direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Tromplaan 1
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0308.BP0087-VG01

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op de hoek van de Tromplaan en de Eemweg staat een kantoorvilla. De eigenaar wil graag een aantal appartementen realiseren in de villa. Dit is al mogelijk op basis van de vigerende bestemming "Gemengd - 2".

Daarnaast is het de bedoeling op het perceel nog 1 vrijstaande woning en 1 dubbele woning te realiseren. Om deze woningen te kunnen bouwen is het nodig de vigerende bestemming "Gemengd - 2" te wijzigen in de bestemming "Wonen".

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het plan.

In hoofdstuk 2 zal een nadere beschrijving gegeven worden van de voorgenomen ontwikkeling.

Het voornemen past zoals gezegd niet binnen het vigerend bestemmingsplan. Daarom wordt een nieuw bestemmingsplan voor dit perceel opgesteld, zodat de ontwikkeling in planologisch-juridische zin doorgang kan vinden.

1.2 Plangebied

Het plangebied is gesitueerd op de hoek van de Tromplaan en de Eemweg te Baarn.

Op de luchtfoto is de situering van het plangebied globaal aangegeven. Voor een exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de bijbehorende verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0001.png"

Globale ligging plangebied (rode belijning) (Bron luchtfoto: Google-Earth)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied is het bestemmingsplan "Eemdal" van kracht. Dit plan is vastgesteld op 30 april 2014. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van dit bestemmingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0002.png"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan Eemdal (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Op basis van dit bestemmingsplan zijn de gronden bestemd voor "Gemengd - 2". Concreet betekent dit, dat de gronden benut mogen worden ten dienste van kantoren en woningen, zij het, dat bebouwing alleen toegestaan is binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak. Binnen het bouwvlak mag bebouwing opgericht worden met een maximum goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 9 meter. Bovendien is bepaald, dat maximaal 17,5% van het perceel bebouwd mag worden.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Op dit moment is op de hoek van de Tromplaan en de Eemweg een kantoorvilla aanwezig.

Onderstaande foto's geven een impressie van het plangebied (Bron: Google Earth).

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0003.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0004.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0005.png"

2.2 Voorgestelde ontwikkeling

Het is de bedoeling de mogelijkheid open te houden om in de kantoorvilla 2 tot maximaal 3 appartementen te realiseren. Daarnaast wordt gedacht aan de situering van 1 vrijstaande en 1 dubele woning op het perceel.

Onderstaande impressies geven een indruk van de mogelijke nieuwe situatie (Bron: EXIT 5/ Unlimited Communications). Aan deze tekeningen kunnen geen rechten ontleend worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0006.png"

Op de bovenstaande impressies is te zien dat er aan de Tromplaan 1 vrijstaande woning is geprojecteerd, terwijl er aan de Eemweg een dubbele woning is gedacht. De bebouwing voegt zich in het straatbeeld.

Het parkeren zal op eigen erf plaatsvinden. Op de situatietekening is te zien, dat er op het perceel ruimte gereserveerd wordt voor in totaal 12 auto's. Daarnaast zijn er langs de Tromplaan nog een 5-tal openbare parkeerplaatsen beschikbaar.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. De nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangt verschillende bestaande nota's zoals de Nota Ruimte, de agenda Landschap en de agenda Vitaal Platteland. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Voor het plangebied heeft de Structuurvisie geen consequenties.

3.1.2 De Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.

De inhoudelijke eisen, waaraan voldaan moet worden bij deze zogenaamde "duurzaamheidsladder", zijn op 1 juli 2017 gewijzigd. Vanaf die datum behoeft de "actuele" en "regionale" behoefte niet langer beschreven te worden. Afstemming op regionaal niveau is, volgens de Nota van Toelichting (2017), immers geborgd in de artikelen 3.1.1 en 3.1.6, eerste lid, onder c, van het Bro.

Wel zijn in artikel 3.1.6. lid 2 van de Bro aanvullende eisen opgenomen voor bestemmingsplannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien.

Bij ontwikkelingen met een capaciteit van maximaal 11 woningen behoeft geen nadere onderbouwing opgenomen te worden. Omdat de voorgenomen ontwikkeling slechts 3 woningen omvat kan gesteld worden, dat de nieuwbouw van deze woningen niet in strijd is met de ladder voor duurzame verstedelijking. Door gebruik te maken van vrijkomende gronden is bij deze herontwikkeling sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) omvat regels waar bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het gaat daarbij om alle ruimtelijke rijksbelangen die een juridische vertaling dienen te krijgen in bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur.

Onderhavige ontwikkeling heeft geen betrekking op deze nationale belangen en het bestemmingsplan is daarmee niet in strijd met het Barro.

3.1.4 Monumentenwet

De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is daarna nog verschillende malen aangepast. In de Monumentenwet 1988 is bepaald hoe monumenten kunnen worden aangewezen als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Indien een gebouw, een object of een archeologische vindplaats is aangewezen als monument, dan gelden er restricties voor het aanbrengen van wijzigingen aan dat monument.

Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van een aangewezen beschermd dorpsgezicht. Ook bevinden zich geen monumenten binnen het plangebied.

3.1.5 Visie erfgoed en ruimte

In de Nota 'Kiezen voor karakter, Visie erfgoed en ruimte' schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. Om dit te bewerkstelligen is op 1 januari 2012 artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd. Deze wijziging verplicht gemeenten nu om het aspect cultureel erfgoed expliciet mee te wegen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. In de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek wordt een onderscheid in de fysieke omgeving gemaakt tussen de cultuurhistorie in de ondergrond en de bovengrond:

  • het bodemarchief;
  • het bouwkundig erfgoed (gebouwen en structuren);
  • het cultuurlandschap.

Het bodemarchief heeft betrekking op de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. In paragraaf 4.2 Archeologie en cultuurhistorie wordt nader ingegaan op de aspecten, die betrekking hebben op archeologie en cultuurhistorie.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en Ruimtelijke Verordening

Op 4 februari 2013 hebben Provinciale Staten de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) vastgesteld. Baarn maakt in de PRS deel uit van de regio Amersfoort. Deze regio maakt op haar beurt deel uit van de Noordvleugel Utrecht. Er is sprake van een hoge verstedelijkingdruk, die ook de komende jaren nog sterk groeit. In de Regio Amersfoort wordt gezocht naar ruimte voor 16.390 woningen. Het bestemmen van de betreffende locatie tot wonen past binnen dit beleid.

