direct naar inhoud van Bestemmingsplanregels
Plan: Biesbosch
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1719.0bp14biesbosch-vg01

Bestemmingsplanregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan

het bestemmingsplan “Biesbosch” met identificatienummer NL.IMRO.1719.0bp14biesbosch-vg01 van de gemeente Drimmelen;

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 aan huis gebonden beroep

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridische, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend;

1.6 aan huis verbonden bedrijf

het verlenen van diensten, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn dat de activiteit in de woning met behoud van de woonfunctie ter plaatse kan worden uitgeoefend;

1.7 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren, zijnde: een vollegrondsteeltbedrijf, een veehouderij, intensieve kwekerij, een glastuinbouwbedrijf of een overig agrarisch bedrijf niet zijnde een agrarisch technisch hulpbedrijf of een agrarisch verwant bedrijf;

1.8 agrarisch bedrijf, glastuinbouw

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt;

1.9 agrarisch bedrijf, intensieve veehouderij

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij;

1.10 agrarisch bedrijf, veehouderij

agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren;

1.11 agrarisch bedrijf, intensieve kwekerij

een agrarisch niet-grondgebonden bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden in de directe omgeving van het bedrijf, zoals een witlofkwekerij en champignonkwekerij;

1.12 agrarisch natuurbeheer

extensief grondgebonden agrarisch medegebruik van natuurgronden ten dienste van het natuurbeheer;

1.13 archeologische waarden

waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk daarin bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde;

1.14 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.15 bed & breakfast

een nevenactiviteit met als doel het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, namelijk één tot enkele nachten, ter plaatse verblijft; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid;

1.16 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, installeren, inzamelen, herstellen, verhuren, opslaan en distribueren van goederen, alsmede het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen en bedrijven daaronder niet begrepen;

1.17 bedrijfsactiviteiten

handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf;

1.18 bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten;

1.19 bedrijfsmatige agrarische activiteit

complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw, waarbij uitsluitend of overwegend door bewerking van de natuurlijke en/of aangelegde bodem en/of door het houden van vee arbeid, handelingen en werkzaamheden worden verricht ter verkrijging van plantaardige en/of dierlijke producten en die ter uitoefening van de landbouw voldoende omvangrijk en samenhangend zijn om te kunnen gelden als een agrarische onderneming. Activiteiten waarbij in hoofdzaak sprake is van verhuur van agrarische gronden en/of gebouwen worden niet aangemerkt als bedrijfsmatige agrarische activiteiten;

1.20 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein, noodzakelijk moet worden geacht;

1.21 bekkendijk

grondlichaam bestemd tot het keren van water dat is opgeslagen in een spaarbekken, al dan niet met stenen, asfalt of overige verhardingen bedekt, welke constructie bestaat uit diverse sterkte-elementen ten behoeve van het garanderen van de stabiliteit, bescherming, afdichting en de drainage van het grondlichaam;

1.22 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan huisverbonden beroep of bedrijf, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

1.23 bestaand
  • a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
  • b. t.a.v. bebouwing m.b.t. dierplaatsen: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan en waarvoor tevens vergunning is verleend voor het aspect milieu, dan wel die mag worden gebouwd en milieuvergund wordt krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
  • c. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen;
  • d. t.a.v. gebruik m.b.t. dierplaatsen: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen en waarvoor tevens vergunning is verleend voor het aspect milieu, dan wel die milieuvergund wordt krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;

1.24 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.25 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.26 bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

1.27 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.28 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.29 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.30 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan;

1.31 bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel;

1.32 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.33 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.34 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur;

1.35 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.36 ecologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde die verband houdt met de aanwezigheid en samenhang van dieren en planten en hun leefomgeving en/of tussen dieren en planten onderling;

1.37 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

1.38 extensieve dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen

dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen die aansluiten bij het agrarisch bedrijf of bij de natuur- en landschapsbeleving van het landelijk gebied;

1.39 extensieve recreatie

die vormen van openluchtrecreatie, waarbij vooral het landschap of bepaalde aspecten daarvan worden beleefd, zoals wandelen, fietsen, en kanoën, waarbij relatief weinig recreanten aanwezig zijn per oppervlakte-eenheid en die plaatsvinden in een gebied zonder recreatievoorzieningen;

1.40 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.41 geomorfologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde die verband houdt met de vorm van het landschap, ontstaan door geologische processen en beïnvloedt door menselijk handelen;

1.42 griend

het verbouwen van wilgenhout dat ontstaat en in stand wordt gehouden door periodiek dicht bij de grond afzetten door middel van snijden of hakken;

1.43 hoofdgebouw

een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.44 houtgewas

bomen, struiken of doorlevende klimplanten;

1.45 informatiepunt

een gelegenheid voor het geven van voorlichting en educatie en hieraan ondergeschikte horeca-activiteiten en detailhandel, met bijbehorende overnachtingsgelegenheid (voor groepen);

1.46 kampeermiddel

tent, voor zover dit onderkomen kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf en waarbij het oppervlak van dit onderkomen niet meer dan 32 m² bedraagt;

1.47 kampeerterrein

terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief verblijf;

1.48 landschappelijke inpassing

het inpassen van een gebouw, of een gebruik in het landschap, op perceels-, of clusterniveau, waarbij afstemming plaatsvindt op de structuur van het landschap door middel van architectuur en/of sloop, of situering van de gebouwen en/of de aanplant van gebiedseigen beplanting, dan wel de aanleg van andere landschappelijke elementen, zoals waterpartijen, of grondwallen;

