|
|
|
|
HOOFDSTUK 1. Inleidende regels
HOOFDSTUK 2. BESTEMMINGSregels
Artikel 3: Agrarisch - Bedrijf 1
Artikel 4: Agrarisch - Cultuurgrond
Artikel 7: Bedrijf – Nutsbedrijf, nutsvoorziening
Artikel 8: Bedrijf - Verkooppunt van motorbrandstoffen
Artikel 9: Bedrijventerrein - 2
Artikel 10: Groen - Groenvoorzieningen
Artikel 11: Maatschappelijk - Begraafplaats
Artikel 12: Maatschappelijk - Religie
Artikel 15: Verkeer - Verblijf
Artikel 18: Wonen - A1 (vrijstaande woningen)
Artikel 19: Wonen - A3 (vrijstaande woningen)
Artikel 20: Wonen - A5 (vrijstaande
woningen)
Artikel 21: Wonen - A7 (vrijstaande woningen boerderijtypen)
Artikel 22: Wonen – B1 (twee onder één kap)
Artikel 23: Wonen – C1 (rijenbouw, meer dan twee aaneen)
Artikel 24: Wonen - D1 (bouwstroken)
Artikel 25: Leiding -
Hoogspanningsverbinding
Artikel 28: Anti-dubbeltelregel
Artikel 29: Algemene bouwregels
Artikel 30: Algemene gebruiksregels
Artikel 31: Algemene aanduidingsregels
HOOFDSTUK 4. Overgangs- en slotregels
BIJLAGEN
Bijlage
1 Bedrijvenlijst
Bijlage
2 Lijst met beroeps- en bedrijfsactiviteiten
aan huis
Bijlage
3 Gemeentelijk en provinciaal
woiningbouwbeleid, uitwerking Tytsjerk
Bijlage
4 Standaardregels versie 2.0
In deze regels wordt verstaan onder:
1.
plan:
het
bestemmingsplan Tytsjerk - Zuid 2010 van de gemeente Tytsjerksteradiel;
2.
bestemmingsplan:
de
geometrische bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand
NL.IMRO.0737.06BPI-ow01 met de bijbehorende regels en bijlagen;
3.
aanduiding:
een
geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar
ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het
bebouwen van deze gronden;
4.
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een
vlak betreft;
5.
aan- en afmeersteiger:
constructie
aan een oever of kade, in of op het water, die hoofdzakelijk dient voor het
aanleggen en ligplaats innemen van vaartuigen;
6.
agrarisch aanverwant bedrijf:
een
bedrijf dat in nauwe relatie staat tot het agrarisch bedrijf, waarvan de
werkzaamheden in hoofdzaak bestaan uit het verlenen van diensten aan derden in
de vorm van het houden van dieren en/of het telen en bewerken van gewassen;
7.
agrarisch bedrijf:
een
bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het
telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren;
8.
agrarisch dienstverlenend bedrijf:
een bedrijf
waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of
levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven;
9.
akker- of tuinbouwbedrijf:
een
bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die is
gericht op het telen van (consumptie)gewassen in de volle grond;
10.
archeologische waarden:
de
waarden die verband houden met het zich in de bodem bevinden van voorwerpen of
bewoningssporen van vroegere samenlevingen, die wegens hun schoonheid, hun
betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde van algemeen
belang zijn;
11.
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen
gebouwen zijnde;
12.
bebouwingspercentage:
een
in het plan aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein
aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd, dit met inbegrip van de oppervlakte
van (overdekte) bouwwerken, geen gebouwen zijnde;*
13.
bedrijfsgebouw:
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van
een bedrijf;
14.
bedrijfswoning:
een
woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor
(het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar in aantoonbare relatie
staat tot de bestemming van het gebouw of het terrein;
15.
beperkt kwetsbaar object:
een
object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een
richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand is bepaald, waarmee rekening
moet worden gehouden;
16.
beroeps- of bedrijfsactiviteit aan
huis:
een
beroeps- of bedrijfsmatige activiteit, genoemd in bijlage 2 dan wel een naar de
aard of invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen activiteit, die in of
bij een woonhuis wordt uitgeoefend op een zodanige wijze dat:
a. het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt;
b. de ruimtelijke uitwerking of uitstraling van die activiteit met de woonfunctie in overeenstemming is, waarbij:
- het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast;
- het beroep/bedrijf wordt uitgeoefend door in ieder geval één van de bewoners van de woning;
- het niet gaat om vormen van detailhandel en/of horeca;
-
er geen onevenredige parkeerdruk voor
de omgeving optreedt;
17.
beroeps- c.q.
bedrijfsvloeroppervlakte:
de
totale (bruto) vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een
beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, een (dienstverlenend) bedrijf en/of
een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en
dergelijke;
18.
bestaand:
a. ten aanzien van bouwwerken, werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden:
-
bestaand ten tijde van de eerste
ter inzage legging van het ontwerp van dit plan;
b.
ten aanzien van het overige
gebruik:
-
bestaand ten tijde van het van
kracht worden van dit plan;
19.
bestemmingsgrens:
de
grens van een bestemmingsvlak;
20.
bestemmingsvlak:
een
geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
21.
bouwen:
het
plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het
vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten,
vernieuwen of veranderen van een standplaats;
22.
bouwgrens:
de
grens van een bouwvlak;
23.
bouwlaag:
een
doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering
gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip
van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
24.
bouwperceel:
een
aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij
elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
25.
bouwperceelgrens:
de
grens van een bouwperceel;
26.
bouwvlak:
een
geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de
regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
27.
bouwwerk:
elke
constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die
hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of
indirect steun vindt in of op de grond;
28.
cultuurgrond:
grasland,
akkerbouw- en tuinbouwgronden (gronden ten behoeve van houtteelt daaronder
begrepen) met uitzondering van bosgronden;
29.
cultuurhistorische waarden:
waarden
van een gebied en/of de daarin voorkomende bebouwing, elementen en structuren,
die uitdrukking geven aan de beschavingsgeschiedenis en/of het gebruik door de
mens in de loop van die geschiedenis;
30.
cultuurlandschappelijke waarden:
een
gebied met een toegekende waarde ontstaan door het gebruik van dat gebied in de
loop van de geschiedenis door de mens en dat behouden dient te worden;
31.
dak:
iedere
bovenbeëindiging van een gebouw;
32.
detailhandel:
het
bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop,
het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen
voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een
beroeps- of bedrijfsactiviteit.
Met
bedrijfsmatige activiteiten worden gelijkgesteld structureel hobbymatige
activiteiten, zoals meer dan incidentele / min of meer permanente detailhandel
door particulieren (bijvoorbeeld in gebruikte goederen);
33.
dienstverlenend bedrijf en/of
dienstverlenende instelling:
een
bedrijf of instelling, waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van
diensten op administratief, adviesgevend, financieel,
informatietechn(olog)isch, intermediair, juridisch, (lichaams)verzorgend,
ontwerptechnisch, (para-/sociaal-)medisch, therapeutisch of daarmee gelijk te
stellen terrein, alsmede uitzend- en/of detacheringsbedrijven, uitleen- en/of
verhuurbedrijven in kleinschalige roerende goederen, zoals video- of
bibliotheken, één en ander evenwel met uitzondering van een seksinrichting,
uitleen- en verhuurbedrijven in grootschalige roerende goederen, zoals
transportmiddelen, machines of werktuigen en reparatie- en herstelbedrijven,
waaronder een garagebedrijf;
34.
dykswâl:
een
door de mens opgeworpen, langgerekte aarden wal met een aaneengesloten
beplanting;
35.
eerste bouwlaag:
de
bouwlaag op de begane grond;
36.
erf:
het
binnen de (woon)bestemming en tuinbestemming gelegen gedeelte van het
bouwperceel, met uitzondering van het binnen het bouwvlak gelegen gedeelte van
het bouwperceel;
37.
erker:
een
hoek- of rondvormig uitgebouwd deel van een woonhuis, bouwkundig bestaande uit
een “lichte” constructie met een overwegend transparante uitstraling;
38.
erotisch getinte vermaaksfunctie:
een
vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen
en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop,
een seksclub en een seksautomatenhal;
39.
gebouw:
elk
bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk
met wanden omsloten ruimte vormt;
40.
gebruiksmogelijkheden:
de
mogelijkheden om gronden en bouwwerken overeenkomstig de daaraan toegekende
bestemming te gebruiken;
41.
geluidsbelasting:
de
geluidsbelasting vanwege een weg, een industrieterrein en/of een spoorweg;
42.
geluidsgevoelige functies:
in
een gebouw of op een terrein aanwezige functies die maken dat een gebouw of
terrein als geluidsgevoelig object wordt aangemerkt;
43.