De provincie zet in op de binnenstedelijke woningbouwontwikkeling. Gericht wordt op de realisatie van ten minste twee derde van het woningbouwprogramma binnen de actuele rode contouren. Deze binnenstedelijke opgave biedt kansen om de leefbaarheid in de steden en dorpen te verbeteren, als er voldoende aandacht is voor de kwaliteit van de woningen en de woonomgeving. De provincie stimuleert dat overheden en marktpartijen zich gezamenlijk inspannen om de binnenstedelijke opgave te realiseren. De ontwikkeling in het plangebied past binnen dit beleid.

De provincie heeft op 4 februari 2013 ook de 'Provinciale Ruimtelijke Verordening' (PRV) vastgesteld. De PRV bevat regels voor gemeenten. De gemeenten moeten deze regels in acht nemen bij het opstellen van nieuwe ruimtelijke plannen. De regels zijn nodig om het provinciale ruimtelijke beleid te kunnen realiseren. De Verordening wijst het plangebied aan als 'stedelijk gebied'. Hier is verdere verstedelijking toegestaan. Het bestemmingsplan voorziet in het herontwikkelen van een bestaand stedelijk gebied. Dit past binnen de uitgangspunten van de verordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Toekomstvisie/ Structuurvisie Baarn in 2030

Op 10 juli 2013 heeft de gemeenteraad de Toekomstvisie / Structuurvisie Baarn in 2030 vastgesteld. Met deze nieuwe visie is de gemeente beter in staat om plannen te toetsen en sturing te geven aan ontwikkelingen. Centraal staat hierbij de vraag: hoe de Baarnse identiteit en kwaliteit behouden en versterken?

De kernkwaliteiten van de gemeente zijn onder andere het afwisselende landschap, de extensieve recreatie, de overal aanwezige cultuurhistorie, de bereikbaarheid en het hoogwaardig wonen.

In de Structuurvisie wordt ingezet op 'hoogwaardig wonen'. Zoals in de Toekomstvisie is aangegeven, staat wonen in Baarn voor 'hoogwaardig wonen'. Dit is één van de kernkwaliteiten waar Baarn op bouwt. De gemeente wil deze identiteit verder ontwikkelen, om Baarn zo ook voor komende generaties een prettig en leefbaar dorp te laten zijn. Inbreidingen zullen in typologie en architectuur moeten aansluiten bij de omgeving en de dorpse identiteit versterken.

Bij de kwalitatieve invulling van het woningbouwprogramma gaat het om de juiste woningen voor verschillende doelgroepen en om een aantrekkelijke omgeving waar wonen, werken, spelen en recreëren hand in hand gaan. Om dit te bereiken zet de gemeente volgens de Visie Wonen in op de volgende thema's:

  • kwaliteit van wonen en woonomgeving;
  • inzet voor jonge huishoudens op de woningmarkt;
  • senioren;
  • wonen met zorg.

Zoals in paragraaf 2.2 Voorgestelde ontwikkeling is aangegeven, is de planontwikkeling op zorgvuldige wijze ingepast in de bestaande omgeving en past daarmee binnen de bestaande natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de leefomgeving van omwonenden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0007.png"

Uitsnede plankaart Structuurvisie (plangebied ligt binnen rode cirkel)

Op de plankaart van de structuurvisie is te zien, dat het plangebied zich bevindt aan de rand van de "dorpskern".

In de Structuurvisie zijn "Potentiële inbreidingslocaties voor transformatie/herstructurering" aangegeven. Het plangebied op de hoek van de Tromplaan en de Eemweg behoort niet tot deze inbreidingslocaties:

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0008.png"

Potentiële inbreidingslocaties voor transformatie/herstructurering

Desondanks kan gesteld worden, dat de bouw van de vrijstaande woning en de dubbele woning past binnen het kader, dat door de Toekomstvisie / Structuurvisie Baarn in 2030 is aangegeven, omdat dit een bijdrage levert aan een kwalitatief aantrekkelijk woongebied.

3.3.2 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Baarn

De Nota Ruimtelijke Kwaliteit Baarn is op 26 februari 2014 door de gemeenteraad van Baarn vastgesteld. De nota verwoordt ambities en biedt inspiratie voor ontwikkelende partijen, particulieren die (bouw)plannen hebben en voor de gemeente zelf. Deze nota vervangt de Welstandsnota uit 2004 maar heeft een bredere opzet. Het gaat daarbij niet alleen om de beoordeling van gebouwen maar om het totale beeld en de samenhang binnen een (openbaar) gebied.

De "Nota Ruimtelijke Kwaliteit Baarn" kan worden onderscheiden in 3 delen, dit zijn:

  • 1. Inleiding;
  • 2. Inspiratie en
  • 3. Toetsingskader.

Het zwaartepunt van de nota is gelegd bij deel 2, Inspiratie.

In de "Nota Ruimtelijke Kwaliteit Baarn" is de gemeente verdeeld in 6 kerngebieden met totaal 27 deelgebieden.

Het onderhavige plangebied ligt in Baarn Zuid-Oost en daarbinnen in het deelgebied Zeeheldenbuurt (D4).

De ruimtelijke kenmerken van dit deelgebied kunnen als volgt samengevat worden:

  • De Zeeheldenbuurt heeft voornamelijk een woonfunctie;
  • Het stratenpatroon is deels gegroeid, deels planmatig opgezet, en heeft gebogen en rechte lanen en straten;
  • De bebouwing van het westelijk deel van de Zeeheldenbuurt, tussen de Faas Eliaslaan en de Tromplaan, bestaat voor het grootste deel uit vrijstaande en geschakelde (middenstands)woningen, van de periode 1900-1940;
  • De bebouwing heeft 2 bouwlagen met een kap;
  • In het gebied zijn enkele afwijkende bebouwingstypen aanwezig: herenhuis Schoonoord met oranjerie (aan de Faas Eliaslaan), enkele urban villa’s en kantoren (langs de Eemweg), de Calvijnkerk, en verzorgingshuis Amaris Schoonoord aan de Tromplaan;
  • Openbaar groen ligt in het Cantonspark en rondom Schoonoord;
  • De straten zijn eenvoudig en relatief smal, zonder groen, met uitzondering van de bredere Faas Eliaslaan;
  • Groene tuinen met hagen en bomen bepalen het beeld;
  • Erfscheidingen bestaan uit lage muurtjes, hagen/struiken en lage open hekwerken.