1.49 landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur;

1.50 minicamping

een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf of een burgerwoning, met daarbij behorende voorzieningen;

1.51 natuurlijke waarden

de aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, geomorfologische, bodemkundige en ecologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, voorkomende in dat gebied;

1.52 nevenactiviteiten

het ontplooien van activiteiten op een agrarisch bouwvlak die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen;

1.53 peil
  • a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang van het perceel onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het perceel;
  • b. voor bouwwerken die zijn gebouwd in het talud van de dijk en op een afstand van ten hoogste 4 m uit de grens van de dijkweg: de hoogte van de kruin van de dijk;
  • c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
1.54 permanente bewoning

het gebruik van een ruimte, daaronder begrepen kampeermiddelen, chalets, stacaravans en recreatiewoningen, als woonadres als bedoeld in de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (Wet GBA);

1.55 recreatieve bewoning

de bewoning die plaatsvindt in het kader van de verblijfsrecreatie;

1.56 recreatiewoning

een permanent aanwezig gebouw, geen woonkeet en geen kampeermiddel zijnde, bestemd voor verblijfsrecreatie gedurende een gedeelte van het jaar, uitsluitend door diegenen die hun woonadres elders hebben;

1.57 spaarbekken

reservoir van enige omvang voor de opslag van zoet water, welk water op een zeker tijdstip gebruikt wordt ten behoeve van de productie van drinkwater en industriewater;

1.58 verblijfsrecreatie

recreatief nachtverblijf voor een korte aaneengesloten periode, uitsluitend door diegenen die hun woonadres elders hebben;

1.59 woning

een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden;

1.60 woonadres
  • a. het adres waar betrokkene woont, of indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
  • b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a., betrokkene naar redelijke verwachtingen gedurende drie maanden minimaal tweederde van de tijd zal overnachten.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.2 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.4 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuur en landschap

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden – Natuur en landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud, herstel en de ontwikkeling van ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen landschappelijke waarden en natuurlijke waarden;
  • b. het behoud, herstel en de ontwikkeling van ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen aardkundige waarden;
  • c. het behoud, herstel en de ontwikkeling van de ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen cultuurhistorische waarden, waaronder: het poldergebied, (voormalige) griendwerkersketen, dijken, kaden en terpen, en:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden – cultuurhistorisch waardevol dijklichaam', strekt de bestemming mede tot het behoud van het dijklichaam als cultuurhistorisch waardevol element;
  • d. agrarisch grondgebruik, in het kader van bedrijfsmatige agrarische activiteiten, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;
  • e. agrarische bedrijven, te exploiteren als bedrijfsmatige agrarische activiteiten, met uitzondering van glastuinbouwbedrijven, intensieve kwekerijen, intensieve veehouderijen, veehouderijen of overige agrarische bedrijven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' uitsluitend één veehouderij, niet zijnde een intensieve veehouderij, is toegestaan;
  • f. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', mede voor een bedrijfswoning;
  • g. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning', mede voor recreatiewoningen;
  • h. uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' en 'kampeerterrein', mede voor een minicamping, met dien verstande dat de minicamping uitsluitend is toegestaan als nevenactiviteit van het bestaande agrarische bedrijf;
  • i. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’, aan de veehouderij ondergeschikte detailhandel voor zover in artikel 3.4.2 kan worden toegestaan;
  • j. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  • k. extensieve recreatie en agrarisch natuurbeheer;
  • l. landschappelijke inpassing;
  • m. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kaden, keermuren, duikers, sloten, stuwen, aanlegsteigers, meerpalen, lichten en bakens ten behoeve van de beveiliging en geleiding van de scheepvaart, perceelsontsluitingen en andere voorzieningen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag niet worden gebouwd, uitgezonderd het bepaalde in artikel 3.2.2 en 3.2.3.

3.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen worden uitsluitend gebouwd in het bouwvlak;
  • b. ter plaatse van de aanduidingen 'bedrijfswoning' en 'recreatiewoning', zijn ter plaatse van het bouwvlak uitsluitend bestaande gebouwen toegestaan, met inachtneming van de bestaande goot- en bouwhoogte;
  • c. de bebouwing ten dienste van de veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning en bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning, heeft ten hoogste de omvang van:
    • 1. de bebouwing die op het tijdstip van het ter visie leggen van het ontwerp van het onderhavige bestemmingsplan aanwezig is of in uitvoering is;
    • 2. de bebouwing die gebouwd mag worden krachtens een verleende omgevingsvergunning;
  • d. in afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.2 onder c geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' een nieuw gebouw mag worden gerealiseerd, met dien verstande dat:
    • 1. de bebouwing niet wordt gebruikt voor de realisatie van dierplaatsen;
    • 2. de oppervlakte van het gebouw niet meer dan 450 m² mag bedragen;
    • 3. het aantal dierplaatsen van het agrarische bedrijf als bedoeld in artikel 3.1 onder e sub 1 niet mag toenemen als gevolg van de realisatie van het gebouw;
    • 4. het gebouw ten dienste staat van het gebruik als bedoeld in artikel 3.1 onder e, h en / of het gebruik als bedoeld in artikel 3.5.1, met dien verstande dat het gebouw niet mag worden opgericht in de vorm van een kas;
    • 5. de goot- en bouwhoogte van het gebouw niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 6 meter en 9 meter;
    • 6. het gebouw wordt afgedekt met een zadeldak;
    • 7. het gebouw landschappelijk wordt ingepast, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing voor ingebruikname van het gebouw dient te zijn aangelegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.2.2 onder d sub 8 en aldus in stand wordt gehouden;
    • 8. de landschappelijke inpassing als bedoeld in artikel 3.2.2 onder d sub 7 dient te bestaan uit de aanleg van gebiedseigen beplanting over twee keer de lengte van de langste zijde van het gebouw en één keer de lengte van de kortste zijde van het gebouw, met een minimale breedte van de beplantingsstrook van 3 meter;
  • e. woningvermeerdering is niet toegestaan.

