direct naar inhoud van 3.4 Milieu
Plan: De Waard
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00006-0302

3.4 Milieu

3.4.1 Europees en nationaal

Nationaal Milieubeleidsplan 4 (2001)

Voor een groot aantal knelpunten kan nog niet aan de minimale milieukwaliteitcondities worden voldaan. Daarom krijgt het stedelijk gebied in het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP 4) extra aandacht. Het gaat om gezondheidsverlies door luchtvervuiling (NO2 en fijn stof), geluidhinder of te grote risico's op calamiteiten.

Volgens het NMP 4 staat de kwaliteit van de leefomgeving onder druk door een opeenstapeling van milieuproblemen, die onder andere veroorzaakt worden door de intensiteit van het verkeer, de ouderdom van de bebouwing, de bedrijvigheid en de beperkte aanwezigheid van groen. Om de milieukwaliteit van de stad te vergroten moeten lawaai, lucht, bodem- en (grond)waterverontreiniging worden aangepakt.

3.4.2 Provinciaal en regionaal

Regionaal Milieubeleidsplan (2003-2010)
De landelijke doelstelling uit het NMP 4 is ook de doelstelling voor de bij de Milieudienst aangesloten gemeenten. De doelstelling is: 'een gezond en veilig leven, in een aantrekkelijke leefomgeving, te midden van een vitale natuur, zonder de mondiale diversiteit aan te tasten of natuurlijke hulpbronnen uit te putten, hier en nu en elders en later'. Enkele relevante beleidsuitgangspunten uit het Milieubeleidsplan zijn:

- Water, natuur, groen, energie en openbaar vervoer zijn sturende elementen bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. De landschappelijke onderlegger, inclusief bodemtypologie, het watersysteem, en natuur- en landschappelijke waarden vormen het hoofduitgangspunt voor de inrichting van de ruimte. Zo wordt er niet gebouwd in waardevolle gebieden zoals de ecologische structuur en juist wel op locaties waar veel mensen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer.

- Herstructureren van woon- en werkgebieden heeft voorrang op uitbreiden.

- Waar mogelijk worden intensief- en meervoudig ruimtegebruik sterk bevorderd. In stedelijke gebieden wordt gedacht aan gestapelde bouw, in randmilieus kan worden gedacht aan 'compacte buurten in het groen'.

- Bestaande bedrijventerreinen worden zo duurzaam mogelijk (her)ingericht. Tenminste is er sprake van parkmanagement, aandacht voor energie, water en inpassing natuur- en cultuurwaarden.

3.4.3 Gemeentelijk

Geluidskaart Leiden (2007)
In het kader van de EU-richtlijn Omgevingslawaai heeft Leiden een geluidskaart en actieplan gemaakt om de geluidssituatie in beeld te brengen. De richtlijn richt zich vooral op het vaststellen, beheersen en waar nodig gewenst verlagen van geluidsniveaus in de leefomgeving. Het toepassingsgebied beperkt zich tot een aantal gedefinieerde brontypen, te weten schadelijke en hinderlijke effecten door weg- en railverkeer en luchtvaart van een zekere omvang, alsmede specifieke vastgelegde industriële activiteiten.

Uit de geluidskaarten blijkt dat er in Leiden een relatief beperkt deel van de bevolking blootgesteld is aan ernstige geluidhinder. Het binnenstedelijk wegverkeer vormt verreweg de belangrijkste bron en leidt bij circa 3300 woningen tot geluidsbelastingen met een gezondheidsrisico. In het actieplan worden de acties beschreven die de gemeente wil uitvoeren in de planperiode 2008 - 2013, om deze situatie te verbeteren. Leiden wil de geluidbelasting terugbrengen door in de eerste plaats maatregelen aan de bron te nemen. Dat zijn maatregelen die leiden tot minder verkeer én tot verkeer dat minder geluid produceert.

Zulke maatregelen worden ook in het kader van de luchtkwaliteit al overwogen.

Voor geluid denkt de gemeente aan toepassing van stille wegdekken op knelpuntsituaties. Als zo'n stil wegdek wordt aangelegd op het moment dat een wegdek tóch al aan vervanging toe is, zijn de kosten beperkt.

Spoorweglawaai leidt in Leiden ook tot ernstige geluidhinder, maar de prioriteit daarvan is duidelijk ondergeschikt aan die van wegverkeer.

