direct naar inhoud van Artikel 5 Gemengd - 3
Plan: Indischebuurt Noord
Plannummer: BP5080004
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0392.BP5080004-0003

Artikel 5 Gemengd - 3

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

5.1.1 Begane grond
  • a. dienstverlening
  • b. bedrijven of bedrijfsactiviteiten tot en met categorie B, zoals genoemd in de bij deze regels behorende zoneringslijst;
  • c. detailhandel;
  • d. praktijkruimte;
  • e. atelier;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'fitnesscentrum' is tevens een fitnesscentrum toegestaan;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'sportcentrum' is tevens een sportcentrum toegestaan;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'wonen' is tevens wonen toegestaan al dan niet in combiantie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep, gastouderopvang of bed & breakfast;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' is tevens een kantoor toegestaan al dan niet met loketfunctie;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met horecacategorie' is tevens een horecabedrijf toegestaan tot en met de aangeduide categorie;
  • k. bij de bestemming behorende 'andere bouwwerken' en voorzieningen zoals groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van, voorzieningen voor de waterhuishouding;
5.1.2 Overige verdiepingen
5.2 Bouwregels

Binnen de bestemming 'Gemengd - 3' mogen bouwwerken worden opgericht onder de volgende voorwaarden:

5.2.1 Gebouwen
  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' dient een vrije doorgang te worden gerealiseerd met een minimum hoogte van 3,5 m.
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage' is ten hoogste het aangegeven bebouwingspercentage toegestaan. Indien geen bebouwingspercentage is aangegeven mag het bouwvlak volledig worden bebouwd;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' zijn ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan;
  • f. de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk mag niet meer dan 7 m bedragen;

dakopbouwen

  • g. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot-, bouwhoogte en dakhelling' zijn ten hoogste de aangegeven goot- en bouwhoogte toegestaan en dient binnen de aangegeven dakhelling gebouwd te worden. In afwijking hiervan mag de achtergevel recht worden opgetrokken indien:
    • 1. de tegenoverliggende achtergevelrooilijnen minimaal op een afstand van 20 m liggen;
    • 2. niet wordt gebouwd in de hoek van een bouwblok binnen 15 m van het snijpunt van de oorspronkelijke achtergevels;
    • 3. er wordt aangesloten op de trend.
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' mag boven de goothoogte een dakopbouw met een hoogte van 3m worden gerealiseerd onder de volgende voorwaarden:
    • 1. de voorgevel van de dakopbouw is recht opgetrokken en dient 1m achter de voorgevelrooilijn te zijn gelegen;
    • 2. de achtergevel van de dakopbouw dient recht te zijn opgetrokken. In afwijking hiervan dient de achtergevel van de dakopbouw te worden voorzien van een dakhelling van 70 graden indien:
      • de tegenoverliggende achtergevelrooilijnen op een afstand van 20 m of minder ligt;
      • wordt gebouwd in de hoek van een bouwblok binnen 15 m van het snijpunt van de oorspronkelijke achtergevels;
    • 3. er wordt aangesloten op de trend.

dakkapellen

  • i. dakhellingen mogen worden onderbroken voor het oprichten van een dakkapel, mits:
    • 1. de bovenzijde van de dakkapel ten minste 0,5 m onder de noklijn is gelegen;
    • 2. bij dakvlakken met een hellingshoek < 35 graden mag een dakkapel in of binnen 0,5 m van de nok geplaatst worden;
    • 3. de onderzijde van de dakkapel meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet wordt geplaatst;
    • 4. de zijkanten van de dakkapel minimaal 0,5 m worden gerealiseerd van de zijkanten van het dakvlak;
    • 5. de dakkapel in het voordakvlak niet breder is dan de helft van de breedte van het dakvlak;
    • 6. bij meerdere dakkapellen in serie er tevens sprake is van een regelmatige rangschikking van de dakkapellen met een minimale afstand van 0,5 m tussen de afzonderlijke kapellen en de totale breedte van de dakkapellen maximaal 50% van het dakvlak bedraagt.