geluidsgevoelige gebouwen:
gebouwen
welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen, zoals bedoeld in
de Luchtvaartwet en het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart;
44.
geluidsgevoelige objecten:
gebouwen
welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige objecten of terreinen,
zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit Geluidhinder;
45.
geluidszoneringsplichtige
inrichting:
een
inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van
vestiging in een bestemmingsplan een geluidszone moet worden vastgesteld;
46.
gemeentelijk en provinciaal
woningbouwbeleid:
het gemeentelijk woningbouwbeleid zoals neergelegd in de Structuurvisie ‘Finster op romte’ en de Woonvisie ‘Finster op wenjen’ (beide vastgesteld in januari 2010) en het provinciaal woningbouwbeleid, zoals neergelegd in het Streekplan Fryslân 2007 (vastgesteld in december 2006) en uitgewerkt voor Tytsjerk in bijlage 3 van de planregels;
47.
grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:
een
agrarische bedrijfsvoering waarbij het gebruik van cultuurgrond noodzakelijk is
voor het functioneren van het bedrijf;
48.
hogere grenswaarde:
een
bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de
geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, die hoger is dan de voorkeurgrenswaarde
en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet
geluidhinder en/of het Besluit Geluidhinder;
49.
horecabedrijf:
een
bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse
worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en
ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van
een erotisch getinte vermaaksfunctie;
50.
houtteelt:
een
bedrijfsmatige uitoefening van uitsluitend de functie houtproductie op gronden
die in principe hiervoor tijdelijk worden gebruikt en waarvoor daartoe
ontheffing is verleend van de melding- en herplantplicht ex artikel 2 en 3 van
de Boswet;
51.
kampeermiddel:
a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
b.
enig
ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte
daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde;
één
en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel
of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden
gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
52.
kampeerterrein:
een
terrein ter beschikking gesteld voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van
kampeermiddelen;
53.
kantine:
een
restauratieve voorziening ten dienste van een bedrijf of instelling, gericht op
het verstrekken van etenswaren, eenvoudige maaltijden en/of dranken aan de
reguliere gebruikers van dat bedrijf of die instelling;
54.
kantoor:
een
gebouw zonder of met een ondergeschikte publieksgerichte functie, dat dient
voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die
verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het
bankwezen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen dienstverlenende bedrijven
en instellingen;
55.
kap:
iedere
bovenbeëindiging van een gebouw met een zekere helling;
56.
kas:
een
gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of
ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, bloemen
of planten;
57.
kunstobject:
voortbrengsel
van de beeldende kunsten in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde;
58.
kunstwerk:
een
bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van civieltechnische en/of
infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel,
een via- of aquaduct of een sluis dan wel een daarmee gelijk te stellen
voorziening;
59.
kwetsbaar object:
een
object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een
grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle
inrichting is bepaald, die in achtgenomen moet worden;
60.
landschappelijke waarden:
waarden
in verband met de verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van
waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied.
De
landschappelijke waarden van het woudengebied (coulisselandschap) bestaan in
het bijzonder uit de relatief kleinschalige verkaveling (regelmatig
verkavelingspatroon) en de aanwezigheid van beplanting op of langs
perceelsscheidingen in de vorm van hout- of boomsingels (meestal elzen bij
sloten) en/of dykswâlen, veelal in combinatie met een fijnmazig netwerk van
wegen en paden (deels onverhard) en streekeigen bebouwing (boerderijen en
wâldhúskes). Daarnaast kan de aanwezigheid van bospartijen, landgoederen,
essen, pingoruïnes, poelen en dobben bepalend zijn voor de landschappelijke
waarden.
In
het open landschap is naast de openheid en de beperkte aanwezigheid van
bebouwing met name de verkavelingsrichting en het kavelpatroon belangrijk.
Tevens worden de landschappelijke waarden bepaald door de eventuele
aanwezigheid van open waterpartijen, sloten, vaarten, rietvelden, moerasbosjes
en terpen;
61.
logiesverstrekking:
een
horecabedrijfsactiviteit, die enkel of in hoofdzaak is gericht op het tegen
vergoeding verstrekken van logies en waarbij de logieseenheden zijn ingericht
als nachtverblijf, zoals een hotel, pension of kampeerboerderij;
62.
meetverschil:
een
door de feitelijke terreininrichting aanwezig verschil tussen het beloop van
lijnen in het veld en een aangegeven bestemmings- of bouwgrens;
63.
mensa:
een
eetgelegenheid voor leerlingen of studenten;
64.
milieuafstand:
de
grootste voor een bepaald bedrijfstype in acht te nemen (richtlijn)afstand ten
opzichte van een milieugevoelige functie in verband met door dat bedrijfstype
veroorzaakte hinder door geur, stof, geluid, gevaar, licht en/of trilling;
65.
milieusituatie:
de
waarde van een gebied in milieuhygiënische zin die wordt bepaald door de mate
van scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende functies, daarbij in
het bijzonder gelet op het voorkómen dan wel beperken van hinder door geur,
stof, geluid, gevaar, licht en/of trilling;
66.
natuurlijke waarden:
de
abiotische en biotische waarden van een gebied;
67.
natuurwaarden:
de
aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige
en biologische elementen voorkomende in dat gebied;
68.
niet-grondgebonden agrarische
bedrijfsvoering:
een
agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt en die als
zodanig niet afhankelijk is van open cultuurgrond als productiemiddel;
69.
onderbouw:
het
doorlopend gedeelte van een gebouw, begrensd door op gelijke of bij benadering
gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen, dat geheel of grotendeels is
gelegen beneden het peil;
70.
overkapping:
elk
bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met
ten hoogste één wand;
71.
peil:
a. indien op of in het land wordt gebouwd:
-
de hoogte van het afgewerkte omliggende terrein
ter plaatse van het bouwwerk, met dien verstande dat, indien het bouwwerk zal
worden gebouwd op een nog onbebouwd perceel, deze hoogte ten hoogste
indien de hoogte van het
afgewerkte terrein niet aan alle zijden van het bouwwerk gelijk is, wordt het
peil gerekend:
-
vanaf het laagste punt van het
omliggende afgewerkte terrein;
incidenteel aangebrachte en ondergeschikte
ophogingen en verdiepingen buiten beschouwing gelaten;
b.
indien op of in het water wordt
gebouwd:
-
het ter plaatse door het waterschap
ten tijde van de eerste terinzagelegging van het bestemmingsplan vastgestelde
waterpeil;
72.
persoonlijke dienstverlening:
dienstverlening
gericht op het persoonlijk welbevinden, de gezondheid en/of op het uiterlijk
van personen, zoals een kappersbedrijf, een schoonheidssalon en/of een
(para-)medische praktijk;
73.
productiegebonden detailhandel:
detailhandel
in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in
het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de
productiefunctie;
74.
prostitutie:
het
zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of
met een ander tegen vergoeding;
75.
recreatief medegebruik:
een
recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de
bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;
76.
recreatiewoonschip:
een
woonschip dat naar de aard en inrichting bedoeld is voor recreatieve bewoning;
77. relatie:
een figuur dat twee afzonderlijk weergegeven bestemmingsvlakken met elkaar verbindt, zodanig dat voor toepassing van de regels sprake is van één bestemmingsvlak;
78.
restauratieve voorziening:
een
voorziening ten dienste van een bedrijf of instelling, gericht op het
verstrekken van (eenvoudige) spijzen en dranken aan de reguliere gebruikers van
dat bedrijf of die instelling, zoals een kantine of mensa;
79.
risicovolle inrichting:
een
inrichting, bij welke ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een
grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden
aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt
kwetsbare objecten;
80.
seksinrichting:
een
voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de
omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of
vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden.
