direct naar inhoud van Bijlage 3 Externe veiligheid deelgebied Z
Plan: Actualisering diverse gebieden
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0344.BPACTUALISATIEDG-0402

Bijlage 3 Externe veiligheid deelgebied Z

3.1 Inleiding externe veiligheid

In en direct rond het plangebied is een inventarisatie gedaan naar risicoveroorzakende activiteiten. Dit heeft het volgende overzicht opgeleverd:

  • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en water. Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich de A12. Verder is voor het plangebied alleen het Amsterdam-Rijnkanaal relevant. Een deel van het Amsterdam Rijnkanaal maakt deel uit van het plangebied. Andere relevante Basisnet-transportassen liggen allen op grote afstand (meer dan een kilometer) van het plangebied. Nadere beschouwing is niet nodig.
  • Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Door het plangebied loopt van west naar oost een brandstoftransportleiding. Andere transportleidingen bevinden zich op grote afstand.
  • Bevi bedrijven. Binnen het plangebied bevindt zich een Bevi bedrijf. Het gaat om een brandstoffendepot. Buiten het plangebied bevinden zich geen Bevi bedrijven die van invloed zijn op het plangebied.

Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico's te beheersen worden in bestemmingsplannen de relaties tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. De normen en richtlijnen zijn onder andere vastgelegd in:

  • de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs; voor transport over weg, spoor en water)
  • het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; voor transportleidingen)
  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi; voor bedrijven).

De circulaire Rnvgs (laatste herziening d.d. 31-7-2012) geeft antwoord op vragen hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van transportroutes en geeft de normering aan voor plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Het Bevb is gebaseerd op de systematiek van het Bevi. Het besluit regelt onder andere de afstand tussen kwetsbare objecten en een transportleiding voor gevaarlijke stoffen (meestal een aardgasleiding). Naast risiconormeringen kent het Bevb tevens een extra afstandsbepaling, de zogenaamde belemmeringenstrook. Binnen de belemmeringenstrook geldt vanuit operationele overwegingen een totaal bouwverbod, dus ook voor objecten waar geen mensen verblijven (schuren, tuinhuisjes etc.). Dit is nodig vanwege de bereikbaarheid voor onderhoud, bescherming van de omgeving bij lekkage, bescherming van de leiding tegen beschadiging en bereikbaarheid in noodgevallen.

Het Bevi beschrijft de afstanden tussen risicovolle bedrijven en (beperkt) kwetsbare objecten/bestemmingen. Risicovolle bedrijven zijn bijvoorbeeld LPG stations. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld woningen, gebouwen waarin mensen zijn die zichzelf slecht in veiligheid kunnen brengen (scholen en zorginstellingen) en gebouwen waarin vaak grote aantallen personen aanwezig zijn (grote winkelcentra, grote kantoren etc.). Daarnaast bestaan beperkt kwetsbare objecten, dit zijn alle andere (meestal) gebouwde objecten.

In de circulaire Rnvgs, het Bevb en het Bevi staan twee soorten risico's beschreven waarop de normen en richtlijnen van toepassing zijn. Het betreft het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft aan hoe groot de overlijdenskans is indien een persoon zich permanent op een bepaalde plek bevindt. De wetgever beschouwt een overlijdenskans van eens in de miljoen jaar (aangeduid met 10-6) voor nieuwe situaties als acceptabel. Vertaald naar het bestemmingsplan (in dit geval de plankaart) kan het PR=10-6 worden weergegeven als een contour (10-6 - contour). Rondom een bedrijf is dat vaak een cirkel, langs een transportas zijn dat min of meer parallelle lijnen aan beide zijden. Alle punten op de cirkel of lijnen vertegenwoordigen een plaatsgebonden risico van één op de miljoen jaar. Het plaatsgebonden risico vertegenwoordigt dus een afstandsnorm. Voor de afstand tussen de risicoveroorzakende activiteiten en kwetsbare objecten is die norm een harde grenswaarde. Voor de afstand tot beperkt kwetsbare objecten is die norm een richtwaarde waarvan mag worden afgeweken als daar een gegronde reden voor is. Binnen de 10-6 - contour mogen geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden bestemd of gebouwd. Voor bestaande situaties gelden overgangsregels.

Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan op het overlijden van een groep mensen tengevolge van een calamiteit.

De circulaire Rnvgs, het Bevb en het Bevi verplichten ertoe dat bij besluiten op grond van de Wet ruimtelijke ordening het groepsrisico wordt beschreven en gemotiveerd. Voor het toetsen van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde oriëntatiewaarde. Dit is geen harde wettelijke norm maar een houvast om te toetsen of het groepsrisico acceptabel is al dan niet in combinatie met maatregelen voor de bestrijding van ongevallen. Volgens het Bevi moet het groepsrisico bepaald worden binnen het invloedsgebied van het risicovolle bedrijf. De grootte van het invloedsgebied verschilt per soort bedrijf. Volgens de circulaire Rnvgs en het Bevb moet het groepsrisico bepaald worden binnen het invloedsgebied, hetgeen bepaald wordt door de afstand waarbij voor 1 % van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt bij het grootst mogelijke ongeval, de zogenaamde 1% letaliteit contour. Ook hier verschilt de grootte per transportas.

Er zijn twee manieren om het groepsrisico te verlagen. Het is mogelijk maatregelen te nemen bij de risicoveroorzakende activiteit of het is mogelijk maatregelen te nemen in de omgeving daarvan. De mogelijkheid om maatregelen te nemen bij transportroutes over weg, spoor en water zijn op lokaal niveau niet of nauwelijks aanwezig; gemeenten kunnen bijvoorbeeld niet sturen op aantallen vervoersbewegingen. Bij bedrijven, en in mindere mate bij transportleidingen, zijn er meer mogelijkheden via bijvoorbeeld de omgevingsvergunning.

