direct naar inhoud van 6.2 Milieuonderzoeken
Plan: Twello Noordoost
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0285.171000-VS00

6.2 Milieuonderzoeken

In de volgende paragrafen worden de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten behandeld. Het bestemmingsplan Twello Noordoost is een beheerplan met een conserverend karakter. Het bestemmingsplan maakt in principe geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Aangezien het bestemmingsplan uitsluitend een beheerfunctie heeft, is een groot aantal milieuhygiënische aspecten niet relevant en kan onderzoek achterwege blijven. Hierna wordt ingegaan op de aspecten bedrijven en milieuzonering, water, externe veiligheid, verkeer en infrastructuur en kabels/leidingen. Overige aspecten, waaronder bodem, akoestiek en luchtkwaliteit, zijn niet relevant in het kader van een beheerplan. Op de locatie Veenhuisweg hoek H.W. Iordensweg wordt in afwijking van bovenstaande de mogelijkheid gecreëerd een extra woning op het perceel te realiseren. In paragraaf 6.2.4 wordt deze locatie apart besproken.

6.2.1 Bedrijven en milieuzonering

Algemeen

De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009). In deze brochure is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies (zoals woningen) waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden.

Milieuzonering is erop gericht een ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen milieubelastende en milieugevoelige activiteiten. Over het algemeen gebeurt dit door de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten via de planregels te koppelen aan een zogenaamde Staat van Bedrijfsactiviteiten. In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De indicatieve afstanden uit de bedrijvenlijst zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een ‘rustige woonwijk’. Voor woningen in een ‘gemengd gebied’ mag deze afstand worden gecorrigeerd en kan de indicatieve afstand met één trede worden verlaagd. Een correctie is alleen mogelijk voor de aspecten geluid, geur en stof. Voor het aspect gevaar is verlaging van de indicatieve afstand niet mogelijk.

Door het opnemen van een zonering en een Staat van Bedrijfsactiviteiten kan op bestemmingsplanniveau worden voorzien in voldoende afstand tussen hinderproducerende en hindergevoelige functies (grofmazige toetsing). Wanneer daadwerkelijk sprake is van de vestiging van een nieuw bedrijf vindt in het kader van de milieuvergunning (of de algemene regelgeving op het gebied van milieuhinder) altijd een nadere (fijnmazige) toetsing plaats.

Bestemmingsplan Twello Noordoost

De bedrijven in het plangebied vallen binnen de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn bedrijven toegestaan in de milieucategorieën 1 en 2. In het algemeen geldt dat bedrijvigheid in deze categorieën goed inpasbaar is in de woonomgeving en dat hinder naar omringende woningen relatief eenvoudig is te voorkomen. Op een aantal locaties bevinden zich bedrijven van milieucategorie 3.1. of hoger. Voor deze bedrijven is een aanduiding op de verbeelding opgenomen. Indien het gebruik van een bedrijf in categorie 3.1 minimaal één jaar is beëindigd, wordt deze aanduiding middels een wijzigingsbevoegdheid verwijderd.

De toelaatbaarheid van bedrijven is gekoppeld aan een Staat van bedrijfsactiviteiten. In de Staat van bedrijfsactiviteiten is een selectie gemaakt van toegestane bedrijven. Fysiek onmogelijke activiteiten en ongewenste functies als detailhandel en zelfstandige kantoren zijn uit de lijst gefilterd. Via afwijking kan een bedrijf worden toegestaan dat niet voorkomt in de Staat van bedrijfsactiviteiten, maar naar aard en invloed op de omgeving gelijk is te stellen met de toegelaten milieucategorieën.

6.2.2 Watertoets

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn.

Beoordeling

Het plan is, vanuit de waterhuishouding bezien, voor het waterschap beperkt van belang. De motivatie daarvoor is dat plannen zonder (nieuwe) ontwikkelingsmogelijkheden, zoals functiewijzigingen en actualisaties, nauwelijks tot geen effect hebben op de waterhuishouding. Dit betekent dat geen essentiële waterbelangen worden geraakt en het waterschap op basis daarvan een positief wateradvies geeft.

In het noordoostelijk deel van het plangebied ligt een Deze A-watergang heeft ook de HEN- en KRW-status. Verder is de Keur van het waterschap van toepassing. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen, wateren en grondwater. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken en (grond)waterlichamen in stand te houden. Voor werkzaamheden in de nabijheid van een watergang of dijklichaam is een watervergunning, in het kader van de Keur, noodzakelijk.

Eventueel benodigde vergunningen worden dus niet binnen de watertoetsprocedure of met deze Digitale Watertoets geregeld

6.2.3 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.

Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)

Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving te weten Wet Basisnet en Besluit transport gevaarlijke stoffen, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Beleidsvisie externe veiligheid

In juni 2010 is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op bedrijventerreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de bedrijventerreinen. Het invloedsgebied mag niet over een woongebied of gemengd gebied komen te liggen. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten

Figuur 6.1 geeft een overzicht van het plangebied in relatie tot de risicobronnen binnen en nabij het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0285.171000-VS00_0002.png" Fig uur 6.1: Risicobronnen binnen en nabij de planlocatie (bron provinciale risicokaart)

Binnen het plangebied zijn twee transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig die vallen onder de regelgeving van het RNVGS, te weten de N344 Rijksstraatweg en de spoorlijn Apeldoorn-Deventer.

