direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Crailoseweg 117
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0406.BPCRAILOWEG117-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

De eigenaar van het perceel Crailoseweg 117 heeft binnen het omkaderde deel 1 (figuur 1.1) een zwembadhuisje ten behoeve van het op het perceel aanwezige zwembad gerealiseerd. Om te voorkomen de gemeente handhavend optreedt tegen dit zwembadhuisje heeft de eigenaar voorgesteld een deel van de tuin (circa 150 m2) als compensatie in te zetten. Het achterste deel van het perceel zal de bestemming 'Natuur' krijgen waarmee de compensatie formeel kan worden gemaakt. Om ook het zwembadhuisje een formele status te geven zal dit een aanduiding krijgen die regelt dat dit bijgebouw een oppervlakte van 30 m2 (maximaal) mag hebben; hierbij wordt de bestemming gewijzigd 'Wonen'. De overige gronden binnen het plangebied worden conserverend bestemd.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Huizen aan de Crailoseweg nummer 117, ten zuiden van de kern Huizen. In figuur 1.1 is het plangebied met een groene lijn omkaderd. Het bestemmingsplan is opgesteld om de rood omkaderde ontwikkelingen juridisch - planologisch vast te leggen. Uit figuur 1.1. blijkt dat er 2 ontwikkelingen zijn. De eerste wordt aan drie zijden begrensd door natuur en aan een zijde door het woonperceel. De tweede wordt op dezelfde manier begrensd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0406.BPCRAILOWEG117-VG01_0001.jpg"  
Figuur 1.1 Plangebied (bron: maps.google.nl)  

1.3 Vigerende regeling

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Natuurgebieden' (vastgesteld door de gemeenteraad op 24 januari 2008, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 9 september 2008. Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingen 'Natuur' en 'Tuin'. Tevens geldt de dubbelbestemming 'Waterwingebied' en 'Bodembeschermingsgebied'. In de volgende figuur is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan opgenomen .

afbeelding "i_NL.IMRO.0406.BPCRAILOWEG117-VG01_0002.jpg"  
Figuur 1.2 Vigerende bestemmingsplankaart  

1.4 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan bestaat naast de inleiding uit 5 hoofdstukken. In het tweede hoofdstuk wordt het relevante beleidskader beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het plan beschreven. De milieu- en waarde-aspecten worden beschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 vormt de juridische toelichting, de wijze van bestemmen wordt hierin toegelicht. Het afsluitende zesde hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke druk af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen.

De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.

Met het rijksbeleid legt het kabinet een grotere verantwoordelijkheid bij decentrale overheden. De uitvoering van het beleid ligt primair bij de gemeenten, terwijl voor de provincies een belangrijke kaderstellende, coördinerende en controlerende taak is weggelegd.

Binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Crailoseweg 117' zijn geen nationale belangen gelegen. Het Barro vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

Bij de toepassing van de Ladder dienen de volgende treden doorlopen te worden:

  • 1. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.
  • 2. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.
  • 3. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Trede 1
Het zwembadhuisje is bedoeld voor de gebruikers c.q. eigenaren van het zwembad op het naastgelegen perceel Crailoseweg 117 en puur bedoeld voor particulier gebruik. Van een (regionale) behoefte kan dan geen sprake zijn. De ontwikkeling voorziet wel in een private behoefte.

Trede 2
Het zwembadhuisje is niet aangeduid als gelegen bestaand bebouwd gebied. De locatie behoort evenwel bij een naastgelegen woonperceel en maakt daarmee onlosmakelijk onderdeel uit van dit woonperceel.

Een toets aan trede 3 is niet aan de orde.

Conclusie
Het voorliggende bestemmingsplan ligt niet binnen de invloedssfeer van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Hetzelfde geldt voor het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening met dien verstande dat de Ladder voor Duurzame Verstedelijking van toepassing is. Deze is positief doorlopen. Tot slot speelt het initiatief zich af op lokaal niveau waarmee geen duidelijk herkenbare relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau aanwezig is. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid.

2.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Noord-Holland 2040
Op 21 juni 2010 is de Structuurvisie 2040 van de provincie Noord-Holland vastgesteld. De provincie zet in op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden omringd door aantrekkelijk recreatief. Dit betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden worden met de ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid. Er wordt gestreefd naar verdere stedelijke verdichting en het optimaal gebruik van bestaand bebouwd gebied. In relatie tot deze verstedelijking wordt er gestreefd naar intensieve recreatiegebieden dicht bij de steden en extensieve recreatie daarbuiten. De provincie wil er voor zorgen dat gemeenten (en andere partijen) zoveel mogelijk gebruik maken van de mogelijkheden voor binnenstedelijk bouwen en verdichting.

