REGELS
INHOUDSOPGAVE
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Hoofdstuk 3 Algemene
regels
Artikel 5 Algemene gebruiksbepalingen
Artikel 6 Algemene aanduidingsregels
(milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied)
Artikel
7 Algemene
afwijkingsregels
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
PLANREGELS
Artikel 1 Begrippen
plan:
het
Bestemmingsplan Vrachelen/Krooneiland herziening I
2012 van de gemeente Oosterhout.
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in
het GML-bestand NL.IMRO.0826.BSPvrachkroonI2012-VA01 met
de bijbehorende regels en bijlage.
aanduiding:
een geometrisch bepaald figuur, waarmee gronden
zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van
het gebruik en/of bebouwen van deze gronden.
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak
betreft.
achtergevelrooilijn:
de
vanaf de weg, waarop het belangrijkste gebouw is georiënteerd, afgekeerde grens
van het bouwvlak.
bebouwing:
één
of meer gebouwen en/of één of meer bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
bestemmingsgrens:
de
grens van een bestemmingsvlak.
bestemmingsvlak:
een
geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
bouwen:
het
plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het
vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten,
vernieuwen of veranderen van en standplaats.
bouwlaag:
een
doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering
gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip
van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw of zolder.
bouwperceel:
een
aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij
elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
bouwperceelsgrens:
een
grens van een bouwperceel.
bouwvlak:
een
geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de
regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
bouwwerk:
elke
constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke
hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
vindt in of op de grond.
dakopbouw:
een
uitbreiding van een gebouw op een dak, waarmee de goothoogte van het gebouw wordt
verhoogd.
functie:
doeleinden
ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen
daarvan is toegestaan.
gebouw:
elk
bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk
met wanden omsloten, ruimte vormt.
gevelvlak:
het
verticale vlak waarin de hoofdvlakken van een gevel zich bevinden.
hoofdfunctie:
de
belangrijkste functie waarvoor een gebouw mag worden gebruikt.
hoofdgebouw:
een
gebouw dat, gelet op de bestemming, constructie of afmetingen, als het
belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel moet worden aangemerkt.
onderbouw:
een
gedeelte van een gebouw dat maximaal
ondergeschikte functie:
functie
waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig
mag worden gebruikt.
scheidingslijn:
lijn
die de grens dan wel scheiding tussen verschillende aanduidingen vormt.
voorgevel:
de
gevel van een gebouw dat gericht is naar de weg.
voorgevelrooilijn:
de
naar de weg toegekeerde grens van het bouwvlak, waarop het belangrijkste gebouw
op een bouwperceel is georiënteerd.
waterhuishoudkundige
voorzieningen:
voorzieningen
die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer,
waterberging en waterkwaliteit, zoals duikers, stuwen, gemalen, inlaten etc.
weg:
alle
voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande wegen of paden
daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of
paden behorende vrijliggende fietspaden, alsmede de
aan de wegen liggende parkeerterreinen.
woning:
een
gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat dient voor de huisvesting van niet
meer dan één huishouden.
zijstrook:
de
strook grond gelegen naast het hoofdgebouw, waarvan de breedte wordt bepaald
door de afstand tussen de zijdelingse perceelsgrens en de zijgevel van het
hoofdgebouw over de volledige diepte van het bouwperceel, behorende bij het
hoofdgebouw.
Artikel 2 Wijze van meten
Bij
de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
afstanden:
van bouwwerken tot andere bouwwerken, bebouwingsgrenzen en
perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.
bebouwingspercentage:
een
aangeduid of in deze regels aangegeven percentage dat bepaalt hoeveel procent
van het bestemmingsvlak per bouwperceel, of een in de regels nader omschreven
gedeelte daarvan mag worden bebouwd.
bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf
het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen
gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte vouwonderdelen, zoals
schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen
bouwonderdelen.
dakhelling:
langs
het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
diepte van een gebouw:
horizontale diepte:
de
lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.
verticale diepte:
de
diepte van een gebouw, gemeten vanaf de bovenzijde van de afgewerkte begane
grondvloer.
goothoogte van een bouwwerk:
vanaf
het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of
een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
inhoud van een gebouw:
tussen
de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het
hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
oppervlakte van een bouwwerk:
tussen
de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de
scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het
afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
peil:
a
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
grenst:
-
de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang.
b
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de
weg grenst:
-
de hoogte van de weg of de toekomstige weg ter plaatse van die hoofdtoegang bij
voltooiing van de bouw.
c
in andere gevallen:
-
de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.
d
indien in of op het water wordt gebouwd:
-
het Nieuw Amsterdams Peil/of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil.
ondergeschikte
bouwonderdelen:
Bij
toepassing van het in dit artikel bepaalde worden ondergeschikte
bouwonderdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen,
schoorstenen, luchtkokers, wolfseinden, dakkapellen, liftschachten, gevel- en
kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing
gelaten.