Onder
een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf,
alsmede een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een
sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
81.
stacaravan:
een
caravan die als een gebouw valt aan te merken;
82.
straat- en bebouwingsbeeld:
de
waarde van een gebied in stedenbouwkundige zin die wordt bepaald door de mate
van samenhang in aanwezige bebouwing, daarbij in het bijzonder gelet op een
goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte, een goede hoogte- en breedteverhouding
tussen de bebouwing onderling en de samenhang in bouwvorm en ligging tussen
bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is;
83.
verkeersveiligheid:
de waarde van een gebied voor de veiligheid van het
verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht
(met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van
bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van
verkeersdeelnemers;
84.
verkoopvloeroppervlakte:
de
voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve
van detailhandel;
85.
vermaakscentrum:
een
bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op de vermaaksfunctie door het bieden van
gelegenheid tot de beoefening van kans- of behendigheidsspelen, al dan niet met
behulp van automaten of apparatuur, of door het (ver)tonen van films of
voorstellingen dan wel door het bieden van soortgelijk amusement, één en ander
al dan niet in combinatie met een horecafunctie in de vorm van het
bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren, zoals een
amusementshal, speelautomaten- en/of kansspelautomatenhal, snooker- of
poolcentrum, bowlinghal, paintballcentrum, bioscoop, theater, schouwburg,
casino, wedlokaal, en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee
gelijk te stellen bedrijf, met uitzondering van een seksinrichting;
86.
verticale diepte van een gebouw:
de
diepte van een gebouw, gemeten vanaf het peil;
87.
voorbouwgrens:
de
naar de weg gekeerde bouwgrens, met dien verstande dat, indien een bouwvlak
gericht is op meerdere wegen, de bouwgrens die door de ligging en/of de
situatie ter plaatse als voorbouwgrens moet worden aangemerkt;
88.
voorgevel:
de
naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met
meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de
situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden
aangemerkt;
89.
voorkeurgrenswaarde:
de
bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de
geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, zoals deze rechtstreeks kan
worden afgeleid uit de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;
90.
vuurwerkbedrijf:
een
bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op de vervaardiging of assemblage van
vuurwerk of de handel in vuurwerk, c.q. de opslag van vuurwerk, en/of de
daarvoor benodigde stoffen;
91.
weg:
alle
voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder
begrepen de daarin gelegen kunstwerken, de tot de wegen of paden behorende
bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende parkeergelegenheden;
92.
windturbine:
een
bouwwerk dat is bedoeld om met een draailichaam (rotor) door middel van
windvang elektrische energie op te wekken en waarvan de rotor om een
horizontale dan wel om een verticale as draait (horizontale respectievelijk verticale
windturbine);
93.
winkel:
een
gebouw dat een ruimte omvat, welke door zijn indeling kennelijk bedoeld is te
worden gebruikt voor de detailhandel;
94.
woning:
een
complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één
afzonderlijk huishouden c.q. een daarmee gelijk te stellen samenhangende groep
van personen;
95.
woonhuis:
een
gebouw, dat één woning omvat dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of
gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke
verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;
96.
woonschip:
een
zich in het water bevindend object, dat dient als woning;
97.
woonsituatie:
de waarde van een gebied voor de woonfunctie die wordt
bepaald door de situering van om die woonfunctie liggende functies en bebouwing,
daarbij in het bijzonder gelet op de daglichttoetreding, het uitzicht, de mate
van privacy en het voorkómen of beperken van hinder.
2. 1.
Bij toepassing van deze regels
wordt als volgt gemeten [1]):
1.
de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte
van het horizontale vlak;
2. de
goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de
bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te
stellen constructiedeel;
3. de
inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de
begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de
scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
4. de
bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het
hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met
uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes,
en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
5. de
oppervlakte van een bouwwerk:
tussen
de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts
geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter
plaatse van het bouwwerk. Onderdelen van het bouwwerk gemeten op meer dan
6. de
lengte, breedte en diepte van een gebouw:
tussen (de lijnen, getrokken
door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren);
1.
het bebouwde oppervlak:
de som van de oppervlakken van
alle op een bouwperceel staande gebouwen en overkappingen[2];
2.
de afstand tot de zijdelingse
bouwperceelgrens:
de kortste afstand vanaf
enig punt tot de zijdelingse bouwperceelgrens;
3. de
hoogte van een windturbine:
vanaf het peil tot aan de
(wieken)as van de windturbine.
2. 1.
Bij toepassing van het bepaalde
in het plan ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of
bestemmingsvlakken, worden afwijkingen ten gevolge van meetverschillen buiten beschouwing
gelaten, mits dat meetverschil, mede gelet op de aard en omvang van
hierdoor toegelaten of toe te laten (bouw)werken of werkzaamheden, als van zeer
beperkte betekenis moet worden aangemerkt.
Artikel 3:
Agrarisch - Bedrijf 1
De voor ‘Agrarisch - Bedrijf
a. gebouwen ten behoeve van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, met inbegrip van kassen en torensilo’s, al dan niet in combinatie met een rietdekkersbedrijf, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf – niet agrarisch bedrijf”;
b. bedrijfswoningen
en de daarbijbehorende gebouwen en overkappingen, ter plaatse van de aanduiding
“bedrijfswoning”;
met daaraan ondergeschikt:
c. groenvoorzieningen;
d. parkeervoorzieningen;
e. speelvoorzieningen;
f.
wegen, straten en paden;
g. water;
h. openbare
nutsvoorzieningen;
i.
productiegebonden detailhandel;
met de daarbijbehorende:
j.
tuinen, erven en terreinen;
k. bouwwerken,
geen gebouwen zijnde.
3. 2.
Bouwregels
3. 2.
1. Voor
het bouwen van de in lid 3.1. onder a. genoemde bedrijfsgebouwen gelden de
volgende regels:
a. een
gebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;
b. ter
plaatse van de aanduiding “maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum
bebouwingspercentage (%)” zullen de goot- en bouwhoogte van een gebouw, met
uitzondering van een kas en een torensilo, en het bebouwingspercentage van een
bouwvlak ten hoogste de aangegeven hoogte respectievelijk het aangegeven
percentage bedragen;
c. het
aantal torensilo’s zal ten hoogste 2 per bouwperceel bedragen;
d. de
bouwhoogte van een torensilo zal ten hoogste
e. de
oppervlakte van een torensilo zal ten hoogste
f.
de goothoogte van een kas zal ten
hoogste
g. de
bouwhoogte van een kas zal ten hoogste
h. de
gezamenlijke oppervlakte van kassen zal ten hoogste
3. 2.
2. Voor
het bouwen van de in lid 3.1. onder k. genoemde bedrijfswoningen en de
daarbijbehorende gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
a. een
bedrijfswoning zal worden gebouwd, ter plaatse van de aanduiding
“bedrijfswoning”;
b. het
aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste één per bedrijf bedragen, tenzij in het
bouwvlak een maximum aantal bedrijfswoningen is aangegeven, in welk geval het
aantal bedrijfswoningen ten hoogste het in dat bouwvlak aangegeven aantal zal
bedragen;
c. voor
inpandige bedrijfswoningen zijn de regels van lid 3.2.1. van overeenkomstige
toepassing;
d. voor
niet-inpandige bedrijfswoningen gelden, ter plaatse van de aanduiding
“specifieke bouwaanduiding - a” de volgende regels:
1. de
goothoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste
2. de
bouwhoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste
3. de
dakhelling van een bedrijfswoning zal ten minste 20° en ten hoogste 60°
bedragen;
e. voor
niet-inpandige bedrijfswoningen gelden, ter plaatse van de aanduiding
“specifieke bouwaanduiding - b” de volgende regels:
1. de
goothoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste
2. de
bouwhoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste
3. de
dakhelling van een bedrijfswoning zal ten minste 20° en ten hoogste 60°
bedragen;
f.
de andere gebouwen ten dienste van
de (bedrijfs)woonfunctie zullen binnen een bouwvlak en bij een op hetzelfde
bouwperceel gelegen bedrijfswoning worden gebouwd;
g. de
goothoogte van andere gebouwen ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie zal
ten hoogste
h. de
bouwhoogte van andere gebouwen ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie zal
ten hoogste
i.
de bouwhoogte van overkappingen ten
dienste van de (bedrijfs)woonfunctie zal ten hoogste
j.
de gezamenlijke oppervlakte van
andere gebouwen en overkappingen ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie zal
ten hoogste 30% van de oppervlakte van het erf, met een maximum van
k. de
oppervlakte van een vrijstaand gebouw ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie
zal ten hoogste
tenzij de gronden ter plaatse zijn
aangeduid als “maximum bebouwd
oppervlakte (m²)”, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte van andere
gebouwen en overkappingen ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie ten hoogste
de in die aanduiding aangegeven oppervlakte zal bedragen.
3. 2.
3. Voor
het bouwen van de in lid 3.1. onder k. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste
b. de
bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1. de
bouwhoogte van masten, niet zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2. de
bouwhoogte van antennemasten ten hoogste
tenzij de aanduiding “maximale
bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven bouwhoogte zal bedragen.
3. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot
een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de
Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a. het
gebruik van de in lid 3.1. onder a. genoemde gebouwen voor bewoning, tenzij de
gronden zijn aangeduid als “bedrijfswoning” in welk geval een bedrijfswoning is
toegestaan;
b. het
gebruik van andere gebouwen ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie dan de
bedrijfswoning voor zelfstandige bewoning;
c. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een niet grondgebonden
agrarisch bedrijf;
d. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een niet-agrarisch
bedrijf, tenzij de gronden zijn voorzien van de aanduiding “specifieke vorm van
bedrijf – niet agrarisch bedrijf”, in welk geval activiteiten ten behoeve van
een rietdekkersbedrijf zijn toegestaan tot een maximale oppervlakte van 40% van
de oppervlakte van het grondgebonden agrarisch bedrijf;
e. het
gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijf;
f.
het gebruik van gronden en
bouwwerken ten behoeve van detailhandel, met uitzondering van productiegebonden
detailhandel.
3. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
3. 4.
1. Burgemeester
en wethouders kunnen ten behoeve van een functieverandering het
bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a. de
bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Wonen - A7’, ‘Wonen - B7’,
‘Wonen – C7’, ‘Tuin’ en/of ‘Agrarisch – Cultuurgrond’, ten behoeve van de
functieverandering van agrarische bedrijfsbebouwing en het daarbijbehorende
bouwperceel, mits:
1. ter
plaatse geen agrarische bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend;
2. de
woonfunctie wordt gerealiseerd binnen de bestaande oppervlakte van de op het
perceel aanwezige bebouwing;
3. erfbebouwing
in de vorm van silo’s, mestopslag, kassen, en dergelijke zal worden gesloopt;
b. de
bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Bedrijf –
1. de
uitoefening van de betreffende functie plaatsvindt binnen de bestaande
oppervlakte aan gebouwen en het bijbehorende erf;
2. erfbebouwing
in de vorm van silo’s, mestopslag, kassen, en dergelijke zullen worden
gesloopt;
3. de
betreffende functie qua aard en schaal is afgestemd op de verzorgingsfunctie
van de omringende kernen;
4. vestiging
niet leidt tot een duurzame ontwrichting van het in het betrokken gebied
bestaande voorzieningenpatroon in de desbetreffende sector, die niet door een
dringende reden wordt gerechtvaardigd;
5. de
bestaande woonfunctie bij het bedrijf gehandhaafd blijft;
6. het
geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of
vuurwerkbedrijven betreft.
3. 4.
2. Burgemeester
en wethouders kunnen ten behoeve van een functieverbreding het
bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a. de
aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - niet-grondgebonden agrarische
neventak”, ten behoeve van niet-grondgebonden agrarische neventakken wordt
aangebracht, mits:
1. de
niet-grondgebonden agrarische neventakken ten hoogste 40% van de oppervlakte
van het grondgebonden agrarisch bedrijf bedragen;
2. de
milieubelastingnormen, in het bijzonder ten aanzien van stankhinder, mestafzet
en ammoniakemissie in acht kunnen worden genomen;
b. de
aanduiding “specifieke vorm van bedrijf – niet agrarisch bedrijf”, ten behoeve
van niet-agrarische bedrijfsactiviteiten wordt aangebracht, mits:
1. de
niet agrarische bedrijfsactiviteiten ten hoogste 40% van de oppervlakte van het
grondgebonden agrarisch bedrijf bedragen;
2. de
uitoefening van de betreffende functie plaatsvindt binnen de bestaande
oppervlakte aan gebouwen en het bijbehorende erf;
3. de
betreffende functie qua aard en schaal is afgestemd op de verzorgingsfunctie
van de omringende kernen;
4. vestiging
niet leidt tot een duurzame ontwrichting van het in het betrokken gebied
bestaande voorzieningenpatroon in de desbetreffende sector, die niet door een
dringende reden wordt gerechtvaardigd;
5. indien
het een functieverandering naar een verblijfsrecreatieve functie betreft, de
verblijfsrecreatieve functie betrekking heeft op logiesverstrekking in de vorm
van recreatieve appartementen, een kampeerboerderij, een groepsverblijf of een
pension;
6. het
geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven
betreft;
c. de
aanduiding “kampeerterrein” wordt aangebracht, mits:
1. ten
hoogste 25 kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, per bouwperceel worden
geplaatst;
2. het
kamperen niet binnen de periode van 1 november tot 15 maart zal plaatsvinden;
3. het
kamperen direct aansluitend op de erven van de agrarische percelen zal
plaatsvinden;
4. sanitaire
voorzieningen zoveel mogelijk zullen worden ondergebracht in de bestaande
(agrarische) bebouwing;
5. het
perceel waarop gekampeerd zal worden op een afstand van ten minste
6. het
kamperen inpasbaar zal zijn in het landschap door eventueel (afhankelijk van
het landschapstype, open dan wel besloten) gebruik te maken van afschermende
erfbeplanting, waarbij de breedte van de erfbeplanting ten minste
7. de
situering, de omvang en het gebruik de kleinschaligheid van het kamperen
beogen.
3. 4.
3. Burgemeester
en wethouders kunnen ten behoeve van een verruiming van de bestaande functie
het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a. de
oppervlakte van een aangegeven bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van
een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits:
1. deze
wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast ten behoeve van de
uitoefening van de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
2. de
vergroting ten hoogste 25% van de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen;
3. de
afstand ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
b. de
oppervlakte van de aanduiding “bedrijfswoning” wordt vergroot dan wel de
ligging van de aanduiding “bedrijfswoning” wordt gewijzigd, mits:
1. de
oppervlakte van de aanduiding ten hoogste
2. de
afstand ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
3. de
geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende
voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
c. in
een aanduiding “maximale bouwhoogte (m)” een grotere bouwhoogte voor het bouwen
van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt aangegeven, mits:
-
de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten hoogste
d. de
aanduiding “karakteristiek” wordt aangebracht, indien door
verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde inzichten een niet als karakteristiek
aangeduid gebouw (weer) karakteristiek wordt.
3. 4.
4. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in de leden 3.4.1., 3.4.2. en
3.4.3. bedoelde wijzigingsbevoegdheden, mits:
a. ingeval
van de in lid 3.4.1. onder a. bedoelde wijzigingsbevoegdheid de te bouwen
woningen in overeenstemming zijn met het gemeentelijk en provinciaal
woningbouwbeleid;
b. er
sprake is van een goede landschappelijke inpassing van de bebouwing en de
gronden als één aaneengesloten geheel worden ingericht;
c. de
bestaande verkeersafwikkeling niet onevenredig zal worden belast en het
parkeren op het eigen terrein plaatsvindt;
d. de
geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende
voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
e. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 4: Agrarisch - Cultuurgrond
4. 1.
Bestemmingsomschrijving
De
voor ‘Agrarisch – Cultuurgrond’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
cultuurgrond;
b.
sloten, bermen en beplanting;
c. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het spoorwegverkeer op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding “geluidzone – spoor”;
d. het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een LPG-installatie, ter plaatse van de aanduiding “veiligheidszone - LPG”;
met
daaraan ondergeschikt:
e.
het behoud, het herstel en de
ontwikkeling van de landschappelijke waarden van het woudenlandschap, ter
plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch met waarden - woudenlandschap”;
f.
het behoud, het herstel en de
ontwikkeling van de landschappelijke waarden van het open landschap, indien de
gronden ter plaatse niet zijn aangeduid als “specifieke vorm van
agrarisch met waarden - woudenlandschap”;
g.
paden en kavelontsluitingswegen;
h.
groenvoorzieningen;
i.
parkeervoorzieningen;
j.
water;
k.
het recreatief medegebruik;
l.
waterhuishoudkundige voorzieningen;
m.
openbare nutsvoorzieningen;
met
de daarbijbehorende:
n.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
waaronder kunstwerken.
4. 2.
Bouwregels
4. 2. 1. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
4. 2. 2. Voor het bouwen van de in
lid 4.1. onder n. genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende
regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
4. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot
een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de
Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
- het gebruik van de gronden en bouwwerken voor het opslaan van mest.
4. 4.
Aanlegvergunning
4. 4. 1. Het is verboden zonder of in
afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders
(aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
uit te voeren:
a.
het aanplanten van bomen en/of
houtgewas, al dan niet ten behoeve van houtteelt over een oppervlakte van meer
dan
b.
het verharden van perceel- en/of
kavelontsluitingswegen met een grotere breedte dan
c.
het aanbrengen van
oppervlakteverhardingen, niet zijnde perceel- en/of kavelontsluitingswegen, met
een oppervlakte van meer dan
d.
het aanleggen van verharde en
halfverharde paden;
e.
het afgraven, ophogen of egaliseren
van gronden over een oppervlakte groter dan
f.
het aanleggen van voorzieningen ten
behoeve van het recreatief medegebruik;
g.
het graven, verdiepen, uitbaggeren,
dempen of verbreden van watergangen langs houtsingels, ter plaatse van de
aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden -
woudenlandschap";
h.
het graven of dempen van
watergangen, uitsluitend indien dit een wijziging van het kavelpatroon tot
gevolg heeft;
i.
het geheel of gedeeltelijk
verwijderen van dykswâlen.
4. 4. 2. Het bepaalde in lid 4.4.1.
is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden,
die:
a.
het normale onderhoud betreffen;
b.
reeds in uitvoering zijn op het
tijdstip van het van kracht worden van het plan;
c.
noodzakelijk zijn voor het
aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen.
4. 4. 3. De in lid 4.4.1. genoemde
vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt
gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden van de gronden.