Op basis van deze riuimtelijke kenmerken worden voor dit deelgebied de volgende aandachtspunten en ambitie geformuleerd:

Gebouwen

  • Neem de bestaande en beoogde omgeving als referentiepunt voor alle bouwwerken;
  • Zorg dat bouwkundige toevoegingen of aanpassingen passen in de stedenbouwkundige structuur en aansluiten op de typologie, de detaillering en het materiaalgebruik;
  • Volg bij nieuw- of herbouw de oorspronkelijke rooilijnen;
  • Geef de bebouwing een duidelijke oriëntatie op de openbare ruimte;
  • Zorg in de overige delen, dat gebouwen vrij staan en een individuele uitstraling hebben;

Percelen

  • Laat verharding in de voortuin achterwege; groen bepaalt de kwaliteit;
  • Houd de voortuinen groen; zij bepalen de sfeer;
  • Houd de erfscheidingen langs de straten laag.

Openbare ruimte

  • Behoud de bestaande standaard: een vlak profiel met een zorgvuldige materialisering.

Dit leidt tot de volgende toetsingscriteria:

  • De bestaande en beoogde omgeving zijn het referentiepunt voor alle bouwwerken. Een bouwkundige toevoeging of verandering moet passen in de stedenbouwkundige structuur en aansluiten bij de typologie van gebouwen, de detaillering, de kleur en het materiaalgebruik ervan;
  • Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume;
  • Gevelindelingen zijn evenwichtig en samenhangend;
  • Enkelvoudige hoofdvormen;
  • Gevelindeling is evenwichtig;
  • Plaatsing en omvang van aan en uitbouwen is duidelijk ondergeschikt aan hoofdgebouw;
  • Panden hebben royale kappen met een nok;
  • Gevels van baksteen - eventueel met pleisterwerk, traditioneel en terughoudend kleurgebruik;
  • Aan- en uitbouwen sluiten qua materiaal en kleurgebruik aan bij het hoofdgebouw;
  • Bestaande karakteristieke details dienen als uitgangspunt bij verbouw.

De commissie Ruimtelijke Kwaliteit (welstandscommissie) zal het plan hieraan toetsen.

3.3.3 Visie Wonen 2019

De Visie Wonen 2019 is door de raad vastgesteld op 25 september 2019.

Ambities

De Visie Wonen bouwt voort op de eerdere visie uit 2016. Daarin stonden vier ambities centraal: het werken aan een evenwichtiger bevolkingsopbouw, een toegankelijker en comfortabeler woningvoorraad, verduurzaming van die woningvoorraad en ruimte voor het segment tussen huren en kopen (middenhuur en goedkope koop). Deze vier ambities staan nog overeind. Wel zijn ze iets aangescherpt, passend bij de huidige tijd. Daarnaast is er een vijfde ambitie is: het ruimte bieden aan alternatieve woonwensen.

De 5 ambities worden hieronder beschreven:

1. Evenwicht in de bevolkingspiramide

Door veranderende bevolkingssamenstelling, met minder jongeren en meer ouderen, staat de variatie in het voorzieningenaanbod onder druk. Met name voorzieningen voor jeugd en jongeren (scholen, verenigingen) hebben hier potentieel last van. De gemeente wil dan ook blijven inzetten op het versterken van het evenwicht in de bevolkingspiramide door meer kansen te bieden aan jongeren en gezinnen met kinderen. Daarmee sluit de visie aan op de motie Wonen voor Twintigers. Het Baarnse woonmilieu is hiervoor passend. Het woningaanbod is echter nu nog te beperkt. Toevoegingen zijn gewenst om bevolkingsomvang en –opbouw op peil te houden.

2. Toegankelijk comfortabel wonen

Tegelijkertijd heeft Baarn een relatief groot aantal inwoners van 65 jaar en ouder. De meeste ouderen zijn lang(er) gezond en participeren actief in de samenleving. Bovendien zijn zij doorgaans gehecht aan de woning waarin zij wonen. Laat onverlet dat een deel van de 65-plussers aanpassing aan de woning, een andere woning of omgeving wensen; vaak makkelijker toegankelijk, comfortabel en nabij voorzieningen. Hieraan wordt preventief aandacht besteed in de bestaande woningvoorraad en door nieuwbouw ten behoeve van doorstroming. Een deel van de ouderen krijgt te maken met een zorgvraag. Doorgaans blijven zij ook (langer) zelfstandig thuis wonen. Dit geldt daarnaast ook voor andere groepen die een zorgbehoefte hebben, zoals mensen met een verstandelijke beperking of psychiatrische aandoening (GGZ). Voor mensen die zelfstandig thuis wonen, met een behoefte aan zorg en ondersteuning, willen we enerzijds zorg aan huis beter mogelijk maken, anderzijds ook ruimte bieden voor nieuwe woonconcepten met zorg nabij.

3. Verduurzaming van woningen

De Baarnse woningvoorraad is doorgaans van hoogwaardige kwaliteit. Er liggen desalniettemin opgaven om de voorraad meer toekomstbestendig te maken. Belangrijk daarbij is de verduurzaming van woningen. Hiermee wil de gemeente klimaatdoelen bereiken (minder uitstoot CO2) en er zorg voor dragen dat de afhankelijkheid van energie afneemt. Dit leidt uiteindelijk tot besparing op de totale woonlasten van huishoudens. De gemeente ziet de verduurzaming primair als verantwoordelijkheid van huiseigenaren zelf; inwoners en verhuurders. Waar nodig ondersteunt de gemeente dit door informatievoorziening.

4. Ruimte in sociale huur en tussen huur en koop

Baarn kent twee gezichten. Enerzijds zijn er de wijken met relatief veel (sociale) huurwoningen, anderzijds wijken met vooral grote duurdere woningen. We zien een structureel tekort aan sociale huurwoningen. Tegelijkertijd zijn er tekorten in de middenhuur en goedkopere koopsector (zie vervolg). Om verschillende inkomensgroepen reële kansen te bieden om in Baarn te (blijven) wonen, is een gevarieerde opbouw van de betaalbare huur- en koopvoorraad gewenst. De corporaties die Baarn tot hun werkgebied mogen rekenen worden uitgedaagd om mee te helpen aan het invullen van deze opgaven. Dit kan door nieuwbouw, maar ook door een herschikking in de bestaande woningvoorraad mede om in wijken meer variatie te krijgen. Te denken is aan omzetten van sociale huur naar middenhuur of betaalbare koop, en toevoeging van nieuwe sociale huurwoningen.

