artikel 17        WONEN

17.1    bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a          het bestaande aantal woningen in de categorieën:

V                     vrijstaande woningen;

D         dubbele woningen;

R                     rijwoningen;

G         gestapelde woningen;

daar waar deze op de plankaart als zodanig met de bovengenoemde aanduidingen zijn aangegeven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding (b5) op de plankaart de gronden zijn bestemd voor één vrijstaande woning of maximaal twee aaneengebouwde woningen (dubbele woningen);

b          aan huis verbonden beroepen, met dien verstande dat:

1          het vloeroppervlak van de ruimten ten behoeve van de uitoefening van aan huis verbonden beroepen niet meer mag bedragen dan 30 % van het totale vloeroppervlak van het hoofdgebouw, inclusief aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, met een maximum van 50 m2;

2          er ten behoeve van de uitoefening van de aan huis verbonden beroepen voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;

3          de uitoefening van de aan huis verbonden beroepen geen nadelige invloed mag hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en dat uitoefening van aan huis verbonden beroepen niet gepaard mag gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van het betrokken aan huis verbonden beroepen;

c          maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de aanduiding (ma);

d          voorzieningen voor de waterhuishouding;

met bijbehorende gebouwen en, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven, wegen en paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.

17.2    bouwvoorschriften

17.2.1 Van de bij een hoofdgebouw behorende gronden mag maximaal 50% worden bebouwd.

17.2.2 Hoofdgebouwen dienen te voldoen aan de volgende voorschriften:

a          Hoofdgebouwen dienen te worden gebouwd binnen het bouwvlak;

b          In aanvulling op het onder a bepaalde geldt in het geval van sloop van de bestaande woning en vervanging daarvan door een nieuwe woning dat de voorgevel van het nieuwe hoofdgebouw in de naar de openbare weg gerichte begrenzing van het bouwvlak dient te worden opgericht. Indien er meerdere naar de openbare weg gerichte begrenzingen van het bouwvlak zijn, dient de begrenzing te worden aangehouden waarin de voorgevel van het ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp-bestemmingsplan bestaande hoofdgebouw is gebouwd;

c          Het onder b bepaalde geldt niet ter plaatse van de op de plankaart “zonering bijzondere bouwvoorschriften” aangegeven gebied C en D;

d          De afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij woningen in de categorieën:

V                     aan twee zijden minimaal 3 m;

D         aan één zijde minimaal 3 m;

R                     aan de niet-aangebouwde zijde van de eindwoningen minimaal 3 m,

e          In afwijking van het onder d bepaalde geldt ter plaatse van de aanduiding (b1) een minimale afstand van 4 m;

f           In afwijking van het onder d bepaalde geldt ter plaatse van de aanduiding (b2) een minimale afstand van 5 m;

g          In afwijking van het onder d bepaalde geldt ter plaatse van het op de kaart “zonering bijzondere bouwvoorschriften” aangegeven gebied C een minimale afstand van 5 m tot de perceelsgrens;

h          Ter plaatse van de aanduidingen ‘D’ en ‘R’ bedraagt de goothoogte van hoofdgebouwen tot (het verlengde van) de oorspronkelijke achtergevel van het bestaande hoofdgebouw maximaal de op de plankaart aangegeven goothoogte;

i           Ter plaatse van de aanduidingen ‘D’ en ‘R’ bedraagt de bouwhoogte van hoofdgebouwen tot (het verlengde van) de oorspronkelijke achtergevel van het bestaande hoofdgebouw maximaal de op de plankaart aangegeven bouwhoogte;

j           Achter (het verlengde van) de onder h en i bedoelde oorspronkelijke achtergevel, bedraagt de goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduidingen ‘D’ en ‘R’ maximaal 3 m danwel de hoogte van de eerste bouwlaag van het bestaande hoofdgebouw + 0,25;

k          ter plaatse van de aanduiding “V” geldt dat de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw over een maximale diepte van 12 m gerekend vanaf de voorgevel van het hoofdgebouw, maximaal de op de plankaart aangegeven goot- respectievelijk bouwhoogte mag bedragen, mits het hoofdgebouw op minimaal 3 m van de zijdelingse perceelsgrens is gelegen. Indien niet aan het laatste wordt voldaan, geldt het onder h, i en j bepaalde –in afwijking van het daar gestelde- ook ter plaatse van de aanduiding “V”;

