Artikel 32      Gebied met verweving van landbouw, recreatie, water en na­tuurwaarden (ARWN)

Doeleindenomschrijving

Het gebied op de kaart aangewezen als gebied met verweving van landbouw, recreatie, water en natuurwaarden (ARWN) is bestemd voor:

a.          de doeleinden en bouwmogelijkheden, zoals in de navolgende tabel 3 en de tabellen 5.1 en 5.2 is aangegeven, hetzij rechtstreeks (medebestemming), hetzij na vrijstelling of plan­wijziging;

b.          de doeleinden en bouwmogelijkheden, overeenkomstig hoofdstuk II;

een en ander met inachtneming van de in dit gebied voorkomende waarden in de vorm van een kenmerkende landschapsstructuur, waardevolle water- en oevervegetaties, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden.

 

Tabel 3  Gebied met verweving van landbouw, recreatie, water en natuurwaarden (ARWN)

 

functie/gebruik

passend/

toelaatbaar

voorschriften bij tabel 3 van toepassing

agrarische productierichtingen als hoofdtak

 

 

grondgebonden veehouderij (inclusief paardenfokkerij en -melkerij)

 

akkerbouw en vollegrondse tuinbouw

 

fruitteelt en sierteelt

 

boomkwekerij

l

 

glastuinbouw

l

 

intensieve veehouderij

l

 

intensieve kwekerij

l

 

bosbouw

l

 

agrarische productierichtingen als neventak

 

 

grondgebonden veehouderij (inclusief paardenfokkerij en -melkerij)

 

akkerbouw en vollegrondse tuinbouw

 

fruitteelt, sierteelt en boomkwekerij

 

glastuinbouw

l

 

intensieve kwekerij

l

 

intensieve veehouderij

 

bosbouw

l

 

bouwen

 

 

vergroting van bouwsteden

v

1

nieuwe bouwsteden

l

 

schuilgelegenheden voor vee

l

 

hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (wan­delkappen)

l

 

lage permanente teeltondersteunende voorzieningen (containervelden)

l

 

hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen (stellingenteelt)

l

 

hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen (ondersteunende kassen)

l

 

tweede bedrijfswoning

v

2 + 3

natuurontwikkeling

 

 

nieuwe landgoederen

W

7

realisatie ecologische verbindingszones

w

4

kleinschalige natuurontwikkeling

5

recreatie

 

 

wandelpaden

a

 

fietspaden

a

 

kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen (buiten bouwvlakken/bouwsteden) exclusief steigers

¡

 

 

functie/gebruik

passend/

toelaatbaar

voorschriften bij tabel 3 van toepassing

kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen (buiten bouwvlakken/bouwsteden) in de vorm van steigers

v

6

niet-agrarische neven- en vervolgfuncties op bouwvlakken/bouwsteden

zie artikel 34 en 35

 

      alleen toelaatbaar waar op kaartbladen 1 t/m 10 een bouwvlak en een dienovereenkomstige (sub)bestemming                                               is aangegeven

l       niet toelaatbaar

¡       toelaatbaar als (mede)bestemming

v        na vrijstelling ex artikel 15 WRO

w       na planwijziging ex artikel 11 WRO

a        aanlegvergunning

 

Voorschriften bij tabel 3

 

               Vrijstelling vergroten bouwsteden

1. Burgemeester en wethouders zijn ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven vrijstel­ling te verlenen van de omvang van de bouwstede zoals omschreven in artikel 2 lid 4, met in­achtneming van het volgende:

a.          van de vrijstellingsbevoegdheid mag uitsluitend gebruik worden gemaakt, indien de over­schrijding voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is; hiervan is in ieder geval sprake indien de vergroting op grond van de milieuwetgeving of uit oogpunt van dierwelzijn noodzakelijk is;

b.          van de vrijstellingsbevoegdheid mag uitsluitend gebruik worden gemaakt indien aanwezige natuur- en landschapswaarden niet in onevenredige mate worden geschaad;

c.          de oppervlakte van de bouwstede mag niet meer dan 2,5 ha bedragen;