Provinciale ruimtelijke verordening
De verordening (3 februari 2014) is opgesteld omdat de provincie in het belang van een goede ruimtelijke ordening het noodzakelijk acht algemene regels vast te stellen betreffende de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Dit geldt ten aanzien van onderwerpen in zowel het landelijk als het stedelijk gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Nieuw beleid (herzieningen, aanvullingen) als uitvloeisel van nieuwe ruimtelijke keuzes zoals deze onder de vlag van de structuurvisie gemaakt zullen gaan worden, zullen zo nodig worden vervat in een nieuwe ruimtelijke verordening.

Volgens de kaart behorende bij de provinciale verordening valt het zwembadhuisje niet binnen bestaand bebouwd gebied en vormt de verordening hiervoor dus het toetsingskader. Het deel van het plangebied waar de natuurcompensatie plaats vindt ligt eveneens in het landelijk gebied. De voorgenomen bestemmingswijziging van 'Tuin' naar 'Natuur' is niet in strijdt met de doelstellingen van de verordening. Verder gelden voor beide plandelen regels omtrent aardkundige waarden en maakt het deel uit van een aardkundig monument.

motivatie

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om de natuurfuncties in stand te laten en te voorkomen dat die worden aangetast. Zodoende is voor die gebieden in het bestemmingsplan een conserverend beleid opgenomen, bestaande uit natuurfuncties met zeer beperkte mogelijkheden om te bouwen en/of werkzaamheden te verrichten. Het is ook in een aantal situaties binnen de gemeente aanleiding geweest om handhavende maatregelen te treffen. Zo ook in het geval aan de Crailoseweg 117 op het moment dat voor het college duidelijk werd dat hier sprake was van bouwen in een gebied met natuurfunctie.

De zaak is opgestart met een aankondiging van het college dat handhavende maatregelen zouden worden getroffen. Hangende die procedure kwam het volgende naar voren. Op het perceel zat van oudsher een kippenboer. ln het kader van die bedrijfsvoering zijn verschillende grote schuren (met asbest) gebouwd. Die bebouwing stond haaks op het perceel. ln 2007 is het perceel in handen van een particulier gekomen die van lieverlee de oude bebouwing verwijderde, zo ook grote hoeveelheden afvalmaterialen die hij aantrof in de bodem. Het perceel aan Crailoseweg 117 heeft op grond van het bestemmingsplan Natuurgebieden 2008 een woon- en tuinbestemming met daarbij behorende mogelijkheden voor een woning en bijgebouwen. Het bestemmingsplan laat in totaal 150 m2 aan bijgebouwen toe. Het totaal aan bijgebouwen, dus inclusief het zwembadhuisje van 30 m2, voldoet aan de hoeveelheid vierkante meters die het bestemmingsplan aan bijgebouwen bij een woning toelaat.

Het gebouw grenst bovendien aan de tuinbestemming. Kijkend naar de situatie zoals deze was (veel en grote gebouwen, haaks op het perceel) en zoals die nu is (een woning met bijgebouwen waarbij gebouwen zo zijn gepositioneerd dat er weer een doorkijk is naar het achterliggende gebied) is de situatie verbeterd. De eigenaar verkeerde met de bouw van het zwembadhuisje in de veronderstelling dat hij bij zijn woning door toepassing van de Wabo vergunningvrij daarvoor in de plaats een bijgebouw kon bouwen, te gebruiken als zwembadhuis. Ten onrechte. Qua maatvoering voldoet het gebouw ook aan de regels zoals die sinds 1 oktober 2010 op grond van de Wabo gelden om vergunningvrij te kunnen bouwen. Het gebouw valt echter niet binnen de (aangrenzende) tuinbestemming waar wel bijgebouwen zijn toegestaan, maar net binnen de bestemming Natuur. Daardoor maakt dat deel van de grond geen deel uit van het erf bij de woning, een vereiste om aanspraak te kunnen maken op de regels voor vergunningvrij bouwen bij een woning. De eigenaar heeft als reactie de suggestie gedaan om gronden van zijn perceel te compenseren, om die een natuurbestemming te geven. Dat alternatief is nader onderzocht. Tijdens een bezoek ter plekke werd duidelijk dat het achterste deel van het terrein feitelijk (natuurlijke uitstraling) en qua ligging (achterste deel van het woonperceel, grenzend aan heide) geschikt was om een natuurbestemming te geven en zo te compenseren. Daarnaast heeft de eigenaar een beplantingsplan gemaakt met planten die recht doen aan de natuurfunctie (gebiedseigen beplanting).

