|
Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "V Limbeek-Woenselse Watermolen (Zoutstraat 2-4)" van de gemeente Eindhoven.
Op de locatie aan de Zoutstraat 2 en 4 is thans de bebouwing van het voormalige 'POPEI'-gebouw aanwezig. De initiatiefnemer is voornemens om op deze locatie de bestaande bebouwing te slopen en ter plaatse een nieuw gebouw te realiseren ten behoeve van 29 appartementen waarin zorg wordt aangeboden, 1 ondersteunende ruimte en bergingen op de begane grond. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op basis van het vigerende bestemmingsplan “Limbeek-Woenselse Watermolen 2007”, omdat ter plaatse van de bestemmingen 'Detailhandel', 'Maatschappelijke doeleinden' en 'Verkeer' geen (zorg)appartementen gerealiseerd kunnen worden. De gemeente Eindhoven heeft echter aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief door middel van een herziening van het bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de ruimtelijke onderbouwing en regels voor het realiseren van een nieuw gebouw ten behoeve van 29 (zorg)appartementen en 1 ondersteunende ruimte.
Het plangebied ligt ten noorden van de Zoutstraat, een verbindingsweg tussen de Boschdijk en de Lijmbeekstraat. Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.
KADASTRALE SITUATIE
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Eindhoven, sectie G, nummers 3708, 3961, 3996, 3999, 4091 en 4828. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 1760 m². De gronden zijn in particuliere eigendom.
Het plangebied ligt binnen het geldende bestemmingsplan "Limbeek-Woenselse Watermolen 2007", vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 21 augustus 2008. In het geldende bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemmingen 'Detailhandel', 'Maatschappelijke doeleinden'.
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
De gronden zijn in deze bestemming onder andere aangewezen voor:
| Detailhandel | - | gebouwen ten behoeve van detailhandel, uitsluitend op de begane grond, tenzij bestaande detailhandel op de verdieping aanwezig is; |
| - | wegen en paden; | |
| - | parkeervoorzieningen. | |
| Maatschappelijke doeleinden | - | gebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen; |
| - | horecavoorzieningen, detailhandelsvoorzieningen en dienstverlenende bedrijven voor zover ten dienste van de maatschappelijke voorziening; | |
| - | parkeervoorzieningen. |
Daarnaast bevat een deel van het plangebied de aanduiding 'bouwvlak', waarbinnen gebouwd dient te worden. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.
Conclusie
Het initiatief betreft de realisatie van een nieuw gebouw ten behoeve van 29 (zorg)appartementen en 1 ondersteunende ruimte binnen de bestemmingen 'Detailhandel' en 'Maatschappelijke doeleinden'. Binnen deze bestemmingen is de realisatie van dit type planontwikkeling niet mogelijk. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk.
Deze toelichting bestaat uit 9 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 met een beschrijving van het plangebied en het planvoornemen. Hoofdstuk 3 bevat de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In deze paragraaf is de wijze beschreven waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is verwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan. De financiële uitvoerbaarheid is verantwoord in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure, inclusief een paragraaf over de maatschappelijke uitvoerbaarheid (met name de resultaten van het gevoerde overleg en de samenspraak/inspraak).
In dit hoofdstuk worden zowel het gebied waar de ontwikkeling plaats gaat vinden als het project zelf beschreven. Tevens wordt ingegaan op de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten van het project. Onderstaande afbeelding geeft de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.
DIRECTE OMGEVING
Eindhoven is ontstaan uit een middeleeuwse stad en de omliggende dorpen. Eén van deze dorpen was Woensel, waarbinnen onderhavig plangebied gelegen is en tegenwoordig een wijk betreft binnen Eindhoven. Het vroegere zelfstandige Woensel bestond uit verschillende gehuchten. De middeleeuwse kern heette: 'De Oude Toren'. Deze naam verwijst naar de oude kerktoren uit de 15e eeuw die er nog steeds staat. De naam 'Woensel' komt van Wodan, de godheid die door de Germaans-Frankische bewoners werd vereerd op het begijnenhof dat bij de oude toren lag. Rond 1900 was het zwaartepunt rond de St. Petruskerk komen te liggen. Daar in de buurt werd toen ook de Woenselse Markt aangelegd.
Onderhavig plangebied is gelegen binnen de buurt Limbeek. De naam Limbeek komt van het riviertje de Lijmbeek, waarmee vermoedelijk de Gender wordt bedoeld. Limbeek kent als wijk geen eenduidige structuur. De Lijmbeekstraat slingert door de wijk en verdeelt samen met de Steenstraat en Kramerstraat de wijk in een aantal deelgebieden. De bebouwing langs de Lijmbeekstraat is erg divers, wat ook geldt voor enkele zijstraten hiervan. De andere delen van de wijk kennen wel een meer planmatige en typisch naoorlogse structuur. Het noordwestelijk deel van Limbeek kenmerkt zich door een grote hoeveelheid aan meergezinswoningen. Op de hoek van de Marconilaan met de Anthony van Leeuwenhoeklaan ligt een groot appartementencomplex, ook wel de Kattenrug genoemd.
Het plangebied is centraal gelegen binnen de buurt 'Limbeek' aan de Zoutstraat. De Zoutstraat betreft een verbindingsweg tussen de Boschdijk en de Lijmbeekstraat.
Het plangebied is in de huidige situatie volledig bebouwd en was in gebruik als 'Poppodium POPEI'. POPEI stelt zichzelf tot doel om aan mensen van alle leeftijden, individueel of in groepsverband, faciliteiten te bieden om een eigen uitdrukkingsmogelijkheid te zoeken binnen het kader muziek. POPEI wil daarmee een maatschappelijke bijdrage leveren aan het levend houden van muziek in Eindhoven.
Het pand aan de Zoutstraat is gebouwd rond 1960. In 1981 is het Muzikanten Service Bureau POPEI ontstaan met als opzet het verhuren van repetitieruimte. Vanaf 1994 werd POPEI omgeven door nieuwbouw. POPEI was sinds geruime tijd op zoek naar een andere, geschiktere locatie en heeft deze gevonden in de voormalige Philips Klokkentoren.
Het nieuwbouwplan voorziet in 29 nieuwbouw (zorg)appartementen inclusief 1 ondersteunende ruimte en bergingen op de begane grond. Doelgroep voor de appartementen zijn de seniore “doorstromers” uit de buurt.
Het terrein is langgerekt van vorm, respectievelijk grenzend aan de weg lopend achter de tuinen van de gezinswoningen aan de Lijmbeekstraat, aan de parkeerpocke/het erf van de appartementen aan de Boschdijk, en aan de Zoutstraat.
Het nieuw te bouwen complex bestaat uit twee bouwblokken: aan de zijde van de Boschdijk een bouwblok van 4 lagen hoog en aan de zijde van de Lijmbeekstraat een bouwblok van 3 lagen hoog. Reden om de bouwblokken verschillende hoogte te geven is het creëren van een soepele overgang van de bouwblokken met 5 tot 6 lagen aan de Boschdijk naar de gezinswoningen van 1, respectievelijk 2 lagen met kap aan de Lijmbeekstraat. respectievelijk de gezinswoningen van 2 lagen met kap aan de Zoutstraat. Aan de zijde van de Zoutstraat wordt het complex ontsloten. Om de kleinschaligheid van de Zoutstraat te benadrukken is hier een sterk horizontaal element aangebracht ter hoogte van de eerste bouwlaag. De volumes die boven de eerste bouwlaag uitsteken zijn teruggelegd met een geleding in de gevellijn. Op de eerste bouwlaag aan de Zoutstraat komt een daktuin.
De plattegrond van de blokken is afgeleid van de vorm van de kavel (zie volgende paragraaf). Door de nieuwe bouwblokken over de kavel te verdelen ontstaat een zekere luchtigheid. De openingen tussen beide bouwblokken en het groene binnenplein benadrukken dit. De nieuwe bouwblokken nemen ruime afstand van de kavelgrenzen om een groen maaiveld te creëren en afstand te nemen van de omliggende bebouwingen. Door de toepassing van veel groen (groene gevels en groene daken) heeft het nieuwe complex toegevoegde waarde voor de bestaande woningen aan de omliggende straten.
Het vergroenen van de locatie is leidend bij het ontwerp. Er is gekozen om de bebouwing in twee L-vormen te positioneren rondom een gezamenlijke groene binnentuin. De toegangen van de woningen op de verdiepingen liggen aan een galerij rondom de binnentuin, hetgeen zorgt voor een sociale interactie. De woningen op de begane grond hebben de entree's juist aan de buitenzijden van het gebouw. Deze woningen krijgen aan de binnentuin een terras. Op de eerste verdieping aan de zijde van de Zoutstraat is een gezamenlijke daktuin.
Bergingen zijn geplaatst aan de rand van de kavel aan de zijde van de oprit/parkeerterrein voor de bewoners aan de Boschdijk. Doordat de bergingen worden voorzien van een vegetatiedak krijgen de bouwblokken aan de Boschdijk een “groen” uitzicht. Op de erfgrens aan de zijde van de Boschdijk komt een gaashekwerk voorzien van klimplanten om de bergingen aan het oog te onttrekken.
Alle appartementen worden voorzien van een balkon met een plantenbak. Via de staalconstructie van de balkons en galerijen zullen klimplanten de gevels vergroenen. Ook op het binnenplein worden klimplanten aangebracht tegen de staalconstructie van de galerijen. Overige buitenruimten worden ingericht als een gezamenlijke tuin om aan te sluiten bij de groene achtertuinen van de woningen aan de Lijmbeekstraat. Voor het onderhoud van het groen wordt een externe partij aangetrokken. Een en ander is uitvoerig omschreven in het groenplan (zie bijlage 1).
De gevels van de nieuwbouw worden uitgevoerd in stucwerk met grote gemetselde accenten. De eerste verdieping zal dmv een metselwerk-band rondom het gebouw een sterke horizontale belijning krijgen. Het metselwerk aan de zijde van de Zoutstraat sluit aan bij de bestaande woningen aan de overkant. De verticale gemetselde onderdelen “knippen” de bouwmassa op in een bij de omgeving passende schaal. Aan de zijde van de Boschdijk zorgt een verspringing in de lange gevel voor een betere schaal. De stucwerkvlakken zorgen voor een frisse, moderne uitstraling en leveren hun bijdrage aan de lichtreflectie met name onder de galerijen aan het binnenplein. Alle stalen onderdelen aan de buitengevels worden voorzien van klimplanten.
Het gebouw bestaat uit 4 lagen. Onderstaande afbeelding laat een overzicht van de verschillende lagen zien.
|
|
| BEGANE GROND | 1E VERDIEPING |
|
|
| 2E VERDIEPING | 3E VERDIEPING |
PLATTEGRONDEN VERDIEPIGEN
Op de begane grond (laag 0) zijn 8 appartementen gesitueerd met een gezamenlijke omvang van circa 600 m² bvo. Naast deze appartementen is er 1 ondersteunende ruimte welke geschikt is voor de zorgfunctie gesitueerd op de begane grond. Deze ruimte heeft een omvang van circa 45 m² bvo.
Tevens bevat de begane grond een centraal gelegen plein, waar vanaf de galerij op neergekeken wordt. Dit plein heeft een omvang van circa 200 m².
De eerste verdieping (laag 1) omvat 8 appartementen met een gezamenlijke omvang van circa 545 m² bvo. Naast de appartementen kent deze verdieping 1 daktuin van ca. 85 m2. Het dakvlak gelegen aan de 'Zoutstraat-zijde van het gebouw zal inricht worden als functionele daktuin: een ruimte om te verblijven, een ruimte om de bewoners de gelegenheid te bieden op kleine schaal te 'tuinieren'. Dit laatste kan door gebruik van de tuinkas of door gebruik te maken van de plantvakken als moes- & kruidentuin. De verharding op de daktuin zal bestaan uit een waterdoorlatende halfverharding.