3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', 'bedrijfswoning', 'recreatiewoning', zijn uitsluitend bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met inachtneming van de bestaande bouwhoogte.

3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Omgevingsvergunning bouwen ten behoeve van dierplaatsen

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder d sub 1 teneinde het bouwen ten behoeve van dierplaatsen mogelijk te maken, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. er vindt geen toename plaats van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf ten opzichte van de bestaande situatie; of
  • b. een toename van de ammoniakemissie is toegestaan ten opzichte van de bestaande situatie, mits is aangetoond dat de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten bij gevolg niet zal verslechteren en er geen significant verstorend effect zal zijn op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied.

3.3.2 Omgevingsvergunning ten behoeve van kleinschalige bebouwing recreatief medegebruik

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.2 onder a teneinde de realisatie van kleinschalige bebouwing ten behoeve van recreatief medegebruik ter plaatse van de aanduiding ‘kampeerterrein’ toe te staan, mits:

  • a. de oppervlakte van de totale bebouwing niet meer bedraagt dan 90 m²
  • b. de bouwhoogte van de kleinschalige bebouwing niet meer bedraagt dan 3 m;
  • c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in artikel 3.1 onder a tot en met c omschreven waarden.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Minicamping

Met betrekking tot het gebruik van gronden als bedoeld in artikel 3.1 onder h gelden in ieder geval de volgende regels:

  • a. het plaatsen en / of geplaatst houden van kampeermiddelen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein';
  • b. toegestaan is de gelijktijdige plaatsing van maximaal 15 kampeermiddelen, waarbij plaatsing van kampeermiddelen uitsluitend is toegestaan in de periode 1 maart tot 1 december;
  • c. het aantal personen dat gelijktijdig gebruik maakt van de kampeermiddelen als bedoeld in artikel 3.4.1 onder b en / of de kleinschalige bebouwing als bedoeld in artikel 3.3.2 mag maximaal 60 bedragen in de periode 1 maart tot 15 juni, met dien verstande dat vanaf 15 juni het maximaal aantal personen dat gelijktijdig gebruik maakt van de kampeermiddelen en de kleinschalige bebouwing 90 mag bedragen, mits dit niet leidt tot onevenredige aantasting van de waarden als genoemd in artikel 3.1 onder a;
  • d. gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen zoals sanitaire voorzieningen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' in de bestaande bebouwing en de bebouwing als bedoeld in artikel 3.2.2 onder d, met een maximale gezamenlijke oppervlakte van 200 m²;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein', mag geen muziek of versterkte spraak ten gehore worden gebracht.


3.4.2 Ondergeschikte detailhandel

Met betrekking tot het gebruik van gronden als bedoeld in artikel 3.1 onder i gelden in ieder geval de volgende regels:

  • a. ten dienste van het agrarisch bedrijf is ondergeschikte detailhandel toegestaan als nevenactiviteit;
  • b. het mag enkel gaan om detailhandel in eigen producten en streekproducten;
  • c. maximaal mag 200 m² verkoopvloeroppervlak voor deze detailhandelsactiviteit worden aangewend;
  • d. de activiteit vindt uitsluitend plaats in de bestaande bebouwing en / of de bebouwing als bedoeld in artikel 3.2.2 onder d.

3.4.3 Strijdig gebruik

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het verwerken of vergisten van eigen mest of mest van derden;
  • b. het bewerken van mest van derden;
  • c. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik en plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • d. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, tenzij dit plaatsvindt ten behoeve van de agrarische productie binnen het agrarisch bedrijf dan wel uitsluitend betrekking heeft op agrarische producten van het eigen bedrijf;
  • e. nevenactiviteiten, met uitzondering van het bepaalde in artikel 3.1;
  • f. detailhandel, met uitzondering van het bepaalde in artikel 3.1;
  • g. buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten;
  • h. vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • i. woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoning;
  • j. een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
  • k. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10-6 risicocontour hebben die de aanduiding 'bouwvlak' overschrijdt, met uitzondering van bestaande situaties;
  • l. het binnen gebouwen gebruiken van meer dan één bouwlaag voor het houden van dieren;
  • m. het gebruik van stallen voor meer dierplaatsen dan bestaand;
  • n. het gebruik van gebouwen voor het bouwen van carnavalswagens.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Omgevingsvergunning recreatieve nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 onder e teneinde als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf extensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals het organiseren van rondleidingen en exposities, bed en breakfastvoorzieningen, toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. indien het gebruik (deels) een inpandig gebruik betreft, dan dient dit gebruik plaats te vinden binnen de bestaande bebouwing en / of de bebouwing als bedoeld in artikel 3.2.2 onder d; uitbreiding van bebouwing anders dan bedoeld in artikel 3.2.2 onder d is niet toegestaan;
  • b. de nevenactiviteit dient plaats te vinden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • c. maneges zijn niet toegestaan;
  • d. bed & breakfast is toegestaan met een maximum van twee kamers met elk maximaal 2 bedden per agrarisch bedrijf, waarbij een bed&breakfast in vrijstaande bijgebouwen niet is toegestaan;
  • e. de totale vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf, inclusief inpandige statische opslag, mag maximaal 200 m² bedragen, met dien verstande dat het totaal aan nevenactiviteiten ondergeschikt moet blijven aan de hoofdactiviteit; de oppervlakte die nodig is voor het plaatsen van kampeermiddelen bij een minicamping wordt hierbij niet meegerekend;
  • f. ten behoeve van de nevenactiviteit is ondersteunende horeca toegestaan, zoals de verkoop van ijs, thee e.d.; ondergeschikte en ondersteunende horeca, met een inpandige oppervlakte van maximaal 30% van het totale overdekte en omsloten bruto gebruiksvloeroppervlak van de nevenactiviteit, met dien verstande dat de inpandige gebruiksvloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m² uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', alsmede een buitenterras van maximaal 70 m² uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’;
  • g. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • h. er wordt voorzien in de realisatie en instandhouding van landschappelijke inpassing;
  • i. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • j. detailhandel is uitsluitend toegestaan in ondergeschikte, aan de nevenactiviteit gerelateerde vorm.