Het voorgaande in aanmerking genomen is van een verstedelijking als bedoeld in de provinciale verordening geen sprake. Voor zover daar al sprake van is, is de nieuwe situatie vanuit het oogpunt van natuur en landschap verbeterd. Van een aantasting van de aanwezige waarden is gelet op de beperkte omvang van het gebouw en de directe ligging bij de woning en tuin geen sprake.

Het zwembadhuisje past binnen de totale oppervlakte van bebouwing bij een woning (tot 150 m2). Door de provincie is voorgesteld om deze binnen de bestemming 'wonen' te brengen (dit is bij de vaststelling van het plan doorgevoerd). Anders kan het feitelijk niet worden meegeteld. Bij de volgende begrenzing wordt dit stukje dan ook uit het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) gehaald. De compensatiestrook met nieuwe natuurbestemming wordt vervolgens binnen het Nationaal Natuurnetwerk gebracht.
.

afbeelding "i_NL.IMRO.0406.BPCRAILOWEG117-VG01_0003.jpg"  
Figuur 2.1. Uitsnede ruimtelijke verordening (binnen rode cirkel het zwembadhuisje)  

Provinciale Milieuverordening (2011)
De specifieke milieuregels voor de provincie Noord-Holland staan beschreven in de Provinciale Milieuverordening staan. Er worden onder meer regels gesteld over milieubeschermingsgebieden (waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, aardkundige monumenten en stiltegebieden). Op basis van deze regels verleent de provincie ontheffingen ten aanzien van aardkundig monumenten.

Het plangebied maakt onderdeel uit van het stuwwallengebied en is aangewezen als aardkundig monument. Delen van het plangebied zijn ook aangewezen als Grondwaterbeschermingsgebied. Bescherming van deze gronden (aardkundig monument en grondwaterbeschermingsgebied) is geregeld in de Provinciale Milieuverordening. Met betrekking tot het Grondwaterbeschermingsgebied geldt een verbod voor inrichtingen als bedoeld in bijlage 1 (onderdeel D) van het Besluit omgevingsrecht. Het grondwaterbeschermingsgebied vormt geen belemmering aangezien er geen sprake is van een inrichting als bedoeld in bijlage 1, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht. Van het verbod tot bouwen ter plaatse van een aardkundig monument kan ontheffing worden aangevraagd. Gezien het feit dat de omgang van de ontwikkelingen die met voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt, in verhouding tot de omvang van het aardkundig monument minimaal is, is het redelijkerwijs te verwachten dat de ontheffing geen belemmering zal vormen.

Conclusie
Gezien het bovenstaande vormt het provinciaal beleid geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.

2.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie
De structuurvisie Huizen ‘Haven van ’t Gooi’ is van november 2011. In deze structuurvisie wordt het gemeentelijk ruimtelijk beleid beschreven voor de middellange termijn (10 - 20) jaar. De structuurvisie ziet vooral toe op de kustzone van Huizen met de (jacht)havens, op het centrum van het Oude Dorp, op de verbinding tussen het Oude Dorp en het havengebied en de verbinding tussen het gemeentehuis en het centrum van de Oostermeent, de zogenoemde sociaaleconomische as.

Volgens de structuurvisie ligt het plangebied in de zone bos- en heidegebied. De ambities die de gemeente Huizen voor deze gebieden heeft betreffen onder andere de relatie tussen het Oude Dorp en bos- en heidegebied verstreken en het toegankelijker te maken voor recreanten. Het voorliggend bestemmingsplan maakt natuur mogelijk op een privaat terrein, het zwembadhuisje ligt tegen dit terrein aan en is zo klein van omvang dat het niet belemmerend werkt voor de uitvoering van het gemeentelijk beleid.