De tweede en derde verdieping (laag 2 en 3) zijn ingericht met appartementen. Op de tweede verdieping zijn 8 appartementen gesitueerd met een gezamenlijke omvang van circa 545 m² bvo. Op de derde verdieping zijn enkel 5 appartementen gesitueerd met een gezamenlijke omvang van circa 340 m² bvo. Het westelijke dakdeel van de 3e verdieping zal worden gebruikt voor zonnepanelen.
VOORBEELD APPARTEMENT
3D-BEELDEN
De realisatie van 29 nieuwbouw (zorg)appartementen en 1 ondersteunende ruimte voor zorgfuncties heeft invloed op de verkeersgeneratie. De digitale publicatie "ASVV 2012'' (CROW) bevat kencijfers voor de verkeersgeneratie van diverse functies. De gemeente Eindhoven wordt aangeduid als sterk stedelijk gebied, waarin de locatie van het plangebied binnen de gemeente Eindhoven tot de schil van het centrum behoort.
Huidige situatie
Binnen het plangebied bestaat in de huidige situatie het aantal verkeersbewegingen uit twee onderdelen: het 'Poppodium POPEI' (sociaal cultureel centrum) en een bedrijfsruimte met lijstenmakerij. De ''ASVV 2012'' (CROW) geeft geen kengetallen voor poppodia. Echter wel voor een theater. Nu is een poppodium niet te vergelijken met een theater qua voorstellingen/optredens, maar middels een formule is wel uit te rekenen wat de verkeersaantrekkende werking is. Voor theaters geldt de regeling 3 m² bvo per zitplaats, waarbij de verkeersaantrekkende werking berekend is per 100 m² bvo. Voor een poppodium geldt 1,5 m² bvo per bezoeker, oftewel de helft van een theater wat leidt dat de verkeersaantrekkende werking moet worden verdubbeld. In de onderstaande tabel is de berekening van de verkeersaantrekkende werking uiteengezet.
| Onderdeel | Verkeersgeneratie | Grootte | Totaal |
| Poppodium POPEI | max 23,2 per 100 m² bvo | 860 m² | 199,5 |
| Bedrijfsruimte | max 7,2 per 100 m2 bvo | 550 m2 | 39,6 |
| Totaal | 239,1 |
Op basis van de kolom 'Totaal' kan worden gesteld dat de huidige situatie, in een worst-case scenario, zorgt voor ca. 240 verkeersbewegingen per etmaal.
Nieuwe situatie
Binnen het plangebied bestaat in de nieuwe situatie het aantal verkeersbewegingen uit een onderdeel, namelijk de 29 (zorg)appartementen (koop, appartement, midden). Voor de ondersteunende ruimte voor zorgfuncties worden geen aanvullende verkeersbewegingen verwacht. In de onderstaande tabel is de berekening van de verkeersaantrekkende werking uiteengezet.
| Onderdeel | Verkeersgeneratie | Aantal/Grootte | Totaal |
| Koop, appartement, midden | 3,7 - 4,5 per woning | 29 woningen | 107,3 - 130,5 |
| Totaal | 107,3 - 130,5 |
Op basis van de bovenstaande tabel kan worden gesteld dat de nieuwbouw appartementen, in een worst-case scenario, zorgen voor 131 verkeersbewegingen per etmaal.
Conclusie
Dit initiatief zorgt niet voor een extra verkeersaantrekkende werking. Uit de calculatie is gebleken dat in een worst-case scenario, 108 verkeersbewegingen per etmaal minder zijn.
Dit betekent dat de verkeersafwikkeling van onderhavig plan zonder meer via de Zoutstraat en de omliggende wegen kan plaatsvinden. De afname van het aantal verkeersbewegingen door de realisatie van het planvoornemen zal leidt tot een verbetering op de omliggende wegen.
Het plangebied is goed bereikbaar. Volgens de nota 'Eindhoven op Weg' (2013) is de Boschdijk een belangrijke ontsluitingsweg voor de omgeving. De Boschdijk is aangewezen als wijk- en buurtonsluitingsweg. Het plangebied ligt niet ver van de Boschdijk en is daarom goed bereikbaar.
In de huidige situatie heeft het plangebied geen inritten (wel enkele parkeerplaatsen) aan de Zoutstraat, waardoor het technisch gezien ook niet wordt ontsloten. Wel maakt het plangebied gebruik van de inrit ten behoeve van het appartementengebouw aan de Boschdijk. In de nieuwe situatie worden geen nieuwe inritten toegevoegd.
Het voorzien in voldoende parkeerplaatsen is noodzakelijk voor het goed functioneren van het initiatief en voorkomt overlast voor de omgeving. Op 24 september 2019 is de actualisatie van nota parkeernormen 2016 vastgesteld. Daarin wordt de gemeentelijke nota "Nota parkeernormen 2019" van toepassing verklaard op het gehele grondgebied van Eindhoven.
In de huidige situatie dient het 'Poppodium POPEI' (sociaal cultureel centrum) met een oppervlakte van 860 m² te voorzien in (860 / 100 x 3 =) 26 parkeerplaatsen. Op dit moment zijn er geen parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig.
De 29 (zorg)appartementen behorende bij onderhavig planvoornemen behoren tot de categorie 'niet grondgebonden woningen midden (60 tot 120 m2 bvo per woning) waarvoor de parkeernorm 0,9 parkeerplaatsen per woning (inclusief parkeren voor bezoek) is opgenomen.
In overeenstemming met de gemeentelijke nota moeten er 26 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Bij het bepalen van de parkeerbehoefte wordt echter rekening gehouden met het drukste moment van de week (hoogste aanwezigheidspercentage). Bij combinatie van sommige functies kunnen parkeerplaatsen meerdere keren op een dag gebruikt worden (dubbelgebruik). Daarom zijn minder parkeerplaatsen nodig. De gemeentelijk parkeertool geeft aan dat de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie 23, is (zie bijlage 3).
In het gemeentelijk parkeerbeleid is opgenomen dat voor elke deelauto parkeerplaats die wordt gerealiseerd, er 6 reguliere parkeerplekken minder noodzakelijk zijn. Dit betekend voor onderhavige situatie dat er (26 - 18 =) 8 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Binnen het plangebied worden in totaal 6 parkeerplaatsen ontwikkeld, waarvan er 3 reguliere plaatsen zijn voorzien en 3 parkeerplaatsen voor een deelauto zijn bestemd. De parkeerplaatsen worden aan de zuidzijde van het plangebied voorzien. Om in de laatste 2 parkeerplaatsen te voorzien wordt voor 2 parkeerplaatsen in het mobiliteitsfonds gestort. Dit is mogelijk aangezien de parkeerdruk binnen de maximale loopafstanden van het plan met toevoeging van de benodigde parkeerbehoefte onder de 90% blijft (zie bijlage 4).
PARKEERSITUATIE
Bij het bepalen van de behoefte aan fietsparkeerplaatsen bij nieuwbouw, verbouwing of functiewijziging wordt eveneens uitgegaan van de ''Nota Parkeernormen 2019'' van de gemeente Eindhoven die gebaseerd zijn op de Publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, CROW 317, Oktober 2012".
Om voldoende parkeergelegenheid te bieden dienen minimaal 93 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Indien er per woning een fietsberging wordt opgenomen in het planvoornemen mag rekening gehouden worden met 29 x 2,8 = 81,2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Er worden in totaal 29 bergingen gerealiseerd (met elk ruimte voor 2 fietsen =) 58 fietsparkeerplaatsen en 30 buiten' fietsparkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Door de aanleg van de diverse fietsenstallingen én de bergingen wordt ruim in de behoefte in fietsen parkeren voorzien. Daarom is het zeer gewenst dat er een aantal plekken voor buitenmaatse fietsen (bakfietsen/ elektrische fietsen) gerealiseerd worden. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door de voorste stalling (15 fpp) te vervangen door fietsnietjes met hier voldoende ruimte tussen.
In de huidige situatie is het gehele plangebied bebouwd en kent het geen groenstructuren en oppervlaktewater. In de nieuwe situatie wordt er een daktuin aangelegd met een oppervlakte van ca. 85 m2. De benodigde groencompensatie bedraagt 8 m2 per appartement. Dit geeft een opgave van (29 x 8 = ) 232 m2 groen binnen het plangebied. Hier wordt in voorzien door de realisatie van de omliggende tuin en binnentuin op de begane grond en de daktuin op de 1e verdieping.
Er wordt geen oppervlaktewater aangebracht in het planvoornemen. Wel wordt een ondergrondse waterbergingsvoorziening van 13-63 m2 aangelegd (zie paragraaf 5.3). Afhankelijk van welke keuze later in het proces wordt gekozen.
Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen, technologische doorbraken en politieke onzekerheid. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in energietransitie en klimaatbestendigheid.
Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.
Onderhavig plan draagt op de volgende wijzen bij aan de energietransitie:
Indien gebruik gemaakt gaat worden van bodemenergie, dient rekening gehouden te worden met de reeds aanwezige bodemenergiesystemen in het gebied.
Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.
Onderhavig plan voorziet hier op de volgende wijze in:
In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:
Vooruitelopend op de invoering van de omgevingswet (janurai 2022) is de Nationale omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI (vastgesteld op 11 september 2020) biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. De oplopende druk op de fysieke leefomgeving vraagt om scherpe en fundamentele keuzes en daarmee om meer regie vanuit het Rijk om richting te geven aan de toekomstige fysieke leefomgeving van Nederland. Het Rijk neemt met de NOVI en bijbehorende Uitvoeringsagenda het voortouw. De NOVI is gericht op de nationale schaal, waarbij het conform de Omgevingswet gaat om Europees Nederland inclusief de territoriale wateren, exclusief het Caribisch deel van ons Koninkrijk.
De NOVI benoemt de volgende nationale belangen:
Daarnaast is de NOVI een dynamische visie die, gevoed door de uitvoeringspraktijk en maatschappelijke ontwikkelingen, kan veranderen in de tijd. Dit werkt door in de Uitvoeringsagenda. Net als de NOVI heeft ook de Uitvoeringsagenda een adaptief en dynamisch karakter.
Conclusie
Voorliggend initiatief is van dermate kleine schaal dat er geen nationale belangen in het geding zijn. Wel wordt invulling gegeven aan het volgende belang 'Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften'.
In de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten.
Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie.
Het Rijk onderscheidt 13 nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, Rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen.
Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), de Brainport, greenports en de valleys van nationaal belang (nationaal belang 1).
De gebiedsontwikkeling Brainport Avenue is van nationaal belang. In de SVIR wordt Brainport Zuidoost-Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land. Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. Hightech systemen, medische technologie en automotive als belangrijkste thema's. Daarnaast zijn Chemelot in Sittard-Geleen als belangrijk chemie-cluster, het medische cluster in Maastricht en de greenport Venlo als cluster van agrifood, tuinbouw en logistiek belangrijk.
In de regio Eindhoven moeten vanwege de groei van het aantal huishoudens in de periode tot 2040 nog circa 40.000 woningen worden bijgebouwd en ook een kleine 30.000 woningen worden vervangen die niet meer voldoen aan de woonwensen. Het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers behoeft versterking met hoogwaardige woonmilieus, stedelijke voorzieningen, voldoende aanbod van cultuur en sport en grensoverschrijdende verbindingen. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de steden en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor.