d.          de grootste afstand tussen gebouwen op een bouwstede mag in geen geval meer bedra­gen dan 200 m;

e.          een verzoek om toepassing van deze vrijstellingsbevoegdheid wordt ter toetsing voorge­legd aan de agrarisch deskundige omtrent de vraag of aan het gestelde onder a van dit voorschrift is voldaan;

f.            een verzoek om toepassing van deze vrijstellingsbevoegdheid wordt ter toetsing voorge­legd aan de natuur- en landschapsdeskundige omtrent de vraag of aan het gestelde onder b van dit voorschrift is voldaan;

g.          de overschrijding van bouwsteden is in geen geval toegestaan ter plaatse van:

-        de bestemmingen Natuurdoeleinden en Groenvoorzieningen (kaartbladen 1 t/m 10);

-        gronden die zijn gelegen binnen een zone van 25 m ter weerszijden van de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid ecologische verbindingszones", gemeten vanuit het hart van de aanduiding (kaartblad 11).

h.          een vrijstelling in afwijking van het advies van de agrarisch deskundige en/of de natuur- en landschapsdeskundige mag niet worden verleend zonder een schriftelijke verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten.

 

Vrijstellingsbevoegdheid tweede agrarische bedrijfswoning bij A

2. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in hoofd­stuk II teneinde de bouw van een tweede bedrijfswoning op bouwvlakken/bouwsteden met de bestemming A mogelijk te maken, indien de permanente aanwezigheid door twee volwaardige arbeidskrachten daadwerkelijk noodzakelijk en doelmatig is, met inachtneming van het vol­gende:

a.          de tweede agrarische bedrijfswoning is alleen toelaatbaar voor volwaardige agrarische be­drijven;

b.          het betreffende bedrijf dient duurzaam werkgelegenheid te bieden aan twee volwaardige arbeidskrachten;

c.          een verzoek om toepassing van deze vrijstellingsbevoegdheid wordt ter toetsing voorge­legd aan de agrarisch deskundige omtrent de vraag of aan het gestelde in de aanhef en onder a en b wordt voldaan;

d.          er dient in ieder geval voldaan te worden aan het bepaalde in de artikelen 45 t/m 51;

e.          er dient rekening gehouden te worden met het bepaalde in het Besluit luchtkwaliteit.

 

3. Een vrijstelling voor een tweede agrarische bedrijfswoning mag niet worden verleend zonder een schriftelijke verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten.

 

Wijzigingsbevoegdheid ecologische verbindingszone

4. Burgemeester en wethouders zijn – met toepassing van artikel 11 WRO – bevoegd ten be­hoeve van de realisatie van ecologische verbindingszones de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding "wijzigingsbevoegd­heid ecologische verbindingszone" te wijzigen, met inachtneming van het volgende:

a.          de perceelsbestemming mag uitsluitend worden gewijzigd in de bestemming Natuurdoel­einden;

b.          een besluit tot planwijziging wordt niet eerder genomen dan nadat de betrokken gronden als ecologische verbindingszone aan een terreinbeherende instantie in eigendom zijn overgedragen;

c.          voor het overige zijn de bepalingen van artikel 19 van overeenkomstige toepassing.

 

Kleinschalige natuurontwikkeling

5. Indien de kleinschalige natuurontwikkeling (mede) gerealiseerd wordt ter plaatse van de be­stemming Water, is het water te allen tijde de primaire functie.

 

Kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen (steigers)

6. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in hoofd­stuk II teneinde buiten bouwvlakken/bouwsteden de bouw van openbare steigers mogelijk te maken, met inachtneming van het volgende:

a.          van de vrijstellingsbevoegdheid mag uitsluitend gebruik worden gemaakt, indien aanwe­zige natuur- en landschapswaarden niet in onevenredige mate worden geschaad;

b.          een steiger dient evenwijdig aan de oever te worden gebouwd;

c.          de lengte en breedte van een steiger mogen niet meer bedragen dan 10 m respectievelijk 1,2 m;

d.          de bouwhoogte van een steiger mag niet meer bedragen dan het peil;

e.          een steiger mag de oeverlijn met niet meer dan 0,5 m overschrijden.