 

l           In afwijking van het onder k bepaalde geldt ter plaatse van de op de plankaart  “zonering bijzondere bouwvoorschriften” aangegeven gebieden C en D dat de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen maximaal de op de plankaart aangegeven goot- respectievelijk bouwhoogte bedraagt;

m         In afwijking van het onder h, i, j, k en l bepaalde geldt ter plaatse van de aanduiding (gm) en (rm) dat de bestaande goot- en bouwhoogte de maximale goot- respectievelijk bouwhoogte zijn;

n          Ingeval hoofdgebouwen worden afgedekt met een kap, dient de dakhelling van deze kap minimaal 25° en maximaal 65° te bedragen;

o          Dakkapellen zijn toegestaan in de dakvlakken van het hoofdgebouw, met dien verstande dat de breedte van dakkapellen in de dakvlakken aan de voorgevel en de naar de openbare weg gekeerde zijgevels per dakvlak niet meer dan de helft van de breedte van de desbetreffende dakvlakken ter hoogte van de bovenkant van de dakkapel mag bedragen en in de dakvlakken aan de achtergevel en de niet naar de openbare weg gekeerde zijgevels per dakvlak niet meer dan 2/3 van de breedte van de desbetreffende dakvlakken ter hoogte van de bovenkant van de dakkapel mag bedragen;

p          Ter plaatse van de op de plankaart “zonering bijzondere bouwvoorschriften” aangegeven gebieden C en D geldt dat het oppervlak van het hoofdgebouw, aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen tezamen, voor zover het op de plankaart aangegeven bouwvlak dit toelaat en voor zover niet een ander maximum ter plaatse op de plankaart is aangegeven, maximaal 250 m2 respectievelijk maximaal 300 m2  mag bedragen;

17.2.3 Aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen dienen te voldoen aan de volgende voorschriften:

a          aan– en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

b          aan– en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen dienen minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd;

c          in afwijking van het onder b bepaalde geldt ter plaatse van het op de kaart ‘zonering bijzondere bouwvoorschriften’ aangegeven gebied D dat aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, voor zover het bouwvlak dat toelaat, zowel vóór, als in het verlengde van, als achter (het verlengde van) de voorgevel mogen worden gebouwd;

d          de afstand van aan– en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij woningen in de categorieën:

V                     aan twee zijden minimaal 3 m;

D         aan één zijde minimaal 3 m;

R                     aan de niet-aangebouwde zijde van de eindwoningen minimaal 3 m;

e          in afwijking van het onder d bepaalde geldt ter plaatse van de aanduidingen (b1) een minimale afstand van 4 m;

f           in afwijking van het onder d bepaalde geldt ter plaatse van de aanduidingen (b2) een minimale afstand van 5 m;

g          in afwijking van het onder d, e en f bepaalde mogen (gedeeltes van) aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen die gebouwd worden achter (het verlengde van) de oorspronkelijke achtergevel van het bestaande hoofdgebouw,in de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd;

 

h          in afwijking van het onder d bepaalde geldt ter plaatse van het op de kaart ‘zonering bijzondere bouwvoorschriften’ aangegeven gebied B dat aan- en uitbouwen in de zijdelingse perceelsgrens mogen worden gebouwd;

i           in afwijking van het onder d en g bepaalde geldt ter plaatse van de op de kaart ‘zonering bijzondere bouwvoorschriften’ aangegeven gebieden C en D een minimale afstand van 5 m tot de perceelsgrens, voor zover de plankaart niet anders aangeeft;