Realisatie
Uitgangspunt bij het realiseren van de doelstellingen is een integrale, regionaal-specifieke aanpak, waarmee investeringen en ander Rijksinstrumentarium zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Dat vraagt om een gedegen afweging van alle relevante belangen en goede afstemming en samenwerking tussen regio en Rijk. Over de rijksopgaven zullen op basis van de MIRT-gebiedsagenda's afspraken worden gemaakt.
De SVIR kent een realisatieparagraaf, waarin per nationaal belang de aanpak is uitgewerkt op basis van lopende en voorziene projecten. Het Rijk heeft voor de realisatie van de nationale belangen de beschikking over de volgende vier instrumenten:
Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van aard (beleidsmatig versus procesmatig).
Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. In de volgende subparagraaf wordt hier nader op ingegaan.
Nationaal belang 13 is wettelijk verankerd in het Bro. In artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro is gesteld dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van:
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
Alvorens te toetsen aan de Ladder dient te worden vastgesteld of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit begrip is in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. Bro gedefinieerd als ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Ten aanzien van de tot dusver gevormde jurisprudentie ten aanzien van het begrip 'stedelijke ontwikkeling' blijkt dat de omvang van de ontwikkeling een rol speelt. Is sprake van een kleinschalige ontwikkeling, dan kan weliswaar sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling, maar kan dergelijke ontwikkeling als te kleinschalig worden aangemerkt om te worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. Bro. In de literatuur wordt bij voorziene ontwikkelingen met betrekking tot woningbouw gesproken over een daadwerkelijke ondergrens. Volgens vaste jurisprudentie zijn elf woningen (welke op één dezelfde locatie worden gerealiseerd) het maximale aantal woningen wat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd (ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3542, r.o. 8.2.). Het minimale aantal woningen wat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijke ontwikkeling te worden gekwalificeerd is aldus twaalf (ABRvS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2329, r.o. 6.3).
Betekenis voor het plangebied
Onderhavig plan voorziet in de realisatie van maximaal 29 (zorg)appartementen op de locatie waar in het vigerende bestemmingsplan de bestemmingen 'Detailhandel', 'Maatschappelijke doeleinden' en 'Verkeer' gelden. Dit betekent dat onderhavige locatie reeds niet als woningbouwlocatie is bestemd en in totaal 0 woningen mogelijk zijn. Dit betekent een toename van 29 extra wooneenheden. Het planvoornemen valt onder de definitie van 'stedelijke ontwikkeling'.
Verantwoording
De toevoeging van extra woningen sluit aan bij de toenemende vraag naar (zorg)woningen in de regio. Voor de gemeente Eindhoven ligt een actuele vraag naar gemiddeld 1182 woningen per jaar voor de komende 10 jaar. Met de toevoeging van 29 extra wooneenheden en de vergroting van de diversiteit van de woningen voldoet het bestemmingsplan aan de actuele regionale woningbouwbehoefte en past dit binnen de eisen gesteld in het regionaal beleid (zie paragraaf 3.4.1) en de gemeentelijke woonvisie (zie paragraaf 3.4.2.1).
Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Besluit bevat regels ter borging van een aantal nationale belangen. Er is gekozen om de regels zoveel mogelijk direct door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, zoals bij de Ecologische Hoofdstructuur en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind.
Voor de regio Eindhoven is de zone van de 380 Kv hoogspanningsleiding van toepassing. Dit is de bestaande hoogspanningsleiding gelegen in Eindhoven Noord en (deels) Oost. In dit plangebied is geen sprake van een 380 Kv hoogspanningsleiding.
Onderhavig plangebied ligt daarin tegen wel binnen het obstakelbeheergebied van vliegbasis Eindhoven Airport, waarbinnen het Barro van toepassing is. In paragraaf 4.3.2.4 wordt hier nader op ingegaan. De beperkingen in verband met de vliegbasis Eindhoven Airport vormen geen belemmering voor het plan.
Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:
In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.
De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:
Analyse
Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 29 nieuwbouw (zorg)appartementen en
1 ondersteunende ruimte voor de zorgfunctie. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling
draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.
| ad 1. | De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woningen binnen het plangebied zullen minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de wooneenheden. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening in de vorm van zonnepanelen. |
| ad 2. | Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt. Tevens wordt er een groen dak aangelegd waarmee er een vertraagde afvoer van het water plaatsvindt. Het ontwerp van de wooneenheden kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het bouwplan nader uitgewerkt. |
| ad 3. | Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De 29 wooneenheden worden gerealiseerd op een inbreidingslocatie wat inhoudt dat het bestaand stedelijk gebied niet wordt vergroot. Het is zaak om bij woningbouw eerst te onderzoeken of dit kan gebeuren binnen bestaand stedelijk gebied. Hieraan wordt voldaan binnen dit planvoornemen. |
| ad 4. | Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door een zorgvuldige inpassing van de wooneenheden inclusief de sloop van het oude gebouw en de realisatie van 29 (zorg)appartementen wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee aan het vestigingsklimaat. |
Conclusie
Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
De Interim Omgevingsverordening bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2022 in werking zal treden.
De Interim omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):
Het plangebied is onderdeel van het stedelijke gebied. In beginsel zijn daar conform artikel 3.42 woningen toegestaan, mits voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden. Hieronder is dit artikel overgenomen en wordt aan de voorwaarden getoetst.
''Artikel 3.42 - duurzame stedelijke ontwikkeling
Lid 1
Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:
Lid 2
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
Ter plaatse van het plangebied geldt het gebiedskenmerk 'Stalderingsgebied'. Het artikel 3.52 stelt regels aangaande de ontwikkeling van veehouderijen. Onderhavig plan omvat geen veehouderijen. Er hoeft derhalve geen nadere toetsing plaats te vinden.
Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie.
Er is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik, omdat het nieuwe appartementencomplex wordt gerealiseerd binnen het bestaand stedelijke gebied van Eindhoven. Hiermee ontstaat tevens een logische afronding van de straat, waarbij verloedering van het plangebied wordt tegengegaan.
De situering van het appartementencomplex sluit aan bij de verkavelingsstructuur in directe omgeving. Er wordt hierin aansluiting gezocht bij de omliggende percelen.
Het planvoornemen leidt tot de toevoeging van 29 (zorg)woningen binnen de kern Eindhoven, waarbij de woning aansluit bij de doelstellingen geformuleerd in de woonvisie (paragraaf 3.4.2). Er is daarmee tevens een waardecreatie in het algemeen belang.
In juni 2020 is de omgevingsvisie van Eindhoven 'Eindhoven: Kloppend hart van brainport' vastgesteld. Een integraal verbindende visie voor de fysieke leefomgeving die focus aanbrengt bij het inrichten van onze stad en stimuleert om samen te werken aan de stedelijke opgaven. De omgevingsvisie is gebaseerd op bestaand beleid.
Ambitie
Eindhoven streeft er naar om samen met de regio naar een excellent woon- en werkklimaat. Eindhoven zet daarom randvoorwaardelijk in op gezonde en duurzame verstedelijking met behoud van stedelijke en dorpse kwaliteiten en met bijzondere aandacht voor sociale cohesie en inclusie.
Deze ambitie vertaalt zich naar vier deelambities.
Eindhoven als:
Als deze ambities naast de huidige kwaliteiten en structuren van de stad en de actuele trends en ontwikkelingen worden gelegd, zijn er een aantal stedelijke opgaven voor de stad. Brainport Eindhoven blijft groeien, mede door de sterke economische positie. De ambities en groei vragen om ruimte voor nieuwe woningen, bedrijven en voorzieningen. Ruimte die we bieden door te verdichten in het gebied binnen de Ring en door te verdichten nabij voorzieningen als HOV en winkelcentra. Met name binnen de Ring is voldoende ruimte om te verdichten, omdat er nog relatief weinig mensen wonen. Met de keuze voor verdichten binnen de Ring gaan we duurzaam om met de (groene) ruimte die de stad heeft. We behouden hiermee de kwaliteit van de groenstedelijke woonwijken, de landschapsparken en het buitengebied.
Het verschil tussen de hiervoor genoemde ambitie en de huidige stand van zaken in Eindhoven leidt tot zes concrete stedelijke opgaven:
Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 29 (zorg)appartementen op een inbreidingslocatie binnen de gemeente Eindhoven. De ontwikkeling is passend binnen het vigerende gemeentelijke beleid.
KAART STEDELIJKE EN GROENE HOOFDSTRUCTUUR OMGEVINGSVISIE EINDHOVEN 2020
Het bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 29 woningen mogelijk. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft gemeente Eindhoven. Hierbij wordt opgemerkt dat in de gehele regio Stedelijk Gebied Eindhoven (SGE) de woningvraag groter is dan de totale harde plancapaciteit.
Voor de behoefte aan woningen, zowel naar kwantiteit als naar kwaliteit, baseren we ons op het onderzoek "Marktmechanismen op de Eindhovense woningmarkt 2018" van Companen.
De woningbehoefte voor Eindhoven is voor de periode 2019 t/m 2023 berekend op 15.000 woningen. Deze kwantitatieve behoefte van 15.000 woningen voor de periode 2019 t/m 2023 is ook opgenomen in de Woondeal.
Op 7 maart 2019 hebben de minister van Binnenlandse Zaken (BZK), de provincie Noord-Brabant en het Stedelijk Gebied Eindhoven (SGE) de Woondeal ondertekend. Met de ondertekening van de Woondeal zetten partijen zich in om de woonopgave in deze regio aan te pakken.
De Woondeal helpt de gewenste versnelling van de woonopgave in Eindhoven en de andere acht gemeenten binnen het SGE te realiseren: meer woningen, op de juiste locatie en voor de goede doelgroep. De versnelling moet in de periode tot 2024 zo'n 27.000 woningen opleveren. Dit komt in Eindhoven neer op een forse versnelling van de jaarlijkse woningbouwproductie naar ongeveer 3.000 woningen gemiddeld per jaar. De Woondeal gaat daarnaast ook over de werking van de woningmarkt (met name op het gebied van regelgeving), de plancapaciteit (de periode tot 2040) en integrale gebiedsontwikkeling in Eindhoven. De Woondeal is een eerste stap van een langjarig partnerschap met de betrokken partijen.
Versnellen woningbouwproductie
Het SGE heeft behoefte aan 27.000 woningen in de periode 2019 tot en met 2023. Deze behoefteraming geldt als richtinggevend bij de versnelling van de woningbouwproductie. De minister, de provincie en het SGE hebben hierover het volgende afgesproken in de Woondeal:
Monitoren van de woningbouwplanning en -programmering
De woningmarkt is per definitie - en zeker voor de middellange en langere termijn - omkleed met de nodige onzekerheden, samenhangend bijvoorbeeld met (veranderende) demografische, economische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. Om hier goed op in te kunnen spelen is door het SGE en de provincie een monitoringssysteem ingericht op basis waarvan jaarlijks afspraken worden gemaakt over de woningbouwplanning en -programmering in het SGE. De richtinggevende principes uit de Brabantse Agenda Wonen en de principes uit het Afsprakenkader Wonen 2017 zijn hierbij leidraad. Uitgangspunt is te voorzien in een realistisch, flexibel planaanbod op basis waarvan woningbouwlocaties versneld en vraaggericht worden ontwikkeld. Doel van de monitoring is om steeds een actueel, gezamenlijk beeld te hebben van wat er speelt op de regionale woningmarkt, waar knelpunten zijn of dreigen en welke strategieën moeten worden ingezet om de voortgang van de woningbouwproductie te bevorderen.