3.2 Vervoer gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en water

Basisnet

Landelijk is een Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en vaarwegen ontwikkeld. Het Basisnet geeft zekerheid over de te verwachten transportfrequenties en de daarbij behorende zonering. In de loop van 2013 zal de wetgeving zodanig worden aangepast dat de uitgangspunten van het Basisnet, waaronder de transportfrequenties waarmee gemeenten bij risicoanalyses dienen te rekenen, wettelijk worden verankerd. Dit gebeurt door het aanpassen van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en een nieuw vast te stellen Besluit externe veiligheid transportroutes (Btev). Vooruitlopend hierop zijn die uitgangspunten nu reeds vastgelegd in de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Van de bevoegde gezagen wordt verwacht dat zij toepassing geven aan de circulaire en daarmee anticiperen op het Basisnet. De transportfrequenties, opgenomen in de circulaire corresponderen met de maximale gebruiksruimte voor het vervoer. Voor de berekening van de risico's ten behoeve van dit plan is om bovenstaande reden uitsluitend gerekend met de Basisnet uitgangspunten.

Transport van gevaarlijke stoffen over het Amsterdam- Rijnkanaal

In het kader van het Basisnet zijn inventarisaties uitgevoerd wat betreft knelpunten externe veiligheid langs vaarwegen. Daaruit bleek dat langs het Amsterdam-Rijnkanaal geen knelpunten aanwezig zijn. De scheepvaart met gevaarlijke stoffen kan vele malen groeien voordat de normwaarden voor plaatsgebonden en groepsrisico in zicht komen. Aangezien er geen PR=10-6 contour bestaat is toetsing niet aan de orde. Wel zal op basis van het Basisnet een plasbrandaandachtsgebied (PAG) gaan gelden van 25 meter vanaf de oever van het kanaal. In het toekomstige Besluit externe veiligheid transportroutes zal een verantwoordingsplicht gaan gelden waarom binnen zo'n gebied (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten. Op dit moment bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen dat gebied. Op de verbeelding zijn binnen dit gebied nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten uitgesloten door het bouwvlak te positioneren op 25 meter vanaf de oever van het kanaal.

Gelet op het lage groepsrisico zal er niet verder worden ingegaan op de eventuele mogelijkheden om het groepsrisico omlaag te krijgen. Wel wordt hierna ingegaan op de mogelijkheden tot het bestrijden van een zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen in de omgeving.

Maatregelen m.b.t. voorbereiding en beperken omvang zwaar ongeval

De volgende locatiespecifieke voorwaarden bepalen of een (dreigend) zwaar ongeval goed bestreden kan worden of zelfs voorkomen:

  • Bluswatercapaciteit. De totale bluswatercapaciteit wordt voor de bestrijding van een (dreigend) zwaar ongeval op het water als voldoende beschouwd.
  • Inzettijd. De dichtstbijzijnde brandweerkazerne is de post aan de Helling. Vanwege de aanwezigheid van hoofdrijroutes van nood- en hulpdiensten naar het plangebied toe kunnen de diverse locaties snel bereikt worden en is de aanrijtijd in voldoende mate geborgd.
  • Bereikbaarheid. Het kanaal is overal goed toegankelijk omdat nabij het gehele plangebied wegen liggen naast het kanaal. Ook de te beschermen bestemmingen langs het kanaal binnen het plangebied zijn goed bereikbaar.

Mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen bij een "dreigend" zwaar ongeval

Naast het beschouwen van de mogelijkheden m.b.t. voorbereiding van bestrijding en beperken omvang van zwaar ongeval, verplicht de regelgeving om de zelfredzaamheid van personen in de omgeving van de transportas te verantwoorden.

  • Vluchtmogelijkheden. Bij een dreigende calamiteit moeten personen in staat zijn om snel van de bedreigde plek weg te kunnen komen. Hiervoor is het nodig dat er in voldoende richtingen straten en wegen zijn waarlangs men kan vluchten. Deze mogelijkheden zijn in ruim voldoende mate aanwezig (zie ook hierboven onder "Bereikbaarheid"). Voor de specifieke beschrijving met betrekking tot het kantoor van de Rijksgebouwendienst (Westravenflat) wordt verwezen naar hetgeen hierover is beschreven onder hoofdstuk 1.3 ("Bedrijven die vallen onder het Bevi").
  • Zelfredzaamheid. Gelet op het karakter van het gebied langs het kanaal (bedrijventerrein) kan ervan worden uitgegaan dat de meeste mensen in dat gebied een goede gezondheid hebben en mobiel zijn. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. Voor de specifieke beschrijving met betrekking tot het kantoor van de Rijksgebouwendienst (Westravenflat) wordt verwezen naar hetgeen hierover is beschreven onder hoofdstuk 1.3 ("Bedrijven die vallen onder het Bevi").

Conclusies vervoer over water

Voor het Amsterdam-Rijnkanaal bestaat geen PR 10-6 contour die op de oever komt. Wel zal er op basis van het Basisnet een plasbrandaandachtsgebied gaan gelden. Nieuwe bebouwing zal worden uitgesloten door de bouwvlakken te positioneren buiten deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het groepsrisico is laag en wordt als aanvaardbaar beschouwd, mede rekening gehouden met de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over het Amsterdam-Rijnkanaal legt geen beperkingen op aan het bestemmingsplan.

