Document
Regels
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS 5
Artikel 1 Begrippen 5
Artikel 2 Wijze van meten 8
Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS 9
Artikel 3 Wonen - 3 9
Artikel 4 Wonen - 5 12
Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS 16
Artikel 5 Antidubbeltelregel 16
Artikel 6 Algemene bouwregels 16
Artikel 7 Algemene gebruiksregels 16
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels 17
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels 17
Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS 18
Artikel 10 Overgangsregels 18
Artikel 11 Slotregels 19
Hoofdstuk 5 Bijlagen bij de regels 20
Bijlage bij regels 1 Parkeernormen
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS
Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
1.1 het plan
het bestemmingsplan 'Nieuwstraat 46, Wouw' van de gemeente Roosendaal;
1.2 bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1674.2051NIEUWSTRAAT46-0201 met de bijbehorende regels en bijlagen.
1.3 aan huis gebonden beroep
de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, paramedisch, kunstzinnig ontwerp-technisch, consumentenverzorgend of hiermee gelijk te stellen terrein, met behoud van de woonfunctie en de ruimtelijke uitstraling die met de woonfunctie in overeenstemming is;
1.4 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.5 achtergevel
van de openbare weg af gekeerde zijde van een gebouw;
1.6 afhankelijke woonruimte (m.b.t. mantelzorg)
een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is;
1.7 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
1.8 bebouwingspercentage
het percentage van een bouwperceel of gedeelte daarvan, dat ten hoogste mag worden bebouwd;
1.9 bestaande situatie
bouwwerken, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel mogen worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning;
het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft gekregen;
1.10 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak;
1.11 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.12 bijgebouw
een al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
1.13 bijzondere woonvormen
met het wonen enigszins vergelijkbare huisvesting, zoals al dan niet zelfstandige woonruimten voor andere groepen dan een gezin of daarmee vergelijkbare vorm van een vast samenlevingsverband, zoals gezinsvervangende woningen, aanleunwoningen en woonverblijven die mede afhankelijk zijn van binnen het complex aangeboden voorzieningen, waaronder in ieder geval een hospice wordt verstaan, alsmede bejaardentehuizen en verzorgingstehuizen;
1.14 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten vernieuwen of veranderen van een standplaats;
1.15 bouwgrens
1.16 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.17 bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel;
1.18 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
1.19 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.20 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen, die goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel wordt mede begrepen: een afhaalservice zonder de mogelijkheid om ter plaatse te consumeren;
1.21 garages en bergingen
een gebouw bedoeld voor de stalling van vervoermiddelen en voor de berging van niet voor handel en distributie bestemde goederen;
1.22 gebouw
een bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.23 gestapelde woningen
een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat;
1.24 gevel
1.25 hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming, als belangrijkste gebouw valt aan te merken;
1.26 maaiveld
bovenkant van een terrein dat een bouwwerk omgeeft;
1.27 mantelzorg
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;
1.28 peil
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: - de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: - de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
indien in of op het water wordt gebouwd: - het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);
1.29 permanente bewoning
bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;
1.30 standplaats
een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;
1.31 voorgevel
naar de openbare weg gekeerde zijde van een gebouw;
1.32 wonen
het gehuisvest zijn in een woning/wooneenheid, zoals omschreven in onderhavige begripsbepalingen;
1.33 woning/wooneenheid
een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding, niet zijnde een bijzondere woonvorm, en/of voor de huisvesting van maximaal drie personen naast de huishouding of voor de huisvesting van vier personen wanneer daarnaast geen huishouding in het gebouw is ondergebracht;
1.34 woongebouw
een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;
Artikel 2 Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1 de afstand tot (zijdelingse) perceelsgrens
de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) perceelscheiding van het bouwperceel;
2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
2.3 goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
2.4 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
2.5 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
2.6 toepassing van maten
de in deze regels omtrent plaatsing, afstanden en maten zijn niet van toepassing op goot- en kroonlijsten, schoorstenen, gasafvoer- en ontluchtingskanalen, antennes, balkons, galerijen, noodtrappen, luifels, liftkokers, afvoerpijpen van hemelwater, gevellijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en dergelijke naar aard en omvang ondergeschikte bouwonderdelen.
Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS
Artikel 3 Wonen - 3
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen-3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
vrijstaande woningen;
ter plaatse van de aanduiding 'garage' tevens garages en/of bergingen;
(voor)tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
voorzieningen voor verkeer en verblijf.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
hoofdgebouwen;
bijgebouwen;
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
hoofdgebouwen zijn uitsluitend ter plaatse van het als zodanig aangegeven bouwvlak toegestaan;
ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'plat dak' zijn uitsluitend gebouwen met een plat dak toegestaan;
de afstand van het hoofdgebouw tot één zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 1 m te bedragen;
de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' aangegeven maat bedragen.
3.2.3 Bijgebouwen bij hoofdgebouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen bij hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
bijgebouwen zijn uitsluitend ter plaatse van het als zodanig aangegeven bouwvlak toegestaan;
een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 25 m2 van het bouwperceel dient onbebouwd en onoverdekt te blijven;
de bouwhoogte van bijgebouwen mag ten hoogste 3 m bedragen.
3.2.4 Garages en bergingen
Voor het bouwen van garages en bergingen gelden de volgende regels:
garages en bergingen mogen uitsluitend worden gebouwd indien geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om een woning te bouwen;
garages en bergingen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'garage';
garages en bergingen zijn ter plaatse van de aanduiding 'garage' overal toegestaan, mits voldaan wordt aan de parkeernormen zoals opgenomen in bijlage 1.
de bouwhoogte van garages en bergingen mag ten hoogste 3 m bedragen;
3.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste bedragen:
erfafscheidingen 2 m;
andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 m.
3.3 Nadere eisen
3.3.1 Situering en goot- en bouwhoogte bijgebouwen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de situering en de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2,5 m in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de op te richten bebouwing geen onnodig nadelige veranderingen teweegbrengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen met dien verstande dat:
daardoor de gebruikswaarde van de gronden buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak niet onevenredig wordt geschaad;
de goot- of bouwhoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2,5 m;
geen inbreuk wordt gemaakt op het bepaalde in lid 3.2.3 onder b ten aanzien van het maximaal te bebouwen gedeelte van de gronden.
3.4 Afwijking van de bouwregels
3.4.1 Omvang van de hoofdgebouwen en bijgebouwen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 3.2.3 onder a:
teneinde bijgebouwen en overkappingen op gronden buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak te bouwen met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 10m2;
met dien verstande dat:
het bebouwingspercentage van 50% van de gronden buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak niet wordt overschreden;
daardoor de gebruikswaarde van de gronden buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak niet onevenredig wordt geschaad;
daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Aan-huis-gebonden-beroep en kleinschalige beroeps- en bedrijfsactiviteiten
Het is niet toegestaan om gebouwen en andere bouwwerken te gebruiken voor een aan-huis-gebonden-beroep en kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten.
3.5.2 Bijzondere woonvorm
Het is niet toegestaan om gebouwen en andere bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken voor bijzondere woonvormen.
3.5.3 Bijgebouwen als zelfstandige woning en afhankelijke woonruimte
Het is niet toegestaan de (vrijstaande) bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte.
3.6 Afwijking van de gebruiksregels
3.6.1 Aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.5.1 voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep, mits:
de woning inclusief bijgebouwen, die voor de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep nodig is, in overwegende mate de woonfunctie behoudt;
het gebruik ten behoeve van een aan-huis-gebonden beroep geen ernstige c.q. onevenredige hinder voor het woonmilieu oplevert en geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de buurt, waarbij in ieder geval geen gebruik mag plaatsvinden dat nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken en als zodanig is opgenomen in Bijlage 1, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zoals dit van kracht is op het tijdstip van het in ontwerp terinzage leggen van dit bestemmingsplan;
het gebruik geen nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer en/ of niet leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk;
het aan-huis-gebonden beroep geen publieksgericht karakter heeft;
detailhandel alleen plaatsvindt als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep.