Afspraken in Woondeal over voldoende plancapaciteit
Plancapaciteit
Het SGE heeft de behoefte om tussen 2024 en 2040 tussen de 22.500 en 35.000 woningen te realiseren, waarvan voor Eindhoven tussen de 12.500 en 25.000. Om deze productie mogelijk te maken is ook hier bovenstaande formulering onder punt c. van toepassing. Ter onderbouwing gaat het SGE in 2021, in samenwerking met de provincie, de regionale woningbehoefte nader onderzoeken. De uitkomsten hiervan worden gebruikt voor een actualisatie van het woningbouwprogramma vanaf 2024, als onderdeel van het huidige Afsprakenkader 2017.
Monitoren
Op basis van het bovengenoemde monitoringssysteem bespreken de minister, Eindhoven, de provincie en het SGE jaarlijks de ontwikkeling van de feitelijke woningbouwproductie en de woningbehoefte, zowel kwantitatief als kwalitatief, evenals de (harde en zachte) plancapaciteit, met specifieke aandacht voor de betaalbaarheid. Indien nodig wordt op basis van deze monitoring extra inzet gepleegd.
De 'Woonvisie' is op 15 december 2015 vastgesteld. In de Woonvisie gaat de gemeente in op haar ambities op het gebied van bouwen en wonen. Daarmee maakt het de richting waarin het wil ontwikkelen duidelijk aan de stad, haar bewoners en alle partijen die een rol spelen in de verdere ontwikkeling van de stad. Drie pijlers zijn geformuleerd als kader voor de nieuwe opgave: Eindhoven als ambitieuze stad, als solidaire stad en als innovatieve stad.
Eindhoven groeit en dat creëert een nieuwe vraag naar wonen. Eindhoven wil verder verstedelijken. Onder stedelijkheid wordt een gemengde en gevarieerde omgeving verstaan waar mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten. En een stad die tegelijk ook groen en gemoedelijk blijft.
De gemeente staat voor de unieke kans om de stad als geheel, en het gebied binnen de Rondweg in het bijzonder, de komende jaren te laten groeien. Hierin verwacht het dat het inwonersaantal van Eindhoven de komende 10 jaar fors zal toenemen, harder dan de prognoses nu voorspellen. De bijzondere bevolkingsopbouw van Eindhoven (een relatief jonge bevolking) draagt daaraan bij. Die groei moet ook op het vlak van wonen gefaciliteerd worden.
Tot 2030 wil de gemeente minstens twee-derde van de extra woningcapaciteit binnen de Rondweg realiseren.
De gemeente wil dat Eindhoven een samenleving is, waarvan iedereen onderdeel is. De meeste inwoners kunnen zelfstandig hun plaats vinden in die samenleving, sommigen hebben een steuntje in de rug nodig. Hierin zorgt de gemeente dat er voor hen een vangnet is.
De gemeente geeft aan oog te hebben voor mensen in lastige situaties: asielzoekers, daklozen, mensen in psychische nood en ex-gedetineerden. Door de decentralisatie in de zorg moeten meer mensen met een beperking een plek in de wijk vinden. De vergrijzing zet de komende jaren stevig door. Veel ouderen, met of zonder zorgvraag, zullen langer thuis blijven wonen. Het is belangrijk dat er voor al deze mensen een plek blijft op de woningmarkt. Concentratie in bepaalde wijken is ongewenst.
De sociale woningvoorraad is onderdeel van de sociale basisinfrastructuur. In theorie is in Eindhoven de sociale woningvoorraad in balans met de doelgroep. Twee ontwikkelingen vragen echter om aandacht: de samenstelling van de sociale woningvoorraad en de positie van de 13.500 huishoudens met een middeninkomen. Met de inwerkingtreding van de nieuwe woningwet 2015 moeten woningcorporaties hun woningen 'passend toewijzen'.
Het aantal eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens groeit. Dit betekent een grote uitdaging. Niet alleen in woonwensen maar ook in betaalbaarheid, want alleen wonen is relatief duur. De gemeente zet in op transformatie en ander gebruik. Bij de transformatie van grotere kantoren, zorg- en onderwijsgebouwen kunnen (collectief) particulier opdrachtgeverschap en nieuwe woonconcepten een oplossing bieden. Ook het gebruik van eengezinswoningen door bijvoorbeeld twee eenpersoonshuishoudens, met name in het gebied buiten de Rondweg, behoort tot de mogelijkheden.
De gemeente gaat partijen uitdagen om klant georiënteerd, sneller, goedkoper en duurzamer te produceren. En ook in de aanpak van de bestaande voorraad en in de transformatie van kantoren en zorggebouwen is er een grote behoefte aan vernieuwing en aan creatieve, betaalbare oplossingen.
Een andere ontwikkeling is het zogenaamde flexwonen. Tot voor kort kende de woningmarkt een vrij overzichtelijk aanbod: koop- of huurwoningen, zelfstandige of onzelfstandige woonruimten, grondgebonden woningen of appartementen. Maar de vraagkant is de afgelopen jaren sterk veranderd. Er komen steeds meer groepen die behoefte hebben aan tijdelijke woonruimte. Denk bijvoorbeeld aan studenten, expats, arbeidsmigranten, mensen die een echtscheiding achter de rug hebben, ex-gedetineerden en mensen die uit een opvangvoorziening komen. Deze mensen zijn op zoek naar goede tijdelijke huisvesting, met passende voorzieningen, die snel beschikbaar is en tegen een prijs die past bij hun budget. Dit flexwonen wordt een belangrijke nieuwe woonvorm in Eindhoven. Het biedt tevens kansen voor de transformatie van leegstaand vastgoed.
Verder wil de gemeente in de koopsector dat inwoners zoveel mogelijk invloed hebben op hun eigen woning en woonomgeving, bijvoorbeeld door het stimuleren (collectief) particulier opdrachtgeverschap. En we willen dat zelf bouwen niet alleen bereikbaar is voor de huishoudens met een hoger inkomen.
Het Woonprogramma is op 15 december 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. Met het Woonprogramma sluiten we aan bij het bestaande beleid. Zo hebben we in 2015 een Woonvisie opgesteld. In 2020 hebben we een integrale visie voor de fysieke leefomgeving in onze stad vastgelegd in de Omgevingsvisie. En in 2019 is een Woondeal gesloten met het ministerie van BZK, provincie Noord-Brabant en de regio. Het Woonprogramma Eindhoven 2021-2025 hangt nauw samen met dit beleid.
De ambities uit de Woonvisie van 2015 blijven cruciaal voor de ontwikkeling van de stad in de komende jaren. Ze zijn gericht op de ontwikkeling van Eindhoven van een middelgrote naar een grote, economisch sterke en inclusieve stad. De ambities komen echter in een ander daglicht te staan: door de snelle prijsstijgingen in de afgelopen jaren en mogelijk door de coronacrisis. Vandaar dat we in dit Woonprogramma kiezen voor een accentverschuiving richting de volgende ambities:
Om voor alle inwoners van Eindhoven een passende en betaalbare woning te kunnen bieden, werken we aan een goed kwantitatief en kwalitatief Woonprogramma. Kwantitatief nemen we ons voor gemiddeld 3.000 woningen per jaar toe te voegen in komende jaren. De woonopgave realiseren we binnen én buiten de Ring. Ook buiten de Ring liggen immers kansen, met name rondom centrale plekken in de wijken en langs HOV-lijnen.
De Woonvisie 2015 blijft het vertrekpunt. We werken aan een inclusieve stad, met een gevarieerd aanbod voor alle doelgroepen. We binden talent. Ook sluiten we aan op de regionale visie op Wonen (2019). Er is immers een duidelijke relatie met de regiogemeenten, we kunnen elkaar versterken. Deze relatie geven we verder vorm door gezamenlijk met de regio de Visie op Wonen en de Woondeal uit te voeren.
Woonprogramma
Op basis van de woonbehoefte voor de stad, de bestaande plannen en de uitwerking naar woonmilieus komen we tot het Woonprogramma. We doen dit voor de stad als geheel en per woonmilieu.
Voor de stad als geheel is onderstaand schema leidend. Dit betekent overigens niet dat deze percentages in elk woningbouwproject gerealiseerd moet worden. We onderscheiden immers woonprogramma's naar woonmilieu (centrumstedelijk, groenstedelijk, binnen de Ring en buiten de Ring). Daarnaast is een exacte invulling op projectniveau bijvoorbeeld ook afhankelijk van de bestaande voorraad in een buurt of straat. Via de wijk- en buurtmonitor houden we realisatie in de gaten.
Wat betreft sociale huur vormt het Collegeprogramma, waarin 20% sociale huur is opgenomen, het uitgangspunt. Voor de langere termijn, vanaf 2022 voorzien we een noodzakelijke groei naar 30%.
Onderhavig planvoornemen waarin wordt voorzien in 29 (zorg)appartementen op de begane grond past binnen hetgeen wordt aangehaald in de 'ambitieuze stad' (binnenstedelijke groei en een gemengde, gevarieerde woonomgeving die tegelijkertijd groen en gemoedelijk blijft) en de 'solidaire stad' (ruimte bieden aan een- en tweepersoonshuishoudens).
De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012', dat de raad in september 2008 heeft vastgesteld. De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise.
De gemeente kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd. Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat archivalische bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken.
De archeologische gebieden binnen de gemeente Eindhoven staan aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, onderdeel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Het beleid is om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart.
UITSNEDE ARCHEOLOGISCHE WAARDENKAART
Motiverig plan
Zoals op de archeologische waardenkaart van de gemeente Eindhoven is te zien is het plangebied aangeduid als 'terrein van archeologische waarde' en 'hoge archeologische verwachting Historische kern'. Het gebied valt daarmee deels binnen categorie 3 en deels binnen categorie 4. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk binnen categorie 3 indien de ingreep een oppervlakte van 50 m2 betreft en dieper dan 30 cm. Binnen categorie 4 is onderzoek noodzakelijk indien de ingreep een oppervlakte van 100 m2 betreft en dieper dan 30 cm. Een archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht aangezien deze ondergrenzen worden overschreden.
In juli 2021 is door Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor deze locatie (12115.009, 14 juli 2021, zie bijlage 7). Uit dit onderzoek is gebleken dat binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om de opgestelde archeologische verwachting te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek na bovengrondse sloop van de huidige bebouwing.
Gezien de ligging van het plangebied in een historische kern is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Booronderzoeken zijn in historische kernen minder geschikt gezien de grote kans op het voorkomen van puinlagen die aan historische bebouwing toegeschreven kunnen worden (wat ook al blijkt uit de resultaten van boringen die in het kader van andere bodemonderzoeken boringen gezet). Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Daarnaast geldt ten aanzien van archeologie altijd een meldingsplicht voor archeologische toevalvondsten. Mochten tijdens werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht in art. 5.10 van de Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en de Afdeling Omgevingskwaliteit van de gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of en zo ja welke aanvullende maatregelen getroffen worden.
Conclusie
Omdat er nog geen resultaten van het proefsleuvenonderzoek bekend zijn zullen deze bij de aanvraag omgevingsvergunning overlegd dienen te worden.
Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke structuren en beschermde stadsgezichten.
Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.
UITSNEDE CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAART
Motivering plan
Het plangebied heeft in de huidige situatie weinig tot geen cultuurhistorische waarde. Zoals in paragraaf 2.1 is aangegeven heeft het plangebied wel een historie met onder andere lintbebouwing aan de Boschdijk en de Lijmbeekstraat. Deze waarden zijn dan ook weergegeven, want deze straten zijn aangegeven (in bruin en arcering) als 'Historische wegenstructuur voor 1900' en 'Aan de weg gerelateerde bebouwing' (oranje gestreepte arcering). De cultuurhistorische bebouwing in de buurt Limbeek is oranje gearceerd en aangemerkt als 'historische stedenbouwkundige structuur'.