3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.6.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het vellen of rooien van houtgewas;
  • c. het ontginnen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
  • d. het aanbrengen van bovengrondse of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • e. het aanleggen, dempen, verdiepen of verleggen van waterlopen;
  • f. het aanbrengen of aanleggen van oeverbeschoeiingen;
  • g. het aanbrengen van steigers, aanlegplaatsen en vlonders;
  • h. het diepwoelen/diepploegen van de bodem;
  • i. het beplanten van gronden.

3.6.2 Uitzonderingen

Het onder 3.6.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit bestemmingsplan omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van dit bestemmingsplan in uitvoering waren;
  • c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer.

3.6.3 Toetsingscriteria

De in lid 3.6.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:

  • a. de werken en/of werkzaamheden nodig zijn voor de realisering of handhaving van de aan de gronden gegeven bestemming, functies of waarden, en;
  • b. indien door die werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in artikel 3.1 onder a tot en met c bedoelde waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

3.6.4 Advies

Alvorens het bevoegd gezag omgevingsvergunning verleend, winnen zij advies in bij Rijkswaterstaat, voor zover het werken en/of werkzaamheden betreft als genoemd in artikel 3.6.1 onder c, e en f.

Artikel 4 Natuur

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud, herstel en de ontwikkeling van ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen landschappelijke waarden en natuurlijke waarden, waaronder: het karakteristiek afwisselend beeld van kreekbeddingen, open water, rietvelden, grienden, wilgenbossen en andere terreinen langs het water;
  • b. het behoud, herstel en de ontwikkeling van ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen aardkundige waarden, waaronder: een samenhangend stelsel van kreken, geulen of killen van diverse omvang, getij-oeverwallen en kreekruggen langs kreken, oudere binnengedijkte en volledig opgevulde kreken(systemen), oude slikken en schorren en overblijfselen van de griendcultuur;
  • c. het behoud, herstel en de ontwikkeling van de ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen cultuurhistorische waarden, waaronder: de kreken en killen, platen, schorren en poldertjes (laten alle ontwikkelingsstadia zien van een zoetwatergetijdengebied), grienden, (voormalige) griendwerkersketen, bruggen, dijken, kaden en terpen, en:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – cultuurhistorisch waardevol dijklichaam', strekt de bestemming mede tot het behoud van het dijklichaam als cultuurhistorisch waardevol element;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'eendenkooi', strekt de bestemming mede tot het behoud, beheer, herstel en de versterking van de herkenbaarheid van de eendenkooi uit oogpunt van cultuurhistorie;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – rijksmonument', strekt de bestemming tot het behoud van het ter plaatse voorkomende rijksmonument;
  • d. waterhuishouding, waterberging en waterbeheersing met de daarbij behorende oeverstroken;
  • e. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – voorzieningen spaarbekkens', bestaande voorzieningen behorende bij de aangrenzende spaarbekkens, waaronder: bekkendijken, laad- en loskaden, pompstations, zanddepots, uitstroomopeningen, schuivencomplexen, bakens ten behoeve van de beveiliging en geleiding van de scheepvaart en wegverkeer, hoogspanningsverdeelstations, compressorstations en bedieningsgebouwen, met dien verstande dat deze voorzieningen landschappelijk zijn ingepast;
  • f. extensieve recreatie en agrarisch natuurbeheer;
  • g. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kaden, keermuren, duikers, sloten, stuwen, aanlegsteigers, meerpalen, lichten en bakens ten behoeve van de beveiliging en geleiding van de scheepvaart, perceelsontsluitingen en andere voorzieningen;
  • h. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', mede voor bedrijfswoningen;
  • i. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning', mede voor recreatiewoningen;
  • j. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – biologisch onderzoeksstation', mede voor een biologisch onderzoeksstation, met dien verstande dat het is toegestaan om recreatief te overnachten;
  • k. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – informatiepunt', mede voor een informatiepunt;
  • l. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'wonen', mede voor wonen en de uitoefening van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat:
    • 1. de beroeps- of bedrijfsuitoefening plaatsvindt binnen de bestaande bebouwing;
    • 2. er geen onevenredige afbreuk aan de woonfunctie mag worden gedaan;
    • 3. detailhandel en horeca niet zijn toegestaan;
    • 4. er geen onevenredige milieu- of verkeershinder mag ontstaan;
    • 5. het beroep of bedrijf moet worden uitgeoefend door de bewoner van het betreffende perceel;
    • 6. de activiteiten mogen niet vergunning- of meldingsplichtig zijn op grond van de Wet milieubeheer.
  • m. uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'kampeerterrein' en 'bouwvlak', voor zover dit bouwvlak op niet meer dan 50 meter afstand van de aanduiding 'kampeerterrein' is gelegen, mede voor een minicamping, met dien verstande dat de minicamping uitsluitend is toegestaan als nevenactiviteit bij de woning als bedoeld in artikel 4.1 onder l.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag niet worden gebouwd, uitgezonderd het bepaalde in artikel 4.2.2 en 4.2.3.