3.6.2 Bijzondere woonvorm
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.5.2 ten behoeve van bijzondere woonvormen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
er dient sprake te zijn van een woonvorm die verwantschap heeft met bewoning door een gezin of een vorm van een vast samenlevingsverband, met dien verstande dat de samenstelling van personen mag wisselen;
bedoeld gebruik mag geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt, waarbij aangetoond dient te worden dat de betreffende woonvorm geen beperking tot gevolg heeft voor het woongenot van aangrenzende woonpercelen;
er dient te worden voorzien in een adequate ontsluiting en afwikkeling van autoverkeer en toereikende parkeergelegenheid voor personeel en bezoekers;
vast dient te staan dat het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden.
3.6.3 Mantelzorg
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.5.3 voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits:
een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m2;
er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; een en ander met dien verstande dat burgemeester en wethouders de ontheffing intrekken, indien de bij het verlenen van de ontheffing bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.
Artikel 4 Wonen - 5
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen - 5' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
aaneengebouwde, twee-aaneen gebouwde, geschakelde en vrijstaande woningen;
gestapelde woningen;
ter plaatse van de aanduiding 'garages' tevens garages en/of bergingen;
voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling;
(voor)tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
voorzieningen voor verkeer en verblijf.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen
Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
hoofdgebouwen;
bijgebouwen;
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
hoofdgebouwen zijn uitsluitend ter plaatse van het als zodanig aangegeven bouwvlak toegestaan;
ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gebouwen uitgesloten' zijn geen gebouwen toegestaan;
de diepte van het hoofdgebouw is ten hoogste 12 m bij de woningen bedoeld in 4.1 onder a;
de afstand van twee-aaneen gebouwde en geschakelde hoofdgebouwen aan de niet aaneen gebouwde zijde van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 3 m te bedragen;
de afstand van vrijstaande woningen tot elke zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 3 m te bedragen;
de bouwhoogte van hoofdgebouwen dient ten minste en mag ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'minimale-maximale bouwhoogte (m)' aangegeven maat bedragen.
4.2.3 Bijgebouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:
bijgebouwen zijn ter plaatse van het als zodanig aangegeven bouwvlak toegestaan;
het gezamenlijk te bebouwen oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen mag ten hoogste 50% bedragen van de gronden achter de achtergevel en het verlengde daarvan, met een maximum van:
bij bouwpercelen kleiner dan 200 m2 : 30 m2;
bij bouwpercelen van 200 m2 tot 500 m2 : 45 m2;
bij bouwpercelen van 500 m2 tot 1.000 m2 : 60 m2;
bij bouwpercelen van 1.000 m2 of groter : 75 m2;
met dien verstande dat een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 25 m2 van de gronden achter de achtergevel en het verlengde daarvan onbebouwd en onoverdekt dient te blijven;
bijgebouwen, met uitzondering van erkers die tot ten hoogste 1,5 m uit de zijgevel springen, dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
indien de bijgebouwen niet in de perceelsgrens worden gebouwd, dient de afstand tot de perceelsgrens ten minste 1 m te bedragen;
de goot- en/ of bouwhoogte van bijgebouwen mag ten hoogste bedragen:
bijgebouwen opgericht voor de voorgevel: bouwhoogte maximaal 3 m;
overige bijgebouwen: bouwhoogte 3 m.
4.2.4 Garages en bergingen
Voor het bouwen van garages en bergingen gelden de volgende regels:
garages en bergingen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'garage';
garages en bergingen zijn ter plaatse van de aanduiding 'garage' overal toegestaan, mits voldaan wordt aan de parkeernormen zoals opgenomen in bijlage 1.
de bouwhoogte van garages en bergingen mag ten hoogste 3 m bedragen.
4.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste bedragen:
erfafscheidingen 2 m;
andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3 m.
4.3 Nadere eisen
4.3.1 Situering en goot- en bouwhoogte bijgebouwen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de situering en de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2,5 m in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de op te richten bebouwing geen onnodig nadelige veranderingen teweegbrengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen met dien verstande dat:
daardoor de gebruikswaarde van de gronden buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak niet onevenredig wordt geschaad;
de goot- of bouwhoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2,5 m;
geen inbreuk wordt gemaakt op het bepaalde in lid 4.2.3 onder b ten aanzien van het maximaal te bebouwen gedeelte van de gronden.