Conclusie
De ontwikkelingen die met voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt zijn dusdanig kleinschalig van aard dat deze niet conflicteren met gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 3 Het plan

Het bestemmingsplan 'Crailoseweg 117' is opgesteld om het zwembadhuisje (dat is aangelegd ten behoeve van het zwembad op het perceel Crailoseweg 117) te legaliseren. Zoals in de inleiding al is aangegeven is de gemeente bereid om over te gaan tot legalisatie omdat de eigenaar van het perceel bereid is om zijn stuk grond met de bestemming 'Tuin III' te herbestemmen tot 'Natuur' en zodanig in te richten dat dit kan dienen als natuurcompensatie.

In de volgende figuur 3.1 is een luchtfoto opgenomen met daarin afgebeeld het zwembadhuisje.

afbeelding "i_NL.IMRO.0406.BPCRAILOWEG117-VG01_0004.jpg"  
Figuur 3.1 Het zwembadhuisje (omcirkeld)  

Ten behoeve van de natuurcompensatie is een beplantingsplan opgesteld. Dit plan heeft betrekking op het achterste deel van het perceel dat bestemd wordt als natuur en op de overige delen van het perceel. Het definitieve beplantingsplan dat in de bijlage is opgenomen is gewijzigd naar aanleiding van contact met het Goois Natuurreservaat (GNR). GNR heeft aangegeven dat laurierkers (die oorspronkelijk in het plan zat) zich 'hard' toont en een exoot is. Het voorstel van GNR om de laurierkers te vervangen door bosrhodos is overgenomen.

Hoofdstuk 4 Milieu- en waardeaspecten

4.1 Vormvrije m.e.r. beoordeling

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden: dan is het opstellen van een MER nodig.

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. De voorliggende ontwikkeling is qua aard en omvang niet te vergelijken met de projecten die in lijst C 'Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is’ zijn opgesomd.

Drempelwaarden Lijst D
Een zwembadhuisje zou geschaard kunnen worden geschaard onder categorie D11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject). Omdat een zwembadhuisje ver onder de drempelwaarde voor deze activiteit (2.000 woningen) ligt is geen m.e.r. beoordeling nodig. De natuurcompensatie valt onder D9 (een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan), de drempelwaarde voor deze activiteit is 125 ha. De realisatie van circa 380 m2 ligt dus verder onder de drempelwaarde.

Gevoelig gebied
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het gaat daarbij om gebieden die specifiek in het Besluit m.e.r. worden genoemd.

Het plangebied is niet gelegen in of nabij een gebied dat wordt beschermd vanuit de natuurwaarden. Het zwembadhuisje en de natuurcompensatie maken ook geen onderdeel uit van Ecologische Hoofdstructuur, het deel waarde natuurcompensatie plaats vindt niet. De omgeving maakt deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een Vogel- of Habitatrichtlijngebied of overig beschermd natuurgebied zodat van externe werking geen sprake kan zijn. Meer hierover in paragraaf 4.10.

Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied maar wel tot een grondwaterbeschermingsgebied. In paragraaf 4.7 wordt daar nader op ingegaan.

Milieugevolgen
In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake zal zijn van nadelige gevolgen. Er spelen geen andere ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied. Van cumulatie met enige ander ontwikkeling zal dan ook geen sprake zijn.

Conclusie
Het milieubelang is in bovenstaand advies in het plan voldoende afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.r. beoordeling is niet nodig.

4.2 Geluid

Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan/wijzigingsplan is het conform de Wet geluidhinder (WGH) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie. Voor wegen die deel uitmaken van een 30km/h gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden. Als een geluidszone geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (artikel 77 Wgh).

Geluid in relatie tot het bestemmingsplan.
De natuurontwikkeling is geen geluidsgevoelige bestemming, de Wet geluidhinder vormt wat dat betreft geen belemmering. Het zwembadhuisje is geen ruimte waarin langdurig wordt verblijft of wordt gewoond.

Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan is een bestemmingsplan waar geen nieuwe geluidsgevoelige objecten of nieuwe geluidsbronnen mogelijk gemaakt worden. In het kader van dit bestemmingsplan is het dan ook niet noodzakelijk om de geluidssituatie nader te onderzoeken.

4.3 Externe veiligheid

Wet en regelgeving
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, buisleiding etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

(Beperkt) kwetsbare objecten
Er moet getoetst worden aan het Bevi, de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants.

Risicovolle activiteiten
In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.