j           de diepte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen die aan de zijgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd, mag in de zone tussen (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw en (het verlengde van) de oorspronkelijke achtergevel maximaal 3 m bedragen, met dien verstande dat deze diepte gemeten wordt vanaf de zijgevel waaraan aan- respectievelijk uitgebouwd wordt; ter plaatse van (het verlengde van) de achtergevel en àchter (het verlengde van) de achtergevel mag deze diepte maximaal 6 m bedragen, gemeten vanuit (het verlengde van) de zijgevel waaraan respectievelijk aan- of uitgebouwd wordt;

k          in afwijking van het onder j bepaalde geldt ter plaatse van de op de kaart ‘zonering bijzondere bouwvoorschriften’ aangegeven gebieden C en D geen maximale diepte voor aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen die aan de zijgevel worden gebouwd, voor zover wordt voldaan aan het onder a en i bepaalde;

l           de goot- en bouwhoogte van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bedraagt maximaal 3 m, dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding (les) boven de eerste bouwlaag een lessenaarsdak is toegestaan, waarvan de hoogste zijde aan de zijgevel moet zijn gesitueerd, waaraan aan- respectievelijk uitgebouwd wordt en waarbij de maximale bouwhoogte van deze hoogste zijde maximaal de op de plankaart aangegeven bouwhoogte bedraagt;

m         In afwijking van het onder l bepaalde, geldt ter plaatse van de aanduiding “V’ dat de goot- en bouwhoogte van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen aan de achterzijde van het hoofdgebouw in een zone van 12 m diep gerekend vanaf de voorgevel van het hoofdgebouw, maximaal de goot- respectievelijk bouwhoogte van het hoofdgebouw mag bedragen, mits deze aan- en uitbouwen en/of aangebouwde bijgebouwen zijn gelegen tussen het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw ter plaatse van de achtergevel èn op minimaal 3 m afstand van de zijdelingse perceelsgrens gelegen zijn; achter deze “12-meter lijn”geldt het bepaalde onder l;

n          in afwijking van het bepaalde onder l geldt ter plaatse van de aanduiding (b4) een maximale bouwhoogte van 4 m;

o          in afwijking van het onder l bepaalde geldt ter plaatse van de aanduiding (b6) dat de goot- en bouwhoogte van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen aan de achterzijde van het hoofdgebouw in een zone van 18 m diep gerekend vanaf de voorgevel van het hoofdgebouw, maximaal 3 m respectievelijk 7 m mag bedragen, mits deze aan- en uitbouwen en/of aangebouwde bijgebouwen zijn gelegen tussen het verlengde van de zijgevels van het bestaande hoofdgebouw ter plaatse van de achtergevel; Achter deze “18-meter lijn” geldt het bepaalde onder l;

p          in afwijking van het onder l bepaalde geldt ter plaatse van de op de kaart ‘zonering bijzondere bouwvoorschriften’ aangegeven gebieden C en D dat de maximale goot- en bouwhoogte van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen gelijk zijn aan die van het hoofdgebouw waarbij geldt dat ingeval deze aan- en uitbouwen of aangebouwde bijgebouwen worden afgedekt met een kap, de dakhelling van deze kap minimaal 25° en maximaal 65° bedraagt;

q          dakkapellen zijn op aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen niet toegestaan.

r           In afwijking van het onder q bepaalde geldt ter plaatse van de op de kaart ‘zonering bijzondere bouwvoorschriften’ aangegeven gebieden C en D dat dakkapellen wel op aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen zijn toegestaan;

17.2.4 In afwijking van het in artikel 17.2.3 bepaalde, geldt voor uitbouwen in de vorm van erkers dat deze tot vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits:

a          de horizontale diepte maximaal 1,5 m bedraagt;

b          de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 m bedraagt;

c          de breedte van de erker maximaal 2/3 van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw bedraagt en de afstand van de zijkant van de erker tot de beide zijgevels van het voorgevelvlak waaraan de erker wordt aangebouwd minimaal 1 m bedraagt;

d          de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m.