4.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen worden uitsluitend gebouwd in het bouwvlak;
  • b. ter plaatse van de aanduidingen 'bedrijfswoning', 'recreatiewoning', specifieke vorm van recreatie - biologisch onderzoeksstation', 'specifieke vorm van recreatie - informatiepunt' en 'wonen', zijn ter plaatse van het bouwvlak uitsluitend bestaande gebouwen toegestaan, met inachtneming van de bestaande goot- en bouwhoogte;
  • c. in afwijking van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder a, geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - voorzieningen spaarbekkens', uitsluitend bestaande gebouwen zijn toegestaan met inachtneming van het bestaande oppervlak en de bestaande goot- en bouwhoogte;
  • d. woningvermeerdering is niet toegestaan.

4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduidingen 'bedrijfswoning', 'recreatiewoning', specifieke vorm van recreatie – biologisch onderzoeksstation', 'specifieke vorm van recreatie – informatiepunt', 'specifieke vorm van natuur – voorzieningen spaarbekkens' en 'wonen', zijn uitsluitend bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met inachtneming van de bestaande goot- en bouwhoogte;
  • b. in afwijking van het bepaalde in artikel 4.2.3 onder a is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – voorzieningen spaarbekkens', nieuwbouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van afrasteringen met een maximum bouwhoogte van 2 meter toegestaan, mits deze afrasteringen dienen ter bescherming en beveiliging van de in artikel 4.1 onder e genoemde voorzieningen;
  • c. de maximum bouwhoogte van aanlegsteigers, meerpalen, lichten en bakens ten behoeve van de beveiliging en geleiding van de scheepvaart en andere voorzieningen bedraagt 6 meter.

4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Omgevingsvergunning vervangende nieuwbouw voorzieningen spaarbekkens

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.1.1 onder e, artikel 4.2.2 onder c en artikel 4.2.3 teneinde ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – voorzieningen spaarbekkens' vervangende nieuwbouw van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen toe te staan, mits:

  • a. door middel van onderzoek wordt aangetoond dat vervangende nieuwbouw noodzakelijk is uit oogpunt van het duurzaam functioneren van de spaarbekkens;
  • b. de vervangende nieuwbouw een raakvlak houdt met de plaats van de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten van het bouwwerk;
  • c. in afwijking van het bepaalde in artikel 4.3.1 onder b kan vervangende nieuwbouw op een andere locatie worden gesitueerd, mits dit noodzakelijk is uit oogpunt van het tijdens de realisatie van de vervangende nieuwbouw in werking blijven van de te vervangen voorziening;
  • d. de bouwwijze van het te vervangen gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde niet afwijkt van de bouwwijze van het oorspronkelijke bouwwerk, waaronder het bebouwingsoppervlak en de maximum goot- en bouwhoogte;
  • e. in afwijking van het bepaalde in artikel 4.3.1 onder c en d kan vervangende nieuwbouw op een andere bouwwijze plaatsvinden dan de huidige, mits hierdoor de landschappelijke en natuurwaarden ter plaatse minder worden aangetast.
  • f. het oude bouwwerk wordt gesloopt;
  • g. het te vervangen gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde landschappelijk wordt ingepast, waarbij rekening wordt gehouden met een geleidelijke overgang van het spaarbekken naar het omringende landschap;
  • h. de vervangende nieuwbouw niet leidt tot een onevenredige aantasting van ter plaatse voorkomende landschappelijke en natuurlijke waarden;
  • i. er wordt voldaan aan de natuur-, milieuregelgeving;
  • j. door middel van onderzoek naar de waterstaatkundige consequenties wordt aangetoond dat het waterbelang voldoende is meegewogen.

4.3.2 Omgevingsvergunning vogelkijkhutten en uitkijktorens

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 onder a teneinde de realisatie van vogelkijkhutten en uitkijktorens toe te staan, mits:

  • a. wordt aangetoond dat de realisatie van een vogelkijkhut en / of uitkijktoren noodzakelijk is uit oogpunt van het gebruik van gronden ten behoeve van extensieve recreatie;
  • b. de oppervlakte van een gebouw niet meer mag bedragen dan 20 m²;
  • c. de bouwhoogte van een vogelkijkhut niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  • d. de bouwhoogte van een uitkijktoren niet meer mag bedragen dan 10 meter;
  • e. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in artikel 4.1 onder a tot en met c omschreven waarden;
  • f. indien de vogelkijkhut en / of uitzichttoren is gelegen binnen een afstand van 25 meter van de begrenzingslijn van de rivier Amer, het bouwwerk geen belemmering vormt het functioneren van de vaarweg en / of de veiligheid van het scheepvaartverkeer, waarbij wordt aangetoond dat:
    • 1. de doorvaart van de scheepvaart niet wordt belemmerd in hoogte, breedte en / of in diepte;
    • 2. de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart niet wordt belemmerd;
    • 3. het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten niet wordt belemmerd;
    • 4. de toegankelijkheid van de vaarweg niet wordt belemmerd voor hulpdiensten;
    • 5. het uitvoeren van beheer en onderhoud van de vaarweg niet wordt belemmerd.