Plangebied
Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicovolle activiteiten in de omgeving van het plangebied aanwezig:

  • Zwem- en recreatiebad 'Sijsjesberg', ten noorden van het plangebied: ter plaatse van de gronden van deze inrichting wordt onder andere chloorbleekloog, gas en dieselolie opgeslagen. Blijkens de risicokaart ligt er een terreingrens om het perceel heen. Het plangebied ligt op grote afstand van dit perceel en daarmee niet binnen de terreingrens. De 'Sijsjesberg' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
  • Feep van der Heiden Pijnrecycling BV, ten noordoosten van het plangebied: ook voor deze inrichting geldt een terreingrens. Op het perceel worden gasflessen opgeslagen. Omdat het perceel op grote afstand van het plangebied ligt en het plangebied niet binnen de terreingrens valt vormt de inrichting geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
  • Binnen het plangebied of in de omgeving zijn geen aangewezen routes (spoor, weg, water) voor het transport van gevaarlijke stoffen, behoudens een buisleiding ten zuiden en oosten van het plangebied. Deze ligt op een afstand van circa 540 meter of meer van het plangebied. Volgens de risicokaart kent de buisleiding geen PR 10-6 risicocontour. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze buisleiding.
  • Het zwembadhuisje is geen inrichting waar risicovolle activiteiten plaatsvinden. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de natuurcompensatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0406.BPCRAILOWEG117-VG01_0005.jpg"  
Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)  

Groepsrisico
Met voorliggend bestemmingsplan wordt een natuurontwikkeling mogelijk gemaakt. Deze vindt plaats op privaat terrein en leidt daarom niet tot een toename van de personendichtheid. Het zwembadhuisje is ook bedoeld voor privégebruik van de eigenaar van het perceel. Dit huisje heeft dus ook geen invloed op de personendichtheid. Op grond daarvan kan worden vastgesteld dat het groepsrisico niet toeneemt.

Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan 'Crailoseweg 117'.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan: het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.

De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstanden-lijsten in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden uit de VNG-publicatie).

Plangebied
In het plangebied zijn geen bedrijven gelegen. Het zwembadhuisje zelf is een functie behorend bij wonen en dus niet belemmerend voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning op het perceel Crailoseweg 117. Dit geldt dan ook voor woningen in de buurt van het plangebied. De natuurcompensatie heeft eveneens geen invloed op het woon- en leefklimaat van de woning en de woningen in de omgeving.

De omgeving van het plangebied bestaat uit natuur en/of andere woonbestemmingen. Er zijn geen bedrijven in de nabijheid die belemmerend werken.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.

4.5 Bodem

Het beleid ten aanzien van de bodem is gebaseerd op de wet Bodembescherming en de nota bodembeheer van de gemeente Huizen. Uitgangspunt hierbij is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Voor het vastleggen van bestaande situaties is een bodemonderzoek niet noodzakelijk.

Doorwerking bodem naar plangebied
De natuurcompensatie is geen functie bedoeld voor het langdurig verblijf van personen. Omdat deze compensatie plaatsvindt binnen een perceel waar gewoond wordt kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik.

Voor het zwembadhuisje geldt dat hier weliswaar personen gebruik van maken, maar niet voor langere duur. Daarnaast is dit huisje gebouwd binnen de bestemming 'Natuur', waardoor er vanuit kan worden gegaan dat hier geen verontreinigde grond aanwezig is.

Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.

4.6 Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

In de Regeling NIBM is voor woningbouwprojecten vastgelegd wanneer ze NIBM zijn:

  • woningbouwontwikkeling met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen of
  • twee ontsluitingswegen en niet meer dan 3.000 nieuwe woningen.

De functies die met voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt maken geen onderdeel uit van de categorieën van gevallen die in de Regeling NIBM worden genoemd. Gezien het feit dat natuur an sich geen verkeersaantrekkende werking kent en het zwembadhuisje bedoeld is voor de bewoners van het perceel kan worden gesteld dat de verkeersaantrekkende werking vele malen kleiner is dan de gevallen die in de Regeling NIBM worden genoemd. Om die reden zal voorliggend bestemmingsplan niet leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.

4.7 Water

De watertoets is een verplicht onderdeel van elke planologische procedure. Doel van de watertoets is het waarborgen van waterhuishoudkundige doelstellingen door waterbelangen reeds in een vroeg stadium bij de planvorming te betrekken.

Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater.