5. Kansen voor het verwezenlijken van alternatieve woonwensen

Bij al de geschetste ontwikkelingen voor Baarn zijn de meer traditionele woonwensen leidend: een huis met een tuintje, of een appartement met ruim balkon. Tegelijkertijd zien we op dit moment dat mensen kiezen voor andere woonvormen: meer collectief in hofjes, minder groot passend bij de leefstijl en om het wonen betaalbaar te houden, duurzamer. Wij willen in Baarn ook ruimte geven aan het verwezenlijken van deze alternatieve woonwensen. Woningbouwlocaties bieden hier ruimte voor.

Een 10-tal opgaven

Door middel van een woningmarktanalyse heeft de gemeente Baarn de actuele stand van zaken rond de ambities opgemaakt en vastgesteld aan welke opgaven nu prioriteit gegeven moet worden. Dit heeft geleid tot het opstellen van een 10-tal opgaven:

  • Toevoegen van woningen voor jonge huishoudens die zich willen vestigen in Baarn, met aandacht voor het rustige en ruimtelijke woonmilieu waar zij in Baarn voor kiezen. Dit moet niet alleen op nieuwbouwlocaties als Baarnsche Zoom, maar ook in andere meer groene woonmilieus door toevoeging van middenhuur tot € 950 en koop tot € 300.000. Daarmee vullen we het gat tussen huur en koop, en maken we doorstroming op de woningmarkt makkelijker mogelijk;
  • Faciliteren van een betere benutting van het bestaande vastgoed in de gemeente: door a) splitsen van grote woningen, b) toepassen van het afwegingskader transformatie kantoorpanden;
  • Inzet op realisatie van woningen, door prioriteit te geven aan woningbouwprojecten die op korte termijn gerealiseerd kunnen worden;Bestaande woningvoorraad kwalitatief beter laten aansluiten bij de veranderende woonwensen gericht op het langer zelfstandig kunnen wonen van ouderen en andere huishoudens met een (intensieve) zorgvraag;
  • Toevoegen van woonvormen voor ouderen en mensen met een zorgvraag:
  • Voor de reguliere huisvestingsvraag inzetten op meer toegankelijke huur- en koopwoningen. Bij locaties nabij voorzieningen geldt als wens levensloopgeschiktheid;
  • Als onderdeel van de vraag naar ‘toegankelijke woningen’ inspelen op de behoefte aan geclusterd wonen op locaties nabij voorzieningen, waarbij tot 2025 de opgave minimaal 25 sociale huurwoningen betreft en na 2025 dergelijke woonzorgontwikkelingen op centrumlocaties de voorkeur hebben;
  • Ten behoeve van de uitstroom uit Beschermd Wonen en Jeugdzorg jaarlijks circa 10 (zeer) betaalbare sociale huurwoningen.
  • Inzet op energietransitie binnen de bestaande woningvoorraad gericht op verduurzaming van de woningvoorraad tegen aanvaardbare kosten, via een combinatie van collectieve maatregelen (bijvoorbeeld een warmtenet) en individuele maatregelen (bijvoorbeeld warmtepompen en isolatie). Dit vraagt bovendien dat mensen meer bewust zijn van de noodzaak van verduurzaming van hun woning;
  • Inrichting van een klimaatbestendige woon- en leefomgeving;
  • Toevoegen van sociale huurwoningen, gericht op 3.000 woningen richting 2025. Deze opgave in samenhang zien met de wens voor meer middenhuur (+50 tot 100 woningen tot 2030) en sociale koop (+150 woningen tot € 200.000 conform Besluit ruimtelijke ordening), en middelduur (tot € 300.000);
  • Borgen dat nieuwbouw in de categorieën sociale huur, middenhuur en sociale koop duurzaam beschikbaar blijven voor de doelgroepen waarvoor deze woningen zijn gerealiseerd;
  • Stimuleren en faciliteren ontwikkeling van specifieke alternatieve woonvormen met een breed maatschappelijk belang.

Afwegingskader woningbouw

De gemeente toetst vanuit deze Visie Wonen woningbouwplannen aan het afwegingskader woningbouw:

Voldoende woningen

850 woningen tot 2030 In dit afwegingskader is het vertrekpunt toevoeging van circa 850 woningen tot 2030. Dit aantal woningen vraagt een forse inspanning om te realiseren. De praktijk laat zien dat bij veel plannen enige vertraging optreedt. Daarom zullen we enerzijds voldoende planologische ruimte voor nieuwbouw moeten hebben, gericht op continuïteit in woningbouw de komende tien jaar. Daartoe willen we minimaal 1.000 woningen in de planning hebben. Hiermee houden we rekening met de potentiële planuitval of vertraging in planontwikkeling door de veelheid aan kleinere en soms ook complexere locaties. Ook biedt dit nog enige gelegenheid voor sturing op de gewenste kwalitatieve ontwikkeling van woningbouw, aansluitend bij de verschillende mogelijkheden per locatie. Anderzijds zullen we onze inzet moeten richten op die plannen die voor de korte termijn gerealiseerd kunnen worden.

De juiste woningen: kwalitatief afwegingskader

Naast locaties gaat het ook om de kwalitatieve invulling van de locaties. Vanuit de Visie Wonen geven we een aantal maatschappelijke kaders mee waar woningbouw in moet voorzien. Op basis van de huidige planinventarisaties zien we vooral een tekort aan plannen bij geclusterde woonzorgvormen, en passende locaties hiervoor. Planontwikkelingen die hierin voorzien, verdienen daarom prioriteit. Als op enig moment (op basis van jaarlijkse monitoring) blijkt dat in voldoende mate wordt voorzien in een van deze segmenten, dan vervalt deze optie voor een initiatiefnemer en resteren de andere segmenten om maatschappelijk aan bij te dragen.

Samengevat

Samengevat worden woningbouwplannen als volgt afgewogen

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0009.png"

De bouw van de vrijstaande woning en een dubbele woning op het perceel Tromplaan 1 past binnen het kader, dat door de Visie Wonen 2019 is aangegeven.