Transport van gevaarlijke stoffen over de A12

Omgeving van de A12

De omgeving aan de noordzijde van de A12, binnen het plangebied, bestaat vrijwel in het geheel uit bedrijfs- en kantoorbestemmingen. Dit geldt ook voor een groot deel van het gebied ten zuiden van de A12, Westraven en bedrijventerrein De Liesbosch in Nieuwegein. Meer naar het oosten bevindt zich ten noorden van de A12 de woonwijk Hoograven.

Uitgangspunten van het Basisnet

De uitgangspunten van het Basisnet worden onder andere bepaald door de transportfrequenties. Deze bedragen voor het betreffende trajectdeel van de A12: 6855 voertuigen met brandbare gassen (LPG, propaan) per jaar.

Over de A12 worden ook andere gevaarlijke stoffen vervoerd (brandbare vloeistoffen zoals benzine, toxische vloeistoffen zoals acrylnitril), maar van alle gevaarlijke stoffen zijn de brandbare gassen maatgevend voor het groepsrisico.

De transportfrequenties en nog enkele andere uitgangspunten zijn opgenomen in bijlage 4 van de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.

Toetsing plaatsgebonden risico

Op basis van de uitgangspunten van het Basisnet is er rond de A12 een PR=10-6 contour aanwezig van 25 meter, gerekend vanaf het midden van de weg. De contour komt daarmee niet buiten de grens van het snelwegtracé. Op basis daarvan hoeft daarom geen toets plaats te vinden naar de aanwezigheid van (beperkt) kwetsbare objecten. Ook bestaat er een zogenaamd plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter, gerekend vanaf de rand van de weg. Op grond van het toekomstige Besluit externe veiligheid transportroutes (Btev) zal een verantwoordingsplicht gaan gelden indien binnen deze zone (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt. Dit heeft te maken met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. Voor het plangebied is er op geen enkele plek een overlap met bouwvlakken van de diverse bestemmingen. Binnen de PAG zone zijn daardoor geen bebouwingsmogelijkheden volgens dit bestemmingsplan.

Verantwoording groepsrisico

Anticiperend op het Besluit externe veiligheid transportroutes (Btev) wordt hierna een zogenaamde verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd. Hierbij wordt de omvang van het groepsrisico in beeld gebracht en wordt vervolgens beschreven hoe het groepsrisico beïnvloed kan worden door eventuele maatregelen aan het transport en de omgeving.

Tot slot wordt beschreven welke factoren van invloed zijn op de inperking van het aantal slachtoffers voor het geval dat zich daadwerkelijk een zwaar ongeval voordoet. Enerzijds gaat het er om dat de hulpdiensten zich voorbereiden op het bestrijden van een zwaar ongeval, anderzijds gaat het erom dat personen snel naar een veilige plek kunnen vluchten.

Personendichtheid en GR

Voor de berekening van het groepsrisico is gebruik gemaakt van het rekenprogramma RBM II. In dit programma zijn de uitgangspunten zoals hierboven genoemd als brongegevens ingevoerd. Het groepsrisico wordt in principe bepaald binnen de zogenaamde 1% letaliteitcontour. Aangezien bebouwing op grotere afstand dan 200/250 meter een verwaarloosbare invloed heeft op het groepsrisico, is in het rekenprogramma volstaan met het invoeren van personendichtheden binnen 200/250 meter afstand van de weg. In dat gebied bevinden zich de onder "Omgeving van de A12" genoemde bestemmingen. Ook geprojecteerde bebouwing is meegenomen. Onder geprojecteerd wordt de bebouwing verstaan die nog niet is gerealiseerd, maar al wel mogelijk is gemaakt middels een bestemmingsplan, of waarvoor een bestemmingsplanprocedure loopt, of waarvoor een vooraankondiging bestemmingsplan is gedaan. Uitgaande hiervan is voor dit plan gebruik gemaakt van een berekening die is gemaakt ten behoeve van de meest recent voorgenomen ontwikkeling, i.c. het bestemmingsplan "Hotel en kantoorontwikkeling Winthontlaan 4-6, Merwedekanaalzone" waarvoor een vooraankondiging is gedaan.

Om een indruk te geven van de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van wat als aanvaardbaar wordt beschouwd, de oriëntatiewaarde, is het gebruikelijk om de kansen te vergelijken die horen bij een ongeval met resp. 10, 100 en 1000 dodelijke slachtoffers. Deze kansen zijn af te lezen in het diagram dat in het door het rekenprogramma gegenereerde rapport is opgenomen.

Uit de rapportage blijkt dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en 0,848 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. De rapportage waarin het groepsrisico is weergegeven is als bijlage ("Rapportage Externe veiligheid Winthontlaan, nieuw") toegevoegd.

Verlaging groepsrisico door eventuele maatregelen aan het transport

Het Basisnet is het resultaat van een langdurig afwegingsproces tot het optimaliseren van de externe veiligheid rond het totale Nederlandse wegennet. De gezamenlijke verantwoording van wegbeheerder, ministerie en gemeente die in het kader van het opstellen van het Basisnet heeft plaatsgevonden, behoeft in het kader van dit bestemmingsplan niet opnieuw uitgevoerd te worden. Deze gezamenlijke verantwoording resulteerde in groeifactor 1,5, in plaats van een voor de meeste andere wegen toegepaste groeifactor 2. Dit heeft geresulteerd in een maximaal aantal van 6855 voertuigen met brandbare gassen per jaar, in plaats van 9140.

Door de wettelijke borging van de uitgangspunten van het Basisnet is de transportbijdrage aan het groepsrisico gefixeerd in een risicoruimte. Als gevolg hiervan is het groepsrisico niet meer te beïnvloeden door maatregelen aan het transport.