Het Projectbureau externe veiligheid van de Regio Stedendriehoek heeft beoordeeld welke externe veiligheidsconsequenties voortvloeien uit de herziening van het bestemmingsplan Twello Noordoost in de risicobronnen. In de bijlage van de toelichting is een uitgebreide beoordeling van de binnen en nabij het plangebied gelegen risicobronnen opgenomen. Het betreft de Notitie toetsing Externe Veiligheid met kenmerk DOS-2012-525989, d.d. 16 november 2012.

Uit de beoordelingsresultaten valt af te leiden dat er in of nabij het plangebied geen risicobronnen zijn gelegen met een plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar die gelegen is over bestaande of geprojecteerde kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico levert derhalve geen belemmering voor de planontwikkeling.

Het groepsrisico ten gevolge van de risicobronnen binnen het plangebied overschrijdt nergens de oriëntatiewaarde. Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe bouwtitels binnen de invloedsgebieden van de diverse risicobronnen. Het groepsrisico neemt ten gevolge van de vaststelling van het plan derhalve niet toe.

De externe veiligheid heeft dus geen consequenties op de actualisatie van het bestemmingsplan voor Twello Noordoost.

Het uitgangspunt van de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Voorst is dat binnen het woongebied en gemengd gebied geen nieuwe risicobedrijven worden opgericht. Derhalve is in de regels voor de bestemming 'Bedrijf' opgenomen dat risicobedrijven niet zijn toegestaan.

6.2.4 Locatie Veenhuisweg hoek H.W. Iordensweg

Op basis van het huidige bestemmingsplan 'Veenhuisweg 2008' mag op de hoekkavel Veenhuisweg/ H.W. Iordensweg een vrijstaande woning worden gerealiseerd met een maximale gevelbreedte van 20 meter breed, een goothoogte van 3,5 en een bouwhoogte van maximaal 10 meter. Het is gewenst om deze bouwtitel te verruimen naar een bouwtitel voor de locatie ten behoeve van een twee-onder-een-kapwoning. Uitgangspunt daarbij is dat de bouwmassa die op basis van het bestemmingsplan 'Veenhuisweg 2008' mogelijk was, niet wordt vergroot. Zowel qua oppervlakte als ook goot- en bouwhoogte moeten de twee woningen voldoen aan de eisen gesteld aan de vrijstaande woning zoals beschreven in het bestemmingsplan 'Veenhuisweg 2008'.

Vanwege het toevoegen van een extra woning in het plangebied moeten verschillende milieuaspecten beschreven worden. Het gaat hierbij om de milieuaspecten bodem, geluid, luchtkwaliteit, archeologie flora en fauna en water. Voor de meeste milieuaspecten zijn in het kader van het bestemmingsplan 'Veenhuisweg 2008' al onderzoeken uitgevoerd. Deze kunnen ook voor dit bestemmingsplan gebruikt worden. De betreffende onderzoeken zijn niet opnieuw bij dit bestemmingsplan toegevoegd.

Bodem

In verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet onderzoek worden verricht naar de geschiktheid van de gronden voor het beoogde doel. In het geval van een verontreiniging moet de mate van de omvang daarvan worden bepaald, zodat beoordeeld kan worden welke kosten gemoeid zijn met het verwijderen of verminderen van die verontreiniging, zodat voldaan wordt aan de milieuwetgeving.

De locatie is conform de NEN 5740 onderzocht tevens is er een aanvullend grondwateronderzoek uitgevoerd. De conclusies van de onderzoeken zijn:

  • Vaste bodem: in de bovengrond is in de mengmonsters PAK licht verhoogd ten opzichte van de streefwaarde van alle andere stoffen liggen de waarden onder de streefwaarde. Nader onderzoek is niet nodig.
  • Grondwater: het grondwater is tweemaal onderzocht omdat de eerste keer verhogingen zijn aangetroffen. In het tweede onderzoek is alleen de cadmiumwaarde nog licht verhoogd.

De conclusies van beide rapporten zijn dat de bodem geschikt is voor het beoogde doel.

Akoestisch onderzoek

Door Alcedo is in oktober 2007 een akoestisch onderzoek verricht. In dit onderzoek is rekening gehouden met een vrijstaande woning op deze locatie. Omdat het bouwvlak in het dit bestemmingsplan niet wordt aangepast, zijn de meetgegevens opnieuw te gebruiken. Immers de afstand tot de H.W.Iordensweg en de Veenhuisweg verandert niet. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de H.W. Iordensweg hoger is dan de voorkeurswaarde van 48 dB. De hoogste geluidsbelasting, inclusief aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder, ten gevolge van de H.W. Iordensweg bedraagt 58 dB. De geluidsbelasting overschrijdt de maximale toelaatbare grenswaarde van 63 dB niet. De geluidsbelasting ten gevolge van de Veenhuisweg overschrijdt de voorkeurswaarde van 48 dB niet.