Hoofdstuk 4 Onderzoek

4.1 Wet Natuurbescherming

Het plan voorziet in de bouw van 1 vrijstaande woning en een dubbele woning op de hoek van de Tromplaan en de Eemweg.

Volgens nationale- en internationale regelgeving is het verplicht om voorafgaand aan deze ingreep onderzoek te doen naar de effecten op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN)) en het eventuele voorkomen van beschermde flora en fauna. Tevens is het volgens nationale regelgeving in sommige gevallen verplicht om melding te doen van het kappen van houtopstanden.

Bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden wordt in Nederland vanaf 1 januari 2017 geregeld via de Wet natuurbescherming. Het beleid rond NNN is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en heet hier formeel EHS.

Er is een quick scan Flora en fauna uitgevoerd door Blom Ecologie in januari 2019. De resultaten van deze quick scan zijn opgenomen in Bijlage 1.

Op basis van de uitgevoerde quick scan kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

Samenvatting

In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen bebouwing en de te verwijderen terreininrichting heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0010.png"

Uitvoerbaarheid

De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Tevens dient er tijdens de uitvoering rekening gehouden te worden met het ontstaan van potentieel leefgebied, en daarmee de kans op vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

Conclusie

De beoogde realisatie van een vrijstaande woning en een dubbele woning op het perceel Tromplaan 1 te Baarn leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen op het perceel Tromplaan 1 te Baarn uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem,de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Het Verdrag van Malta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland ondertekende dit verdrag van de Raad voor Europa in 1992. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening.

Door het Bureau voor Archeologie is in november-december 2019 een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd in verband met bouwwerkzaamheden aan de Tromplaan 1 te Baarn. De resultaten van dit onderzoek zijn verwoord in een rapport, dat opgenomen is als Bijlage 2.

De vraagstelling van het onderzoek luidt: hoe kan rekening gehouden worden met eventuele archeologische waarden bij de voorgenomen ontwikkeling? Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002 en 4003. In het kader van het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied.

De resultaten van het onderzoek kunnen als volgt samengevat worden:

Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Noordelijk zandgebied'. Ten westen van het plangebied gestuwde pleistocene formaties aan het oppervlak, al dan niet afgedekt door dekzand. Ten oosten van het plangebied ligt het Holoceen gevulde Eembekken met zeeklei en veen. Volgens de bodemkaart bevinden zich in het plangebied veldpodzolgronden bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand, afgedekt met een kleidek. In de top van het dekzand kunnen archeologische resten uit de periode Laat Paleolithicum tot Nieuwe Tijd aanwezig zijn. Specifiek kunnen in het plangebied resten van het voormalige landschapstuin van Huis Schoonoord (Faas Eliaslaan 9) aanwezig zijn.

In het plangebied zijn vijf boringen gezet tot de schone C-horizont. Drie boringen in het grasveld (noordelijke helft van het plangebied) zijn met een 15 cm Edelmanboor uitgeboord en gezeefd met een 4 mm zeef.

Uit het booronderzoek blijkt dat het bodemprofiel bestaat uit een dikke A-horizont (120 tot 150 cm dik) op dekzand. In het noordwesten van het plangebied een restant van een B-horizont aanwezig. In de A-horizont zijn archeologische indicatoren aanwezig.

Onder de klinkers in het zuiden van het plangebied is de bodem verstoord tot dieper dan 150 cm onder maaiveld. Volgens de eigenaar heeft in het zuidoosten van het plangebied een zwembad gelegen.

De fragmenten baksteen, glas en aardewerk en de pijpenstelen kunnen indicatoren zijn voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de Nieuwe Tijd. Deze archeologische indicatoren bevinden zich echter hoofdzakelijk in de dikke A-horizont. Vermoedelijk betreft dit een ophogingspakket uit de periode van de tuinaanleg (19e eeuw) waarvoor grond van elders is opgebracht.

Naar verwachting worden bij de voorgenomen ontwikkeling geen archeologische resten verstoord. Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met archeologische belangen.

In het gebied bevinden zich geen monumenten of andere beeldbepalende panden. Daarom is de voorgenomen ontwikkeling ook niet in strijd met aanwezige cultuurhistorische belangen.

4.3 Bodem

In november/ december 2019 is er een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd door Ecoreest. Doel van het verkennend (chemisch) bodemonderzoek is een indruk te verkrijgen over de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen).

Doel van het verkennend asbestonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem.

De resultaten van dit onderzoek zijn verwoord in een rapport, dat als Bijlage 3 is toegevoegd aan deze toelichting.

Op basis van het verrichte onderzoek trekt Ecoreest de volgende conclusies:

Algemeen

Uit de veldwerkzaamheden blijkt dat de bodem van de onderzochte locatie tot circa 3,0 m-mv opgebouwd is uit zwak siltig, plaatselijk matig humeus, matig fijn zand, plaatselijk grindig. Het grondwaterniveau is tijdens het onderzoek vastgesteld op 1,63 m-mv.

Tijdens het veldwerk zijn in de bovengrond van meetpunt 5 en in de ondergrond van de inspectieputjes 1 t/m 5 sporen van rode baksteen aangetroffen. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen.

Verkennend chemisch bodemonderzoek

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de ondergrond en het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden uit de Wet bodembescherming zijn aangetoond.

De onderzoekslocatie, zijnde een verdachte locatie ter plaatse van de vermoedelijke locatie van de ondergrondse HBO-tank (deellocatie A), wordt gelet op het niet aantonen van verhogingen aan de verdachte parameters verworpen.

De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie ter plaatse van het overige terrein (deellocatie B), wordt gelet op de gemeten verhoogde gehalten in de ondergrond formeel verworpen.

Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming (wonen) van het terrein, concluderen wij dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de woonbestemming van het terrein.

Verkennend asbestonderzoek

Op basis van de onderzoeksresultaten van het asbestonderzoek concluderen wij dat in het geanalyseerde mengmonster van de bovengrond van deellocatie C geen asbest is aangetoond.

De hypothese “verdachte locatie” wordt op grond van de resultaten van het huidige asbestonderzoek met betrekking tot het onderzochte terreindeel verworpen.

Nader onderzoek naar asbest wordt niet noodzakelijk geacht.

Nader bodemonderzoek

Op basis van voornoemde conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden, dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geluid

Volgens artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) is het nodig akoestisch onderzoek te verrichten naar (nieuwe) woningen die in een geluidszone vallen. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van:

  • woonerven;
  • 30 km/uur-gebieden.