BESTEMMINGSREGELS
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd
voor:
a tuinen en
groenvoorzieningen bij woningen;
b inritten;
c parkeren;
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende
bepalingen:
a Op of in deze
gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde onder
3.2.2 en 3.2.3.
b Indien in
afwijking van het bepaalde onder a ten tijde van de tervisielegging van het
ontwerp van het plan al gebouwen aanwezig zijn, dan mogen deze gebouwen in de
huidige vorm en situering worden gehandhaafd.
3.2.2 Uitbreiding van de
woning
Voor het bouwen van uitbreidingen aan een woning op
de aangrenzende bestemming "Wonen" gelden de volgende bepalingen:
a De diepte van
de uitbreiding mag niet meer bedragen dan
b De
uitbreiding mag niet meer bedragen dan 1 bouwlaag;
c De breedte van
de uitbreiding bedraagt niet meer dan tweederde van de voorgevelbreedte van de
woning;
d indien de
uitbreiding wordt uitgevoerd in combinatie met een luifel, dan dient deze
luifel een open constructie te zijn met een breedte van niet meer dan eenderde
van de voorgevelbreedte en mag de uitbreiding inclusief luifel over de gehele
breedte van de voorgevel worden gebouwd in verhouding tweederde - eenderde.
3.2.3 Bouwwerken, geen
gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende bepalingen:
a De bouwhoogte
van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan
b. De
bouwhoogte van overig tuinmeubilair, zoals vlaggenmasten, pergola's, etc. mag
niet meer bedragen dan
3.3 Specifieke gebruiksregels
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval
verstaan het gebruik ten behoeve van het parkeren van motorvoertuigen op de
gronden gelegen vóór de voorgevel van het deel van een woning, dat gezien de
bouwhoogte, als belangrijkste onderdeel van de woning kan worden aangemerkt.
3.4 Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning
verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.3 voor het parkeren van
motorvoertuigen voor de voorgevel van een woning, met dien verstande dat:
a het stedenbouwkundig
beeld niet wordt geschaad;
b geen
onevenredige schade wordt toegebracht aan het woonmilieu en aan de
gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
c het aantal
parkeerplaatsen op de openbare weg niet wordt verminderd.
De gronden op de verbeelding
aangewezen voor Wonen zijn bestemd voor:
a
wonen;
b
aan-huis-verbonden beroepen;
c aan-huis-verbonden bedrijven;
d tuinen
en erven;
e groenvoorzieningen.
4.2.1 Bebouwing op gronden met aanduiding
“landschapsbuffer”
a Op en in de
gronden aangeduid met de aanduiding “landschapsbuffer” op de verbeelding mogen
geen gebouwen worden gebouwd.
b Voor het bouwen
van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:
1 De hoogte van
erf- en terreinafscheidingen, van de voet af gemeten, mag niet meer bedragen
dan
2 De hoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die niet onder a zijn begrepen, mag niet meer
bedragen dan
c Het bevoegd gezag
kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmeting van de
bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor een verantwoorde
en evenwichtige natuurlijke en landschappelijke inpassing en ter waarborging
van de aanwezige en te herstellen natuur- en landschapswaarden en ter
voorkoming van een onevenredige aantasting van aangrenzende gronden.
4.2.2 Hoofdgebouwen
a Voor het bouwen van gebouwen binnen het bouwvlak
geldt dat de op de verbeelding aangegeven woningtypologie dient te worden aangehouden:
blokken van meer dan twee aaneengebouwde woningen ter plaatse van de aanduiding
'aaneengesloten' op de verbeelding.
b Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de
verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd.
c De voorgevel moet worden gesitueerd in de voorgevellijn
dan wel op een afstand van niet meer dan
d De goothoogte mag niet meer bedragen dan op de
verbeelding is aangegeven.
e De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de
verbeelding is aangegeven.
f De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse
perceelsgrenzen bij:
1 vrijstaande woningen mag aan beide zijden niet minder
bedragen dan
2 halfvrijstaande woningen mag aan één zijde niet minder
bedragen dan
g De dakhelling mag niet meer bedragen dan 0°.
h Indien in afwijking van bepaalde onder d t/m f ten tijde
van de tervisielegging van het ontwerp van het plan een grotere respectievelijk
kleinere afstand, een grotere goothoogte dan wel bouwhoogte aanwezig was, mag
die afstand, goothoogte respectievelijk bouwhoogte worden gehandhaafd.