17.2.5 Het in artikel 17.2.4 bepaalde geldt niet ter plaatse van de aanduiding (gm) of (rm).

17.2.6 Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd, voor zover zij voldoen aan de volgende voorschriften:

a          vrijstaande bijgebouwen en overkappingen dienen te worden gebouwd achter de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw;

b          in afwijking van het onder a bepaalde geldt ter plaatse van de op de kaart ‘zonering bijzondere bouwvoorschriften’ aangegeven gebieden B en C dat vrijstaande bijgebouwen en overkappingen minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel dienen te worden gebouwd;

c          in afwijking van het onder a bepaalde geldt ter plaatse van het op de kaart ‘zonering bijzondere bouwvoorschriften’ aangegeven gebied D dat vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zowel vóór, als in het verlengde van, als achter (het verlengde van) de voorgevel mogen worden gebouwd;

d          vrijstaande bijgebouwen mogen in de zijdelingse perceelsgrens te worden gebouwd;

e          in afwijking van het onder d bepaalde geldt ter plaatse van de op de kaart ‘zonering bijzondere bouwvoorschriften’ aangegeven gebieden C en D een minimale afstand van 5 m tot de perceelsgrens;

f           in afwijking van het onder d bepaalde geldt voor het perceel met de aanduiding (b3) dat ter plaatse van het met de aanduiding * aangeduide vlak een bijgebouw op minder dan 5 m van de zijdelingse perceelsgrens mag worden gebouwd;

g          Indien een overkapping aan de zijgevel van een woning wordt gebouwd, mag de diepte van de overkapping maximaal 3 m bedragen, gemeten vanuit (het verlengde van) de gevel waaraan aangebouwd wordt;

h          in afwijking van het onder g bepaalde geldt ter plaatse van de op de kaart ‘zonering bijzondere bouwvoorschriften’ aangegeven gebieden C en D geen maximale diepte voor de diepte van een overkapping die aan een zijgevel wordt gebouwd;

i           de goot- en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bedraagt maximaal 3 m respectievelijk maximaal 4,25 m;

j           in afwijking van het onder i bepaalde, geldt ter plaatse van het op de kaart ‘zonering bijzondere bouwvoorschriften’ aangegeven gebied B voor vrijstaande bijgebouwen een maximale goot– en bouwhoogte van 3 m;

k          dakkapellen zijn op vrijstaande bijgebouwen niet toegestaan;

 

l           onverminderd het bepaalde in artikel 17.2.1 mag de oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw niet meer bedragen dan maximaal 15 % van de oppervlakte van de bijbehorende gronden met een maximum  van:

1          50 m² voor percelen met een oppervlakte tot 1.000 m2;

2          60 m2 voor percelen met een oppervlakte tussen 1.000 m2 en 2.000 m2;

3          80 m2 voor percelen met een oppervlakte groter dan 2.000 m2; 

4          100 m2 voor het perceel met de aanduiding (b3).

17.2.7 In afwijking van het onder 17.2.6 bepaalde geldt ter plaatse van de aanduiding (gm) en (rm) dat buiten het bouwvlak alleen bestaande vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan.

17.2.8 Onoverdekte zwembaden mogen alleen worden gebouwd bij woningen waarvan de bijbehorende gronden minimaal een oppervlakte van 1.000 m2 beslaan. De onoverdekte zwembaden mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd, voor zover zij voldoen aan de volgende voorschriften:

a          bij iedere woning die voldoet aan het bovenstaande mag maximaal één onoverdekt zwembad worden gebouwd;

b          het zwembad dient op een minimale afstand van 5 m tot de zijdelingse perceelsgrens te worden gebouwd;

c          het zwembad mag maximaal 0,5 m uitsteken boven de gemiddelde hoogte van het aangrenzende afgewerkte terrein;

d          de oppervlakte van het zwembad mag maximaal 35% van de oppervlakte van het buiten het bouwvlak gelegen deel van de bij de woning behorende gronden met de bestemming “wonen” bedragen ingeval de oppervlakte van dat deel van de gronden kleiner of gelijk is aan 200 m2;

e          de oppervlakte van het zwembad mag maximaal 25 % van de oppervlakte van het buiten het bouwvlak gelegen deel van de bij de woning behorende gronden met de bestemming “wonen” bedragen ingeval de oppervlakte van dat deel van de gronden een omvang beslaat tussen de 200 m2 en 400 m2;

f           de oppervlakte van het zwembad mag maximaal 100 m2 bedragen, ingeval de oppervlakte van het buiten het bouwvlak gelegen deel van de bij de woning behorende gronden met de bestemming “wonen” meer dan 400 m2  bedraagt.