Verlaging groepsrisico door maatregelen in de omgeving

Het betreft een conserverend bestemmingsplan. Maatregelen in de omgeving zijn hierbij niet aan de orde. Maatregelen zijn ook niet nodig gelet op de hoogte van het groepsrisico (zie hierboven), de afwegingen in het kader van het Basisnet en de overige overwegingen zoals hierna genoemd.

Maatregelen m.b.t. voorbereiding van bestrijding en beperken omvang van zwaar ongeval

De volgende locatiespecifieke voorwaarden bepalen of een (dreigend) zwaar ongeval goed bestreden kan worden of zelfs voorkomen:

  • Bluswatercapaciteit. De totale bluswatercapaciteit wordt voor de bestrijding van een (dreigend) zwaar ongeval op de A12 als voldoende beschouwd.
  • Inzettijd. Inzettijd van de brandweer is goed vanaf de brandweerpost aan de Helling. Ook vanaf diverse andere posten kan een snelle inzet plaatsvinden via de snelwegen rondom Utrecht.
  • Bereikbaarheid. Het gaat om een snelweg met veel rijstroken. De bereikbaarheid is geen probleem. Ook de locaties langs de snelweg op de bedrijventerreinen zijn vanwege de ruime infrastructuur allen goed bereikbaar.

Mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen bij een "dreigend" zwaar ongeval

Naast het beschouwen van de mogelijkheden m.b.t. voorbereiding van bestrijding en beperken omvang van zwaar ongeval, is het gebruikelijk om de zelfredzaamheid van personen in de omgeving te verantwoorden.

  • Vluchtmogelijkheden. Bij een dreigende calamiteit moeten personen in staat zijn om snel van de bedreigde plek weg te kunnen komen. Hiervoor is het nodig dat er in voldoende richtingen straten en wegen zijn waarlangs men kan vluchten. Deze mogelijkheden zijn in voldoende mate aanwezig.
  • Zelfredzaamheid. Gelet op het karakter van het gebied (bedrijventerrein en kantoren) kan ervan worden uitgegaan dat de meeste mensen in het gebied een goede gezondheid hebben en mobiel zijn. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen.

Conclusies

Voor de A12 ter hoogte van het plangebied bestaat volgens het Basisnet een PR=10-6 contour van 25 meter. Vanwege de breedte van de A12 ter plaatse komt de PR=10-6 contour niet buiten de grens van het snelwegtracé. Daarnaast geldt er volgens de uitgangspunten van het Basisnet een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Binnen dit PAG bevinden zich in het plangebied geen bestemde bouwvlakken.

Het groepsrisico is vrij hoog maar blijft onder de oriëntatiewaarde. Gelet op de afwegingen die ten behoeve van het basisnet zijn gedaan, wordt het groepsrisico als aanvaardbaar beschouwd, mede rekening gehouden met de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid.

Het wegvervoer van gevaarlijke stoffen legt geen beperkingen op aan het bestemmingsplan.

Vervoer door brandstof transportleiding

Ligging tracé

Door het plangebied loopt van west naar oost een transportleiding bestemd voor het transport van brandstoffen. De leiding komt ter hoogte van de zuidgevel van het RWS kantoor het plangebied binnen en vervolgt z'n weg langs de noordgevel van het Transferium Westraven. Na kruising met de Europalaan loopt de leiding zuidelijk van het Bastionhotel en kruist na een lichte bocht de Mauritsiuslaan. Iets ten noorden van de Mauritsiuslaan gaat de leiding onder het Merwedekanaal door en verlaat het plangebied.

Het gaat om een leiding met een diameter van 219 mm met een druk van 80 bar. De leiding is bedoeld en geschikt voor het verpompen van K2 en K3 vloeistoffen.

Omgeving van het tracé

Langs het tracé bevinden zich enkele objecten waarvan het RWS kantoor en het Bastionhotel de meest in het oog springende zijn. Verder bevindt er zich nog het Transferium Westraven en enkele kantoorlokaties. De objecten bevinden zich op relatief korte afstand van de leiding. Het RWS gebouw (kwetsbaar object) bevindt zich op ca. 15 meter en het Transferium op ca. 10 meter. Het Bastionhotel (ook een kwetsbaar object) en de overige kantoorlokaties bevinden zich op wat grotere afstand (ca. 20 tot 30 meter).

Toetsing aan Bevb - Plaatsgebonden risico en belemmeringenstrook

Volgens de notitie “Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3” (augustus 2008) van het RIVM bevindt de PR=10-6 contour zich op minder dan 5 meter van de leiding in de gevallen dat uitsluitend K2 en K3 vloeistoffen getransporteerd worden.

Overigens moet er een zone langs de leiding gereserveerd worden van 5 meter aan weerszijden, de zogenaamde belemmeringenstrook. In deze strook geldt een bouwverbod, behoudens een ontheffing van burgemeester en wethouders, en een aanlegvergunningstelsel. De strook is opgenomen op de plankaart en het gebruik ervan is geborgd in voorschriften bij dit bestemmingsplan.

Groepsrisico (GR) vanwege de transportleiding

Volgens artikel 12 lid 1 van het Bevb moet een zogenaamde verantwoording van het groepsrisico plaatsvinden. Hierna wordt de omvang van het groepsrisico in beeld gebracht. Daarna wordt beschreven hoe het groepsrisico beïnvloed kan worden door eventuele maatregelen aan de leidingen en de omgeving.

Tot slot wordt beschreven welke factoren van invloed zijn op de inperking van het aantal slachtoffers voor het geval dat zich daadwerkelijk een zwaar ongeval voordoet. Enerzijds gaat het er om dat de hulpdiensten zich voorbereiden op het bestrijden van een zwaar ongeval, anderzijds gaat het erom dat personen snel naar een veilige plek kunnen vluchten.