Het plangebied bevindt zich in de geluidzone van de Eemweg. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of ter plaatse van de appartementen en de nieuwe woningen voldaan wordt aan de voorkeurswaarde van 48 dB. De Tromplaan heeft ter plaatse een maximum snelheid van 30 km/u en heeft geen zone. De toetsing van deze weg is alleen van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Ook is het in kaart brengen van de gevelbelasting van belang voor de toetsing van de gevelwering aan het Bouwbesluit.

Om deze reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd in december 2019 door SoundforceOne. De resultaten van dit onderzoek zijn verwoord in een rapport, dat opgenomen is als Bijlage 4.

Op basis van de uitgevoerde berekeningen blijkt, dat de voorkeurswaarde van 48 dB met aftrek conform artikel 110g Wgh als gevolg van de Eemweg overschreden wordt en maximaal 64 dB bedraagt op de voorgevel van de geprojecteerde dubbele woning aan de Eemweg. De gevelbelasting overschrijdt daarmee de maximale grenswaarde voor nieuwbouw van 63 dB voor binnenstedelijke situaties. Indien er geen maatregelen getroffen kunnen worden zal de voorgevel van de dubbele woning "doof" uitgevoerd moeten worden. Dit betekent, dat er in de voorgevel geen ramen of deuren gesitueerd mogen worden, die open kunnen. Op de zijgevels van de dubbele woning wordt de maximale grenswaarde niet overschreden.

Op de noord- en westgevel van de geprojecteerde vrijstaande woning aan de Tromplaan bedraagt de gevelbelasting maximaal 54 dB. Deze woning heeft een geluidluwe zijde en buitenruimte.

Zie onderstaand overzicht van de resultaten voor de Eemweg:

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0011.png"

Overzicht resultaten rekenmodel wegverkeer Eemweg incl aftrek 5 dB conform art 110g Wgh

Bronmaatregelen

Zoals gezegd bedraagt als gevolg van de Eemweg de gevelbelasting inclusief aftrek conform art 110g Wgh maximaal 64 dB op de voorgevel van de geprojecteerde dubbele woning. Toetsing aan de Wet geluidhinder geeft dan aan dat onderzocht moet worden of maatregelen haalbaar zijn. Echter bron- en overdrachtsmaatregelen zullen voor de overschrijding bij één woning financieel gezien niet doelmatig zijn en ook op stedenbouwkundige en landschappelijke bezwaren stuiten.

Aangezien de wettelijke snelheid op de Eemweg 50 km/u bedraagt en het een doorgaande weg is zal een snelheidsverlaging enkel als geluidsmaatregel (bijvoorbeeld naar 30 km/u) niet de voorkeur hebben.

Of het toepassen van stil asfalt op deze weg een optie is is afhankelijk van onderhoudsplanning van de gemeente Baarn voor deze weg. Het vervangen van het wegdek ten behoeve van één woning zal niet wenselijk zijn.

Overdrachtsmaatregelen

De realisatie van een geluidscherm ter hoogte van het plan is een mogelijkheid om ter plaatse van de woningen te kunnen voldoen aan de voorkeurswaarde. Om op alle woonlagen van de woning te kunnen voldoen is echter een hoog scherm nodig. Voor een dergelijk plan zal dit financiële en stedenbouwkundige bezwaren oproepen.

De realisatie van een dergelijk scherm is ook onrealistisch aangezien het een binnenstedelijke situatie betreft en de woningen een inrit hebben vanaf de Eemweg.

Het creëren van meer afstand tussen de weg en de woning is een mogelijke oplossing om aan de maximale grenswaarde van 63 dB te kunnen voldoen. Er kan aan de maximale grenswaarde van 63 dB worden voldaan als de dubbele woning ten opzichte van de Eemweg 2,5 meter naar achteren wordt gesitueerd.

Hogere grenswaarden

Indien maatregelen ter vermindering van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of landschappelijke aard kan in dit geval worden besloten tot het vaststellen van een hogere waarde.

Voor de dubbele woning bedraagt de maximale hogere grenswaarde 63 dB. Indien de woning niet naar achteren verplaatst kan worden, dan zal de voorgevel van deze dubbele woning "doof" uitgevoerd moeten worden. De initiatiefnemer heeft een sterke voorkeur voor het handhaven van de dubbele woning op de beoogde locatie. Daarom zal de voorgevel van deze dubbele woning (zijde Eemweg) "doof" uitgevoerd worden. Dit zal in de regels van dit bestemmingsplan geborgd worden. Verder dient er rekening mee gehouden te worden, dat de binnenwaarde van deze dubbele woning moet voldoen aan de 33 dB grenswaarde. Omdat de gevelbelasting ten gevolge van de Eemweg maximaal 69 dB bedraagt exclusief aftrek conform art. 110g Wgh zal een bouwakoestisch onderzoek moeten aantonen op welke manier een gevelwering van 36 dB bereikt gaat worden in de betreffende woningen.

Voor de vrijstaande woning is een hogere grenswaarde van 54 dB nodig. Ook bij die woning dient er voor gezorgd te worden, dat de binnenwaarde moet voldoen aan de 33 dB grenswaarde.

Conclusie

De geprojecteerde woningen kunnen uitsluitend gerealiseerd worden indien er hogere grenswaarden vastgesteld worden. Daarom zal een procedure hogere grenswaarde gevolgd worden.

4.5 Milieuhinder van bedrijven

In planologische procedures waarin de vestiging van woningen in de nabijheid van bedrijven mogelijk wordt gemaakt, moet rekening worden gehouden met ruimtelijk relevante milieuhygienische aspecten van die bedrijven. In het bestemmingsplan staat het begrip "een goede ruimtelijke ordening" centraal. Ook het milieubeleid beoogt handhaving en bevordering van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Om dit te realiseren wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Milieuzonering zorgt voor een voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen en heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen: "zware" bedrijven zullen verder van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd dan "lichte" bedrijven.

Milieuzonering heeft met name betrekking op milieuaspecten die een ruimtelijke dimensie hebben, te weten geur, stof, geluid en gevaar. Een belangrijk hulpmiddel om hiermee rekening te houden is de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', die voor het eerst in 1986 verscheen en voor het laatst in 2009 geactualiseerd. In deze brochure is een omvangrijke lijst van bedrijven opgenomen, waarin per bedrijf voor een aantal aspecten de mate van ruimtelijk relevante hinderlijkheid is weergegeven.