De bebouwing aan de Zoutstraat is gerealiseerd als schakel tussen de Boschdijk en de Lijmbeekstraat. Middels onderhavig planvoornemen wordt een nieuwbouwappartementen complex gerealiseerd ten behoeve van 29 (zorg)woningen. Qua inhoud sluit dit aan bij de omliggende bebouwing. Echter wijkt het complex qua vormgeving af van de omgeving, daar het gebouwd wordt volgens de nieuwe maatstaven. Gezien het voorgaande heeft cultuurhistorie geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
Begin 2017 is een actualisatie van het Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is, welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. De doelen van het Groenbeleidsplan 2017 zijn:
Het Groenbeleidsplan 2017 blijft na vaststelling van kracht tot de gemeenteraad anders beslist; het streven is een geldigheid van 10 jaar of langer. Het plan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.
In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen. Dit bestemmingsplan is geheel gelegen binnen de strategie 'Stad, rood beeldbepalend'.
Strategie: Stad, rood beeldbepalend
In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud van de bestaande structuur, kwaliteit, identiteit en functionaliteit. Uiteindelijk moet het groen in deze meer stenige gebieden omspoeld zijn door grotere groenstructuren die deel uitmaken van de groene dooradering die op de groene wiggen aansluit. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Dit plangebied is aangeduid als groenarme buurt. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de plankaart. Onderhavig plangebied is aangeduid.
UITSNEDE PLANKAART GROENBELEIDSPLAN
Toepassing plangebied
In dit plangebied worden omliggende tuinen (ca. 180 m2), een binnentuin (ca. 200 m2) en drie daktuinen (ca. 85 + 225 + 350 m2) aangelegd met een oppervlakte van circa 1.040 m². Dit is ruim meer dan de gevraagde 8 m² per woning (224 m²). Deze landschappelijke invulling is tevens ten faveure van de duurzaamheidsdoelen en het waterbeleid van de gemeente Eindhoven. Deze daktuinen dragen onder andere bij aan het verbeteren van het stadsklimaat en de waterhuishouding. Deze groene zones met een combinatie van bomen-, struiken- en kruidenlaag versterken de biodiversiteit in de stad. Vergroening zal bijdragen aan het beter beheersen van de klimaatcondities in de stad.
Conclusie
Het plan voldoet aan het Groenbeleidsplan 2017.
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld en de verordening met bijbehorende regels is op 23 april 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb).
De Wet natuurbescherming is van toepassing op:
Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing.
In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen.
Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als:
Groene kaart
Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven:
De informatie op de groene kaart is nodig om:
Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.
Compensatieplicht bomen
Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel
worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand
(bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht
worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een
compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald.
Nadere regels voor compensatie
De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie. Deze zijn op 21 april
2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college
mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in
de 'Nadere Regels voor compensatie'.
Het plangebied
Wanneer in het plangebied sprake is van activiteiten met betrekking tot kappen en compensatie van bomen, is de bescherming van bomen niet geregeld in het bestemmingsplan. De bomenverordening 2021 is in die gevallen van toepassing.
Conclusie
Het plan voldoet aan de Verordening bomen 2021.
Op 10 januari 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders de "beleidsregels voor bezonning woningen" vastgesteld. Uit deze beleidsregels volgt onder andere dat minimaal 2 uur zonneschijn per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober aanwezig dient te zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer.
Uit de uitgevoerde bezonningsstudie (zie bijlage 2) komt het volgende naar voren:
Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de eis die gesteld worden in het beleid gemeente Eindhoven aangaande bezonning van woningen.
Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig. Het planvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden. Er zal een klic-melding worden gedaan voor aanvang van de graaf- en bouwwerkzaamheden.
Volgens de gemeentelijke CE-bodembelastingkaart ligt de locatie (deels) binnen een verdacht gebied voor niet gesprongen explosieven. De graafwerkzaamheden (dieper dan 0,5 m-mv) dienen daarom onder begeleiding van een deskundig bedrijf uitgevoerd te worden. Alternatief is om vooraf een risicoanalyse uit te laten voeren. Mogelijk blijkt hieruit dat de geplande werkzaamheden op deze specifieke locatie (alsnog) zonder deskundig bedrijf uitgevoerd kunnen worden.
Wanneer het bouwplan definitief is kan bepaald worden of een onderzoek noodzakelijk is. Dan zal bekeken worden op welke wijze de gronden veilig gesteld gaan worden.
In dit hoofdstuk volgt de toetsing van het planvoornemen aan de wettelijke normen wat betreft ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, duurzaamheid, bodem, natuur en water
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld.
Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht.
De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen:
Kolom 1: de activiteit zelf
Kolom 2: drempelwaarden activiteit
Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan)
Kolom 4: de besluiten
De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.
In dit kader is 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang. Het gaat daarbij om:
D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
Uit de jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang en locatie van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt ingegaan op deze aspecten.
Beoordeling plan
Het planvoornemen betreft de realisatie van 29 wooneenheden in het woningtype appartementen. De appartementen worden voorzien in een nieuw gebouw met vier bouwlagen met een footprint van circa 1.975 m².
Deze woningbouwtypen en bouwvolumes komen gedeeltelijk overeen met de directe omgeving van het plangebied. Ten noordoosten van het plangebied sluit het planvoornemen aan bij hoogbouw aan de Boschdijk. Aan de overzijde van het plangebied aan de Zoutstraat zijn een zestal rijwoningen aanwezig.
Het plangebied is gelegen in hoog stedelijk gebied, binnen de ring van Eindhoven en nabij het centrum. Een dergelijke stedelijke ontwikkeling past daardoor goed in het aanwezige stedelijke woonmilieu.
Het planvoornemen zal wat betreft verkeer aansluiten op de aanwezige infrastructuur (Zoutstraat). De infrastructuur heeft voldoende capaciteit en hoeft hierdoor niet worden opgeschaald. Het toekomstige verkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld. Volgens de nota 'Eindhoven op Weg' (2013) zijn de Boschdijk en de Lijmbeekstraat belangrijke ontsluitingswegen voor de omgeving. De Boschdijk is aangewezen als wijk- en buurtonsluitingsweg. Het plangebied is daarom goed bereikbaar. De parkeerbehoefte die deze ontwikkeling met zich mee brengt wordt op eigen terrein opgelost.
Tenslotte wordt nog opgemerkt dat de uitgevoerde onderzoeken (bodem, flora & fauna, geluid en water) aantonen dat het realiseren van deze woningen op de locatie voldoet aan de wettelijke eisen vanuit milieuoogpunt. De verrichte onderzoeken onderstrepen de conclusie dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: een rustige woonwijk en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand dan in een rustige woonwijk worden aangehouden. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandstap' worden teruggebracht.
Toepassing plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet in maximaal 29 wooneenheden met bijbehorende voorzieningen zoals parkeerplaatsen en openbare ruimte. In de directe omgeving liggen enkele bedrijven aan de Lijmbeekstraat en de Boschdijk. Dit betreffen kantoren, schoonheidssalons, horeca en detailhandelsvoorzieningen. Aangezien de omgeving bestaat uit verschillende functies is het gebied te typeren als 'gemengd gebied'. De richtafstand wordt derhalve met één stap te verlaagd.
Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft de bouw van 29 (zorg)appartementen en 1 ondersteunende ruimte voor
zorg op de begane grond. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling
op de omgeving.
Invloed omliggende inrichtingen op plan
Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code,
de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand
tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied.
| bedrijf | SBI-code | categorie | richt afstand | werkelijke afstand | ||||||||
| Lijmbeekstraat 173: Kaffee Farah | 563.1 | 1 | 0 m | 10 m | ||||||||
| Lijmbeekstraat 199: Taxi Bloberia | 493 | 2 | 10 m | 35 m | ||||||||
| Boschdijk 213: Juridisch kantoor | 63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82 | 1 | 0 m | 45 m | ||||||||
| Boschdijk 225: Laser & Huidcomfort | 9602 | 1 | 0 m | 85 m | ||||||||
| Boschdijk 225: Delta interim bv (uitzendbureau) | 78 | 1 | 0 m | 85 m | ||||||||
| Boschdijk 227: Heaven The Beauty Lounge | 9602 | 1 | 0 m | 85 m | ||||||||
| Boschdijk 227: LINMA Beauty Salon | 9602 | 1 | 0 m | 85 m | ||||||||
| Boschdijk 229: Café Boschdijk | 563.1 | 1 | 0 m | 110 m | ||||||||
Er liggen geen milieugevoelige onderdelen van het plan binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven.
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte, mag worden afgeweken.
De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.
Bij plannen met geluidsbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidsbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidswallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in realisatie van een woongebied met (zorg) wooneenheden. Deze zijn geluidsgevoelig in de zin van de Wgh.
Het plan is gelegen binnen de zones van de Boschdijk. In het kader van "Duurzaam Veilig" hebben de overige wegen in de nabijheid van het plangebied een maximumsnelheidsregime van 30 km/uur gekregen. Deze wegen en woonerven hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone, zodat hiervoor geen hogere waarden kunnen worden aangevraagd of verleend. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter ook de geluidbelasting van deze wegen te worden beschouwd.
Voor zowel de zoneplichtige wegen als voor de 30-km-uur wegen is door Econsultancy een akoestisch onderzoek (12115.005, 12 juli 2021) uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen.
Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document "Hogere Waarden Beleid Geluid" d.d. maart 2010 en "het gemeenteblad Beleidsregels hogere waardenbeleid geluid d.d. 17 juli 2018 van de gemeente Eindhoven.
Aangezien er voor onderhavige woningen geen sprake is van een procedure hogere waarde is het geluidbeleid van de gemeente Eindhoven formeel niet van toepassing. In het kader van een goed woon- en leefklimaat is echter tevens de geluidbelasting bepaald als gevolg van de 30 km/uur wegen.
De berekeningen die in het onderzoek zijn uitgevoerd zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2020.2. Alle resultaten zijn inclusief een aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder weergegeven.
De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen (zorg)appartementen bedraagt ten hoogste 48 dB. Er vindt dus geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats.
Het plangebied ligt op ongeveer 380 meter van de spoorlijn 's-Hertogenbosch/Tilburg - Eindhoven . Het plangebied is gelegen buiten de zone van deze spoorlijn. De zonebreedte ter hoogte van het plangebied bedraagt 300 m.
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.
Het plangebied ligt op relatief korte afstand van de vliegbasis Eindhoven Airport (circa 5,8 kilometer). Voor een goed functioneren van het vliegveld zijn middels het Luchthavenbesluit Eindhoven en het Barro beperkingen gelegd op het gebruik van en het bouwen in de omgeving. De beperkingen zijn vervat in:
De geluidbelasting van het vliegverkeer is uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). In gebieden met een belasting lager dan 35 Ke is het toevoegen van geluidgevoelige objecten toegestaan. In gebieden met een hogere belasting is een nadere afweging nodig.
Het plangebied ligt in een gebied waar de geluidbelasting lager is dan 35 Ke. Er zijn geen geluidstechnische belemmeringen. Het plan voldoet aan de voorwaarden van de geluidzonering.
Het obstakelbeheergebied bevat drie verschillende obstakelvlakken:
Het project voldoet aan de voorwaarden van het obstakelbeheergebied.
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.
Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ (?g/m³), voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ en een daggemiddelde van 50 microgram/m³. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 microgram/m³. In Eindhoven is de jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 overal lager dan 20 microgram/m³.
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor:
Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.
Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits:
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.
Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.