4.4 Afwijking van de bouwregels
4.4.1 Omvang van de hoofdgebouwen en bijgebouwen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2 onder c en 4.2.3 onder b:
teneinde de maximumdiepte van hoofdgebouwen te verruimen met ten hoogste 3 m;
teneinde de maximum gezamenlijk te bebouwen oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen op gronden buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak te verhogen met ten hoogste 10m2;
met dien verstande dat:
het bebouwingspercentage van 50% van de gronden buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak niet wordt overschreden;
daardoor de gebruikswaarde van de gronden buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak niet onevenredig wordt geschaad;
daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Aan-huis-gebonden-beroep en kleinschalige beroeps- en bedrijfsactiviteiten
Het is niet toegestaan om gebouwen en andere bouwwerken te gebruiken voor een aan-huis-gebonden-beroep en kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten.
4.5.2 Bijzondere woonvorm
Het is niet toegestaan om gebouwen en andere bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken voor bijzondere woonvormen.
4.5.3 Bijgebouwen als zelfstandige woning en afhankelijke woonruimte
Het is niet toegestaan de (vrijstaande) bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte.
4.6 Afwijking van de gebruiksregels
4.6.1 Aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van lid 4.5.1 voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep, mits:
de woning inclusief bijgebouwen, die voor de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep nodig is, in overwegende mate de woonfunctie behoudt;
het gebruik ten behoeve van een aan-huis-gebonden beroep geen ernstige c.q. onevenredige hinder voor het woonmilieu oplevert en geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de buurt, waarbij in ieder geval geen gebruik mag plaatsvinden dat nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken en als zodanig is opgenomen in Bijlage 1, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zoals dit van kracht is op het tijdstip van het in ontwerp terinzage leggen van dit bestemmingsplan;
het gebruik geen nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer en/ of niet leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk;
het aan-huis-gebonden beroep geen publieksgericht karakter heeft;
detailhandel alleen plaatsvindt als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep.
4.6.2 Bijzondere woonvorm
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.5.2 ten behoeve van bijzondere woonvormen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
er dient sprake te zijn van een woonvorm die verwantschap heeft met bewoning door een gezin of een vorm van een vast samenlevingsverband, met dien verstande dat de samenstelling van personen mag wisselen;
bedoeld gebruik mag geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt, waarbij aangetoond dient te worden dat de betreffende woonvorm geen beperking tot gevolg heeft voor het woongenot van aangrenzende woonpercelen;
er dient te worden voorzien in een adequate ontsluiting en afwikkeling van autoverkeer en toereikende parkeergelegenheid voor personeel en bezoekers;
vast dient te staan dat het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden.
4.6.3 Mantelzorg
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.5.3 voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits:
een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m2;
er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; een en ander met dien verstande dat burgemeester en wethouders de ontheffingg intrekken, indien de bij het verlenen van de ontheffing bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.
Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS
Artikel 5 Antidubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 6 Algemene bouwregels
6.1 Percentages
en aangegeven percentage, geeft aan hoeveel van het bouwvlak van het desbetreffende bouwperceel ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen. Bij het ontbreken van een percentage mag het bouwvlak volledig worden bebouwd, tenzij in hoofdstuk 2 anders is bepaald.
6.2 Overschrijding bouwgrenzen
De aangegeven bouwgrenzen/voorgevellijn mogen/mag uitsluitend worden overschreden door:
tot gebouwen behorende stoepen, trappen(huizen), liftschachten, hellingbanen, funderingen, entreeportalen, veranda's mits de overschrijding niet meer dan 2,5 m bedraagt;
andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt.
Artikel 7 Algemene gebruiksregels
7.1 Parkeernormen
Het is verboden gronden te gebruiken en/of bouwwerken te bouwen waardoor binnen het plangebied niet voldaan wordt aan de parkeernormen zoals opgenomen in bijlage 1.