Het geluid van bedrijven vormt in Leiden geen knelpunt.

Vliegtuiglawaai wordt in Leiden wel als bron van geluidhinder ervaren, veroorzaakt door vliegverkeer van en naar de luchthaven Schiphol. De maatregelen om deze hinder te reduceren vallen buiten de competentie van de gemeente. Daarom komen deze maatregelen in het actieplan niet aan de orde.

Bodembeheerbeleid
Medio 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht geworden. Dit vervangt het Bouwstoffenbesluit en de Vrijstellingsregeling grondverzet. Het besluit biedt de mogelijkheid om ten aanzien van bodembeheer te kiezen voor een landelijk geldend "generiek beleid", dan wel zelf "gebiedsspecifiek" beleid op te stellen. Hangende deze keuze geldt in het gebied van de Milieudienst West-Holland het "overgangsbeleid" uit het Besluit bodemkwaliteit. Dat betekent dat voorlopig het nu geldende bodembeheerbeleid nog van kracht is.

Voorlopig geldt derhalve nog dat grondverzet is toegestaan:
- Als de nu nog geldende bodemkwaliteitskaarten dat toestaan.
- Op basis van het "één op één beleid" beleid uit de regionale nota

Bodembeheerbeleid.
Dat behelst dat grondverzet altijd is toegestaan als de toe te passen grond beter van kwaliteit is als de ontvangende bodem èn de toe te passen kwaliteit voldoet aan de bodemgebruikswaarde die hoort bij de functie (bestemming) van de locatie.

Zodra de definitieve keuze is gemaakt ten aanzien van het nieuwe beleid en dit bestuurlijk is vastgesteld vervalt het overgangsbeleid.

Luchtkwaliteitsplan 2005-2010
De rapportage luchtkwaliteit van 2006 heeft laten zien dat in Leiden sprake is van een plandrempeloverschrijding van één van de stoffen uit het Besluit luchtkwaliteit, de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie.

In het 'Luchtkwaliteitsplan Leiden 2005-2010', vastgesteld op 31 januari 2006, wordt een overzicht gegeven van de maatregelen die in de gemeente Leiden al uitgevoerd zijn, en nog moeten worden uitgevoerd om in 2010 wél aan de eisen van het Besluit luchtkwaliteit te voldoen. Een berekening van het effect van deze maatregelen toont aan dat mits het beleid ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd, de luchtkwaliteit zodanig zal verbeteren dat in 2010
waarschijnlijk aan de grenswaarde zal worden voldaan.

In het Luchtkwaliteitsplan Leiden 2005-2010 wordt op basis van berekeningen geconcludeerd dat als gevolg van reeds of bijna vastgesteld beleid, de luchtkwaliteit in de gemeente zal verbeteren. Met uitzondering van de Plesmanlaan zullen alle in het beleid onderzochte gevoelige locaties in 2010 voldoen aan stikstofdioxidenorm. Op de Plesmanlaan zullen aanvullende maatregelen genomen moeten worden indien de aanleg van de eventuele Rijnlandroute niet voldoende verbetering bewerkstelligt.

Op de Hooigracht, Kooilaan, Langegracht, Morsweg en Willem de Zwijgerlaan zal in 2010 nog sprake zijn van een overschrijding van de daggemiddelde norm voor fijnstof. Het Luchtkwaliteitplan Leiden benoemt een aantal mogelijke maatregelen om ook met betrekking tot fijnstof in 2010 te kunnen voldoen aan de gestelde norm. Het gaat bijvoorbeeld om het instellen van een milieuzone, groene golf, een schoner en zuiniger gemeentelijke wagenpark en diverse bewustwordingscampagnes.

De komende periode zal worden benut voor uitvoering van de maatregelen.

Het Luchtkwaliteitsplan Leiden 2005-2010 geeft aan dat ook aandacht moet worden besteed aan het voorkomen van nieuwe knelpunten. Voor bestemmingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken geldt dat per plan een luchtkwaliteitsonderzoek moet plaatsvinden. In het geval van overschrijdingen kunnen oplossingen gevonden worden in de maatregelen uit het Luchtkwaliteitsplan.