17.2.9 Het in artikel 17.2.8 bepaalde, geldt niet ter plaatse van de aanduiding (gm) of (rm).

17.2.10          De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal:

a          vlaggenmasten                                                                                5 m;

b          erf- en terreinafscheidingen tot 1 meter achter (het verlengde van)

de voorgevel van het hoofdgebouw                                                          1 m;

c          erf- en terreinafscheidingen die ten minste 1 meter achter

(het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw

worden geplaatst                                                                            2 m;

d          overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde                                         3 m.

 

17.3    vrijstelling van de bouwvoorschriften

17.3.1 Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in:

a          artikel 17.2.3 onder a voor het bouwen van een aan– of uitbouw of aangebouwd bijgebouw buiten het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding (gm) en (rm), mits:

1          wordt voldaan aan de overige van toepassing zijnde voorschriften zoals vastgelegd in artikel 17.2.3;

2          voorafgaand aan de beslissing over het al dan niet verlenen van vrijstelling advies is gevraagd aan de gemeentelijke monumentencommissie. 

b          artikel 17.2.3 onder l voor het bouwen van een aan– of uitbouw of aangebouwd bijgebouw aan de achterzijde van het hoofdgebouw met maximaal dezelfde goot- en bouwhoogte als die van het hoofdgebouw, indien deze aan- en uitbouwen of aangebouwde bijgebouwen gelegen zijn tussen het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw ter plaatse van de achtergevel, èn mits:

1          ter plaatse van de aanduiding “D”, bij de direct naastgelegen woning waar de betrokken woning een dubbele woning mee vormt, al een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw met een hogere goot- en/of bouwhoogte aanwezig is dan op grond van artikel 17.2.3 onder l is toegestaan. In dat geval gelden de goot- en bouwhoogte van het op dat buurperceel gerealiseerde als maximale goot- respectievelijk bouwhoogte en mag de beoogde uitbreiding van het hoofdgebouw over deze hogere goot- en bouwhoogte niet dieper zijn dan die van het bedoelde buurperceel;

2          ter plaatse van de aanduiding “R”, op de beide naastgelegen percelen waarop zich aangebouwde rijwoningen bevinden of -ingeval het een eindwoning betreft, op dat perceel waarop zich de direct aangrenzende aangebouwde woning bevindt, al aan- of uitbouwen of aangebouwde bijgebouwen met een hogere goot- en/of bouwhoogte aanwezig zijn dan op grond van artikel 17.2.3 onder l is toegestaan. In dat geval gelden de goot- en bouwhoogte van het op die buurpercelen, respectievelijk dat buurperceel, gerealiseerde als maximale goot- respectievelijk bouwhoogte en mag de beoogde uitbreiding van het hoofdgebouw over deze hogere goot- en bouwhoogte niet dieper zijn dan die van de bedoelde buurpercelen, respectievelijk het bedoelde buurperceel;

c          artikel 17.2.5 voor het bouwen van een erker voor de voorgevel van het hoofdgebouw, mits:

1          wordt voldaan aan de overige van toepassing zijnde voorschriften zoals vastgelegd in artikel 17.2.4;

2          voorafgaand aan de beslissing over het al dan niet verlenen van vrijstelling advies is gevraagd aan de gemeentelijke monumentencommissie.

d          artikel 17.2.7 voor het oprichten of het wijzigen van een vrijstaand bijgebouw of een overkapping buiten het bouwvlak, mits:

1          wordt voldaan aan de overige van toepassing zijnde voorschriften als vastgelegd in artikel 17.2.6;

2          voorafgaand aan de beslissing over het al dan niet verlenen van vrijstelling advies is gevraagd aan de gemeentelijke monumentencommissie.