Het planvoornemen ziet op de realisatie van maximaal 29 (zorg)appartementen op een terrein waar momenteel een voormalig poppodium is gevestigd. Op basis daarvan kan worden gesteld, voor zover daarvan al sprake is, dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Aangezien woningen in de zin het Besluit gevoelige bestemmingen niet als een gevoelige bestemming worden gezien, hoeft niet aan dit besluit getoetst te worden.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer.
De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'Boschdijk, 31959'.
| categorie | grenswaarde | 2018 | 2020 | 2030 | ||
| jaargemiddelde concentratie NO2 | 40 µg/m³ | 33,6 | 29,5 | 17,7 | ||
| jaargemiddelde concentratie PM10 | 40 µg/m³ | 22,8 | 21,0 | 17,4 | ||
| jaargemiddelde concentratie PM2.5 | 25 µg/m³ | 14,1 | 12,5 | 9,4 | ||
| overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10 | 35 | 11,4 | 8,7 | 6,1 | ||
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is.
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR)
Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten';
Groepsrisico (GR)
Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in
hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd
en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het
invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de
gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van
ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen
die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking
verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader
uitgewerkt en toegelicht.
| Bron | Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico |
| Inrichtingen (Bevi) | Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. |
| Buisleidingen (Bevb) | Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.
Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitsgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. |
| Transportroutes (Bevt) | Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.
Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. |
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten ten opzichte van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Risicokaart.
UITSNEDE RISICOKAART
Inrichtingen
Op circa 700 meter ten noordwesten van het plangebied ligt een inrichting van Enexis
Netbeheer BV (Marconistraat 72) , voor de productie en distributie van elektriciteit,
aardgas, stoom en water. Deze inrichting is weliswaar op de Risicokaart opgenomen,
maar valt niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. De afstand voor
het plaatsgevonden risico (PR10-6/jaar) bedraagt 0 meter. Er is geen sprake van een invloedsgebied in het kader van
het groepsrisico. Het plan ligt ruim buiten de relevante afstand voor het plaatsgebonden
risico.
Transportroutes
De spoorlijn 's-Hertogenbosch/Tilburg - Eindhoven loopt in bocht (vanaf een noordwestelijke
richting in een zuidoostelijke richting) om het plangebied heen. Deze spoorlijn is
opgenomen in de Regeling basisnet en daarmee onder het Besluit externe veiligheid
transportroutes valt. Conform de Regeling bedraagt de PR-contour (10-6/jr) maximaal 6 meter. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 4.000 meter.
De werkelijke afstand van het plangebied tot de transportroute bedraagt circa 390
meter. het plangebied ligt daarmee binnen het GR-invloedsgebied, maar buiten de meest
relevante zone (200 meter) en ook buiten de PR-contour.
Op grond van artikel 7 van het Bevt moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor:
Het plan omvat geen "bijzonder kwetsbare objecten", bestemd voor verminderd zelfredzame personen, binnen het invloedsgebied van de transportroute(s). De (zorg)woningen zijn woningen waarin bewoners wonen die mogelijk beperkt (tijdelijke) zorg nodig hebben. De zelfredzaamheid van deze bewoners is voldoende. Het plangebied ligt voorts geheel buiten de invloedsgebieden (1%-letaliteitsgebieden) vanwege een calamiteit met brandbare gassen, gemeten 355 meter vanaf de spoorlijn. Er is daarmee sprake van een 'standaard situatie', waarvoor een eenvoudige verantwoording volstaat:
De transportroute heeft beperkt invloed op de externe veiligheid in het plangebied. Deze invloed neemt echter niet toe als gevolg van onderhavig plan.
De gemeente Eindhoven heeft de visie Externe Veiligheid: 'Risico's de maat genomen' opgesteld. De gemeenteraad heeft de visie op 19 mei 2009 vastgesteld waardoor het een kaderstellend beleidsstuk is geworden. Dit betekent dat lokale ruimtelijke besluiten en milieubeheervergunningen vanuit de visie kunnen worden gemotiveerd.
Met de visie Externe Veiligheid wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoorde veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling passend binnen de Brainportontwikkelingen en het Programma Brabant veiliger. In de visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven waar in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd.
Ook is vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. In de visie is voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. De Veiligheidsregio is betrokken geweest bij het opstellen van de visie externe veiligheid en heeft hierin ook een adviesrol gehad. Er hoeft dus voor dit onderdeel niet opnieuw advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio.
In de Visie Externe Veiligheid is het 'Centrum' aangewezen als locatie waar grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen met woningen en kantoren binnen de invloedsgebieden van hoofd transportassen beoogd zijn.
Alles wat we als gemeente doen draagt bij aan een goede kwaliteit van leven, nu en in de toekomst. Met name hier in Eindhoven maar ook daarbuiten. Om te werken aan een goede kwaliteit van leven in Eindhoven zorgen we er voor dat we de stad zowel boven- als ondergronds zodanig ontwerpen en inrichten dat deze vanuit economisch, ecologisch en menselijk oogpunt gezond, aantrekkelijk en toekomstbestendig is: gezonde en duurzame verstedelijking. In een gezonde stad is ruimte voor de natuur en duurzame voedsel-, energie-, water-, grondstoffen- en afvalkringlopen. Niet alleen hier en nu maar ook elders in de wereld en voor volgende generaties.
Kwaliteit van leven wordt in steeds grotere mate bedreigd door globale problemen als klimaatverandering en luchtvervuiling. Integrale duurzaamheid gaat daarom ook in deze opgave verder dan de gebouwen alleen. We streven ernaar in elk project ook het gebied/ de openbare ruimte te verduurzamen en daarmee een integrale bijdrage te leveren aan kwaliteit van leven in Eindhoven.
De gemeente Eindhoven heeft gekozen voor een aanpak die uitgaat van een systeembenadering van duurzaamheid voor de ontwikkeling van Eindhoven tot duurzame, gezonde, energie-neutrale, flexibel bestuurde, aantrekkelijke en inspirerende stad; The Natural Step-aanpak.
The Natural Step Aanpak is eind jaren '80 ontstaan in Zweden in een nauwe samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven; een Triple Helix. In de kern van The Natural Step-aanpak vinden we vier duurzaamheidsprincipes, gebaseerd op de ecologische en sociale systeemeigenschappen. Aan de basis van deze principes ligt ruim 20 jaar wetenschappelijk onderzoek en de praktische toepassing daarvan bij bedrijven, gemeenten, scholen en non-profit organisaties over de hele wereld.
De 4 duurzaamheidsprincipes kunnen we zien als spelregels. Houden we ons aan deze regels dan zijn we duurzaam bezig. Ze vertellen wat de grenzen zijn die we moeten respecteren als we een duurzaam product, een duurzame organisatie of duurzame gemeenschap willen ontwikkelen.
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid.
Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te proberen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.
Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Sinds 1 juli 2018 moeten kleinverbruikers, zowel nieuwe woningen als nieuwe bedrijven, 'aardgasloos bouwen'.
In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad bovendien vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en daarom nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.
Met de beleidsregel ´Voorkomen aansluiting nieuwbouw op aardgas', die wordt gehanteerd tot 31 december 2020 (of 1-7-2018), wordt beoogd nieuwe aansluitingen op aardgas te voorkomen.
Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.
Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op het gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.
Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.
In 2020 willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.
Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.
De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten.
Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik) van het product bij de leverancier.
Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.
We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.
The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).
Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2021-2025 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.
Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte
We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten.
Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.
Specifiek Eindhovens
Daarnaast zijn er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
Voor de toepassing van duurzaamheid in dit planvoornemen wordt verwezen naar paragraaf 2.2.5 van deze toelichting. De duurzaamheidsdoelen zijn integraal in het ontwerp opgenomen.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Rapportage verkennend en
aanvullend bodemonderzoek" (11-06-2020 / 12115.001). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 6. Econsultancy concludeert het volgende:
Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt vooralsnog belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande nieuwbouw op deze locatie. In het kader van de Wet bodembescherming is een nader bodemonderzoek naar zink in de grond noodzakelijk. Dit onderzoek kan pas worden uitgevoerd ná sloop van de opstallen.
Op basis van de analyseresultaten blijkt dat er drie stoffen in sterke mate in de bodem van de onderzoekslocatie aanwezig is, te weten koper, lood en zink. De grootte van de verontreiniging is vooralsnog vastgesteld op 70 m2. De gemiddelde diepte van de
verontreiniging is vastgesteld op 0,65 m. De omvang voor de sterke verontreiniging met koper, lood en zink is vooralsnog bepaald op ± 45,5 m3.
Uit de milieuhygiënische beoordeling is gebleken dat er geen sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico's. Uitgaande hiervan, alsmede van de mate en het volume van de grondverontreiniging op de onderzoekslocatie (meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond en/of meer dan 100 m³ bodemvolume sterk verontreinigd grondwater) wordt gesteld dat hier in het kader van de Wet Bodembescherming een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft dat niet met spoed hoeft te worden gesaneerd.
Ten behoeve van de realisatie van de herontwikkelingsplannen, waarbij de bebouwing wordt gesloopt en verhardingen verwijderd zal het noodzakelijk zijn de sterke verontreiniging te saneren. Dit kan plaatsvinden via een BUS-melding of saneringsplan.
Daarnaast is de locatie verdacht voor asbest en PFAS, onderzoek hiernaar wordt geadviseerd.
Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000
en het Natuurnetwerk Brabant.
Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie.
Op 24 maart 2020 heeft het college van Burgemeesters en Wethouders de “beleidsregel effectafstanden stikstof woningbouw” vastgesteld inclusief bijbehorende stikstof effectafstand kaart woningbouw (zie onderstaande afbeelding). Het planvoornemen is gelegen in het gele gebied. In dit gebied is pas een berekening met AERIUS-Calculator noodzakelijk wanneer er meer dan 50 woningen worden gebouwd. Het bouwplan voorziet in 29 appartementen. Er worden geen effecten verwacht door stikstofdepositie. Er is dan ook geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig.
KAART EFFECTAFSTAND WONINGBOUW MET IN RODE CIRKEL HET PLANGEBIED
Soortenbescherming
Quickscan flora en fauna
De beoordeling van het plan ten aanzien van de soortenbescherming is uitgevoerd door
Econsultancy uit Swalmen, rapport: 'Rapportage quickscan flora en fauna Zoutstraat
2 en 4 te Eindhoven' (24 maart 2020, 12115.003). Het onderzoeksrapport is als bijlage
8 bijgevoegd. In het onderzoeksrapport doet Econsultancy de volgende aanbevelingen
om te voldoen aan de Wet natuurbescherming:
Vleermuisonderzoek
In bijlage 9 is de rapportage van het nader ecologisch vleermuisonderzoek opgenomen. Dit onderzoek is uitgevoerd door Averti Ecologie (1 november 2020/14 juli 2021 / 27.20.01). Tijdens het nader onderzoek zijn nabij het projectgebied beschermde functies van één vleermuissoort aangetroffen. Het betreft een kraamkolonie van de gewone dwergvleermuis in de hoogbouw aan de achterzijde van de Lijmbeekstraat 163a en een zomer- en paarverblijfplaats bij Zoutstraat 35. Het plangebied zelf heeft geen functie voor beschermde diersoorten.
Er zijn geen andere beschermde diersoorten waargenomen tijdens het onderzoek.
Het slopen van de bestaande bebouwing in het projectgebied levert geen negatieve invloed op functies van het projectgebied van beschermde diersoorten zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming.
Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand
van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve
geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moeten voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.
De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave, geheel in de geest van de Omgevingswet. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten.