4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Minicamping

Met betrekking tot het gebruik van gronden als bedoeld in artikel 4.1 onder m gelden in ieder geval de volgende regels:

  • a. het plaatsen en / of geplaatst houden van kampeermiddelen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein';
  • b. uitsluitend is toegestaan de gelijktijdige plaatsing van maximaal 10 kampeermiddelen, waarbij plaatsing van kampeermiddelen uitsluitend is toegestaan in de periode 1 maart tot 1 december;
  • c. het aantal personen dat gelijktijdig gebruik maakt van de kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4.1.1 onder b mag maximaal 40 bedragen;
  • d. gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen zoals sanitaire voorzieningen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' in het aanwezige gebouw, met een maximale gezamenlijke oppervlakte van 200 m²;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein', mag geen muziek of versterkte spraak ten gehore worden gebracht.
4.4.2 Strijdig gebruik

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval begrepen:

  • a. voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. voor lawaaisporten;
  • c. voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen;
  • d. het omzetten van grasland in bouwland/ het scheuren van grasland;
  • e. het aanleggen van drainage;
  • f. het verlagen van de grondwaterstand door de aanleg van beregeningsinstallaties;
  • g. het plaatsen van een mestzak.

4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.5.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid als 'specifieke vorm van natuur – voorzieningen spaarbekkens', het uitvoeren van werken of werkzaamheden welke een wijziging van de waterhuishouding of waterstand tot gevolg hebben;
  • c. het vellen of rooien van houtgewas;
  • d. het ontginnen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
  • e. het aanbrengen van bovengrondse of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het aanleggen, dempen, verdiepen of verleggen van waterlopen;
  • g. het aanbrengen of aanleggen van oeverbeschoeiingen;
  • h. het aanbrengen van steigers, aanlegplaatsen en vlonders;
  • i. het diepwoelen/diepploegen van de bodem;
  • j. het beplanten van gronden;
  • k. het aanbrengen van banken, afvalbakken, wegwijzers, picknickplaatsen en het aanleggen van lig- en speelweiden en daarmee vergelijkbare recreatieve voorzieningen;
  • l. het aantasten van overblijfselen van de griendcultuur;
  • m. voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid als 'eendenkooi', het uitvoeren van werken of werkzaamheden welke een vermindering van de herkenbaarheid van de eendenkooi tot gevolg hebben.
4.5.2 Uitzonderingen

Het onder 4.5.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit bestemmingsplan omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van dit bestemmingsplan in uitvoering waren;
  • c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer, waaronder:
    • 1. het periodiek kappen van griendhout en ander hakhout;
    • 2. het vellen of rooien van houtgewas, indien dit rechtstreeks betrekking heeft op de bescherming en / of de zichtbaarheid van waterstaatswerken, als lichten, bakens, kribben en glooiingen van gronden.
4.5.3 Toetsingscriteria

De in lid 4.5.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:

  • a. de werken en/of werkzaamheden nodig zijn voor de realisering of handhaving van de aan de gronden gegeven bestemming, functies of waarden, en;
  • b. indien door die werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in artikel 4.1 onder a tot en met c bedoelde waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;
  • c. voor zover de gronden zijn gelegen binnen een afstand van 25 meter van de begrenzingslijn van de rivier Amer, de werken en werkzaamheden geen belemmering vormen het functioneren van de vaarweg en / of de veiligheid van het scheepvaartverkeer, met dien verstande dat:
    • 1. de doorvaart van de scheepvaart niet mag worden belemmerd in hoogte, breedte en / of in diepte;
    • 2. de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart niet mogen worden belemmerd;
    • 3. het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten niet mag worden belemmerd;
    • 4. de toegankelijkheid van de vaarweg niet mag worden wordt belemmerd voor hulpdiensten;
    • 5. het uitvoeren van beheer en onderhoud van de vaarweg niet mag worden belemmerd.

4.5.4 Advies

Alvorens het bevoegd gezag omgevingsvergunning verleend, winnen zij advies in bij Rijkswaterstaat, voor zover het werken en/of werkzaamheden betreft als genoemd in artikel 4.5.1 onder d, f en g. Indien het werken en werkzaamheden betreft die plaatsvinden binnen een zone van 25 meter van de begrenzingslijn van de rivier Amer wint door het bevoegd gezag voor alle in artikel 4.5.1 genoemde werken en werkzaamheden advies in bij Rijkswaterstaat. Alvorens het bevoegd gezag omgevingsvergunning verleend, winnen zij advies in bij het waterschap, voor zover het werken en/of werkzaamheden betreft als genoemd in artikel 4.5.1 onder a en d.

4.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen voor zover het betreft het verwijderen van de aanduidingen als bedoeld in artikel 4.1 onder h, i, j, k en l van de verbeelding en het verwijderen van de bijbehorende regels indien het gebruik blijvend en duurzaam is gestaakt.