e          artikel 17.2.6 onder j voor een grotere bouwhoogte tot een maximum van 4,25 m indien dit vanuit architectonische of bouwstijltechnische overwegingen past bij de architectuur of bouwstijl van het hoofdgebouw;

 

f           artikel 17.2.6 onder l voor het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen tot maximaal:

1          55 m² voor percelen met een oppervlakte tot 1.000 m2;

2          70 m² voor percelen met een oppervlakte tot 1.500 m2;

3          90 m² voor percelen met een oppervlakte groter dan 1.500 m2.

g          artikel 17.2.9 voor het bouwen van onoverdekte zwembaden, mits:

1          wordt voldaan aan de overige van toepassing zijnde voorschriften zoals vastgelegd in artikel 17.2.8;

2          voorafgaand aan de beslissing over het al dan niet verlenen van vrijstelling advies is gevraagd aan de gemeentelijke monumentencommissie.

17.3.2 Vrijstelling als bedoeld in artikel 17.3.1 kan slechts worden verleend, mits:

a          de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;

b          het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.

17.4    vrijstelling van de gebruiksvoorschriften

17.4.1 Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in:

a          artikel 17.1 jo. artikel 27.1 voor het toestaan van een aan huis verbonden bedrijf, mits:

1          Het vloeroppervlak van de ruimten ten behoeve van de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf niet meer mag bedragen dan 30 % van het totale vloeroppervlak van de het hoofdgebouw inclusief aan- of uitbouwen en bijgebouwen, met een maximum van 50 m2;

2          er geen sprake is van een duurzame ontwrichting van de bestaande distributieve voorzieningen of een ernstige verstoring van de verzorgingsstructuur;

3          het geen bedrijfsactiviteiten betreft die normaliter in een winkelcentrum of een

winkelstraat worden uitgeoefend op eigen terrein;

4          er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;

5          er ten behoeve van de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf voorzien is in voldoende parkeergelegenheid;

6          de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf geen nadelige invloed mag hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en dat uitoefening van aan huis verbonden beroepen niet gepaard mag gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van het betrokken aan huis verbonden bedrijf;

b          artikel 17.1 jo. artikel 27.1 voor het toestaan van bijzondere woonvormen, mits:

1          het hoofdgebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt;

2          de functie een ruimtelijke werking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

3          de nieuwe functie gerealiseerd wordt in bestaande bebouwing;

c          artikel 17.1 jo. artikel 27.1 voor het toestaan van meerdere huishoudens in een woning in verband met zorg;

d          artikel 17.1 jo. artikel 27.1 voor het toestaan van kamerbewoning door meer dan 4 kamerbewoners;

17.4.2 Vrijstelling als bedoeld in artikel 17.4.1 kan slechts worden verleend, mits:

a          de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;

b          het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.

 

17.5    wijzigingsbevoegdheid

17.5.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Wonen’ te wijzigen door het toevoegen van (een) bouwvlak(ken), uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen ‘wijzigingsbevoegdheid 2’, ‘wijzigingsbevoegdheid 3’ en ‘wijzigingsbevoegdheid 4’ met in achtneming van de volgende voorwaarden:

a          Ter plaatse van de aanduiding ‘wijzigingsbevoegdheid 2’:

1          maximaal twee vrijstaande woningen mogen worden gebouwd;

2          per woning bedraagt de oppervlakte maximaal 150 m2;

3          de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 6 m respectievelijk 10 m;

4          voor het overige zijn de voorschriften behorende bij de woningcategorie ‘V’ van toepassing;

5          aangetoond moet worden dat uit oogpunt van externe veiligheid (LPG) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;

6          uit een inventariserend archeologisch veldonderzoek moet blijken dat er geen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden;

7          aan de hand van een uit te voeren bomenanalyse wordt de plaats van de woningen bepaald.

b          Ter plaatse van de aanduiding ‘wijzigingsbevoegdheid 3’:

1          maximaal één vrijstaande woning mag worden gebouwd;

2          de naar de openbare weg toegekeerde begrenzing van het bouwvlak ligt in het verlengde van die van de bouwvlakken ter plaatse van de percelen Traaij 174a en Traaij 176;