4. 5.
Wijzigingsbevoegdheid
4. 5. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
de
bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Verkeer - Verblijf’, ‘Groen –
Groenvoorzieningen’, ‘Wonen - A1’, ‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’,
‘Wonen – A5’, ‘Wonen – A6’, ‘Wonen - B1’, ‘Wonen – B2’, ‘Wonen – B3’, ‘Wonen –
B4’, ‘Wonen – B5’, ‘Wonen – B6’, ‘Wonen - C1’, ‘Wonen – C2’, ‘Wonen – C3’,
‘Wonen – C4’, ‘Wonen – C5’, ‘Wonen – C6’, ‘Water -
1. deze
wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast, ter plaatse van de
aanduiding “Wro-zone – wijzigingsgebied
2. het
aantal woningen ten hoogste 23 zal bedragen;
3. de
hoofdontsluiting van het te realiseren woongebied geschiedt via de bestaande
weg De Jister;
4. de
te bouwen woningen in overeenstemming zijn met het gemeentelijk en provinciaal
woningbouwbeleid;
5. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
6. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden
4. 5. 2. Burgemeester en wethouders
kunnen ten behoeve van een functieverandering het bestemmingsplan wijzigen in
die zin dat:
a.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Agrarisch - Bedrijf
1.
er sprake is van een bestaand
volwaardig agrarisch bedrijf in omvang en oppervlakte grond dan wel van een
reële verwachting dat het bedrijf binnen redelijke termijn tot een volwaardige
omvang zal uitgroeien (reële agrarische bedrijfsvoering);
2.
de aanvrager zijn hoofdberoep heeft
in de landbouw;
3.
er sprake is van een zodanige
bedrijfsopzet dat het bedrijf ook op langere termijn perspectief biedt als
volwaardig bedrijf;
4.
de gezamenlijke oppervlakte van de
bouwvlakken ten hoogste
5.
de nieuwe bouwvlakken in de
onmiddellijke nabijheid van de bestaande bouwvlakken van het oorspronkelijke
agrarische bedrijf worden gesitueerd;
6.
bij vergroting van het bouwvlak de
noodzaak is aangetoond door middel van een bedrijfsplan, waarin het
ontwikkelingsperspectief van het agrarisch bedrijf voor minimaal 3 jaar is
aangegeven;
b.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming ‘Agrarisch - Bedrijf
1.
er sprake is van een bestaand
volwaardig agrarisch bedrijf in omvang en oppervlakte grond dan wel van een
reële verwachting dat het bedrijf binnen redelijke termijn tot een volwaardige
omvang zal uitgroeien (reële agrarische bedrijfsvoering);
2.
de aanvrager zijn hoofdberoep heeft
in de landbouw;
3.
er sprake is van een zodanige
bedrijfsopzet dat het bedrijf ook op langere termijn perspectief biedt als
volwaardig bedrijf;
4.
de gezamenlijke oppervlakte van de
bouwvlakken ten hoogste
5.
de wijziging plaatsvindt omdat het
bedrijf zich op de bestaande vestigingslocatie om milieuhygiënische of
bedrijfstechnische redenen niet of onvoldoende kan ontwikkelen. In dat geval
wordt in samenhang met de toe te passen wijzigingsbevoegdheid beoordeeld of de
bestemming van de huidige bedrijfslocatie dan wel de oppervlakte van het
bouwvlak geheel of gedeeltelijk dient te worden gewijzigd;
c.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Natuur –
1.
de wijziging passend is binnen het
rijks- en provinciale beleid aangaande de Ecologische Hoofdstructuur;
2.
de wijziging betrekking heeft op
gronden die:
met
betrekking tot de externe productieomstandigheden reeds beperkingen ondervinden
en/of die landbouwkundig beperkte gebruiksmogelijkheden hebben dan wel;
nodig
zijn voor de afronding van natuurgebieden dan wel;
liggen
in het traject van een ecologische verbindingszone;
3.
de betreffende gronden door een
natuurbeschermingsorganisatie zijn verworven;
4.
rekening wordt gehouden met
voorzienbare nieuwe infrastructuur, dorpsuitbreidingen en (uitbreiding van)
bedrijventerrein, zoals onder meer opgenomen in de Structuurvisie ‘Finster op
romte’;
d.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming ‘Bos’, mits:
1.
een afstand van ten minste
2.
indien het een wijziging in het
open landschap betreft, bosbouw tot een oppervlakte van ten hoogste
4. 5. 3. Burgemeester en wethouders
kunnen ten behoeve van een functieverbreding het bestemmingsplan wijzigen in
die zin dat:
a.
de aanduiding “kampeerterrein”
wordt aangebracht, mits:
1.
er sprake is van een bestaand
kampeerterrein bij een agrarisch bedrijf, waarop wordt aangesloten;
2.
deze wijzigingsbevoegdheid in
combinatie met de wijzigingsbevoegdheid genoemd in de bestemming ‘Agrarisch -
Bedrijf
3.
ten hoogste 25 kampeermiddelen,
niet zijnde stacaravans, per perceel worden geplaatst;
4.
het kamperen niet binnen de periode
van 1 november tot 15 maart zal plaatsvinden;
5.
het kamperen direct aansluitend op
de erven van de agrarische percelen zal plaatsvinden;
6.
sanitaire voorzieningen zoveel
mogelijk zullen worden ondergebracht in de bestaande (agrarische) bebouwing;
7.
het perceel waarop gekampeerd zal
worden op een afstand van ten minste
8.
het kamperen inpasbaar zal zijn in
het landschap door eventueel (afhankelijk van het landschapstype, open dan wel
besloten) gebruik te maken van afschermende erfbeplanting, waarbij de breedte
van de erfbeplanting ten minste
9.
de situering, de omvang en het
gebruik de kleinschaligheid van het kamperen beogen;
b.
de aanduiding “ijsbaan” wordt
aangebracht;
c.
de aanduiding “volkstuin” wordt
aangebracht.
4. 5. 4. Burgemeester en wethouders
kunnen ten behoeve van een verruiming van de bestaande functie het
bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de oppervlakte van een aangegeven
bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt
gewijzigd, mits:
1.
er sprake is van een bestaand
volwaardig agrarisch bedrijf in omvang en oppervlakte grond dan wel van een
reële verwachting dat het bedrijf binnen redelijke termijn tot een volwaardige
omvang zal uitgroeien (reële agrarische bedrijfsvoering);
2.
de aanvrager zijn hoofdberoep heeft
in de landbouw;
3.
er sprake is van een zodanige
bedrijfsopzet dat het bedrijf ook op langere termijn perspectief biedt als
volwaardig bedrijf;
4.
de vergroting ten hoogste 25% van
de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen, met dien verstande dat de
vergroting van het bouwvlak ten hoogste
b.
een nieuw bouwvlak wordt
aangegeven, mits:
1.
er sprake is van een bestaand
volwaardig agrarisch bedrijf in omvang en oppervlakte grond dan wel van een
reële verwachting dat het bedrijf binnen redelijke termijn tot een volwaardige
omvang zal uitgroeien (reële agrarische bedrijfsvoering);
2.
de aanvrager zijn hoofdberoep heeft
in de landbouw;
3.
er sprake is van een zodanige
bedrijfsopzet dat het bedrijf ook op langere termijn perspectief biedt als volwaardig
bedrijf;
4.
de oppervlakte ten hoogste
5.
een afstand van ten minste
c.
een aangegeven bouwvlak wordt
verwijderd.
4. 5. 5. Burgemeester en wethouders
kunnen toepassing geven aan de in de leden 4.5.2., 4.5.3. en 4.5.4. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden, mits:
a.
er sprake is van een goede
landschappelijke inpassing van de bebouwing en de gronden als één
aaneengesloten geheel worden ingericht;
b.
de bestaande verkeersafwikkeling
niet onevenredig zal worden belast en het parkeren op het eigen terrein
plaatsvindt;
c.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
d.
hierdoor geen onevenredige afbreuk
wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de
woonsituatie, de landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden,
de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
5. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf –
a.
gebouwen ten behoeve van:
1.
bedrijven die zijn genoemd in
bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 en bedrijven die naar de aard en de
invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn, met uitzondering van
geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of
vuurwerkbedrijven;
2.
een autoreparatiebedrijf, ter
plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf – autoreparatiebedrijf”;
b.
de opslag van lpg, ter plaatse van
de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf – opslag lpg”;
c.
een vulpunt voor lpg, ter plaatse
van de aanduiding “vulpunt lpg”;
d.
het tegengaan van een te hoog
veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een
LPG-installatie, ter plaatse van de aanduiding “veiligheidszone - lpg”;
met daaraan ondergeschikt:
e.
restauratieve voorzieningen;
f.
groenvoorzieningen;
g.
parkeervoorzieningen;
h.
speelvoorzieningen;
i.
wegen, straten en paden;
j.
water;
k.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
l.
tuinen, erven en terreinen;
m.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5. 2.