Toetsing aan Bevb – Personendichtheden en groepsrisico

Volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen moet het GR bepaald worden binnen het invloedsgebied van de leiding. Het invloedsgebied bevindt zich volgens opgave van de leidingbeheerder op een afstand van 31 meter vanaf het hart van de leiding.

Volgens de notitie “Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3” (augustus 2008) van het RIVM moet bij de toetsing onderscheid gemaakt worden in het transport van K1-vloeistoffen enerzijds, en het transport van K2 en K3-vloeistoffen anderzijds. Aangezien uitsluitend K2 en K3 vloeistoffen getransporteerd worden, kan volstaan worden met en toets voor uitsluitend die vloeistoffen.

Volgens de RIVM-notitie zal, uitgaande van een 24 inch K2-buisleiding (ca. 60 cm) met een druk van 100 bar, bij een dichtheid tot 100 personen per ha (aan weerszijden van de leiding) het groepsrisico niet hoger komen dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

Voor het RWS kantoor is uitgegaan van 30 m2 vloeroppervlak per persoon (kengetal kantoren) en ca. 4400 m2 vloeroppervlak binnen het invloedsgebied. Dit resulteert in ongeveer 150 personen. Voor het hotel is uitgegaan van 100 personen (uitgaande van 80 kamers) en 50 % van het gebouw vallend binnen het invloedsgebied. Dit resulteert in 50 personen. De lengte van het leidingtracé in het plangebied bedraagt ongeveer 800 meter en heeft een invloedsgebied met een breedte van in totaal 62 meter. Rekening gehouden met een marge komt het totale aantal personen binnen het gehele invloedsgebied langs die 800 meter leiding op maximaal 250 binnen een gebied met een oppervlakte van 4,8 ha. De dichtheid blijft daarmee ruim onder de 100 en het groepsrisico zal niet hoger komen dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Mogelijk kan het groepsrisico ter plaatse van het RWS gebouw iets boven die waarde van 0,1 komen, maar zal ver onder de oriëntatiewaarde blijven.

Bovendien gaat het in dit plan over een leiding van slechts 8 inch en een druk van 80 bar.

Volgens het Bevb kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico indien deze niet boven de waarde van 0,1 maal de oriëntatiewaarde komt te liggen, hetgeen hier het geval is. Dit houdt in dat de volgende punten niet worden uitgewerkt:

  • de eventuele maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door de exploitant van de buisleiding;
  • andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan;
  • de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst.

Maatregelen m.b.t. voorbereiding van bestrijding en beperken omvang van zwaar ongeval

De volgende locatiespecifieke voorwaarden bepalen of een (dreigend) zwaar ongeval goed bestreden kan worden of zelfs voorkomen:

  • Bluswatercapaciteit. De bluswatercapaciteit is voldoende.
  • Primair: Er is op de Griffioenlaan een primaire bluswatervoorziening (brandkraan) aanwezig met een capaciteit van tenminste 60 m3/uur. Dit is voldoende.
  • Secundair: Op de Mauritiuslaan en op de Griffioenlaan zijn secundaire bluswatervoorzieningen aanwezig met een capaciteit van tenminste 90 m3/uur gedurende 4 uur. Dit is voldoende.
  • Tertiair: In de nabije omgeving zijn aan de Gelderlandtlaan en aan Winthontlaan tertiaire bluswatervoorzieningen aanwezig (Amsterdam Rijnkanaal/Merwedekanaal) met een capaciteit van tenminste 240 m3/uur onbeperkt. Dit is voldoende.
  • Inzettijd. De dichtstbijzijnde brandweerkazerne is post Tolsteeg, gelegen aan de Helling. Vanwege de aanwezigheid van hoofdrijroutes voor nood- en hulpdiensten naar de Europalaan toe is de aanrijtijd in voldoende mate geborgd. Opschaling kan vanaf de Belcampostraat/Nieuwegein/De Meern toereikend aanrijden.
  • Bereikbaarheid. De Europalaan biedt voldoende mogelijkheden om te kunnen aanrijden naar de diverse locaties langs het tracé.

Mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een zwaar ongeval voordoet of bij een "dreigend" zwaar ongeval

Naast het beschouwen van de mogelijkheden m.b.t. voorbereiding van bestrijding en beperken omvang van zwaar ongeval, verplicht het Bevb om de zelfredzaamheid van personen in de omgeving van de leidingen te verantwoorden.

  • Vluchtmogelijkheden. De ontruimingsmogelijkheden vinden plaats via de Europalaan in zowel noordelijke als zuidelijke richting; dit is voldoende. De ontruiming van bebouwing in de nabije omgeving kan in voldoende mate worden gerealiseerd met de aanwezige infrastructuur.
  • Zelfredzaamheid. Gelet op het karakter van het gebied aan beide kanten van de leiding kan ervan worden uitgegaan dat de meeste mensen in het gebied een goede gezondheid hebben en mobiel zijn. Aan beide kanten betreft het, op een enkele woning na, uitsluitend bedrijven en kantoren. Eén en ander betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen, dan wel de adviezen van de hulpdiensten op kunnen volgen.

Conclusie

Voor het leidingtracé bevindt de PR=10-6 contour zich op minder dan 5 meter van de leiding en valt daarmee binnen de zogenaamde belemmeringenstrook. Binnen deze belemmeringenstrook bevinden zich geen gebouwen en andere objecten. Het plan voldoet daarmee aan de afstandseisen uit het Bevb.