5.2.2 Andere bouwwerken
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen (op 1 m) achter de voorgevelrooilijn mag niet meer dan 2 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen;
  • c. de hoogte van overige 'andere bouwwerken' mag niet meer dan 3 m bedragen.

bijbehorende bouwwerken

  • d. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend op 1 meter achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd;
  • e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen) mag voor zover op een afstand van niet meer dan 2,5 m van de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw met een maximum bouwhoogte van 4 m, gemeten vanaf het aansluitend peil, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;
  • f. de bouwhoogte van overige aan- en uitbouwen mag ten hoogste 3 m bedragen;
  • g. de goothoogte van bijgebouwen mag ten hoogste 3 m bedragen, waarbij boven de goothoogte mag worden afgedekt met een kap met een maximale hoogte van 2 m;

erker

  • h. het realiseren van een erker mag onder de volgende voorwaarden:
    • 1. een erker mag tot maximaal 1,5 m voor de voorgevel worden gerealiseerd;
    • 2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag vermeerderd met de hoogte van de verdiepingsvloer met een maximale bouwhoogte van 4 m;
    • 3. erkers mogen worden voorzien van een hekwerk met een maximale hoogte van 1.2 m.

fietsenberging

  • i. het realiseren van een fietsenberging voor de voorgevel mag onder de volgende voorwaarden:
    • 1. er is geen achterom aanwezig bij de woning;
    • 2. de diepte van de voor- of zijtuin is minimaal 2,5 m;
    • 3. de hoogte van de berging mag maximaal 1,3 m bedragen;
    • 4. de verticale diepte van een berging mag maximaal 1 m bedragen ten opzichte van het maaiveld;
    • 5. de oppervlakte van de berging mag maximaal 20% van de oppervlakte van de voor- of zijtuin bedragen met een maximum van 4 m²;
    • 6. de gevels van de berging evenwijdig aan de voorgevel, mogen maximaal 30% van de breedte van die voorgevel beslaan.


dakterras 

  • j. een dakterras is toegestaan, mits:
    • 1. gesitueerd op een erker of op een bijbehorend bouwwerk (aan- en uitbouwen);
    • 2. het dakterras niet binnen 2 m van de erfgrens wordt geplaatst, tenzij de eigenaar en gebruiker van de aangrenzende grond hier schriftelijk toestemming voor heeft verleend;
    • 3. het dakterras van binnenuit wordt ontsloten;
    • 4. privacyschermen op aan- en uitbouwen bouwen niet hoger zijn dan 1.5 m en niet dieper dan 2.5 m;
    • 5. de afstand tussen de tegenoverliggende achtergevels van de hoofdbebouwing minimaal 15 m bedraagt;
    • 6. de diepte van het dakterras niet meer bedraagt dan 2,5 m gemeten vanuit de achtergevel;
    • 7. voorzien van een afscheiding met een maximale hoogte van 1,2 m;
    • 8. er geen overige bouwwerken op het dakterras worden geplaatst.

oppervlakte bouwwerken

  • k. de gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken (per bouwperceel) mag niet meer bedragen dan 50% van de gronden met een maximum van 100 m2 , tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;
5.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen, de kaprichting, kapvorm en dakhelling, de indeling en vormgeving van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken;
  • c. de brandveiligheid.
5.4 Afwijken van de bouwregels

dakkapellen

  • 1. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.1 sub j en toestaan dat:
    • a. een dakkapel aan de voor- en achterzijde in of binnen 0,5 m van de dakvoet geplaatst wordt;
    • b. een dakkapel aan de voor- en achterzijde in of binnen 0,5 m van de daknok geplaatst wordt;
    • c. een dakkapel aan de voor- en achterzijde een breedte heeft die meer dan helft van het dakvlak bedraagt, mits de afstand tot de perceelgrens minimaal 0,5 m is.

dakterrassen

  • 2. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.2 lid i onder 2 en toestaan dat een dakterras wordt gerealiseerd zonder toestemming van de eigenaar en of gebruiker van het belendende perceel, mits er binnen het bouwblok reeds een vergelijkbare situatie voorkomt welke met vergunning is gerealiseerd.

  • 3. Het bevoegd gezag toetst bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheden onder 1 en 2 of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • b. de privacy en bezonning van de omwonenden;
    • c. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
5.5 Specifieke gebruiksregels

Een woning dient voor de huisvesting van maximaal één huishouden;

5.6 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5 en toestaan dat een woning tevens gebruikt wordt als kamerverhuurbedrijf, mits:
    • 1. er voldoende parkeer en stallingsruimte aanwezig is;
    • 2. wordt voldaan aan de geldende brandveiligheidsnormen.

  • b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het eerste lid ten behoeve van een bedrijf dat:
    • 1. niet in de zoneringslijst dan wel in een hogere categorie staat vermeld, maar die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de toegelaten milieucategorieën of
    • 2. vanuit milieuhygienisch oogpunt toelaatbaar is.