Artikel 5 Water

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud, herstel en de ontwikkeling van ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen landschappelijke waarden en natuurlijke waarden, waaronder: het karakteristiek afwisselend beeld van kreekbeddingen, open water, rietvelden, grienden, wilgenbossen en andere terreinen langs het water;
  • b. het behoud, herstel en de ontwikkeling van de ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen cultuurhistorische waarden;
  • c. waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. watergangen, oevers en taluds;
  • e. scheepvaart;
  • f. extensieve recreatie;
  • g. inname van water ten behoeve van de (drink)waterproductie;
  • h. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kaden, keermuren, duikers, stuwen, aanlegsteigers, meerpalen, lichten en bakens ten behoeve van de beveiliging en geleiding van de scheepvaart en andere voorzieningen.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van aanlegsteigers, meerpalen, lichten en bakens ten behoeve van de beveiliging en geleiding van de scheepvaart bedraagt maximaal 6 meter;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 meter.

5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.3.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden op of in deze gronden en wateren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het vellen of rooien van houtgewas;
  • b. het aanbrengen van bovengrondse of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • c. het dempen, verdiepen of verleggen van waterlopen;
  • d. het aanbrengen of aanleggen van oeverbeschoeiingen;
  • e. het aanbrengen van steigers, aanlegplaatsen en vlonders;
  • f. het aantasten van overblijfselen van de griendcultuur.
5.3.2 Uitzonderingen

Het onder 5.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit bestemmingsplan omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van dit bestemmingsplan in uitvoering waren;
  • c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer, waaronder:
    • 1. het vellen of rooien van houtgewas, indien dit rechtstreeks betrekking heeft op de bescherming en / of de zichtbaarheid van waterstaatswerken, als lichten, bakens, kribben en glooiingen van gronden.
5.3.3 Toetsingscriteria

De in lid 5.4.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:

  • a. de werken en/of werkzaamheden nodig zijn voor de realisering of handhaving van de aan de gronden gegeven bestemming, functies of waarden, en;
  • b. indien door die werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in artikel 5.1 onder a en b bedoelde waarden van deze gronden en wateren niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
5.3.4 Advies

Alvorens het bevoegd gezag omgevingsvergunning verleend, winnen zij advies in bij Rijkswaterstaat, voor zover het werken en/of werkzaamheden betreft als genoemd in artikel 5.4.1 onder c en d.

5.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen voor zover het betreft het wijzigen van de bestemming 'Water' in 'Natuur' op de verbeelding indien natuurlijke sedimentatieprocessen hebben geleid tot een duurzame verlanding van de betrokken gronden.

 

Artikel 6 Water - Spaarbekken

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water - Spaarbekken' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de instandhouding en beheer van spaarbekkens ten behoeve van een waterwinningsbedrijf;
  • b. bestaande voorzieningen behorende bij de spaarbekkens, waaronder: pompstations, uitstroomopeningen, schuivencomplexen, bakens ten behoeve van de beveiliging en geleiding van de scheepvaart.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 4 meter.

Artikel 7 Leiding - Hoogspanningsverbinding

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor aanleg en instandhouding van een bovengrondse hoogspanningsverbinding en uitsluitend in het bestaande type met de bestaande hoeveelheid KV's.

7.1.1 De belangen van de in lid 7.1 bedoelde dubbelbestemming zijn primair ten opzichte van de belangen van de andere daar voorkomende enkelvoudige bestemmingen.


7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Er mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming.

7.2.2 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

7.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is toegestaan, ten dienste van deze bestemming.

7.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2 en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, mits:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  • b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betreffende hoogspanningsverbindingbeheerder.

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.4.1 Omgevingsvergunningsplichtige activiteiten

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding – Hoogspanningsverbinding' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van hoogopgaande beplantingen en/of bomen;
  • b. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 2,5 m.
7.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 7.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
7.4.3 Verlening

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 7.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  • b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder. Het vermelde advies betreft de belangen in verband met de veilige ligging van de leiding en het voorkomen van schade aan de leiding.

7.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' wordt ontnomen, indien de dubbelbestemming ter plaatse niet meer nodig is.

Artikel 8 Leiding - Water

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding – Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor transport van drinkwater en industriewater.

8.1.1 De belangen van de in lid 8.1 bedoelde dubbelbestemming zijn primair ten opzichte van de belangen van de andere daar voorkomende enkelvoudige bestemmingen.


8.2 Bouwregels
8.2.1 Algemeen

In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming.

8.2.2 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

8.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de hoogte maximaal 2,5 meter mag bedragen;
  • b. al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen het gebied met de bestemming 'Leiding – Water' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het voor zover zulks, gehoord de beheerder van de waterleiding(en), verenigbaar is met het belang van de leiding(en).

8.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2 en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, mits:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  • b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betreffende leidingbeheerder.

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1 Omgevingsvergunningsplichtige activiteiten

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming leidingen zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen;
  • c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen;
  • e. diepploegen;
  • f. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven, en daarmee verband houdende constructies;
  • g. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.

8.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 8.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
8.4.3 Verlening

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 8.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  • b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder. Het vermelde advies betreft de belangen in verband met de veilige ligging van de leiding en het voorkomen van schade aan de leiding.

8.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat de bestemming 'Leiding - Water' wordt ontnomen, indien de dubbelbestemming ter plaatse niet meer nodig is.

Artikel 9 Waarde - Archeologie

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde – Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende middelhoge archeologische (verwachtings)waarden.

9.1.1 De belangen van de in lid 9.1 bedoelde dubbelbestemming zijn primair ten opzichte van de belangen van de andere daar voorkomende enkelvoudige bestemmingen.


9.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd waarbij de bodem dieper dan 0,5 m wordt geroerd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk met ten hoogste 1000 m² wordt uitgebreid;
  • b. bouwwerken met een oppervlakte van minder dan 1000 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en).