3          de achterste begrenzing van het bouwvlak is dusdanig dat ten opzichte van de achterste perceelsgrens een afstand van ten minste 7 m in acht wordt genomen;

4          de zijdelingse begrenzing van het bouwvlak is aan de noordoostzijde dusdanig dat een afstand van minimaal 3 m ten opzichte van het (verlengde) van de zuidwestelijke zijgevel van het nutsgebouwtje met de bestemming “Bedrijven” en aanduidingen (nu) en (gm) in acht wordt genomen;

5          de zuidwestelijke begrenzing van het bouwvlak is dusdanig dat een afstand van ten minste 6 m ten opzichte van de noordoostelijke begrenzing van het op de plankaart aangegeven bouwvlak ter plaatse van het perceel Traaij 176 in acht wordt genomen; 

6          de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 6 m, respectievelijk 10 m;

7          de economische uitvoerbaarheid moet zijn aangetoond en gewaarborgd.

c          Ter plaatse van de aanduiding ‘wijzigingsbevoegdheid 4’:

1          maximaal één vrijstaande woning mag worden gebouwd;

2          de naar de openbare weg toegekeerde begrenzing van het bouwvlak ligt in het verlengde van het bouwvlak ter plaatse van het perceel Rosariumlaan 47;

3          de diepte van het bouwvlak is, gemeten vanaf de naar de openbare weg toegekeerde begrenzing van het bouwvlak, maximaal 15 m diep;

4          de zijdelingse begrenzing van het bouwvlak is aan de noordoostzijde dusdanig dat een afstand van minimaal 5 m ten opzichte van de zuidwestelijke begrenzing van het bouwvlak ter plaatse van het pand Rosariumlaan 47 in acht wordt genomen;           

5          de zuidwestelijke begrenzing van het bouwvlak is dusdanig dat een afstand van ten minste 3 m ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens met het buurperceel Rosariumlaan 49 in acht wordt genomen; 

6          de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 6 m, respectievelijk 10 m;

7          het perceel waarop de woning wordt gebouwd, heeft een minimale breedte van 16 m en een maximale breedte van 20 m;

8          de economische uitvoerbaarheid moet zijn aangetoond en gewaarborgd.

d          de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad;

e          het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet

onevenredig worden geschaad.

17.5.2 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Wonen’ te wijzigen door het wijzigen van het bouwvlak, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘wijzigingsbevoegdheid 5 ’, met in achtneming van de volgende voorwaarden:

a          maximaal twee aaneengebouwde woningen (dubbel woningen) mogen worden gebouwd;

b          de naar de openbare weg toegekeerde begrenzing van het bouwvlak ligt in de denkbeeldige rechte lijn die ontstaat wanneer de uiterste noordelijke punt van het bouwvlak ter plaatse van het perceel Arnhemsebovenweg 78 wordt verbonden met de uiterste oostelijke punt van het bouwvlak ter plaatse van het perceel Arnhemsebovenweg 74;

c          de diepte van het bouwvlak is, gerekend vanaf de naar de openbare weg toegekeerde begrenzing van het bouwvlak maximaal 12 m diep;

d          de zuidoostelijke begrenzing van het bouwvlak ligt in het verlengde van de meest oostelijk gelegen zijgevel van het bestaande aangebouwde bijgebouw achter het hoofdgebouw;

e          de noordwestelijke begrenzing van het bouwvlak is dusdanig dat een afstand van ten minste 3 m ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens met het perceel Arnhemsebovenweg 74 in acht wordt genomen; 

f           de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 6 m, respectievelijk 10 m;

g          de economische uitvoerbaarheid moet zijn aangetoond en gewaarborgd;

h          de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad;

i           het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad.

17.6    verhouding tot samenvallende bestemmingen

Bij het samenvallen van deze bestemming met de bestemmingen ‘Zone archeologische vindplaats’, ‘Zone beschermd stads- en dorpsgezicht’, ‘Zone Hoogspanningsleiding’ en ‘Zone LPG-installatie’ is tevens het bepaalde in de artikelen 18, 19, 20 en 21 van toepassing.