Artikel 29      Archeologisch waardevol gebied

 

Doeleindenomschrijving

1. De gronden op de kaart aangewezen voor Archeologisch waardevol gebied zijn mede be­stemd voor de bescherming van archeologische waarden.

 

Bouwvoorschriften

2. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid ‎1 bedoelde bestemming uitsluitend bouw­werken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodza­ke­lijk zijn.

 

3. Bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, zijn op deze gronden slechts toelaatbaar indien daarvoor vrijstelling door burgemeester en wethou­ders is verleend. Vrijstelling wordt verleend, indien mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig wor­den of kunnen worden geschaad.

 

4. Vrijstelling, zoals in lid ‎3 bedoeld, is niet vereist, indien:

a.          op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen ar­cheologische waarden aanwezig zijn;

b.          het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de opper­vlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.

 

Aanlegvoorschriften

5. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Archeologisch waardevol gebied zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aan­legvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a.          grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm, waartoe worden gerekend het ophogen, afgra­ven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;

b.          het verlagen van het waterpeil;

c.          het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;

d.          het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

 

6. De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod van lid ‎5 geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waar­den niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

 

7. Het verbod, zoals in lid ‎5 bedoeld, is niet van toepassing, indien:

a.          op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen ar­cheologische waarden aanwezig zijn;

b.          de werken of werkzaamheden:

-          mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of een ontgrondingvergunning;

-          reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

c.          de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitge­voerd.

 

Wijzigingsbevoegdheid

8. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het plan te wijzigen door:

a.          de medebestemming Archeologisch waardevol gebied geheel of gedeeltelijk te doen ver­vallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;

b.          de medebestemming Archeologisch waardevol gebied toe te kennen aan gronden, gren­zend aan deze medebestemming, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de be­gren­zing van bedoelde medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.