Het groepsrisico is beperkt en zal ruim onder of rond de grens van 0,1 maal de oriëntatiewaarde blijven. In combinatie met o.a. de goede bereikbaarheid van hulpdiensten en de goede zelfredzaamheid van personen in de nabijheid van de leiding wordt het risico als acceptabel beschouwd.

3.3 Bedrijven die vallen onder het Bevi

Binnen het plangebied bevindt zich een brandstoffendepot van Argos aan de Gelderlantlaan.

De belangrijkste risico's bij het depot worden veroorzaakt door de volgende bedrijfsactiviteiten:

  • De aanvoer van vloeibare motorbrandstoffen (benzine, diesel) per tankschip. Dit gebeurt middels het verpompen van het schip naar opslagtanks binnen de inrichting.
  • Opslag van motorbrandstoffen (benzine, diesel) in acht bovengrondse tanks die zijn opgesteld in een tankput.
  • Het verladen van de motorbrandstoffen naar tankauto's, onder toevoeging van additieven.
  • Het terugwinnen van verdampingsverliezen van benzine in een terugwininstallatie.

Voor alle activiteiten geldt dat bij het vrijkomen van de inhoud van de diverse insluitsystemen (tankschip, opslagtanks, tankauto's, slangen en leidingen) het risico ontstaat van brand, evt. gepaard gaand met een explosie. Gezien de grote inhoud van een aantal van deze insluitsystemen kan een zeer grote brand ontstaan.

De nieuwvestiging van bedrijven die veiligheidsrisico's met zich mee brengen en onder het Bevi vallen zal binnen het plangebied worden uitgesloten. Hiervoor zijn voorschriften (regels) opgenomen; vestiging van een risicobedrijf kan uitsluitend plaatsvinden door middel van een ontheffingsprocedure.

Hieronder staat voor het bedrijf een nader uitgewerkte omschrijving van de omgeving, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Omgeving van het brandstoffendepot

Het terrein van Argos is gesitueerd in het uiterste zuidelijke (punt)gedeelte van het gebied plangebied (Westraven). Westraven ligt enigszins geïsoleerd van de rest van de stad vanwege de snelweg A12 ten noorden van het gebied. Aan de overige zijden wordt het gebied begrensd door het Amsterdam-Rijnkanaal en het Merwedekanaal.

Binnen het beschreven gebied Westraven bevinden zich verder een aantal bedrijfsvestigingen (vooral kantoorfuncties), waaronder één grote hoogbouw met kantoorfuncties (i.c. het kantoor van de Rijksgebouwendienst). De afstanden vanaf de erfgrens tot de omliggende bedrijfsgebouwen bedragen ongeveer 60 meter (bedrijven aan de andere kant van de Europalaan) tot ca. 230 meter (het gebouw van de RGD). Hierbij wordt opgemerkt dat de afstand van de opslag van de meest brandbare vloeistoffen (K1-vloeistoffen) tot aan het gebouw van de RGD ca. 350 meter bedraagt.

Het gebied Westraven wordt verder nog doorsneden door een drukke uitvalsweg en een sneltramspoorlijn naar Nieuwegein. De tracé' s van de weg en spoorlijn lopen parallel aan elkaar en bevinden zich ten zuidoosten van het bedrijfsterrein. De meest nabij gelegen woningen bevinden zich aan de andere kant van de Europalaan op ongeveer 120 meter afstand van de terreingrens van Argos en een woning aan de overkant van het Amsterdam Rijnkanaal op ongeveer 140 meter afstand van de losplaats van de tanker c.q. ca. 160 meter van de terreingrens.

Het perceel van Argos wordt aan de westzijde begrensd door het Amsterdam Rijnkanaal; tussen het perceel en het kanaal liggen nog een sloot en een weg. In het zuiden wordt het perceel begrensd door het tracé van de sneltramspoorlijn met een ontsluitingsweg tussen het tracé en het perceel. In het noorden grenst het perceel van Argos direct aan een terrein dat in eigendom is van het Rijksvastgoed en Ontwikkelingsbedrijf (RVOB) en Shell. Dit terrein ligt al sinds geruime tijd braak, met uitzondering van een klein kantoorgebouwtje. Omdat het terrein in een punt uitloopt, is de genoemde opsomming van begrenzingen compleet.

Plaatsgebonden risico (PR) vanwege het brandstoffendepot

Onlangs is een ontwerpbeschikking gepubliceerd naar aanleiding van een aanvraag voor een uitbreiding van de omgevingsvergunning, i.c. een uitbreiding/revisie voor het milieudeel. Bij de aanvraag was een QRA (herziene definitieve versie 18 april 2013) gevoegd waarin het plaatsgebonden risico is bepaald voor de bestaande vergunde situatie en voor de nieuwe aangevraagde situatie. Voor dit plan is de contour voor de nieuwe aangevraagde situatie maatgevend. Op blz 25 van de QRA is die contour weergegeven.

De contour PR=10-6 beslaat vooral het terrein van de inrichting. Op drie plekken komt de contour buiten de grens van de inrichting. Aan de westzijde strekt de contour zich uit over de bestemming 'Water' (Amsterdam Rijnkanaal) en aan de zuidkant is er een overlap met uitsluitend verkeersbestemmingen. Ten aanzien van deze twee plekken is een toets aan het PR niet relevant. Aan de noordoostzijde loopt de contour over een deel van het RVOB/Shell terrein. Het RVOB/Shell terrein heeft een bedrijvenbestemming en volgens het bestemmingsplan is bebouwing toegestaan tot de grens van het bestemmingsvlak. Bebouwing binnen de PR=10-6 contour is niet wenselijk omdat dan niet zou worden voldaan aan de richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Bij de ontwikkeling van het RVOB/Shell terrein zal gestreefd worden naar het voldoen aan de richtwaarde.