Voor dit bestemmingsplan zijn de richtafstandenlijst en omgevingstypen de belangrijkste bouwstenen van milieuzonering:

  • richtafstandenlijst: In de richtafstandenlijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. De categorie 1 staat voor de laagste potentiële milieubelastingen en de categorie 6 staat voor de hoogste potentiële milieubelasting. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
  • omgevingstype: Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten, is onder meer afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.

In de omgeving van de het plangebied zijn overwegend woningen aanwezig. De locatie ligt daarom in een zogenaamde rustige woonwijk.

Uit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit/ stikstofdepositie

4.6.1 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit samen met de AMvB "Niet in betekenende mate bijdragen" (NIBM), de ministeriële regeling NIBM, de ministeriële regeling Projectsaldering en de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit in werking getreden.

Projecten die "niet in betekenende mate bijdragen" aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens de nieuwe wet niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht.

Het "Besluit niet in betekenende mate" (NIBM) omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor fijn stof en NO2. Voor woningbouw ligt de 3%-grens op 1.500 woningen.

Voor wat betreft de luchtkwaliteit wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat als de grenswaarden (jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10)) niet worden overschreden. In de directe nabijheid van de locatie zijn geen activiteiten zoals veehouderijen, industrieën of/en verkeer die een extra toename NO2 of PM10 produceren, waardoor de achtergrondconcentratie bepalend is. De achtergrondconcentratie is de totale concentratie van alle bronnen per vak van 1 kilometer bij 1 kilometer. De achtergrondconcentratie wordt jaarlijks bepaald door de emissies van veehouderijen, industrieën en verkeer bij elkaar op te tellen. De jaargemiddelde achtergrondconcentratie ter plaatse van de locatie ligt ver beneden de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. De concentratie fijn stof ter plaatse van de locatie is dermate laag dat uit het oogpunt van luchtkwaliteit dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Omdat er in het plangebied slechts 3 woningen gebouwd zullen worden, blijft de toename van het woningaantal ruimschoots onder de grens van 1.500 woningen.

Op basis van artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer (Wm) kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de planontwikkeling.

4.6.2 Stikstofdepositie

In het kader van de Natuurbeschermingswet moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn.

De effectbeoordeling stikstofdepositie heeft tot doel de NOx (stikstof) en NH3 (ammoniak) emissies naar de lucht door het voornemen inzichtelijk te maken, de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen. De effectbeoordeling stikstofdepositie wordt afgesloten met conclusies waarbij duidelijk wordt of in het kader van de Wet Natuurbescherming significante effecten uitgesloten kunnen worden, dan wel een nader onderzoek nodig is (passende beoordeling).

De planlocatie ligt op circa 6-7 km tot Natura 2000 gebieden “Eemmeer & Gooimeer Zuidoever” en “Arkemheem”. Deze gebieden kennen echter geen stikstofgevoelige habitats. De planlocatie ligt op circa 13 km tot Natura 2000 gebieden “Naardermeer” en “Oostelijke vechtplassen”, deze kennen wel stikstofgevoelige habitats.

Op onderstaande afbeelding zijn de Natura 2000-gebieden zwart omlijnd weergegeven. De stikstofgevoelige habitats en leefgebieden zijn roze gekleurd. De overige delen zijn geel, groen of blauw gekleurd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0012.png"

Door Langelaar Milieuadvies is in januari 2020 een effectbeoordeling stikstofdepositie opgesteld. Deze effectbeoordeling is opgenomen in Bijlage 5.

In dit onderzoek is achtereenvolgens onderzocht:

  • de NOX en NH3 emissies gedurende de tijdelijke fase (realisatiefase);
  • de NOX en NH3 emissies gedurende de permanente fase (gebruiksfase);
  • de stikstofdepositie als gevolg van de tijdelijke en permanente fase.

Op basis van een berekening met behulp van de Aerius calculator 2019 worden in het rapport de volgende conclusies getrokken:

  • De voorgenomen bouw en het gebruik van één vrijstaande woning en een dubbele woning op het perceel Tromplaan 1 te Baarn leidt zowel in de tijdelijke fase (de bouw) als in de permanente fase (het gebruik) NIET tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000gebieden;
  • Significante gevolgen door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten;
  • Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename.

Uit het oogpunt van luchtkwaliteit/ stikstofdepositie zijn er derhalve geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.

4.7 Externe veiligheid

Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken.

Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.

Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico:

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Om te bepalen of het aspect externe veiligheid belemmeringen oplevert voor de realisatie van het plangebied is de risicokaart geraadpleegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0308.BP0087-VG01_0013.png"

Uitsnede risicokaart. Het plangebied bevindt zich binnen de rode cirkel. Bron: Risicokaart.nl

Uit de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn, waarvan de invloed reikt tot aan het plangebied. Ter plaatse van en in de nabijheid van het plangebied bevindt zich geen infrastructuur waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd.

Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn er derhalve geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.

4.8 Water

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd.

De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.

Digitale watertoets

Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Op 7 november 2019 is de digitale watertoets doorlopen. De resultaten van deze watertoets zijn opgenomen in Bijlage 6.

Op basis van de watertoets concludeert het Waterschap Vallei en Veluwe, dat het plan geen essentiele waterbelangen raakt. Zij komt tot deze conclusie omdat er in het plangebied geen belangrijke oppervlaktewateren liggen (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging.

Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven.

Aandachtspunten

Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water:

Vasthouden - bergen - afvoeren

Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.

Van de zijde van de gemeente Baarn kan hierover het volgende opgemerkt worden: De gemeente Baarn hanteert een voorkeursvolgorde ten aanzien van de manier van verwerken van hemelwater van nieuw verhard oppervlak (particulier en openbaar). Deze volgorde is:

  • opvangen en hergebruiken;
  • infiltreren ('afvoeren naar de bodem');
  • afvoeren naar oppervlaktewater (al dan niet via hemelwaterriool);
  • afvoeren naar gemengd riool.

In het onderhavige geval wordt uitgegaan van een gescheiden afvoer van het vuile water op het rioleringsstelsel en infiltratie van het hemelwater op eigen terrein door middel van infiltratiekratten.

Grondwaterneutraal bouwen

Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen.

Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

Schoon houden - scheiden - schoon maken

Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Inleiding

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden.

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld en om de uitleg daarvan.

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken:

5.2 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Hierin worden de in de regels gebruikte begrippen gedefinieerd. Ze zijn alfabetisch gerangschikt met uitzondering van de begrippen plan en bestemmingplan die als eerste zijn genoemd.

Het doel van deze regels is om misverstanden of verschillen in interpretatie te voorkomen. Dit als aanvulling op de gevallen waarbij het woordenboek van Van Dale geen uitsluitsel geeft.

Artikel 2 Wijze van meten

Dit is de handleiding voor de manier van meten van diverse in het plan bepaalde maten.

5.3 Bestemmingsregels

Bij het opstellen van de bestemmingsregels is nauw aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan "Eemdal". Concreet betekent dit, dat voor de bestaande villa de bestemming "Gemengd - 2" is gehandhaafd, terwijl voor de geplande nieuwe woningen de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" is toegepast.

Hierna wordt - voor zover nog nodig - een toelichting op een aantal artikelen van de bestemmingsregels gegeven:

Artikel 3 Gemengd - 2

De bestemming Gemengd - 2 is toegekend aan de bestaande villa op het perceel alsmede de gronden, die in de nieuwe situatie tot het erf van de villa blijven behoren. De gronden mogen zowel voor kantoren als voor woningen benut worden. Het bouwvlak is strak om de bestaande villa getrokken, waarbij de bestaande serre aan de zuidkant buiten het bouwvlak gelaten is, omdat deze gesloopt zal worden. De maximale goot- en bouwhoogte is bepaald op respectievelijk 6 en 9 meter, overeenkomstig de wijze, waarop dit in het vigerende bestemmingsplan is geregeld. Bijbehorende bouwwerken zijn in principe uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande, dat de gronden, die minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijnen (van zowel de Tromplaan als de Eemweg) zijn gelegen nog voor maximaal 50% benut mogen worden voor bijbehorende bouwwerken.

Artikel 4 Tuin

Op de gronden, bestemd tot Tuin mogen uitsluitend andere bpouwwerken worden gebouwd.

Artikel 5 Wonen

Deze bestemming is toegekend aan de gronden, waar de nieuwbouw geprojecteerd is. Binnen deze woonbestemming is door middel van bouwvlakken aangegeven waar de nieuwe woningen gebouwd mogen worden.

De maximale goot- en bouwhoogte van de woningen aan de Eemweg bedraagt respectievelijk 7 en 10 meter. Dit komt overeen met de maximale goot- en bouwhoogte van de naastgelegen woningen. In de gebruiksregels is bepaald, dat het gebruik van de tweekapper aan de Eemweg voor "wonen" alleen toegestaan is als de gevel, welke georiënteerd is op de Eemweg als dove gevel volgens de Wgh wordt uitgevoerd.

De maximale goot- en bouwhoogte van de woning aan de Tromplaan bedraagt respectievelijk 6 en 9 meter. Ook dit komt komt overeen met de maximale goot- en bouwhoogte van de naastgelegen woningen.

Op het perceel mogen -binnen dan wel buiten het bouwvlak- ook nog bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden.

5.4 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een perceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 7 Overige regels

In dit artikel wordt geregeld dat een bouwplan moet voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen.

Bij een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken, indien op een andere wijze voorzien kan worden in voldoende ruimte voor laden en lossen. Ten slotte kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken voor zover het voldoen aan de regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

In deze regels is als eerste de op grond van vaste jurisprudentie vereiste algemene afwijking in de vorm van de zogenaamde 'toverformule' opgenomen. Bij een omgevingsvergunning moet van het gebruiksverbod worden afgeweken, indien strikte toepassing zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Daarnaast wordt in deze regels de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het bestemmingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Deze regels zijn niet van toepassing, indien en voor zover er specifieke in de bestemming zelf geregelde afwijkingsregels van toepassing zijn.

Ten slotte zijn de criteria voor de toepassing van deze afwijkingsregels hier opgenomen.

5.5 Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht

Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Bro is voorgeschreven.

Tevens is een hardheidsclausule opgenomen in de vorm van persoonsgebonden overgangsrecht op de wijze zoals door de regering bij de totstandkoming van het Bro werd aanbevolen.

Artikel 11 Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze regel bevat zowel de aanhalingstitel van het plan, de aanhalingstitel van de regels van het plan als de vaststellingsregel van het plan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, wanneer in het bestemmingsplan een 'bouwplan' mogelijk wordt gemaakt. De vaststelling van een exploitatieplan is niet verplicht wanneer het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. Daarnaast kan de gemeente aan de hand van de kostensoortenlijst van het Besluit ruimtelijke ordening kosten verhalen op de ontwikkelaar/ initiatiefnemer.

Voor de herontwikkeling op de locatie Tromplaan 1 wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten. In deze overeenkomst worden met de initiatiefnemer afspraken gemaakt over het verhalen van kosten zoals opgenomen in de kostensoortenlijst van het Besluit ruimtelijke ordening, maar ook eventuele planschade. Er hoeft derhalve geen exploitatieplan op te worden gesteld, omdat het kostenverhaal anderszins verzekerd wordt.

6.2 Communicatie

6.2.1 Overleg met de buurt

Op diverse momenten zijn omwonenden in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van de beoogde plannen en om daarop te reageren. Dit heeft geleid tot aanpassingen in het plan, in die zin, dat het aantal nieuwe woningen is teruggebracht van 5 naar 3. Hierdoor neemt de bebouwingsdruk op het perceel af alsmede de parkeerdruk. De omwonenden hebben ingestemd met deze aanpassingen. De verslagen van deze bijeenkomsten zijn opgenomen in Bijlage 7.

Geconcludeerd kan worden, dat de aanwezigen konden instemmen met de plannen: zowel met de positionering van de nieuwe woningen als met de goot- en bouwhoogte van de woningen.

6.2.2 Uitkomsten vooroverleg

Omdat de nieuwe ontwikkeling binnen de zogenaamde rode contour geprojecteerd is, zijn er geen provinciale belangen in het geding. Conform afspraken met de provincie behoeft een dergelijk plan in het kader van het (voor)overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening niet toegezonden te worden aan de provincie.

Het overleg met het Waterschap heeft al plaatsgevonden in het kader van de digitale watertoets en behoeft niet herhaald te worden.