 

               Wijzigingsbevoegdheid nieuwe landgoederen

7. Burgemeester en wethouders zijn - met toepassing van artikel 11 WRO - bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de realisatie van een nieuw landgoed, met inachtneming van het volgende:

a.          aan de ontwikkeling van het landgoed dient een plan ten grondslag te liggen, bestaande uit de volgende onderdelen:

-        een beschrijving van de situering (het gebiedsprofiel);

-        een inventarisatie van de aanwezige gebiedswaarden;

-        een inrichtingsschets en onderbouwing (het projectprofiel);

-        een beeldkwaliteitplan;

-        een exploitatieopzet;

b.          bestaande natuur- en landschapswaarden dienen te worden gehandhaafd en waar moge­lijk te worden ontwikkeld;

c.          voor wat betreft de inrichting en architectuur van het landgoed dient zoveel mogelijk te worden aangesloten op de bestaande landschapsstructuren en de cultuurhistorische ken­merken van het gebied;

d.          een verzoek om toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid wordt ter toetsing voorgelegd aan de natuur- en landschapsdeskundige over de vraag of aan het gestelde onder b en c van dit voorschrift wordt voldaan;

e.          met het besluit tot wijziging dienen aan de gronden zodanige bestemmingen met bijbeho­rende functies te worden toegekend dat 90% van het terrein, de ecologische verbindings­zone en fiets- en wandelpaden daaronder begrepen, als openbaar gebied kan worden ge­bruikt;

f.            het landgoed dient een minimale omvang te hebben van 10 ha, waarvan ten minste 7,5 ha nieuwe natuur;

g.          bij nieuwe landgoederen met een oppervlak tot 15 ha:

-        mag de bestaande woonruimte worden vervangen of uitgebreid tot ten hoogste drie wooneenheden in één woongebouw of 3 geclusterde woningen;

-        dient nieuwbouw/verbouw plaats te vinden op een bestaand (agrarisch) bouwblok;

-        dient de bestaande en nieuwe bebouwing geconcentreerd te worden binnen één aan­eengesloten compact bouwvlak en dient deze één ruimtelijke eenheid te vormen;

h.          bij nieuwe landgoederen met een oppervlak van meer dan 15 ha:

-        mogen per 7,5 ha nieuwe natuur 3 wooneenheden worden gerealiseerd; voor elke 2,5 ha extra nieuw bos of nieuwe natuur mag één extra wooneenheid worden gebouwd, met dien verstande dat er maximaal één wooneenheid per 5 ha nieuw landgoed gerea­liseerd mag worden en dat het aantal wooneenheden per landgoed niet meer dan 8 mag bedragen;

-        dient realisatie van 3 tot 4 wooneenheden plaats te vinden binnen één aaneengesloten compact bouwvlak en dient deze één ruimtelijke eenheid te vormen; bij 5 of meer wooneenheden kan sprake zijn van twee compacte bouwvlakken;

i.            de inhoud van een wooneenheid mag maximaal 1.500 m³ bedragen;

j.            bijgebouwen ten dienste van beheer en onderhoud zijn toegestaan en dienen een duide­lijke relatie te hebben met het landgoed en staan qua omvang in verhouding tot de woning;

k.          nieuwe bebouwing is geconcentreerd binnen een aaneengesloten en compact bouwvlak en vormt een ruimtelijke eenheid;

l.            overtollige, reeds aanwezige, (bedrijfs)gebouwen dienen te worden geamoveerd, met uit­zondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;

m.        bestaande of voorziene agrarische bedrijven in de directe omgeving mogen niet in hun ont­wikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

n.          nieuwe landgoederen zijn in geen geval toegestaan ter plaatse van:

-       de bestemmingen Natuurdoeleinden en Groenvoorzieningen (kaartbladen 1 t/m 10);

-       schootsvelden (kaartblad 11);

o.          er dient in ieder geval te worden voldaan aan het bepaalde in de artikelen 45 t/m 51.