4.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen
gelden de volgende bepalingen:
a Aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen zowel binnen als
buiten het bouwvlak gebouwd worden.
b Aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand
van ten minste
c De goothoogte van een aan- en uitbouw mag niet meer dan
d De goothoogte van een (vrijstaand) bijgebouw mag niet
meer dan
e De bouwhoogte van een (vrijstaand) bijgebouw mag niet
meer bedragen dan
- indien het bijgebouw gebouwd wordt in de zijdelingse
perceelsgrens, de bouwhoogte in de perceelsgrens niet meer mag bedragen dan
- indien de betreffende bijgebouwen aan weerszijden van de
zijdelingse perceelsgrens aaneengesloten worden gebouwd, mag de bouwhoogte op
de perceelsgrens niet meer bedragen dan
f Bij vrijstaande hoofdgebouwen dient een der zijstroken
vrij van aan- en uitbouwen en bijgebouwen te blijven.
g De gezamenlijke oppervlakte voor aan- en uitbouwen en
bijgebouwen binnen het bouwperceel mag niet meer bedragen dan
h De gronden gelegen achter de achtergevelrooilijn van het
hoofdgebouw en het verlengde daarvan mogen voor maximaal 65% worden bebouwd.
i Indien in afwijking van bepaalde onder b en f ten tijde
van de tervisielegging van het ontwerp van het plan een kleinere afstand
aanwezig was dan wel de betreffende zijstrook niet (geheel) vrij van aan- en
uitbouwen of bijgebouwen was, mag die afstand respectievelijk situatie worden
gehandhaafd.
4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
gelden de volgende bepalingen:
a Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als
buiten het bouwvlak worden gebouwd.
b Overkappingen mogen worden gebouwd tot een oppervlakte
van niet meer dan
c De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet
meer bedragen dan
d De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, mag niet meer bedragen dan
4.3 Gebruiksregels
Binnen de bestemming ‘Wonen’ is de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden
bedrijven toegestaan, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:
a De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan
30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van
b Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de
normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de
parkeerbehoefte veroorzaken.
c De activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner van de
woning.
Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval
verstaan:
a gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en
onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf,
raamprostitutie en straatprostitutie;
b gebruik van gronden als
stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een
zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en
onderhoud,
c een gebruik van gronden als stallings- of opslagplaats van één of meer aan het gebruik
onttrokken machines, voer- vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een
zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en
onderhoud.
Ter
plaatse van de aanduiding ‘Milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied’
mogen bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat de bescherming van de
kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening
gewaarborgd dient te blijven.
7.1
Algemene afwijkingen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning
verlenen voor het afwijken:
a
van de in de planregels gegeven maten inzake afstanden en
percentages voor oppervlakten tot niet meer dan 10% van die afmetingen
respectievelijk percentages;
b
van de planregels en toestaan dat bouwgrenzen worden
overschreden, waarbij een overschrijding van maximaal
c
van de planregels ten aanzien van de maximaal toegestane
hoogte van gebouwen ten behoeve van een overschrijding van deze maximaal
toegestane hoogte voor plaatselijke verhogingen, zoals lichtkappen en
technische ruimten, met dien verstande dat:
1 de maximale oppervlakte van de
vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of
de horizontale projectie van het schuine dakvlak;
2 de hoogte niet meer mag bedragen
dan 1,25 maal de maximaal toegestane hoogte van het betreffende gebouw.
7.2
Voorwaarden afwijking
De omgevingsvergunning
voor het afwijken, als bedoeld in lid 7.1 kan slechts worden verleend, indien:
a
de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van
betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
b
het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen
niet onevenredig worden geschaad.
8.1 Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van
inwerkingtreding van het bestemmingsplan
aanwezig
of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een
omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar
aard en omvang niet wordt vergroot,
1 gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2 na het teniet gaan ten gevolge van een
calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de
omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk
is teniet gegaan.
b Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking
van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten
van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal
10%.
c Het bepaalde onder a is niet van toepassing
op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van
het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor
geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
8.2
Overgangsrecht gebruik
a Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond
op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in
strijd is, mag worden voortgezet.
b Het is verboden het met het bestemmingsplan
strijdige gebruik, bedoeld in het bepaald onder a, te veranderen of te laten
veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze
verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
c Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde
onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode
langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna
te hervatten of te laten hervatten.
d Het bepaalde onder a is niet van toepassing
op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende
bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Deze regels kunnen worden aangehaald onder de
titel: ’Regels van het bestemmingsplan Vrachelen/Krooneiland,
herziening I 2012 van de gemeente Oosterhout’.