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het provinciaal Waterplan van de provincie Utrecht, het Waterbeheersplan 2010-2015 van Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Verder het is 'Handboek hemelwater' van belang. Dit handboek gaat het over het omgaan met regenwater dat op verhard oppervlak valt (daken, wegen, etc.) en vervolgens afstroomt naar de riolering, de bodem of het oppervlaktewater.

Keur waterbeheerder
Om haar doelen te kunnen realiseren beschikken waterschappen over een eigen verordening, die van oudsher de Keur heet. De Keur kent ‘verboden’ en ‘geboden’ voor de manier van inrichten bij, het gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. Voor een deel van de verboden activiteiten uit de Keur kan onder voorwaarden vergunning worden verleend.

Huidige situatie
In beide delen van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Er zijn ook geen waterkeringen of andere objecten van waterhuishoudkundig belang aanwezig. Tevens is er geen sprake van verharding.

Toekomstige situatie
De natuurcompensatie vindt plaats op een deel van het perceel wat nu onverhard is. Met de aanleg van de compensatie wordt geen verharding toegevoegd.

Het zwembadhuisje is gerealiseerd in een gebied wat voorheen onverhard was. Er was dus sprake van onverhard gebied wat nu gedeeltelijk is verhard. Deze verharding bedraagt 30 m2. Volgens de Keur van het Hoogheemraadschap Amstel Gooi en Vecht is het verboden om buiten het stedelijk gebied meer dan 5.000 m2 verharding aan te brengen. Het zwembadhuisje is vele male kleiner en valt dus niet onder dat verbod. Er zijn geen uitlogende materialen gebruikt. De afvoer van hemelwater gaat de bodem in.

Watertoets
In het kader van het watertoetsproces zal het bestemmingsplan worden voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Amstel Gooi en Vecht. Het hoogheemraadschap heeft op 25 november 2014 informeel gereageerd en aangegeven dat het plan geen consequenties heeft voor de waterhuishouding.

4.8 Archeologie

Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Met invoering van de wet hebben gemeenten een archeologische zorgplicht. Initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Wanneer er in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart ligt het plangebied in een zone met archeologische waarden. Voor deze zone geldt dat archeologische onderzoek noodzakelijk is bij een planomvang van meer dan 500 m2 en bodemingrepen dieper dan 40 cm.

Het zwembadhuisje is 30 m2 groot, hiervoor hoeft dus geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De natuurcompensatie heeft een oppervlakte van circa 380 m2, ook deze ontwikkeling is vrijgesteld van archeologisch onderzoek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0406.BPCRAILOWEG117-VG01_0006.jpg"  
Figuur 4.2 Uitsnede gemeentelijke archeologische verwachtingskaart (plangebied omcirkeld)  

Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

4.9 Kabels en leidingen

De aanwezigheid van kabels en/of leidingen in een gebied kunnen de realisatie van bouwplannen in de weg staan. In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de planontwikkeling.

4.10 Ecologie

Flora en Fauna
Het plangebied bevindt zich niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogel- en/of Habitatrichtlijn en maakt geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. Gebiedsbescherming is dus niet direct aan de orde. Externe werking op beschermde gebieden is eveneens uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied Eemmeer & Gooimeer zuidoever ligt op meer dan twee kilometer afstand, buiten de invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling. Effecten op aanwezige natuurwaarden in de aangrenzende Ecologische Hoofdstructuur worden gezien de aard van de ontwikkeling eveneens op voorhand uitgesloten.

Wat betreft soortbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.

Onderhavige ontwikkeling betreft de legalisatie van een zwembadhuisje en het inrichten van een deel van de tuin als natuur. Voor de ontwikkeling zal in beplanting worden voorzien. Hierbij moet men altijd bedacht zijn op de aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren die in de vegetatie en bovengrond aanwezig kunnen zijn. Een Flora en fauna onderzoek is derhalve nodig.

