Inhoud

 

Hoofdstuk 1  Inleidende regels  1

Artikel 1    Begrippen  1

Artikel 2    Wijze van meten  5

Hoofdstuk 2  Bestemmingsregels  7

Artikel 3    Groen  7

Artikel 4    Maatschappelijk  8

Hoofdstuk 3  Algemene regels  11

Artikel 5    Anti-dubbeltelregel 11

Artikel 6    Algemene gebruiksregels  11

Artikel 7    Algemene afwijkingregels  12

Artikel 8    Overige regels  13

Hoofdstuk 4  Overgangs- en slotregels  15

Artikel 9    Overgangsrecht 15

Artikel 10  Slotregel 16

 

Bijlage

Tabel met parkeernormen

 

Hoofdstuk 1             Inleidende regels

Artikel 1                   Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

 

het plan:

het bestemmingsplan MFA Westerbork van de gemeente Midden-Drenthe;

 

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1731.MFAWesterbork-VST1 met de bijbehorende regels en bijlagen;

 

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

 

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

 

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

 

bebouwingspercentage:

een in het bestemmingsplan aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

 

bestaand:

a      bestaand gebruik:

Het gebruik dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van het betreffende gebruiksverbod, met uitzondering van gebruik dat in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan;

b      bestaand bouwwerk:

Een bouwwerk, dat ten tijde van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaat, wordt gebouwd, dan wel nadien krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend, kan worden gebouwd;

 

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

 

 

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

 

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

 

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

 

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

 

bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

 

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

 

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

 

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

 

evenement:

alle tot vermaak en recreatie bedoelde tijdelijke al dan niet periodiek terugkerende activiteiten op of aan de openbare weg, dan wel voor publiek toegankelijk, zoals feesten, markten, braderieën, sportwedstrijden, auto- of motorcrosswedstrijden, voorstellingen, optochten en georganiseerd vuurwerk, met uitzondering van:

-    markten als bedoeld in de Gemeentewet;

-    snuffelmarkten zoals bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening;

-    activiteiten binnen inrichtingen in de zin van artikel 1.1 Wet milieubeheer, die behoren tot de dagelijkse bedrijfsuitoefening en waartoe die inrichting is bestemd en ingericht;

-    kansspelen als bedoeld in de Wet op kansspelen;

-    speelgelegenheden als bedoeld in de  Algemene Plaatselijke Verordening en;

-    betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Waarbij de volgende categorieën evenementen worden onderscheiden:

a      Evenementen met een geluidniveau tussen de 75 en 85 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woning van derden of een ander geluidgevoelig gebouw.

b      Evenementen met een geluidniveau tussen de 60 en 75 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woning van derden of een ander geluidgevoelig gebouw.

c      Alle evenementen met uitsluitend onversterkte muziek en alle evenementen met een versterkt geluidniveau tot maximaal 60 dB(A) op de gevel van de dichtst bijzijnde woning van derden of een ander geluidgevoelig gebouw.

 

extensief dagrecreatief medegebruik:

een dagrecreatief gebruik van gronden, dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan en waar nauwelijks of geen invloed vanuit gaat op de omgeving, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, een vissteiger, een picknickplaats, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik;

 

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

 

horecabedrijf:

een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt;

 

maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen, sportvoorzieningen, kinderopvang en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

 

overkapping:

een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en met niet meer dan één wand is uitgevoerd;

peil:

a      bij ligging aan een weg: de kruin van de weg;

b      bij ligging aan een anderszins verhard terrein: de bovenkant van dat terrein;

c      bij ligging anders dan een weg of verhard terrein: het maaiveld;

d      bij aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij of aan een bestaande woning de bestaande peilmaat van de woning;

 

seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

 

standplaats:

een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingennet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;

 

voorgevelrooilijn:

de voorgevelrooilijn is:

a      langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:

-    de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;

b      langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:

-    bij een wegbreedte van ten minste 15 m, de lijn gelegen op 15 m uit de as van de weg;

-    bij een wegbreedte geringer dan 10 m, de lijn gelegen op 10 m uit de as van de weg;

-    bij een wegbreedte tussen de 10 m en 15 m, de lijn gelegen op een afstand, die gelijk is aan de wegbreedte, uit de as van de weg;

 

 

 


Artikel 2                   Wijze van meten

 

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

 

afstand tot de grens van een bouwperceel:

de kortste afstand vanaf enig punt van een bouwwerk tot de grens van een bouwperceel;

 

bebouwd oppervlak van een bouwperceel:

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;

 

breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren;

 

goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

 

inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

 

bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

 

oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

 

oppervlakte van een overkapping:

tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

 

 

 

 

ondergeschikte bouwdelen:

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als:

a      plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten;

b      erkers die voldoen aan de bouwregels;

c      overstekende daken en/of luifels kleiner dan 0,75 m;

d      balkons die minder dan 1 m buiten de gevel steken;

buiten beschouwing gelaten.

Hoofdstuk 2             Bestemmingsregels

Artikel 3                  Groen

3.1              Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a      groenvoorzieningen;

b      een ontsluitingsweg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’;

c      extensief dagrecreatief medegebruik;

 

met daaraan ondergeschikt:

d      voet- en fietspaden;

e      water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

 

3.2             Bouwregels

a        Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

 

b        voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

1      de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen.