Brabant is duurzaam beschermd tegen overstromingen vanuit het hoofdwatersysteem. In 2050 heeft de provincie alle maatregelen uitgevoerd die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke beschermingsnormen. Er is lokaal maatwerk geleverd en zoveel mogelijk rekening gehouden met economie, natuur, recreatie, cultuurhistorie, landschap, agrarisch gebruik en leefbaarheid in dorpskernen. De kwaliteit van het rivierengebied is veel hoger dan voorheen en heeft een belangrijke economische waarde. Het rivierbed van de rivieren wordt zo min mogelijk bebouwd.
Het regionale watersysteem is robuust ingericht, zodat wateroverlast voorkomen kan worden, ook bij een veranderend klimaat. Hierbij wordt de trits vasthouden, bergen, afvoeren gehanteerd. Als in het systeem waterkeringen noodzakelijk zijn, dan voldoen ze aan de gestelde normen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt ervoor gezorgd dat die niet ten koste gaan van de hoeveelheid water die het watersysteem kan bergen (waterbergend vermogen).
Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.
Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's.
Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.
De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode zijn:
De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord- Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend.
In de keur is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3.6 ‘Verbod afvoer door verhard oppervlak’). De waterschappen hebben bij de Keurregels enkele hydrologische uitgangspunten opgesteld voor het afvoeren van hemelwater. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening (zie ook de watertoets in bijlage 10).
Hydrologisch neutraal bouwen is overgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar het voor staat en welke maatregel er nodig is om hier aan te voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen.
Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.
Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.
De realisatie van nieuw verhard oppervlak en afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit betekent dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft.
Hierbij wordt getoetst aan de trits "vasthouden-bergen-afvoeren". Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of het infiltreren van water in de bodem en past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewater- als grondwatersysteem. Als niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Het gaat hier dan om een voorziening die ervoor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.
Vanwege klimaatverandering is er sprake van steeds extremere weerssituaties met wateroverlast, droogte en hittestress. De gemeente Eindhoven geeft zelf het goede voorbeeld met bijvoorbeeld meer groen in de openbare ruimte en meer waterbergingsmaatregelen. Om Eindhoven leefbaar te houden is het nodig dat iedereen klimaat robuuste maatregelen treft. In dit kader heeft de gemeente de beleidsregel “klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen” vastgesteld en verder uitgewerkt in het GRP 2019-2022. Daarnaast zijn de beleidstukken vertaald naar concrete instrumenten (www.eindhovenduurzaam.nl/klimaat).
Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht en op het gebied van (grond)water. Het GRP bevat de geplande activiteiten voor het beheer en onderhoud van het rioolstelsel en bevat maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Deze maatregelen bestaan vooral uit het afkoppelen van verhard oppervlak. Daarbij wordt regenwater gescheiden van afvalwater ingezameld en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Waar mogelijk dient regenwater eerst te worden geborgen binnen het plangebied waarna alsnog vertraagd kan worden afgevoerd.
Voorwaardelijke verplichting waterberging
Om te borgen dat voldoende waterberging wordt gerealiseerd is in de overige regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg van waterberging bij de bouw van bouwwerken. Op grond van deze verplichting mag er alleen gebouwd worden als er voldoende waterberging is aangelegd, eventueel in combinatie met andere maatregelen die bijdragen aan het klimaatbestendig maken van de stad.
Deze verplichting is ontleend aan paragraaf 5.5 en de beleidsregel “Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen” in bijlage 5 van het Gemeentelijk Rioleringsplan Eindhoven 2019-2022. Bij bouwwerken met een oppervlakte van 150 m² of meer moet in principe een waterberging aangelegd worden tot 75 mm per m² oppervlakte van het bouwwerk. Voor bouwwerken met een oppervlakte tussen 50 m² en 150 m² geldt een lagere bergingseis: daar moet in principe worden voorzien in een waterberging tot 25 mm per vierkante meter bouwoppervlakte. In groenarme gebieden geldt een hogere eis, omdat daar een grotere opgave ligt.
Een deel van de vereiste waterberging kan worden gecompenseerd met andere maatregelen die in lijn zijn met het beleid voor klimaatadaptatie, dat is beschreven in de beleidsregel Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het aanplanten van nieuwe bomen (die zorgen voor vasthouden van regenwater en beschaduwing) of het aanleggen van gevelgroen. De exacte omvang van de benodigde waterberging en de omvang van andere maatregelen is sterk afhankelijk van de kenmerken van het bouwplan en de locatie. De wijze waarop de benodigde maatregelen moeten worden bepaald, is uitgewerkt in de genoemde beleidsregel.
In samenwerking met Brabantse overheden en kennisinstellingen is een prototype klimaatadaptatietoets ontwikkeld met richtlijnen en ontwerpnormen voor de (her)inrichting en ruimtelijke ontwikkeling van stedelijk gebied op straat- en wijkniveau.
De toets omvat 3 hoofdregels en deze vormen de basis voor het Eindhovens klimaatadaptatie beleid:
Met ingang van 2019 gelden nieuwe normen voor waterberging. De waterbergingsopgave geldt voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Eindhoven. In gebieden waar vanuit het verleden afspraken over waterberging zijn gemaakt, wordt in overleg bepaald of en hoe de waterbergingsopgave in de ontwikkeling wordt verhoogd.
In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen met 150 m2 of meer verharding binnen het plangebied en kleinere ontwikkelingen tot 150 m2 verharding binnen het plangebied. Voor de eerste groep geldt de eis van 60 mm waterberging per m2 aanwezige verharding. Voor de tweede groep is deze eis 20 mm. Dit komt overeen met 20 liter waterberging per m2 of voor een woning met 100 m2 verhard oppervlak 2 m3 (ofwel 2000 liter) waterberging.
De gemeente Eindhoven heeft een rekentool ontwikkeld waarmee getoetst kan worden of een ontwerp aan de normen voldoet en wat er gebeurt als een ontwerp wordt aanpast. Algemeen geldt: Hoe groener het ontwerp hoe lager de benodigde waterberging.
Door Econsultancy is een notitie opgesteld waarin de bestaande en nieuwe situatie met betrekking tot het vuil- en regenwater is opgenomen (kenmerk 12115.002, D2 8 juli 2021). Hierna is een samenvatting opgenomen. De notitie is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. Hierna zijn de conclusies opgenomen.
In onderstaande tabel staan de oppervlakten van de huidige en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven.
Hemelwater (HWA)
In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen de planlocatie worden verwerkt. Om de resterende wateropgave in te vullen, wordt op eigen terrein een ondergrondse waterbergingsvoorziening met leegloop en overstort op het gemeentelijk riool gerealiseerd.
Vanwege de GHG, zal een waterbergingsvoorziening moeten worden aangelegd waarbij een geringe gronddekking benodigd is. Hierbij kan gedacht worden aan systemen als: Watershell® systeem van Waterblock bv, het Trewatin-WaterTable® systeem van Trewatin, het DRAINMAX® tunnelsysteem van INTEWA GmbH of het Rockflow®-systeem van Lapinus.
Dergelijke systemen hebben veelal een bergingscapaciteit van 95%. Wanneer groendaken worden aangelegd met een berging van < 30 mm is, uitgaand evan een macimale diepte van de voorziening van 0,75 meter, een minimaal oppervlak benodigd van circa 95 m2 om te kunnen voorzien in 68 m3 waterberging. Bij de aanleg van groendaken met een berging van . 45 mm is een minimaal oppervlak benodigd van circa 20 m2 om te kunnen voorzien in voldoende berging.
De doorlatendheid van de bodem is insitu niet onderzocht. Op basis van de GHG, bodemopbouw en textuur wordt infiltratie op voorhand niet mogelijk geacht. Vanuit de tijdelijke waterbergingsvoorziening zal (hemel)water derhalve vertraagd moeten worden afgevoerd op het riool. Om de bergingsvoorziening bij toepassing van een extensief groendak (<30 mm) in 10 uur tot 72 uur leeg te laten lopen, mag het debiet niet meer bedragen dan 6,8 m3 per uur en niet minder dan 0,95 m3 per uur.
Om de voorziening en de leegloop te kunnen beheren kan de leegloop gerealiseerd kan worden door toepassing van een Hydroslide (mini) of gelijkwaardig.
Riolering (DWA)
Vuil- en hemelwater riolering dient gescheiden aanleveren tot aan de erfgrens. De aanlevering kan aan de voorzijde van het toekomstige gebouw. De uitwerking van het complete riool- en watersysteem zal in bij de aanvraag van de omgevingsvergunning nader uitgewerkt worden. Bij het uitleggen van het HWA riool dient er mee rekening gehouden te worden dat deze op eigen terrein zo nabij mogelijk tot de Boschdijk uitgelegd wordt. De Boschdijk wordt in de toekomst voorzien van een HWA riool en deze ontwikkeling kan dan daar op termijn op worden aangesloten.
Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per appartement wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,0 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,0 x 120 liter = 240 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 29 appartementen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van circa 6,9 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden.
De aansluiting op het gemengd gemeentelijk rioleringssysteem wordt gerealiseerd met een gescheiden rioleringssysteem voor hemel- en vuilwater. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden.
Kwaliteit
Algemeen
Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen.
Bouwmaterialen
De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) en is ook van toepassing op onderhavige planlocatie. De emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater dienen in verband met de waterkwaliteit zoveel mogelijk te worden beperkt door bij voorkeur gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Onkruidwerende middelen
Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding dient het landelijke beleid gevolgd te worden. Onkruidwerende middelen worden niet meer gebruikt in het openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de DOB-systematiek en dient gezocht te worden naar alternatieven zoals branden, heet water en/of borstelen.
PM advies/overleg
Conclusie
In de overige regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg van waterberging bij de bouw van bouwwerken. Op grond van deze verplichting mag er alleen gebouwd worden als er voldoende waterberging is aangelegd, eventueel in combinatie met andere maatregelen die bijdragen aan het klimaatbestendig maken van de stad.
Het bestemmingsplan "V Limbeek-Woenselse Watermolen (Zoutstraat 2-4)" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.
Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.
Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.
Inleidende regels (Artikel 1 en 2)
De Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In "Artikel 1 Begrippen" wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan geldt hiervoor de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht.
Bestemmingsregels
Bestemming Verkeer-Verblijfsgebied (Artikel 3)
Het gaat bij deze bestemming om de wegen die primair dienen dan wel zullen dienen voor de ontsluiting van de aangrenzende of nabijgelegen gronden, zoals winkelerven, pleinen, woonstraten, woonerven en paden. Ook is deze bestemming bedoeld voor de parkeerterreinen en voor de groenstrookjes die een onderdeel zijn van de straatinrichting.
Bestemming 'Wonen' (Artikel 4)
Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van de appartementen met bijbehorende werkruimten en bijbehorende voor- en achtererven. In de regels is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen. Het gebouw dat door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken, wordt beschouwd als het hoofdgebouw. Bijgebouwen zijn in architectonisch opzicht te onderscheiden van, en ondergeschikt aan, het hoofdgebouw. Hoofdgebouwen moeten binnen de bouwvlakken worden gebouwd. Daarnaast zijn er specifieke regels opgenomen voor aan-, uit- en bijgebouwen.
Aan huis-verbonden-beroepen
Het gebruik van ruimten voor aan huis verbonden beroepen en/of kleinschalige bedrijvigheid is binnen de woonbestemming toegestaan (tot maximaal 50% van het vloeroppervlak van de woning).
Algemene regels
Onder de Algemene regels zijn de Anti-dubbeltelregel, Algemene afwijkingsregels en de Overige regels opgenomen. Deze regels gelden voor het hele plan.
De Algemene afwijkingsregels bevatten bepalingen op basis waarvan in bepaalde gevallen binnenplans kan worden afgeweken van de bepalingen uit de bestemmingsregels.