De conclusie is dat zich binnen de 10-6 - contour geen kwetsbare objecten bevinden. Ook bevinden zich geen bestaande beperkt kwetsbare objecten binnen die contour. In de planregels zal een bepaling worden opgenomen die bebouwing binnen de contour PR=10-6 uitsluit. Daarmee wordt voldaan aan de eisen van het Bevi.

Conclusie toets plaatsgebonden risico

Aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico m.b.t. het brandstoffen depot wordt voldaan. Aan de richtwaarden voor het plaatsgebonden risico wordt eveneens voldaan.

Groepsrisico (GR) vanwege het brandstoffendepot

Volgens artikel 13 lid 1 van het Bevi moet een zogenaamde verantwoording van het groepsrisico plaatsvinden. Hierna wordt de omvang van het groepsrisico in beeld gebracht. Daarna wordt beschreven hoe het groepsrisico beïnvloed kan worden door maatregelen bij het bedrijf en eventuele maatregelen in de omgeving.

Tot slot wordt beschreven welke factoren van invloed zijn op de inperking van het aantal slachtoffers voor het geval dat zich daadwerkelijk een zwaar ongeval voordoet. Enerzijds gaat het er om dat de hulpdiensten zich voorbereiden op het bestrijden van een zwaar ongeval, anderzijds gaat het erom dat personen snel naar een veilige plek kunnen vluchten.

Personendichtheid en GR

De personendichtheid en de berekening van het GR zijn beschreven in de genoemde QRA. Volgens het Bevi moet het GR bepaald worden binnen het invloedsgebied van de inrichting. Het invloedsgebied wordt bepaald door het schadegebied dat hoort bij 1% letaliteit. Deze schadegebieden zijn als effectafstanden weergegeven op blz 26 van de QRA. Maatgevend zijn de effectafstanden vanaf de opslagtanks voor benzine, resp. 192 meter (tank 308), 120 meter (tank 302) en 105 meter (tank 301).

De objecten en bijbehorende personendichtheden die bij de berekening zijn beschouwd zijn benoemd in de QRA op blz 20 en 21. Deze objecten betreffen in ieder geval alle objecten die zich binnen het invloedsgebied (1% letaliteitscontour) van de inrichting bevinden. Daarnaast zijn nog een aantal objecten beschouwd die buiten het invloedsgebied liggen. Het in het noorden aangrenzende terrein van RVOB/Shell ligt zoals gezegd braak. De bestemming van dit terrein staat vrij zware bedrijvigheid toe. Voor de personendichtheid is om die reden gekozen voor een personendichtheid van 40 personen per hectare

Om een indruk te geven van de hoogte van het GR ten opzichte van wat als aanvaardbaar wordt beschouwd, de oriëntatiewaarde, is het gebruikelijk om de kansen te vergelijken die horen bij een ongeval met resp. 10, 100 en 1000 dodelijke slachtoffers. Deze kansen zijn voor de nieuw aangevraagde situatie af te lezen in het diagram (figuur 5.5) dat op blz 27 van de QRA is weergegeven, de zogenaamde fN-curve. Het GR blijft onder de oriëntatiewaarde (OW) en bedraagt ca. 0,4 x OW.

Verlaging groepsrisico door (voorgenomen) maatregelen bij het brandstoffendepot

Op dit moment zijn geen maatregelen bekend die nog genomen zouden kunnen worden en die een relatie hebben met de hoogte van het groepsrisico. Dit brengt de rekenmethodiek met zich mee, waarbij voor een groot deel wordt uitgegaan van standaard faalkansen van installatie-onderdelen.

Overigens vloeien veel maatregelen voort uit de algemeen geldende richtlijn PGS 29 die (gedeeltelijk) gekoppeld is aan de te verlenen vergunning. Die richtlijn kan worden beschouwd als de "stand der techniek" voor dit type brandstofdepots. De maatregelen kunnen gezien worden als de best haalbare op dit moment.

De veiligheidsregio Utrecht (VRU) heeft op basis van het bedrijfsbrandweerrapport en haar ambtelijk analyse geoordeeld dat Argos in geval van brand of ongevallen een bijzonder gevaar kan opleveren voor de openbare veiligheid zoals bepaald in artikel 7.3 lid 1 Besluit veiligheidsregio's, hetgeen blijkt uit de volgende geloofwaardige scenario's:

  • Geloofwaardig scenario 1: Full surface tankbrand Klasse 1 opslagtank
  • Geloofwaardig scenario 2: Plasbrand productpompkamer
  • Geloofwaardig scenario 3: Plasbrand Vapour Recovery Unit (V.R.U.)
  • Geloofwaardig scenario 4: Plasbrand op water door breuk laad/losarm bij scheepsverlading
  • Geloofwaardig scenario 5: Plasbrand op het laadrek door breuk laad/losslang bij tankautoverlading;

Dit heeft geresulteerd in Argos aan te wijzen als bedrijfsbrandweerplichtige inrichting.

Middels deze bedrijfsbrandweeraanwijzing zal Argos personeel en materieel realiseren conform de aanwijzing die het direct ingrijpen bij de geloofwaardige scenario's mogelijk maakt en verdere escalatie moet voorkomen dan wel beperken.

Verlaging groepsrisico door maatregelen in de omgeving

Het ruimtelijke besluit betreft een beheer bestemmingsplan. Aan de omgeving zal niets veranderen. Gezien de externe veiligheidssituatie is er ook geen aanleiding om geforceerd over te gaan tot aanpassingen in de omgeving.