Daarnaast wordt ernaar gestreefd om op locaties waar veel mensen wonen of zich voornamelijk gevoelige groepen (ouderen, zieken, kinderen) bevinden, of bij sportterrein waar mensen zich intensief fysiek inspannen, uit te gaan van luchtkwaliteitwaarden die aanmerkelijk lager liggen dan de wettelijke grenswaarden.

Geluidnota Leiden (2004)
Met de vaststelling van de geluidsnota in 2004 heeft het gemeentebestuur van Leiden het beleid ten aanzien van geluidhinder vastgesteld. Geluid wordt sinds die vaststelling als speerpunt voor het milieubeleidsplan beschouwd, integraal aangepakt en het beleid wordt

gebiedsgericht ingevuld. Uitgangspunt van die geluidsnota uit 2004 is, dat er voor ieder gebiedstype een passend geluidsniveau is vastgesteld. In het drukke, levendige centrum is dit vanzelfsprekend een ander geluidsniveau dan in een rustige woonwijk. Per gebiedstype is er in de geluidsnota een bovengrens vastgesteld, die de gemeente niet wil overschrijden. Daarmee legt de geluidsnota vooral vast, hoe de gemeente in toekomstige situaties met geluid wil omgaan en biedt de geluidsnota een beoordelingskader voor de bestaande situaties in de stad.

Duurzaamheid

De gemeente Leiden vindt het duurzaam ontwikkelen van het stedelijke gebied belangrijk. Leiden streeft er naar dat elke ruimtelijke ontwikkeling bijdraagt aan het verbeteren van de kwaliteit van economie, maatschappij als milieu, zowel op de korte en lange termijn. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de stedelijke ontwikkeling op een zo hoog mogelijk niveau brengen.

Duurzame stedenbouw /gebiedsontwikkeling

Duurzame stedenbouw/gebiedsontwikkeling is vooral het inspelen op de kansen van de nieuwe bouwlocatie. Juist door in een vroegtijdig stadium aandacht te besteden aan de specifieke kenmerken en mogelijkheden van de bouwlocatie kan er voor gezorgd worden dat een aantrekkelijke woon- en voorzieningenomgeving ontstaat. De gemeente Leiden hanteert hiertoe het Regionaal Beleidskader Duurzame Stedenbouw (RBDS). In het RBDS staat het beleid van de gemeente Leiden voor duurzame stedenbouw. Dit instrument is bedoeld om de milieuambities en andere duurzaamheidaspecten een volwaardige plaats te geven in de ontwikkeling van ruimtelijke plannen voor gebieden > 1 hectare. Duurzaamheid is hierbij ruim gedefinieerd als 'People, Planet, Profit' (PPP). Dit betekent dat naast ambities op het gebied van milieu ook maatschappelijke/sociale en economische ambities een plek hebben gekregen in het beleid. Een ambitietabel maakt deel uit van het RBDS

Zie ook www.mdwh.nl/rbds

DuBoPlus-RichtlijnDe gemeente Leiden hanteert als uitgangspunt bij bouwprojecten (woningbouw, utiliteitsbouw en de grond-, weg- en waterbouw voor zowel nieuwbouw als renovatie) de Regionale DuBoPlus Richtlijn 2008 als duurzaam bouwen-maatlat. De nagestreefde kwaliteit en duurzaamheid van het project worden op basis van een overeenkomst tussen de gemeente en de ontwikkelaar geborgd.

Voor de woning- en utiliteitsbouw worden de duurzame prestaties berekend met het instrument de GPR-Gebouw en de resultaten gepresenteerd in een schoolcijfer (1 -10). Een 7 is de regionale norm. Voor gemeentelijke gebouwen geldt een 8.

De ontwikkelaar informeert de gemeente met een GPR-Gebouw berekening (meest recente versie) of gelijkwaardig of aan de regionale ambitie wordt voldaan. Hiertoe ontvangt de ontwikkelaar van de gemeente een gratis sublicentie GPR-Gebouw. Voor de grond-, weg- en waterbouw geldt een maatregelenchecklist met vaste- (altijd doen) en keuzemaatregelen. Aan de hand van deze maatregelenchecklist wordt de projectambitie samengesteld, geconcretiseerd en getoetst.

Zie ook www.mdwh.nl/dubo.