Bouwregels
5. 2.
1. Voor
het bouwen van de in lid 5.1. onder a. genoemde bedrijfsgebouwen gelden de
volgende regels:
a.
een gebouw zal binnen een bouwvlak
worden gebouwd;
b. ter plaatse van de aanduiding “maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)” zullen de goot- en bouwhoogte van een gebouw en het bebouwingspercentage van een bouwvlak ten hoogste de aangegeven hoogte respectievelijk het aangegeven percentage bedragen.
5. 2.
2. Voor
het bouwen van de in lid 5.1. onder m. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van masten, niet
zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten
hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen.
5. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals
bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval
gerekend:
a.
het gebruik van de in lid 5.1.
onder a. genoemde bedrijfsgebouwen voor bewoning;
b.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan die welke zijn genoemd in
bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 en bedrijven die naar de aard en de
invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn dan wel, indien de
gronden zijn voorzien van een aanduiding met een specifieke bedrijfstypering,
het gebruik van deze gronden en bouwwerken ten behoeve van andere dan deze c.q.
de in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 genoemde bedrijven;
c.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als horecabedrijf;
d.
het gebruik van de gronden bouwwerken ten
behoeve van detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel;
e.
het gebruik van de gronden en bouwwerken
ten behoeve van een verkooppunt van motorbrandstoffen;
f.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van opslag van LPG, tenzij de gronden ter plaatse zijn
aangeduid als “specifieke vorm van bedrijf – opslag lpg”;
g.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van een vulpunt voor LPG, tenzij de gronden ter plaatse
zijn aangeduid als “vulpunt lpg”.
5. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
5. 4.
1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de oppervlakte van een aangegeven
bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt
gewijzigd, mits:
1.
de vergroting ten hoogste 25% van
de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen;
2.
de afstand ten opzichte van de
zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
b. in een aanduiding "maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)" een andere goothoogte, een andere bouwhoogte en/of een (ander) bebouwingspercentage wordt aangegeven, mits:
1.
de goothoogte van een gebouw ten
hoogste
2.
de bouwhoogte van een gebouw ten
hoogste
3.
het bebouwingspercentage van het
bouwperceel ten hoogste 80% zal bedragen;
c.
de aanduiding “specifieke vorm van
bedrijf – autoreparatiebedrijf”, “specifieke vorm van bedrijf – opslag lpg”
en/of “vulpunt lpg” wordt verwijderd, mits:
-
de betreffende functie ter plaatse
is beëindigd;
d.
in een aanduiding “maximale
bouwhoogte (m)” een grotere bouwhoogte voor het bouwen van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, wordt aangegeven, mits:
-
de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten hoogste
e.
de aanduiding “karakteristiek”
wordt aangebracht, indien door verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde
inzichten een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek
wordt;
f.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen - A1’, ‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen –
A5’, ‘Wonen – A6’, ‘Wonen - A7’, ‘Wonen - B1’, ‘Wonen – B2’, ‘Wonen – B3’,
‘Wonen – B4’, ‘Wonen – B5’, ‘Wonen – B6’, ‘Wonen - B7’, ‘Wonen - C1’, ‘Wonen –
C2’, ‘Wonen – C3’, ‘Wonen – C4’, ‘Wonen – C5’, ‘Wonen – C6’, ‘Wonen - C7’ en/of
‘Tuin’, mits:
1.
ter plaatse geen bedrijf meer wordt
uitgeoefend;
2.
de te bouwen woningen in
overeenstemming zijn met het gemeentelijk en provinciaal woningbouwbeleid;
3.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
g. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Wonen - Woongebouw’, mits:
1.
ter plaatse geen bedrijf meer wordt
uitgeoefend;
2.
de bouwhoogte van een woongebouw
ten hoogste
3.
de te bouwen woningen in
overeenstemming zijn met het gemeentelijk en provinciaal woningbouwbeleid;
4.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde.
5. 4.
2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 5.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
6. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf –
a. gebouwen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1, 2 en 3 en bedrijven die naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;
met daaraan ondergeschikt:
b.
restauratieve voorzieningen;
c.
groenvoorzieningen;
d.
parkeervoorzieningen;
e.
speelvoorzieningen;
f.
wegen, straten en paden;
g.
water;
h.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
i.
tuinen, erven en terreinen;
j.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
6. 2.
Bouwregels
6. 2.
1. Voor
het bouwen van de in lid 6.1. onder a. genoemde bedrijfsgebouwen gelden de
volgende regels:
a.
een gebouw zal binnen een bouwvlak
worden gebouwd;
b. ter plaatse van de aanduiding “maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)” zullen de goot- en bouwhoogte van een gebouw en het bebouwingspercentage van een bouwvlak ten hoogste de aangegeven hoogte respectievelijk het aangegeven percentage bedragen.
6. 2.
2. Voor
het bouwen van de in lid 6.1. onder j. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van masten, niet
zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten
hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen.
6. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld
in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a.
het gebruik van de in lid 6.1.
onder a. genoemde bedrijfsgebouwen voor bewoning;
b.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan die welke zijn genoemd in
bijlage 1 onder de categorieën 1 t/m 3 en bedrijven die naar de aard en de
invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn dan wel, indien de
gronden zijn voorzien van een aanduiding met een specifieke bedrijfstypering,
het gebruik van deze gronden en bouwwerken ten behoeve van andere dan deze c.q.
de in bijlage 1 onder de categorieën 1 t/m 3 genoemde bedrijven;
c.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als horecabedrijf;
d. het gebruik van de gronden bouwwerken ten behoeve van detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel;
e.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van een verkooppunt van motorbrandstoffen.
6. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
6. 4.
1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de oppervlakte van een aangegeven
bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt
gewijzigd, mits:
1.
de vergroting ten hoogste 25% van
de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen;
2.
de afstand ten opzichte van de
zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
b. in een aanduiding "maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)" een andere goothoogte, een andere bouwhoogte en/of een (ander) bebouwingspercentage wordt aangegeven, mits:
1.
de goothoogte van een gebouw ten
hoogste
2.
de bouwhoogte van een gebouw ten
hoogste
3.
het bebouwingspercentage van het
bouwperceel ten hoogste 80% zal bedragen;
c.
in een aanduiding “maximale
bouwhoogte (m)” een grotere bouwhoogte voor het bouwen van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, wordt aangegeven, mits:
-
de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten hoogste
d.
de aanduiding “karakteristiek” wordt
aangebracht, indien door verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde
inzichten een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek
wordt;
e.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen - A1’, ‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen –
A5’, ‘Wonen – A6’, ‘Wonen - A7’, ‘Wonen - B1’, ‘Wonen – B2’, ‘Wonen – B3’,
‘Wonen – B4’, ‘Wonen – B5’, ‘Wonen – B6’, ‘Wonen - B7’, ‘Wonen - C1’, ‘Wonen –
C2’, ‘Wonen – C3’, ‘Wonen – C4’, ‘Wonen – C5’, ‘Wonen – C6’, ‘Wonen - C7’, ‘Water
-
1.
ter plaatse geen bedrijf meer wordt
uitgeoefend;
2.
de te bouwen woningen in
overeenstemming zijn met het gemeentelijk en provinciaal woningbouwbeleid;
3. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
f. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Wonen - Woongebouw’, mits:
1.
ter plaatse geen bedrijf meer wordt
uitgeoefend;
2.
de bouwhoogte van een woongebouw
ten hoogste
3.
de te bouwen woningen in
overeenstemming zijn met het gemeentelijk en provinciaal woningbouwbeleid;
4.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde.
6. 4.
2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 6.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel
7:
Bedrijf – Nutsbedrijf,
nutsvoorziening
7. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf – Nutsbedrijf, nutsvoorziening’
aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
gebouwen voor het openbaar nut,
zoals transformatorgebouwen, gebouwen voor de gasvoorziening, en naar de aard
daarmee gelijk te stellen gebouwen;
met daaraan ondergeschikt:
b.
groenvoorzieningen;
c.
parkeervoorzieningen;
d.
wegen, straten en paden;
e.
water;
met de daarbijbehorende:
f.
erven en terreinen;
g.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7. 2.
Bouwregels
7. 2.
1. Voor
het bouwen van de in lid 7.1. onder a. genoemde gebouwen gelden de volgende
regels:
a.
een gebouw zal binnen een bouwvlak
worden gebouwd;
b.
de bouwhoogte van een gebouw zal
ten hoogste
7. 2.
2. Voor
het bouwen van de in lid 7.1. onder g. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
7. 3.
Wijzigingsbevoegdheid
7. 3.