Afwijken parkeernormen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 7.1 mits of onder voorwaarden dat:
de parkeerdruk in het openbaar gebied niet onevenredig toeneemt;
het voldoen aan de normen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels
8.1 Afwijking
Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woon- en milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, en tenzij daardoor belangen van derden niet onevenredig worden geschaad, een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het in dit plan bepaalde:
ten aanzien van de plaats van de bebouwingsgrenzen, voor zover de afwijking van geringe aard is en ten aanzien van andere ondergeschikte punten, wanneer dit met het oog op de praktische uitvoering gerechtvaardigd is, respectievelijk indien de aanpassing aan de terreingesteldheid dit noodzakelijk maakt;
van de in de artikelen 3 en 4 genoemde maten resp. percentages, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10%;
van enige bestemming van gronden uitsluitend ten behoeve van het bouwen van bouwwerken van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, telefooncellen en wachthuisjes, met dien verstande, dat de inhoud per op te richten bouwwerk niet meer dan 50 m³ zal bedragen en de goothoogte ervan niet meer dan 3 meter zal bedragen.
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels
9.1 Algemene wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van overschrijding bestemmingsgrenzen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voorzover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voorzover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3.00 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.
9.2 Algemene wijzigingsbevoegdheid voor antenne-installaties voor (mobiele) telecommunicatie
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de in het plan gelegen gronden te wijzigen voor het gebruik voor en de bouw van antenne-installaties voor (mobiele) telecommunicatie met inachtneming van de volgende regels:
de hoogte van de antenne-installatie mag ten hoogste 5 m bedragen, gemeten tussen de onderkant en het hoogste punt van de antenne-installatie;
de antenne-installaties dienen bij voorkeur op bestaande verticale elementen te worden geplaatst;
de gebruikers dienen zoveel mogelijk gebruik te maken van elkaars installaties, tenzij dit technisch niet mogelijk is.
Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS
Artikel 10 Overgangsregels
10.1 Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
10.2 Afwijking
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid 10.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10 %.
10.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
Lid 10.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
10.4 Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
10.5 Strijdig gebruik
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 56.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
10.6 Verboden gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in het lid 10.4, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
10.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik
Lid 10.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
10.8 Hardheidsclausule
Voor zover van toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen dat overgangsrecht buiten toepassing laten.
Artikel 11 Slotregels
Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan 'Nieuwstraat 46, Wouw' van de gemeente Roosendaal.
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van
De voorzitter, De griffier,
Hoofdstuk 5 Bijlagen bij de regels