Maatregelen m.b.t. voorbereiding van bestrijding en beperken omvang van zwaar ongeval

De volgende locatiespecifieke voorwaarden bepalen of een (dreigend) zwaar ongeval goed bestreden kan worden of zelfs voorkomen:

  • Bluswatercapaciteit. De bluswatercapaciteit is voldoende.
  • Primair: Er zijn op de Gelderlantlaan twee primaire bluswatervoorzieningen (brandkranen) aanwezig met ieder een capaciteit van tenminste 60 m3/uur. Dit is voldoende.
  • Secundair: Op de Gelderlantlaan is een secundaire bluswatervoorziening aanwezig met een capaciteit van tenminste 90 m3/uur gedurende 4 uur. Dit is voldoende.
  • Tertiair: In de nabije omgeving is aan de Gelderlantlaan een tertiaire bluswatervoorziening aanwezig (Amsterdam Rijnkanaal) met een capaciteit van tenminste 240 m3/uur onbeperkt. Dit is voldoende.
  • Inzettijd. De dichtstbijzijnde brandweerkazerne is post Tolsteeg, gelegen aan de Helling. Vanwege de aanwezigheid van hoofdrijroutes voor nood- en hulpdiensten naar de Europalaan, toe is de aanrijtijd in voldoende mate geborgd. Opschaling kan vanuit de Belcampostraat/Nieuwegein/De Meern toereikend aanrijden.
  • Bereikbaarheid. De bereikbaarheid van de locatie is het kortst en snelst via een met een slagboom afgesloten spoorovergang tussen Europalaan (een hoofdrijroute) en de Gelderlantlaan. Via deze weg wordt de (noord)oostkant van het terrein van het depot benaderd. Een alternatieve route loopt vanaf de Europalaan via de Mauritslaan, Winthontlaan en Noordersluis. Via deze weg wordt de zuid- en westkant van het terrein van het depot benaderd. De noordpunt van het terrein kan worden benaderd via de Aziëlaan, Rooseveltlaan en Gelderlantlaan. De verwachting is dat op korte termijn de noordpunt sneller kan worden benaderd via de Griffioenlaan. Een zorgpunt is de bereikbaarheid aan de kant van het RVOB/Shell terrein. Aan deze kant staan de meeste opslagtanks opgesteld en is op dit moment niet bereikbaar. Bij de ontwikkeling van het RVOB/Shell terrein zal rekening worden gehouden met de bereikbaarheid van het depot van Argos vanuit dit terrein. Een oplossing zou kunnen zijn om tussen het depot en de eventuele te realiseren bebouwing op het RVOB/Shell terrein een weg en/of een verhard (bereidbaar) terrein te realiseren. Met een dergelijke oplossing zal het zorgpunt, ten aanzien van het niet kunnen doen van een goede inzet door de brandweer vanuit deze zijde, worden weggenomen.
  • Bestrijding: Het personeel en materieel dat Argos realiseert op basis van de bedrijfsbrandweeraanwijzing maakt het direct ingrijpen bij de geloofwaardige scenario's mogelijk en moet verdere escalatie voorkomen dan wel beperken.

Mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen bij een "dreigend" zwaar ongeval

Naast het beschouwen van de mogelijkheden m.b.t. voorbereiding van bestrijding en beperken omvang van zwaar ongeval, verplicht het Bevi om de zelfredzaamheid van personen in de omgeving van de inrichting te verantwoorden.

  • Vluchtmogelijkheden. Bij een dreigende calamiteit moeten personen in staat zijn om snel van de bedreigde plek weg te kunnen komen. Hiervoor is het nodig dat er in voldoende richtingen straten en wegen zijn waarlangs men kan vluchten. Deze mogelijkheden zijn in ruim voldoende mate aanwezig (zie ook hierboven onder "Bereikbaarheid"). Overigens bevinden zich binnen ca. 120 meter vanaf de tankput en de aanlegplaats voor de tankschepen geen omgevingsobjecten waarin personen verblijven. De dichtstbijzijnde bebouwing met substantiële aantallen personen zijn de woningen en bedrijfjes aan de Noordersluis (op ca. 120 meter vanaf de tankput). Iets hogere dichtheden gelden voor kantoren aan de Winthontlaan. Een zeer hoge dichtheid geldt voor het kantoor van de Rijksgebouwendienst (Westravenflat); dit gebouw ligt op ca. 250 meter vanaf de tankput. Mede vanwege deze afstanden is er genoeg tijd dat de personen in die gebouwen zich op tijd in veilig gebied kunnen brengen, uitgezonderd bij een ontsteking van een wolkbrand. Bovendien mag er bij dit soort gebouwen van worden uitgegaan dat er goede ontruimingsprocedures zijn die regelmatig worden geoefend. Bij een wolkbrand als gevolg van een ontsnapping van een hoeveelheid K1 vloeistof, waarbij de ontsteking enige tijd uitblijft en waardoor de verbranding van de gaswolk met grote snelheid verloopt, kan indien deze snelheid groot genoeg is een druk- of schokgolf optreden. Deze druk- of schokgolf kan er toe lijden dat de glazen gevels van het kantoor van de Rijksgebouwendienst sneuvelen met snijwonden en mogelijk zelfs brandwonden tot gevolg bij de aanwezigen in het kantoorgebouw.
  • Zelfredzaamheid. Gelet op het karakter van het gebied kan ervan worden uitgegaan dat de meeste mensen in het gebied een goede gezondheid hebben en mobiel zijn. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. Met name de ontruimingsoefeningen bij het gebouw van de Rijksgebouwendienst vragen om continue aandacht.

Conclusie toets groepsrisico

Volgens een uitgevoerde berekening van het groepsrisico bestaat er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Het groepsrisico wordt als aanvaardbaar beschouwd.