1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de bestemming wordt gewijzigd in de
aangrenzende bestemming(en) ‘Groen – Groenvoorzieningen’, ‘Tuin’, ‘Verkeer –
b.
de aanduiding “karakteristiek”
wordt aangebracht, indien door verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde
inzichten een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek
wordt.
7. 3.
2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 7.3.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel
8:
Bedrijf - Verkooppunt van
motorbrandstoffen
8. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf - Verkooppunt van motorbrandstoffen’
aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
gebouwen ten behoeve van:
1.
een verkooppunt van
motorbrandstoffen, inclusief LPG, ter plaatse van de aanduiding “verkooppunt
motorbrandstoffen met lpg”;
2.
detailhandel in bijbehorende
accessoires en benodigdheden voor motorvoertuigen en weggebonden artikelen;
3.
een autowasinrichting;
b.
een afleverzuil LPG, ter plaatse
van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf - afleverzuil lpg”;
c.
het tegengaan van een te hoog
veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een
LPG-installatie , ter plaatse van de aanduiding “veiligheidszone - lpg”;
met daaraan ondergeschikt:
d.
groenvoorzieningen;
e.
parkeervoorzieningen;
f.
wegen, straten en paden;
g.
water;
h.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
i.
tuinen, erven en terreinen;
j.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
8. 2.
Bouwregels
8. 2.
1. Voor
het bouwen van de in lid 8.1. onder a. genoemde gebouwen gelden de volgende
regels:
a.
een gebouw zal binnen een bouwvlak
worden gebouwd;
b. ter plaatse van de aanduiding “maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)” zullen de goot- en bouwhoogte van een gebouw en het bebouwingspercentage van een bouwvlak ten hoogste de aangegeven hoogte respectievelijk het aangegeven percentage bedragen.
8. 2.
2. Voor
het bouwen van de in lid 8.1. onder j. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van masten, niet
zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten
hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen.
8. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals
bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval
gerekend:
a.
het gebruik van de in lid 8.1.
onder a. genoemde bedrijfsgebouwen voor bewoning;
b.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken voor detailhandel, tenzij:
1.
het betreft detailhandel in
motorbrandstoffen, bijbehorende accessoires, benodigdheden voor motorvoertuigen
en weggebonden artikelen, zodanig dat de gezamenlijke verkoopvloeroppervlakte
ten hoogste
2.
het betreft detailhandel in de vorm
van weggebonden voedings- en genotmiddelen, kranten, tijdschriften en
snijbloemen, zodanig dat deze detailhandelsfunctie ten hoogste
c.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als verkooppunt voor LPG, tenzij de gronden ter plaatse zijn
aangeduid als “verkooppunt motorbrandstoffen met lpg”;
d.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van de opslag van LPG;
e.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als vulpunt van LPG;
f.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als afleverzuil LPG, tenzij de gronden ter plaatse zijn aangeduid
als “specifieke vorm van bedrijf - afleverzuil lpg”;
g.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken voor de opslag en verkoop van vuurwerk;
h.
het gebruik van de gronden en bouwwerken
ten behoeve van bedrijfsdoeleinden;
i.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als horecabedrijf.
8. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
8. 4.
1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de oppervlakte van een aangegeven
bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt
gewijzigd, mits:
1.
de vergroting ten hoogste 25% van
de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen;
2.
de afstand ten opzichte van de
zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
b.
de aanduidingen “verkooppunt
motorbrandstoffen met lpg”, en “specifieke vorm van bedrijf – afleverzuil lpg”
worden verwijderd, mits:
- de betreffende functie ter plaatse is beëindigd;
c. in een aanduiding "maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)" een andere goothoogte, een andere bouwhoogte en/of een (ander) bebouwingspercentage wordt aangegeven, mits:
1.
de goothoogte van een gebouw ten
hoogste
2.
de bouwhoogte van een gebouw ten
hoogste
3.
het bebouwingspercentage van het
bouwperceel ten hoogste 80% zal bedragen;
d.
in een aanduiding “maximale
bouwhoogte (m)” een grotere bouwhoogte voor het bouwen van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, wordt aangegeven, mits:
-
de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten hoogste
8. 4. 2. Burgemeester en wethouders
kunnen toepassing geven aan de in lid 8.4.1. bedoelde wijzigingsbevoegdheden
indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en
bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke
waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de verkeersveiligheid en
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel
9:
Bedrijventerrein - 2
9. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijventerrein –
a.
gebouwen ten behoeve van:
1.
bedrijven die zijn genoemd in
bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 en bedrijven die naar de aard en de
invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn, met uitzondering van
geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen,
vuurwerkbedrijven en/of bedrijven ten behoeve van persoonlijke dienstverlening;
2.
een bouw- en aannemersbedrijf, ter
plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf – bouw- en
aannemersbedrijf”;
b.
bedrijfswoningen en de
daarbijbehorende gebouwen en overkappingen, ter plaatse van de aanduiding
“bedrijfswoning”;
met daaraan ondergeschikt:
c.
restauratieve voorzieningen;
d.
groenvoorzieningen;
e.
parkeervoorzieningen;
f.
speelvoorzieningen;
g.
wegen, straten en paden;
h.
water;
i.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
j.
tuinen, erven en terreinen;
k.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
9. 2. Bouwregels
9. 2.
1. Voor
het bouwen van de in lid 9.1. onder a. genoemde bedrijfsgebouwen gelden de
volgende regels:
a.
een gebouw zal binnen een bouwvlak
worden gebouwd;
b.
de afstand van een gebouw tot de
weg zal ten minste
c. ter plaatse van de aanduiding “maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)” zullen de goot- en bouwhoogte van een gebouw en het bebouwingspercentage van een bouwvlak ten hoogste de aangegeven hoogte respectievelijk het aangegeven percentage bedragen, met dien verstande dat:
- de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen ten minste 30% van het binnen het bouwvlak gelegen gedeelte van het bouwperceel zal bedragen, tenzij in het bouwvlak een afwijkend bebouwingspercentage voor gebouwen is aangegeven.
9. 2.
2. Voor
het bouwen van de in lid 9.1. onder b. genoemde bedrijfswoningen en de
daarbijbehorende gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
a. een bedrijfswoning zal worden gebouwd, ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning”;
b.
het aantal bedrijfswoningen zal ten
hoogste één per bedrijf bedragen;
c.
voor inpandige bedrijfswoningen
zijn de regels van lid 9.2.1. van overeenkomstige toepassing;
d.
voor niet-inpandige
bedrijfswoningen gelden, ter plaatse van de aanduiding “specifieke
bouwaanduiding - a” de volgende regels:
1.
de goothoogte van een bedrijfswoning zal ten
hoogste
2.
de bouwhoogte van een
bedrijfswoning zal ten hoogste
3.
de dakhelling van een
bedrijfswoning zal ten hoogste 60° bedragen;
e.
de andere gebouwen ten dienste van de
(bedrijfs)woonfunctie zullen binnen een bouwvlak en bij een op hetzelfde
bouwperceel gelegen bedrijfswoning worden gebouwd;
f.
de goothoogte van andere gebouwen
ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie zal ten hoogste
g.
de bouwhoogte van andere gebouwen
ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie zal ten hoogste
h.
de bouwhoogte van overkappingen ten
dienste van de (bedrijfs)woonfunctie zal ten hoogste
i.
de gezamenlijke oppervlakte van
andere gebouwen en overkappingen ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie zal
ten hoogste 30% van de oppervlakte van het erf, met een maximum van
j.
de oppervlakte van een vrijstaand
gebouw ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie zal ten hoogste
tenzij de gronden ter plaatse zijn aangeduid als
“oppervlakte (m²)” en/of “maximale bouwhoogte (m)”, in welk geval de
gezamenlijke oppervlakte en/of de bouwhoogte van andere gebouwen en
overkappingen ten dienste van de (bedrijfs)woonfunctie ten hoogste de in die aanduiding
aangegeven oppervlakte en/of bouwhoogte zal bedragen.
9. 2.
3. Voor
het bouwen van de in lid 9.1. onder k. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van masten, niet
zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten
hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen.
9. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals
bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval
gerekend:
a.
het gebruik van de in lid 9.1.
onder a. genoemde bedrijfsgebouwen voor bewoning, tenzij de gronden zijn
aangeduid als “bedrijfswoning” in welk geval een bedrijfswoning is toegestaan;
b.
het gebruik van andere gebouwen ten
dienste van de (bedrijfs) woonfunctie dan de bedrijfswoning voor zelfstandige
bewoning;
c.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan welke zijn genoemd in bijlage
1 onder de categorieën 1 en 2 en bedrijven die naar de aard en de invloed op de
omgeving daarmee gelijk te stellen zijn dan wel, indien de gronden zijn
voorzien van een aanduiding met een specifieke bedrijfstypering, het gebruik
van deze gronden en bouwwerken ten behoeve van andere dan deze c.q. de in
bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 genoemde bedrijven;
d.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als horecabedrijf;
e.