Onder de Overige regels zijn eisen opgenomen die gelden met betrekking tot het aspect parkeren. Voor het aantal parkeerplaatsen wordt in de regels verwezen naar de vigerende parkeernormen.
Voorwaardelijke verplichting waterberging
In de overige regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg van waterberging bij de bouw van bouwwerken. Op grond van deze verplichting mag er alleen gebouwd worden als er voldoende waterberging is aangelegd, eventueel in combinatie met andere maatregelen die bijdragen aan het klimaatbestendig maken van de stad.
Overgangs- en slotregels
In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen.
De gemeente stelt jaarlijks het toezicht- en handhavingsprogramma vast. In dit handhavingsprogramma is aangegeven dat de gemeente zich inzet om van Eindhoven een sterke stad met een levendige economie te maken. Veiligheid en leefbaarheid staan daarbij voorop. Het gemeentebestuur heeft een gemeente voor ogen die maximaal dienstverlenend is, maar die ook de grenzen aangeeft en de spelregels bewaakt. Zij treedt, waar dat nodig is, daadkrachtig op in het algemeen belang voor de bescherming van de rechtszekerheid van individuele belangen. De gemeente handhaaft consequent, werkt in belangrijke mate stadsdeel- en gebiedsgericht en programmatisch en staat dicht bij de burger.
Goed toezicht en handhaving zijn van cruciaal belang om de leefbaarheid, de rechtszekerheid, de veiligheid, bedrijvigheid en het milieu in Eindhoven te bevorderen. Overlast en vervuiling dienen te worden teruggedrongen en naleving van voorschriften van bijvoorbeeld ruimtelijke ordening , bouw-, milieu- en gebruiksvergunningen is hierbij noodzakelijk.
De wet- en regelgeving blijft het uitgangspunt voor toezicht en handhaving. Cruciaal is evenwel dat de gemeente zich vanuit toezicht en handhaving als partner opstelt en daarbij de nodige dynamiek toont en helder communiceert over wat wel en niet kan.
Handhavingsmodel
Er is een handhavingsmodel voor toezicht en handhaving en dit model wordt gekenmerkt door zeven basisprincipes:
Op basis van dit toezicht- en handhavingsprogramma is een gemeentelijk werkplan opgesteld waarin per aandachtsveld de toezicht- en handhavingsactiviteiten SMART zijn vorm gegeven.
Voor het aandachtsveld Bouwen, wonen en ruimtelijke ordening (strijdigheid met het bestemmingsplan) zijn op ruimtelijke ordeningsgebied onder meer de volgende activiteiten benoemd:
Bij illegale bouw en illegaal gebruik worden gemelde misstanden aangepakt waarbij zaken waar veiligheid, monumentale panden en welstand in het geding is.
Duidelijke regels
Een eerste vereiste om goed te kunnen handhaving zijn duidelijk regels. Bij het ontwikkelen van de standaardregels voor het stedelijk gebied van Eindhoven is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. De regels zijn zo geredigeerd, dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn. Planregels dienen duidelijke normen te bevatten die niet voor verschillende uitleg vatbaar zijn en tevens actueel en controleerbaar zijn. Teneinde hieraan te voldoen zijn de regels aangepast aan de meest recente jurisprudentie en wetgeving (bijv. Woningwet en de SVBP2012). Dit biedt voldoende garanties voor de rechtszekerheid en de flexibiliteit van de nieuwe bestemmingsplannen.
In het voorliggende bestemmingsplan is het actuele ruimtelijk beleid van Eindhoven vastgelegd, toegespitst op het plangebied. Het bestemmingsplan bevat een juridisch toetsingskader voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Om deze kwaliteit voor de planperiode te kunnen garanderen is vereist, dat in de praktijk de planregels strikt worden toegepast en gehandhaafd. Goede voorlichting en informatievoorziening dragen bij aan een verbetering in de naleving van de bestemmingsplannen.
De handhavingscapaciteit is beperkt zodat het college jaarlijks de handhavingsprioriteiten vastlegt in een werkprogramma handhaving.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten; die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar. Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst.
Ook kan er sprake zijn van zogenaamde "kruimelgevallen". Het komt er hierbij op neer dat de door de gemeente te maken kosten beperkt zijn en de kosten verhaald kunnen worden via de legesverordening. Voorwaarde hierbij is dat er geen sprake is van fasering, locatie-eisen of eisen aan woningbouwcategorieën.
Er is in casu een anterieure overeenkomst afgesloten zodat er geen verplichting bestaat tot het vaststellen van een exploitatieplan.
De gemeente heeft de voorbereiding van dit bestemmingsplan conform artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bekend gemaakt.
Per 1 oktober 2008 is de "Verordening Samenspraak en Inspraak gemeente Eindhoven 2008" in werking getreden. Het doel hiervan is het betrekken van burgers bij de besluitvorming.
In mei 2020 is middels een informatiebrief gepost hebben in de buurt en bij directe buren persoonlijk overhandigd. Vanwege COVID is er geen bijeenkomst geweest. De omgeving was voornamelijk positief dat er op de locatie weer iets ging gebeuren met enkele suggesties.
In het najaar van 2020 is het bouwplan dusdanig aangepast dat een nieuwe omgevingsdialoog gewenst was. Op 25 januari 2021 is er een nieuwsbrief gedeeld met de buurtbewoners rondom het plangebied. In deze informatiebrief zijn de aanpassingen van het ontwerp en de vervolprocedure beschreven. De verbeterpunten zijn voortgekomen uit de terugkoppeling van buurtbewoners en (vervolg)overleg met woonzorgorganisaties en de gemeente Eindhoven. Tevens zijn het oude en nieuwe ontwerp aan de informatiebrief toegevoegd ter illustratie. Helaas is vanwege COVID het weer niet mogelijk geweest een bijeenkomst te houden. De omgeving heeft bij het rondbrengen van de brieven positief gereageerd op het gewijzigde ontwerp. Het ontwerp oogde meer ruimtelijke en licht. Er zijn verder geen schriftelijke reacties ontvangen naar aanleiding van de brief. De initiatiefnemer blijft in gesprek met de omwonenden.
Daarnaast is contact geweest met de belangenorganisaties. Trefpunt Groen Eindhoven, De Stichting Bescherming Wederopbouwerfgoed Eindhoven en de Henri van Abbestichting hebben allen gereageerd dat zij geen bezwaren hebben tegen het plan. Trefpunt Groen heeft een aantal adviezen gegeven voor de verdere uitwerking van het plan. Deze adviezen zullen serieus bekeken worden en er zal zo veel mogelijk rekening mee worden gehouden. Zo nodig zal contact gezocht worden.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Het Waterschap De Dommel heeft bij brief van 12 augustus 2021 aangegeven te kunnen instemmen met het plan.
Het wettelijk vooroverleg met de Provincie Noord-Brabant is op 20 juli 2021 middels het daartoe bestemde e-formulier doorlopen. De provincie heeft de vraag hoe het bestemmingsplan zich verhoudt tot de provinciale belangen die op basis van het provinciaal ruimtelijk beleid relevant zijn, aangegeven geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 16 september 2021 tot en met woensdag 27 oktober 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om digitaal, schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerp bestemmingsplan kenbaar te maken.
Kennisgeving van de terinzagelegging en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is in het gemeenteblad van gemeente Eindhoven en in Groot Eindhoven van woensdag 15 september 2021 gepubliceerd. Ook is kennis gegeven van de mogelijkheid om een digitale versie van het ontwerpbestemmingsplan te raadplegen via de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl.
Naar aanleiding van de terinzagelegging zijn drie zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn in de nota van zienswijzen van een gemeentelijk standpunt voorzien.
In deze regels wordt verstaan onder:
het bestemmingsplan V Limbeek-Woenselse Watermolen (Zoutstraat 2-4) met identificatienummer NL.IMRO.0772.80388-0302 van de gemeente Eindhoven
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen
een vrij beroep, dat in of bij een woongebouw wordt uitgeoefend, waarbij het woongebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Onder vrije beroepen worden verstaan: (para)medische, juridische, therapeutische, ontwerp-technische, administratieve, sociaal-maatschappelijke, kunstzinnige en daarmee gelijk te stellen beroepen.
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden
de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke
een op zichzelf staand al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct hetzij indirect steun vindt in of op de grond
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen en leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel wordt ook begrepen grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum, internetwinkel/webwinkel, afhaalpunten en supermarkt
bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van diensten aan derden, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder zijn begrepen kapperszaken, belwinkels, internetcafé, schoonheidsinstituten, fotostudio´s en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt
een gevel met een maximale geluidbelasting van 48 dB (inclusief aftrek artikel110g Wgh)
een gebouw dat, op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt
internetwinkels worden in het kader van dit bestemmingsplan aangemerkt als een specifieke vorm van detailhandel waarbij:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend (niet zijnde prostitutie)
bouwwerk, geen gebouw zijnde ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening
bouwwerk, geen gebouw zijnde, of onderdelen van bouwwerken die worden aangemerkt als uitingen van één der beeldende kunsten.
bij collegebesluit van 20 april 2021 vastgestelde nadere regels ter uitwerking van de Actualisatie Nota Parkeernormen (2019).
de bedrijvenlijst ontleend aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de VNG zoals deze gold ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan en is opgenomen in Bijlage 1 Lijst van Bedrijfsactiviteiten bij woonfunctie bij wonen behorende bij deze regels.
Actualisatie nota parkeernormen 2019 parkeernormen gepubliceerd op 3 oktober 2019 (gemeenteblad van Eindhoven 2019, nr. 240213) en in werking getreden op 4 oktober 2019.
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin tegen vergoeding seksuele handelingen worden verricht
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden
Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw
de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel
de naar de weg of aan het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft van meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt
De denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit (zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, sloten, greppels en vijvers, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen etc.)
een gebouw, dat een ruimte omvat, welke door zijn indeling kennelijk bedoeld is te worden gebruikt voor de detailhandel
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen wordt de overschrijding van de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, gevelisolatie, ventilatiekanalen, reclameaanduidingen, luifels, erkers, balkons en overstekende daken e.d. buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 1 meter bedraagt.
De voor `Verkeer-Verblijfsgebied´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
met daarbij behorende:
en met dien verstande dat:
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van:
een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening', met een maximum goot- en bouwhoogte als bestaand.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks voor de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, geldt:
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
met de daarbij behorende:
met dien verstande dat:
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken voor wat betreft de maximum goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien dat wenselijk is uit een oogpunt van een goede constructieve en/of bouwkundige aansluiting van het bijbehorende bouwwerk bij de hoogte van de verdiepingsvloer van het hoofdgebouw.
Het gebruik van de woning voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en/of aan-huis-verbonden beroep tot maximaal 50% van het vloeroppervlak van de woning, is toegestaan mits:
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 4.1 wordt in ieder geval gerekend:
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, cultuurhistorische waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij een omgevingsvergunning afwijken van:
Bij omgevingsvergunning kan in bijzondere gebieden of situaties worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.1.1, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of ruimtelijke situatie.
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de maatvoering van de (fiets)parkeervoorzieningen, zoals bedoeld in lid 7.1.1, indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.
Als gebruik in strijd met het bestemmingsplan geldt het wijzigen van de gebruiksfunctie van gronden en/of gebouwen in een andere gebruiksfunctie passend binnen de bestemming, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, een en ander volgens de beleidsregeling 'Actualisatie Nota Parkeernormen (2019)' van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven zoals vastgesteld op 24 september 2019 en opgenomen in Bijlage2 bij de planregels.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
burgemeester en wethouders kunnen eenmalig bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 8.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 8.1 met maximaal 10%.
Lid 8.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 8.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in lid 8.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Lid 8.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.