Onderzoek
In 2015 is een bureaustudie verricht op basis van actuele verspreidingsgegevens van beschermde soorten beschikbaar in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF-quickscanhulp.nl 25-02-2015) en foto’s van het plangebied (gemaakt op 20-12-2014 en 8-1-2015). Hieruit blijkt dat de beplantingslocatie plaats zou kunnen bieden aan enkele beschermde soorten flora en fauna die uit het gebied bekend zijn. Het plangebied betreft voornamelijk grasland met bomen langs de randen en in de oosthoek van het perceel. Het grasland wordt frequent onderhouden en is daarmee ongeschikt habitat voor beschermde plantensoorten. Er zullen geen vaste verblijf- en rustplaatsen van zwaarder beschermde dieren aanwezig zijn (tabel 2 en 3 Flora- en faunawet) aangezien het grasland hiervoor ongeschikt habitat vormt. In de randen van het gebied en de oosthoek is een strooisellaag aanwezig alsmede enkele struiken. Het is niet geheel op voorhand uit te sluiten dat hier in de kruidlaag daslook en ruig klokje kunnen voorkomen. Bij het beplanten van deze delen zullen eventueel aanwezige groeiplaatsen van voorgenoemde soorten vermeden moeten worden. Hiervoor moeten de groeiplaatsen in kaart gebracht zijn. Dit kan het beste tijdens de bloeiperioden gebeuren (voor daslook is dit tussen april en juni en voor ruig klokje tussen juli en augustus).

Voor zwaarder beschermde soorten reptielen die uit het gebied bekend zijn is het plangebied hooguit marginaal geschikt voor hazelworm. Levendbarende hagedis, zandhagedis en ringslang worden op basis van ongeschikt habitat op voorhand uitgesloten voor te komen binnen het plangebied. Het beplanten zal naar verwachting een positief effect hebben voor het leefgebied van hazelworm. Negatieve effecten voor hazelworm zijn dan ook uitgesloten.

Voor zwaarder beschermde soorten zoogdieren die uit het gebied bekend zijn kunnen verblijfplaatsen van boom bewonende soorten vleermuizen (als rosse vleermuis) en boommarter aanwezig zijn in de bomen binnen het plangebied. Aangezien er geen bomen gekapt worden en er geen overige verstoring van het beplanten wordt verwacht, zijn negatieve effecten voor deze soorten op voorhand uitgesloten. Op overige licht beschermde soorten (tabel 1) zoogdieren worden negatieve effecten op voorhand uitgesloten, met inachtneming van de zorgplicht.

Broedende vogels worden in het goed onderhouden grasland niet verwacht voor te komen. Dit is echter niet uit te sluiten voor de bomen en enkele struiken binnen het plangebied. Door het beplanten hier buiten de broedperiode (half maart- half juli) uit te voeren, wordt het risico op verstoring van broedende vogels en daarmee overtreding van de Flora- en Faunawet sterk verminderd.

Zorgplicht
In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. In het kader van de algemene zorgplicht zijn geen specifieke maatregelen nodig voor zoogdieren. Ten aanzien van vogels zal het beplanten buiten het broedseizoen plaats dienen te vinden.

Conclusie
Ten aanzien van flora en fauna zijn er geen belemmeringen te verwachten, mits groeiplaatsen van beschermde planten (daslook en ruig klokje) ontzien worden bij het beplanten en het beplanten buiten het broedseizoen voor vogels plaatsvindt.

De aanwezigheid van groeiplaatsen van de beschermde soorten daslook en ruig klokje zal in de bloeiperiode van de desbetreffende soort bepaald moeten worden.

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

5.1 Inleiding

In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met regels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende 10 jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt de juridische bestemmingsplanmethodiek uiteengezet zoals gebruikt zal worden voor het bestemmingsplan ‘Crailoseweg 117’.

5.2 Verbeelding

Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Dit uit zich met name in de structuur en verbeelding. De verbeelding is opgebouwd volgens IMRO 2012 en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012. Hiermee wordt aangesloten bij de landelijke richtlijn voor het benoemen van de bestemmingen, het bijbehorende kleurgebruik etc.. Vanaf de ontwerpfase van het bestemmingsplan zal de verbeelding gecodeerd zijn.

5.3 Systematiek van de regels

Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding met regels. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De verbeelding voor bestemmingsplan ‘Crailoseweg 117’ beslaat analoog 1 kaartblad en is digitaal beschikbaar. De regels zijn opgebouwd uit inleidende regels (hoofdstuk 1), bestemmingsregels (hoofdstuk 2), algemene regels (hoofdstuk 3) en overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4).

In de regels is gekozen voor een uitgebreide opsomming in de bestemmingsomschrijving van zaken die binnen een bestemming worden toegestaan. Voorzieningen die opgenomen zijn in de bestemmingsomschrijving zijn vanzelfsprekend gerelateerd aan de betreffende bestemming.