Klimaatprogramma

In 2008 heeft de gemeente Leiden in samenwerking met de Milieudienst het Plan van aanpak regionaal Klimaatprogramma 2008-2012 Holland Rijnland en Rijnstreek vastgesteld. Voor het Klimaatprogramma Holland Rijnland en Rijnstreek wordt de klimaatambitie van het kabinet als uitgangspunt genomen. In de CO2-kansenkaart is berekend, dat de kabinetsambitie een concrete CO2-reductiedoelstelling van 600 kiloton in 2030 voor onze regio betekent. Dit klimaatbeleid is breed opgezet en bestrijkt onder meer de volgende doelgroepen: 'Woningen'; 'Bedrijven'; 'Duurzame energieproductie'; 'Bouwers en projectontwikkelaars' en 'Mobiliteit'. Dit programma kent onder meer een relatie met ruimtelijke ordening, doordat bij ontwikkelingen vanaf 50 woningen of 5.000 m2 BVO bedrijfsgebouwen de kansen voor CO2-reductie in aanmerking genomen dienen te worden en vanaf 200 woningen of 20.000 m2 BVO bedrijfsgebouwen een energievisie ontwikkeld dient te worden. Doel hierbij is om te komen tot 18 -100 % reductie van de CO2-uitstoot, afhankelijk van de schaal van de ruimtelijke ontwikkeling.

Zie ook klimaatprogramma.

Uitgangspunt: Bij nieuwe plannen zal het aspect duurzaamheid, op basis van het hierboven genoemde geldende beleid, worden betrokken en verwerkt. Voor een nieuwe  ontwikkeling betekent dat het volgende:

Het beleidskader RBDS beschrijft een planfasering van een stedenbouwproject. Per fase is overzichtelijk weergegeven welke inhoudelijke stap wordt gezet en welke communicatieaspecten in de desbetreffende fase belangrijk zijn om duurzame ambities te kunnen verwezenlijken. De duurzame ambities zijn gebaseerd op het gemeentelijk vigerend beleid en drie kwaliteitspijlers, People, Planet, Profit (of Welzijn, Wereld, Welvaart ) en gerubriceerd naar duurzaamheidsthema's. Elk thema is gesplitst in deelaspecten. Per deelaspect zijn twee ambitieniveaus (basis in overeenstemming met het gemeentelijk beleid en een extra) geformuleerd, waarvan de maatlat iets hoger ligt dan wettelijk vereist. Naast de basisambitie wordt minimaal van één thema een extra ambitie gekozen afhankelijk van de kansen en mogelijkheden in het gebied. Voor dit gebied is/wordt een ambitietabel ingevuld en wordt aan het bestemmingsplan als bijlage van de toelichting gevoegd.

Een energievisie is een studie naar de vraag naar en opwekking van energie in een ruimtelijk project (warmte (stadsverwarming), koude, elektriciteit). Het project bevat meestal al een programma met uitsplitsing naar de soort functie (wonen,kantoor, bedrijven, voorzieningen In de openbare ruimte, etc). Per functie wordt de energievraag bepaald. Vervolgens wordt bekeken of de energievraag op gebouwniveau kan worden beperkt door bijvoorbeeld warmte-isolatie, slimme indelingen (tappunten dicht bij de CV), bepaalde energiebesparende installaties, etc. Voor de resterende energievraag wordt bekeken in hoeverre er duurzame energiebronnen voorhanden zijn. Voor dit gebied is/wordt een energievisie opgesteld en de conclusie in het bestemmingplan verwerkt.

GPR Gebouw® is een hulpmiddel bij het toetsen van dubo-ambities. Het is een praktisch programma om de plankwaliteit en milieubelasting van een project in samenhang te optimaliseren.

Het programma GPR Gebouw® zet ontwerpgegevens van een gebouw om naar prestaties op het gebied van kwaliteit, toekomstwaarde en de gebruikelijke aspecten van duurzaamheid.

De ontwikkelaar informeert de gemeente met een GPR-Gebouw berekening (meest recente versie) of gelijkwaardig of aan de regionale ambitie wordt voldaan. Hiertoe ontvangt de ontwikkelaar van de gemeente een intakeformulier GPR-Gebouw. Op basis van een ingevuld intakeformulier ontvangt de ontwikkelaar een gratis sublicentie GPR-Gebouw .