 

3.3              Afwijken van de bouwregels

Mits de noodzaak wordt aangetoond en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:

a        lid 3.2, voor de bouw van straatmeubilair tot een bouwhoogte van ten hoogste 6 m.

 

3.4              Specifieke gebruiksregels

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’ mag een ontsluitingsweg worden aangelegd, met dien verstande dat de breedte niet meer mag bedragen dan 6 m.

 

 


Artikel 4                  Maatschappelijk

4.1              Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a      het uitoefenen van maatschappelijke voorzieningen;

 

met daaraan ondergeschikt:

b      groenvoorzieningen;

c      infrastructurele voorzieningen;

d      parkeervoorzieningen;

e      openbare nutsvoorzieningen;

f       water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

 

met daarbij behorende:

g      tuinen, erven en terreinen;

h      speelvoorzieningen.

 

4.2              Bouwregels

a      Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

1      de gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

2      het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 60%;

3      de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste wat is aangeduid ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’, met dien verstande dat over een oppervlakte van maximaal 15% van de bebouwing de bouwhoogte maximaal 15 m mag bedragen;

 

b      Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

1      op een bouwperceel mag maximaal 1 vlaggenmast van ten hoogste 6 m worden geplaatst;

2      de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m;

3      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt tot 1 m achter de voorgevelrooilijn ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 5 m.

 

4.3              Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan:

a      de plaats en de afmetingen van de bebouwing;

b      de bouwhoogte, in die zin dat wordt aangesloten bij de omliggende bebouwing;

c      de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten aanzien van het erf grenzend aan de openbare weg of openbaar groen.

 

4.4              Specifieke gebruiksregels

a      Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

1      het gebruik of laten gebruiken van de gronden en/of bouwwerken voor een seksinrichting;

2      het gebruik van gebouwen voor bewoning.

 

b      Parkeervoorzieningen, kiss & ridevoorzieningen en schoolpleinen ten behoeve van de maatschappelijke voorzieningen mogen uitsluitend binnen het bestemmingsvlak worden aangelegd, waarbij minimaal moet worden voldaan aan de parkeernormen, zoals opgenomen in de Tabel met parkeernormen in de bijlage.


 

Hoofdstuk 3             Algemene regels

Artikel 5                  Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is gekomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

 

Artikel 6                  Algemene gebruiksregels

 

6.1              Evenementen

Voor het houden van evenementen gelden de volgende bepalingen:

a      in de periode van 1 april tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar zijn in de dagperiode (07.00-19.00 uur) maximaal 3 evenementen uit categorie A en B met een duur van maximaal 1 dag, exclusief opbouwen en afbreken, toegestaan;

b      de rustperiode tussen 2 evenementen bedraagt minimaal:

1      2 weken met daarin 2 weekenden tussen 2 A-evenementen;

2      1 week met daarin 1 weekend tussen een A- en een B-evenement;

3      5 dagen tussen 2 B-evenementen;

c      het aantal evenementen uit categorie C is ongelimiteerd en de duur bedraagt maximaal 4 dagen.


Artikel 7                  Algemene afwijkingregels

 

7.1              Afwijkingen

Er kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van:

a      het bepaalde in het plan en worden toegestaan dat een hoofdgebouw buiten het bouwvlak mag worden gebouwd tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bouwvlak;

b      het bepaalde in het plan en worden toegestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:

1      de inhoud per gebouwtje niet meer dan 50 bedraagt;

2      de hoogte van de gebouwtjes niet meer bedraagt dan 3 m.

 

7.2              Voorwaarden afwijken

De onder 7.1 bedoelde omgevingsvergunningen mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van:

a      de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken;

b      de verkeersveiligheid;

c      het bebouwingsbeeld.

 

 


Artikel 8                  Overige regels

8.1              Uitsluiting seksinrichting

Het bestemmingsplan verzet zich tegen het gebruik van de gronden en bouwwerken als seksinrichting.

 

8.2              Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

a        de milieusituatie (toetsing aan de Wet geurhinder);

b        de landschappelijke waarden;

c        de natuurlijke waarden;

d        de geomorfologische waarden;

e        de cultuurhistorische waarden;

f          de archeologische waarden;

g        het bebouwingsbeeld;

h        de woonsituatie;

i           de verkeersveiligheid;

j           de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, onder andere ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing.

 

8.3              Parkeernorm

Als uitgangspunt geldt dat in alle bestemmingen op eigen erf dient te worden geparkeerd. Hiervan kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken indien in het geval van nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van deze ontwikkeling op een goede wijze kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen.


 

Hoofdstuk 4             Overgangs- en slotregels

Artikel 9                  Overgangsrecht

9.1              Overgangsrecht bouwwerken

a   Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1   gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2   na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

b   Het bevoegd gezag kan eenmalig een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met ten hoogste 10%.

c   Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

9.2              Overgangsrecht gebruik

a   Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

b   Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

c   Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

d   Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 


Artikel 10              Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

 

‘Regels van het bestemmingsplan MFA Westerbork’

 

 

 

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van ………………….

 

 

De voorzitter,                                     De griffier,

 

 

 

......................                                     ....................

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rosmalen, juni 2013                                      Vastgesteld: 27 juni 2013