Bijlage bij regels 1 Parkeernormen
Parkeernormen (vastgesteld door het college op 8 maart 2006)
Parkeernormen auto
1 |
WONEN (* 1) |
Norm 2006 |
eenheid |
|
Wonen binnen de centrumring |
|
|
1.1 |
Koop: hoge prijsklasse |
1,40 |
woning |
1.2 |
Koop: middenklasse |
1,30 |
woning |
1.3 |
Koop: lage prijsklasse |
1,20 |
woning |
1.4 |
Huur: vrije sector |
1,30 |
woning |
1.5 |
Huur: sociale woningbouw |
1,20 |
woning |
|
Wonen buiten de centrumring |
|
|
1.6 |
Koop: hoge prijsklasse |
2,00 |
woning |
1.7 |
Koop: middenklasse |
1,80 |
woning |
1.8 |
Koop: lage prijsklasse |
1,50 |
woning |
1.9 |
Huur: vrije sector |
1,80 |
woning |
1.10 |
Huur: sociale woningbouw |
1,50 |
woning |
|
“Bijzondere woningtypen” |
|
|
1.11 |
Seniorenwoning |
vervallen (* 2) |
woning |
1.12 |
Zorgwoning |
0,60 |
woning |
1.13 |
Verpleeg- / verzorgingstehuis |
0,60 |
woning |
1.14 |
Kamer verhuur / 1 persoonswoning |
0,40 |
woning |
2 |
HANDEL EN INDUSTRIE |
|
|
2.1 |
Groothandel / transport / industrie |
2,60 |
100 m2 bvo |
2.2 |
Opslag / magazijn |
0,80 |
100 m2 bvo |
2.3 |
Showroom / bouwmarkt / meubelzaak |
1,70 |
100 m2 bvo |
2.4 |
Bedrijfsverzamelgebouw |
1,30 |
100 m2 bvo |
2.5 |
Kantoor met baliefunctie |
3,00 |
100 m2 bvo |
2.6 |
Kantoor zonder baliefunctie |
1,70 |
100 m2 bvo |
2.7 |
Supermarkt / streekverzorgende winkel |
4,50 |
100 m2 bvo |
2.8 |
Winkel: hoofdwinkelcentrum |
3,00 |
100 m2 bvo |
2.9 |
Winkel: wijk- en buurtcentrum |
3,30 |
100 m2 bvo |
3 |
HORECA |
|
|
3.1 |
Restaurant |
13,00 |
100 m2 bvo |
3.2 |
Café |
6,00 |
100 m2 bvo |
3.3 |
Snackbar |
6,00 |
100 m2 bvo |
3.4 |
Hotel |
1,00 |
Kamer |
* 1) Een garage zonder oprit wordt als 0,4 parkeerplaats gerekend. Een garage met oprit geldt als 1,0 parkeerplaats. Biedt de oprit voldoende plaats voor meerdere voertuigen, dan geldt een garage met oprit als 2,0 parkeerplaatsen.
* 2) Er is geen aparte parkeernorm voor seniorenwoningen meer. Het aantal benodigde parkeerplaatsen dient bepaald te worden op basis van de prijsklasse van de woningen, conform de normen onder 1.1 t/m 1.10.
4 |
CULTUUR / MAATSCHAPPELIJK WERK |
|
|
4.1 |
Religieus gebouw |
0,15 |
Zitplaats |
4.2 |
Cultureel centrum / wijkgebouw |
2,00 |
100 m2 bvo |
4.3 |
Crèche / kinderdagverblijf |
0,70 |
arbeidspl. |
4.4 |
Bibliotheek / museum |
0,80 |
100 m2 bvo |
4.5 |
Bioscoop / Schouwburg |
0,25 |
Zitplaats |
5 |
SPORT EN RECREATIE |
|
|
5.1 |
Sporthal |
2,70 (* 1) |
100 m2 bvo |
5.2 |
Sportschool |
3,50 |
100 m2 bvo |
5.3 |
Tennisbaan |
2,50 |
Baan |
5.4 |
Squashbaan |
1,20 |
Baan |
5.5. |
Bowling / Biljartzaal |
2,00 |
baan / tafel |
6 |
GEZONDHEIDSZORG |
|
|
6.1 |
Arts / kruisgebouw / therapeut |
1,70 (* 2) |
behandelk. |
6.2 |
Medische centra |
vervallen |
|
7 |
ONDERWIJS |
|
|
7.1 |
Basisschool |
0,75 |
leslokaal |
|
|
|
|
7.2. |
Voortgezet onderwijs |
0,75 |
leslokaal |
|
|
|
|
7.3. |
Hoger onderwijs (MBO / HBO) |
6,00 |
leslokaal (* 3) |
|
|
|
|
Parkeernormen fiets
1 |
WONEN (* 4) |
Norm 2006 |
Eenheid |
1.1 |
Woning: grondgebonden |
4,00 |
woning |
1.2 |
Woning: appartement |
2,00 |
woning |
1.3 |
Zorgwoning |
0,15 |
woning |
1.4 |
Verpleeg- / verzorgingstehuis |
0,15 |
woning |
* 1) Als de sporthal een wedstrijdfunctie heeft, dient extra parkeercapaciteit te worden gecreëerd. Dit betreft 0,20 parkeerplaats per zitplaats.
* 2) Met een minimum van 3 parkeerplaatsen per praktijk.
* 3) Eén leslokaal komt overeen met 30 leerlingen. Voor grotere leslokalen (collegezalen) dienen derhalve meer parkeervakken te worden gecreëerd.
* 4) Fietsparkeerplaatsen voor grondgebonden woningen en appartementen dienen in een berging / garage gerealiseerd te worden.