De voor ‘Leiding – Water aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een ondergrondse watertransportleiding.
a Ten behoeve van de in lid 26.1 bedoelde bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
b Bouwwerken en andere werken ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen zijn niet toegestaan uit oogpunt van leveringzekerheid van drinkwater.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, binnen de gronden op de kaart aangewezen met de bestemming ‘Leiding – Water’ de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:
a het aanbrengen van hoogopgaand en/of diepwortelende beplanting, waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting;
b het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
c het verrichten van grondroeractiviteiten (bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage) anders dan normaal spit- en ploegwerk;
d diepploegen;
e Het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals plaatsen van lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
f het aanbrengen van gesloten verhardingen;
g het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
h het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen
Het bepaalde in lid 26.3.1 is slechts toelaatbaar, indien door de uit te voeren werkzaamheden geen schade aan de watertransportleiding wordt of kan worden veroorzaakt.
Het bepaalde lid 26.3.1 is niet van toepassing:
a op het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van het onderhoud of beheer van de aanwezige watertransportleiding;
b op normale onderhoudswerkzaamheden van geringe omvang, of andere werken gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de watertransportleiding;
c op andere werken en/of werkzaamheden, uit een oogpunt van de ruimtelijke ordening van niet ingrijpende betekenis;
d op werken en/of werkzaamheden die voorkomen op de beplantingslijst van de leidingbeheerder;
e op werken en/of werkzaamheden die mechanisch worden uitgevoerd en daarmee vallen onder de werking van de Wet Informatie Uitwisseling Ondergrondse Netwerken;
f op werken en/of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
g op werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
Het bevoegd gezag verleen uitsluitend de omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 26.3.1 na schriftelijk goedkeuring van de leidingbeheerder. De vermelde goedkeuring betreft de belangen in verband met de veilige ligging van de leiding en het voorkomen van schade aan de leiding.