9.3 Afwijken van de bouwregels
9.3.1 Afwijken voor bouwen ten dienste van andere bestemming

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.2 onder a, voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende bestemming(en), mits:

  • a. op basis van een archeologisch onderzoek, weergegeven in een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de uitvoering van bouwactiviteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg namelijk een archeologische instantie met een opgravingsbevoegdheid.
9.3.2 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen dat voldoet aan de vigerende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

9.3.3 Advies

Bij de beoordeling van het archeologisch onderzoek en het afwijkingsverzoek als bedoeld in artikel 9.3.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de KNA, vastgesteld door Burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.4.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, aanbrengen van heipalen, egaliseren en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft dieper dan 0,5 m over een oppervlakte van meer dan 1000 m²;
  • b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals draineren en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 0,5 m;
  • d. het verlagen van het grondwaterpeil.
9.4.2 Uitzonderingen

Het verbod, zoals bedoeld in artikel 9.4.1 is niet van toepassing, indien:

  • a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte;
  • b. op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • c. de werken en werkzaamheden:
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning;
  • d. de werken en werkzaamheden op inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.

9.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
9.5.1 Omgevingsvergunning
  • a. het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een vergunning voor het slopen van een bouwwerk, de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 1000 m² en de diepte meer bedraagt dan 0,5 m onder maaiveld.
  • b. aan de omgevingsvergunning kan in ieder geval de voorwaarde worden gesteld dat de sloop wordt begeleid door een gekwalificeerde deskundige (zijnde een archeologisch bedrijf met een opgravingsvergunning). Hiervoor is een door (de deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg, zijnde Regioarcheoloog van), het bevoegd gezag schriftelijk goedgekeurd Programma van Eisen vereist dat is opgesteld conform de vigerende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
  • c. indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarden worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning.
  • d. de vergunning kan niet worden verleend indien blijkt dat de sloop een onevenredige aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft.
9.5.2 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen, of;
    • 3. een verplichting de uitvoering van werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg conform de vigerende KNA.
9.5.3 Advies

Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in lid 9.5.2 onder c, wordt de deskundige van de bevoegde overheid (Regioarcheoloog) om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend.

9.6 Wijzigingsbevoegdheid
9.6.1 Wijziging op basis van archeologisch onderzoek

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat de bestemming 'Waarde - Archeologie' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

9.6.2 Advies

Alvorens de in artikel 9.6.1 bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt deskundig advies gevraagd aan een door Burgemeester en wethouders van Drimmelen vastgestelde deskundige op het gebied van de archeologische Monumentenzorg conform de vigerende KNA.

Artikel 10 Waterstaat - Waterkering

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waterstaat – Waterkering’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. waterstaatkundige doeleinden, in het bijzonder de bescherming, het keren van water door dijken en kaden en het instandhouden en het onderhoud van die kaden en dijken;
  • b. voorzieningen ten behoeve van de waterkering;
  • c. dijksloten;
  • d. kunstwerken en andere waterstaatswerken.

10.2 Bouwregels

Ten aanzien van bebouwing, zijn op of in de in 10.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, die ten dienste staan van deze bestemming.

10.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.1 voor de bouw van bouwwerken die zijn toegelaten op grond van de aan de desbetreffende gronden gegeven hoofdbestemming, mits geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan van de belangen van de waterkering en het kwantitatieve waterbeheer. Daartoe wordt vooraf advies ingewonnen van de beheerder van de waterkering.

Artikel 11 Waterstaat - Winterbed

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Winterbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van het stroomvoerend en bergend vermogen van de rivier.

11.1.1 De belangen van de in lid 11.1 bedoelde dubbelbestemming zijn primair ten opzichte van de belangen van de andere daar voorkomende enkelvoudige bestemmingen.


Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Algemene bouwregels

13.1 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen de aanduiding 'bouwvlak' of de aanduiding 'bestemmingsvlak' worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en reclame-uitingen, buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 0,50 m wordt overschreden.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 Geluidzone - Industrie

Op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘geluidzone - industrie’ mag, ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen geluidsgevoelige bebouwing worden opgericht en geen geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in het Besluit geluidhinder worden ingericht, tenzij een hogere waarde is vastgesteld.


Artikel 15 Algemene afwijkingsregels

15.1 Afwijken

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de regels en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • b. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
    • 1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;
    • 2. ten behoeve van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 50 m;
    • 3. ten behoeve van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m.

Artikel 16 Algemene wijzigingsregels

16.1 Algemene wijzigingsregels

Het bevoegd gezag kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van:

  • a. het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde van geringe afmetingen ten dienste van het openbaar nut met een oppervlakte van maximaal 15 m² en een bouwhoogte van maximaal 3,50 m;
  • b. geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bestemmingsgrens, niet zijnde plangrenzen, met maximaal 5 m toelaatbaar;
  • c. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

16.2 Toepassingsregel

Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in lid 16.1 kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een stedenbouwkundige.

Artikel 17 Algemene procedureregels

17.1 Wijzigingsbevoegdheid

Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, zoals deze onderdeel uitmaakt van dit plan, is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb van toepassing.

17.2 Afwijkingsbevoegdheid

Bij toepassing van een afwijkingsbevoegdheid, zoals deze onderdeel uitmaakt van dit plan, is de in hoofdstuk 4 van de Awb en zijn de artikelen 3.1, 3.8 en 3.9 van de Wabo geregelde procedure van toepassing.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  • b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen van het bepaalde onder a. voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%;
  • c. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

18.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a. te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 19 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan “Biesbosch”.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 12 november 2015.
 
de griffier,   de voorzitter,  
................................   ................................