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de H.W. Iordensweg en Veenhuisweg maximaal 63 dB bedraagt.

Destijds is gelijktijdig met de procedure voor het bestemmingsplan 'Veenhuisweg 2008' een procedure gevoerd om de hogere grenswaarden vast te stellen. Omdat de afstanden van het bouwvlak tot aan de weg niet worden veranderd, kan gebruik worden gemaakt van deze vastgestelde hogere waarden. Opnieuw de procedure voeren is derhalve niet noodzakelijk.

Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn sinds november 2007 vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm), in titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen (ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit). De wet heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder meer als gevolg van het verkeer. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de Wet luchtkwaliteit bestaat uit in Europees verband vastgestelde normen voor maximumconcentraties voor een aantal luchtvervuilende stoffen. In Nederland kunnen met name fijn stof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) problemen opleveren met betrekking tot overschrijding van de grenswaarden. Fijn stof wordt grotendeels veroorzaakt door grote industriële bronnen en het wegverkeer, NO2 wordt voornamelijk veroorzaakt door wegverkeer.

Indien het uitoefenen van bevoegdheden zoals het vaststellen van bestemmingsplannen en afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan c.q. de afwijking per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • het bestemmingsplan c.q. de afwijking niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.

Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Volgens het NSL draagt een project 'niet in betekenende mate' (Nibm) bij zo lang de concentratie fijn stof of stikstofdioxide niet meer dan 3% bedraagt. Volgens de regeling Nibm wordt die grens pas overschreden bij bijvoorbeeld woningbouwprojecten van meer dan 1.500 woningen of kantoorlocaties met meer dan 10.000 m2 brutovloeroppervlak. Voor ontwikkelingen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden.

De aanpassing van de bouwmogelijkheden op het perceel op de hoek van de H.W. Iordensweg met de Veenhuisweg, van een vrijstaande naar een twee-onder-een-kapwoning, die in het bestemmingsplan 'Twello Noordoost' is opgenomen, heeft geen invloed op de luchtkwaliteit.

Archeologie

Ontwikkelingen binnen de archeologische monumentenzorg in Nederland hebben hun weerslag op onder andere het archeologiebeleid van gemeenten. Uit het verdrag van Malta kan worden afgeleid dat de (potentiële) archeologische waarden eerder in de planvorming dienen te worden betrokken.

Op basis van de IKAW kaart heeft het gebied een hoge archeologische waarde. Door onderzoeksbureau Raap is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Tijdens het veldonderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van archeologische resten. Daarom wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. Het aantreffen van toevalsvondsten, bijvoorbeeld bij graafwerkzaamheden kan niet worden uitgesloten. Als die wel aan de orde is, moet de overheid worden geïnformeerd.

Flora en Fauna

Op grond van de Flora en Faunawet is het verboden beschermde inheemse planten op enigerlei wijze van hun groeiplaats te verwijderen een beschermde inheemse diersoort opzettelijk te verontrusten, nesten, holen of andere vaste rust- en verblijfplaatsen van deze dieren te verstoren. Uit een quickscan flora en fauna blijkt dat de volgende diersoorten zijn aangetroffen: vleermuizen en de steenuil. Ten aanzien van de vleermuizen geldt dat wel sprake is van foerageergebied, maar niet van geschikte vaste verblijfplaatsen. De ontwikkelingen die in het plangebied mogelijk gemaakt worden leiden niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen in het kader van de Flora- en faunawet.

Voor de steenuil heeft de gemeente in nauw overleg met Waardenburg (ecologisch adviseur) en de lokale Stichting Natuur Anders compensatiemaatregelen getroffen, door onder andere het aanbrengen van extra nestkasten ten zuiden van het plangebied en de aanplant van hoogstamfruitbomen binnen het plangebied. In verband met de steenuil is destijds ontheffing verleend door het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (tegenwoordig: Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie).

Water

Tauw heeft in 2006 een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. De conclusies luidt dat de bovengrondse infiltratie in langgerekte vorm mogelijk in. Voor de toekomstige planpeilen adviseert Tauw het terrein te egaliseren en deels op te hogen tot een (nieuwe) maaiveldhoogte van 5,7 m + NAP. Zo wordt te allen tijden voldaan aan de droogleggingseisen.

In oktober 2007 is door Tauw het rioleringsplan opgesteld. Voor de verwerking van regenwater wordt IT-rioolstelsel aangelegd. Dit riool staat op twee plekken in verbinding met een nieuwe greppel dwars door het plangebied (parallel aan de meidoornhaag), alwaar het regenwater de bodem kan infiltreren. Voor hevige regenval wordt een nieuwe overstort aangelegd. Voor het huishoudelijk afvalwater wordt een dwa-riool aangelegd onder de weg; alle woningen worden hierop aangesloten. Waterschap Veluwe heeft ingestemd met het rioleringsplan.