5.4 Planregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Begrippen
In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten
In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Natuur
De bestemming 'Natuur' is toegekend aan het gedeelte waar de compensatie ten behoeve van het zwembadhuisje plaats vindt. Deze bestemming is zodanig ingericht dat de ontwikkeling en behoud van natuur voorop staat. Er mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en perceelafscheidingen worden gebouwd

Artikel 4 Tuin - Tuin I
Deze bestemming geldt voor de voortuin: het deel van de tuin dat aan de kant van de Crailoseweg is gelegen. In dit gedeelte van de tuin zijn aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet gewenst. Uitsluitend zogenaamde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en perceelafscheidingen zijn mogelijk.

Artikel 5 Tuin - Tuin III
Het achterste gedeelte van het perceel heeft de bestemming 'Tuin - Tuin III'. Dit deel vormt de overgang naar de bestemming 'Natuur'. Behoudens de vergunningsvrije mogelijkheden mag dit gedeelte van de tuin niet worden bebouwd. Voor bepaalde werkzaamheden geldt een aanlegvergunning.

Artikel 6 Wonen
De bestemming 'Wonen' is bedoeld voor het woonperceel. De bestaande woning is opgenomen binnen het bouwvlak. De maatvoering met betrekking tot de hoogte is opgenomen in de regels. Met betrekking tot bebouwing op het erf (dit zijn de gronden buiten het bouwvlak die tot de bestemming 'Wonen' horen) mag ten hoogste 150 m2 worden bebouwd met aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Aan de aanduiding 'bijgebouw' (specifiek voor het zwembadhuis) is een maatvoeringsaanduiding gekoppeld: deze beperkt de oppervlakte van dit bijgebouw tot maximaal 30 m2. Op deze wijze is het zwembadhuisje op deze plek toegestaan. De hoogten met betrekking tot deze bouwwerken zijn opgenomen in de regels.

Hoofdstuk 3 Algemene regels
In dit onderdeel van de regels komen onder andere de flexibiliteitsbepalingen aan de orde. Het gaat hierbij onder meer om:

Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling regelt dat bebouwing slechts eenmaal mag worden meegerekend bij de berekening van het maximaal bebouwd oppervlak, bij de aanvraag van een bouwvergunning.

Algemene bouwregels
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen.

Algemene aanduidingsregels

In deze regels is de bescherming van het aardkundige monument en grondwaterbeschermingsgebied geregeld. Deze bescherming houdt in dat aan de regels van de Provinciale Milieuverordening moet worden voldaan indien men bouwwerken wil oprichten.

Algemene afwijkingsregels
Ten behoeve van de flexibiliteit en bruikbaarheid in de praktijk is voorzien in de mogelijkheid tot afwijken en wijzigingsbevoegdheden. Met de afwijkingsmogelijkheid kan het bevoegd gezag o.a. een afwijking van de maatvoering van bouwwerken toestaan met ten hoogste 10%.


Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht. Daarnaast is een hardheidsclausule weergegeven.

Slotregel
Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het onderliggende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Om gemaakte kosten te verhalen dient de gemeenteraad ingevolge artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan dient vast te stellen voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is opgenomen dat als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wro wordt aangewezen een bouwplan voor:

  • a. de bouw van een of meer woningen;
  • b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen;
  • d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt;
  • f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m².

Voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in de bouw van een of meerdere nieuwe aangewezen bouwplannen. Het aspect kostenverhaal is dan ook niet aan de orde.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg
Overleg is nodig om te komen tot goede bestemmingsplannen en om een goede afstemming tussen het beleid van de verschillende overheden te bewerkstelligen. De overheden zijn vrij in de vormgeving van dit overleg. Overheden kunnen hierover onderling afspraken maken. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het overleg. Doelstelling van de wetgever is om het overleg zo soepel en vlot mogelijk te laten verlopen. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om dit overleg te voeren.

Het overleg wordt gevoerd met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn (artikel 3.1.1 Bro).

In het kader van het vooroverleg wordt het concept ontwerpbestemmingsplan aangeboden aan de overlegpartners. Indien er vooroverlegreacties worden ontvangen zullen deze worden samengevat en beantwoord.

Het vooroverleg voor het bestemmingsplan 'Crailoseweg 117' vindt gelijktijdig met de zienswijzenperiode plaats.

Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor een periode van 6 weken voor een ieder ter visie gelegd. Men kan een zienswijze gericht op het ontwerpplan indienen binnen deze periode van 6 weken. Indien er zienswijzen binnenkomen worden deze beantwoord en samengevat.