samen gaan met de ontwikkeling van deze locatie resulteren voor de gemeente in een tenminste budgettair neutraal resultaat.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 20 juni tot en met 31 juli 2014 ter inzage gelegen. Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is op 2 juli 2014 een informatiebijeenkomst gehouden.
Door partijen vermeld onder de nummers 1 tot en met 8 is schriftelijk gereageerd. Daarvan hadden partijen 7 en 8 geen inhoudelijke opmerkingen. Van de overige partijen is geen reactie ontvangen.
1 Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
Ten behoeve van de verbetering van de zelfredzaamheid en strijdbaarheid kan de volgende maatregel worden geborgd, die valt binnen de context van de Wro:
100% letaliteitscontour
Verzocht wordt binnen de 100% letaliteitscontour van het BLEVE-scenario van het LPG-tankstation aan de Capelseweg 399, de Rijksweg A16 / A20 en het Spoortraject Rotterdam Centraal – Gouda of het fakkelbrandscenario (breuk) van de hogedruk aardgastransportleiding W-521-04/40 geen "zeer" kwetsbare bestemmingen mogelijk te maken en dit op te nemen in de planregels.
Reactie
Nieuwe zeer kwetsbare bestemmingen worden niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan. Dit punt is niet aan de orde.
2. Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid
Rijkswaterstaat verlangt dat bij nieuwe grootschalige ontwikkelingen een analyse wordt opgesteld van de verkeersintensiteiten waarbij de verkeerseffecten van het plan op de (aansluitingen van) rijksweg A20 in beeld worden gebracht. Dit onderzoek moet worden opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Onder grootschalige ontwikkelingen valt onder andere 5.000 m2 kantooroppervlak. Voor de bouwlocatie Lotus 3b wordt 15.000 m2 aan kantoren mogelijk gemaakt.
Rijkswaterstaat verzoekt een verder uitgewerkte mobiliteitsparagraaf op te nemen in het bestemmingsplan waarin de veranderingen in verkeersintensiteiten als gevolg van uw plan in beeld worden gebracht voor zowel de rijksweg A20 als het onderliggend wegennet. Bij negatieve effecten (nieuwe of grotere knelpunten in verkeersafwikkeling) dient in deze analyse ook aan te worden gegeven welke maatregelen daartegen worden getroffen en wat de financiële haalbaarheid is van die maatregelen en hoe de realisering hiervan is geborgd.
Reactie
In de plantoelichting is een mobiliteitsparagraaf 4.4 Mobiliteit toegevoegd.
3. Gasunie
a) Gasontvangstations bestemmen
In het plangebied ligt een tweetal gasleidingen en een tweetal gasontvangstations van de Gasunie. Gasunie verzoekt de gasontvangstations op te nemen met een aanduiding "gasontvangstation" in de betreffende bestemmingen.
Reactie
Het voorstel wordt verwerkt op de verbeelding en in de planregels als "gasdrukregelstation".
b) Nieuwe bouwvlakken over of te dichtbij de gasleiding
Aan de Marten Meesweg en de Koperpad komen situaties voor waarbij een aantal bouwvlakken is geprojecteerd over de gasleiding. Verzocht wordt de bouwvlakken aan te passen, zodat deze niet binnen de dubbelbestemming "Leiding - Gas" zijn gelegen.
Reactie
Dit wordt verwerkt op de verbeelding.
c) Artikel 33.3.1 "Leiding - Gas"
Verzocht wordt in artikel 33.3.1 van de planregels de volgende tekst voor een afwijking op te nemen:
"Het bevoegd gezag kan bij de omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten."
Reactie
Dit wordt verwerkt in de planregels.
4. TenneT
a) Verbeelding
Verzocht wordt op de verbeelding de bestemming "Leiding - Hoogspanning" op te nemen voor de belemmerende strook van het kabeltracé (hoogspanningsverbinding RTM-OM150) met een breedte van 7 meter (3 meter aan weerszijden van het (circa) 1 meter brede kabeltracé).
Reactie
Voor de hoogspanningsleiding wordt op de verbeelding een dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanning" opgenomen.
b) Planregels
Verzocht wordt in de planregels het artikel "Leiding - Hoogspanning" op te nemen.
Reactie
Het artikel "Leiding - Hoogspanning" wordt in de planregels opgenomen.
5 Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR)
Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam maakt een redactionele opmerking:
In de planregel dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" staat onder 34.3.1 Verbod de zin 'd. dieper reiken dan 1 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 vierkante meter beslaan'. De aanduiding 'd' kan hier weg, het betreft geen (sub)kop, maar hoort gewoon als laatste zin bij 34.3.1.
Reactie
Deze opmerking wordt verwerkt.
6. Provincie Zuid-Holland
Bij wegtransport en bij gastransportleiding is het groepsrisico groter dan 1,0 maal de oriënterende waarde (OW). Het provinciaal belang stelt dat op termijn aan de oriënterende waarde voldaan dient te worden.
Reactie
Wegtransport is geregeld in het Basisnet Weg. Daarin zijn afspraken vastgelegd t.a.v. de hoeveelheid wegtransport met gevaarlijke stoffen over de A20 langs de Alexanderknoop. Het wegvak ter hoogte van de Alexanderknoop is door het Rijk aangeduid als groepsrisico-aandachtspunt. De gemeente kan niets doen aan de hoogte van het groepsrisico. Slopen van de bebouwing in de Alexanderknoop is geen optie.
De gasleiding is als probleem onderkend en aangeduid als groepsrisico-aandachtspunt. Thans wordt door de Gasunie bekeken welke prioriteit aan deze gasleiding wordt gegeven. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan zal hierover meer bekend zijn.
7.Gemeente Capelle aan den IJssel
Als reactie op het toesturen van het concept ontwerpbestemmingsplan geeft de gemeente Capelle aan den IJssel aan geen opmerkingen op het plan te hebben.
Reactie
Waarvan akte.
8.Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
Als reactie op het toesturen van het concept ontwerpbestemmingsplan kan het hoogheemraadschap een positief advies geven. Aan alle aspecten van een goede waterhuishouding is invulling gegeven.
Reactie
Waarvan akte.