De voor 'Groen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a bermgroen;
b billboards;
c park;
d water;
met de daarbij behorende:
e verhardingen, wegen, voet- en fietspaden;
f geluidwerende voorzieningen;
g nutsvoorzieningen;
h overige functioneel met de bestemming 'Groen - 2' verbonden voorzieningen.
Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bouwregels:
a
De bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer
bedragen dan
b
De bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet
meer bedragen dan
c
De bouwhoogte van billboards mag niet meer
bedragen dan
d
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan
a Onverminderd het bepaalde in artikel 11 lid 1 is het in ieder geval verboden de gronden te gebruiken voor:
1 het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens;
2 het opslaan van gerede en ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan;
3 het opslaan c.q. stallen van gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan;
4 het opslaan of opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen.
b Het bepaalde onder a is niet van toepassing op:
1 het opslaan van stoffen die noodzakelijk zijn voor het normale onderhoud van de gronden en de daarbij behorende voorzieningen;
2 het tijdelijk opslaan van materialen en werktuigen, welke nodig zijn voor de realisering en/of handhaving van de bestemming en aanduidingen.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:
a het aanbrengen van oppervlakteverharding;
b het ontgronden, bodemverlagen, afgraven of ophogen;
c het wijzigen van het profiel van sloten dan wel het graven of dempen hiervan;
d het aanbrengen van dammen of duikers;
e het aanleggen van leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
f het aanleggen van oeverbeschoeiingen;
g het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
h het bebossen of kappen van bossen.
De werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 11.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:
a door de uit te voeren werkzaamheden de natuurwaarden en de landschappelijke waarden van de gronden niet in onevenredige mate worden aangetast;
b dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking of het herstel van die waarden niet wordt verkleind en;
c indien een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het agrarisch belang, tot uitkomst heeft, dat een Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden in redelijkheid niet kan worden geweigerd.
Het in lid 11.4.1 vervatte verbod geldt niet voor:
a normale onderhoudswerkzaamheden gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de bestemming;
b werken en werkzaamheden, welke uit een oogpunt van te beschermen belangen van ondergeschikte betekenis zijn.
a Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.4.1 uitsluitend na schriftelijk advies van een deskundige inzake de te beschermen waarden.
a Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’ zonder bouwvlak, waarna de regels van de desbetreffende bestemming van toepassing zijn.