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten
behoeve van detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel;
f.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van een verkooppunt van motorbrandstoffen.
9. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
9. 4.
1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
in een aanduiding “maximale goot-,
bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)” een andere goothoogte, een
andere bouwhoogte en/of een (ander) bebouwingspercentage wordt aangegeven,
mits:
1.
de goothoogte van een gebouw ten
hoogste
2.
de bouwhoogte van een gebouw ten
hoogste
3.
het bebouwingspercentage van het bouwperceel
ten hoogste 80% zal bedragen;
b.
de oppervlakte van de aanduiding
“bedrijfswoning” wordt vergroot dan wel de ligging van de aanduiding
“bedrijfswoning” wordt gewijzigd, mits:
1.
de oppervlakte van de aanduiding
ten hoogste
2.
de afstand ten opzichte van de
zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
3.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
c.
de aanduiding “bedrijfswoning” wordt
verwijderd;
d.
de aanduiding “specifieke vorm van
bedrijf – bouw- en aannemersbedrijf” wordt verwijderd, mits:
-
de betreffende functie ter plaatse
is beëindigd;
e.
in een aanduiding “maximale
bouwhoogte (m)” een grotere bouwhoogte voor het bouwen van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, wordt aangegeven, mits:
-
de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten hoogste
f.
de aanduiding “karakteristiek”
wordt aangebracht, indien door verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde
inzichten een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek
wordt.
9. 4.
2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 9.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel
10:
Groen - Groenvoorzieningen
10. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Groen – Groenvoorzieningen’ aangewezen gronden
zijn bestemd voor:
a.
groenvoorzieningen;
b.
bermen en beplanting;
c.
paden;
d.
water;
e. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het spoorwegverkeer op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding “geluidzone – spoor”;
met daaraan ondergeschikt:
f.
een geluidwal, ter plaatse van de
aanduiding “geluidwal”;
g.
het recreatief medegebruik;
h.
geluidwerende voorzieningen;
i.
wegen en straten;
j.
tuinen;
k.
parkeervoorzieningen;
l.
speelvoorzieningen;
m.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
n.
verhardingen;
o.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
waaronder kunstobjecten.
10. 2.
Bouwregels
10. 2. 1. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
10.
2. 2. Voor
het bouwen van de in lid 10.1. onder o. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van masten, niet
zijnde antennemasten, en palen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
c.
er zullen geen windturbines worden
gebouwd.
10. 3.
Aanlegvergunning
10.
3. 1. Het
is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van
burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen
bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
-
het verwijderen van geluidwerende
voorzieningen.
10.
3. 2. Het
bepaalde in de leden 10.3.1. is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken
zijnde, of werkzaamheden, die:
a.
het normale onderhoud betreffen;
b.
reeds in uitvoering zijn op het
tijdstip van het van kracht worden van het plan.
10.
3. 3. De
in lid 10.3.1. genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien er geen
verslechtering van de geluidssituatie optreedt.
10. 4. Wijzigingsbevoegdheid
10.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen - A1’, ‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen –
A5’, ‘Wonen – A6’, ‘Wonen - A7’, ‘Wonen - B1’, ‘Wonen – B2’, ‘Wonen – B3’,
‘Wonen – B4’, ‘Wonen – B5’, ‘Wonen – B6’, ‘Wonen - B7’, ‘Wonen - C1’, ‘Wonen – C2’,
‘Wonen – C3’, ‘Wonen – C4’, ‘Wonen – C5’, ‘Wonen – C6’, ‘Wonen - C7’, ‘Water -
1.
deze wijzigingsbevoegdheid
uitsluitend wordt toegepast, ter plaatse van de aanduiding “Wro-zone –
wijzigingsgebied
2.
het aantal woningen ten hoogste 4
zal bedragen;
3.
de te bouwen woningen in
overeenstemming zijn met het gemeentelijk en provinciaal woningbouwbeleid;
4.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
b.
een nieuw bouwvlak wordt
aangegeven, mits:
-
de oppervlakte ten hoogste
c.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming ‘Bedrijf - Nutsbedrijf, nutsvoorziening’ ten behoeve van de bouw van
transformatiehuisjes en gasdruk- en regelstations, mits:
-
de oppervlakte ten hoogste
d.
een aangegeven bouwvlak wordt
verwijderd.
10.
4. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 10.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel
11:
Maatschappelijk - Begraafplaats
11. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Maatschappelijk – Begraafplaats’ aangewezen
gronden zijn bestemd voor:
a.
een begraafplaats;
b.
gebouwen ten behoeve van onderhoud
en beheer van een begraafplaats;
met
daaraan ondergeschikt:
c.
groenvoorzieningen;
d.
parkeervoorzieningen;
e.
wegen, straten en paden;
f.
water;
g.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
h.
tuinen, erven en terreinen;
i.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
waaronder (graf)monumenten, gedenktekens en kunstobjecten.
11. 2.
Bouwregels
11.
2. 1. Voor
het bouwen van de in lid 11.1. onder b. genoemde gebouwen gelden de volgende
regels:
a.
het aantal gebouwen zal ten hoogste
2 bedragen;
b.
de gezamenlijke oppervlakte van de
gebouwen zal ten hoogste
c.
de bouwhoogte van een gebouw zal
ten hoogste
11.
2. 2. Voor
het bouwen van de in lid 11.1. onder i. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
-
de bouwhoogte van masten, palen,
gedenktekens en kunstobjecten ten hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen.
11. 3.
Wijzigingsbevoegdheid
11.
3. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
een nieuw bouwvlak ten behoeve van
een uitvaartcentrum wordt aangegeven, mits:
-
de oppervlakte ten hoogste
b.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming ‘Bedrijf – Nutsbedrijf, nutsvoorziening’ ten behoeve van de bouw van
transformatiehuisjes en gasdruk- en regelstations, mits:
-
de oppervlakte ten hoogste
c.
een aangegeven bouwvlak wordt
verwijderd.
11.
3. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 11.3.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 12: Maatschappelijk - Religie
12. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Maatschappelijk – Religie’ aangewezen gronden
zijn bestemd voor:
a.
gebouwen ten behoeve van
levensbeschouwelijke voorzieningen;
met daaraan ondergeschikt:
b.
restauratieve voorzieningen;
c.
groenvoorzieningen;
d.
parkeervoorzieningen;
e.
speelvoorzieningen;
f.
wegen, straten en paden;
g.
water;
h.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
i.
tuinen, erven en terreinen;
j.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
12.
2.
Bouwregels
12.
2. 1. Voor
het bouwen van de in lid 12.1. onder a. genoemde gebouwen gelden de volgende
regels:
a.
een gebouw zal binnen een bouwvlak
worden gebouwd;
b. ter plaatse van de aanduiding “maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)” zullen de goot- en bouwhoogte van een gebouw, met uitzondering van een kas en een torensilo, en het bebouwingspercentage van een bouwvlak ten hoogste de aangegeven hoogte respectievelijk het aangegeven percentage bedragen.
12.
2. 2. Voor
het bouwen van de in lid 12.1. onder j. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen
zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van masten, niet
zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten
hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen.
12.
3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a.
het gebruik van de in lid 12.1.
onder a. genoemde gebouwen voor bewoning;
b.
het gebruik van andere gebouwen ten
dienste van de (bedrijfs)woonfunctie dan de bedrijfswoning voor zelfstandige
bewoning;
c.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden;
d.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als horecabedrijf;
e.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van detailhandel.
12.
4.
Wijzigingsbevoegdheid
12.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Maatschappelijk- Medisch’, ‘Maatschappelijk – Onderwijs’,
‘Maatschappelijk – Openbare dienstverlening’, ‘Maatschappelijk – Opvangcentrum’
en/of ‘Maatschappelijk – Sociaal-cultuureel’, mits:
1.
de betreffende functie op een
adequate wijze wordt ontsloten;
2.
er voldoende parkeergelegenheden in
het gebied aanwezig zijn;
b.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen - A1’, ‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen –
A5’, ‘Wonen – A6’, ‘Wonen - B1’, ‘Wonen – B2’, ‘Wonen – B3’, ‘Wonen – B4’,
‘Wonen – B5’, ‘Wonen – B6’, ‘Wonen - C1’, ‘Wonen – C2’, ‘Wonen – C3’, ‘Wonen –
C4’, ‘Wonen – C5’, ‘Wonen – C6’, ‘Tuin’ en/of ‘Verkeer – Verblijf’, alsmede de
oppervlakte van het (de) bouwvlak(ken) wordt vergroot dan wel de ligging van
een (de) aangegeven bouwvlak(ken) wordt gewijzigd, mits:
1.
de te bouwen woningen in
overeenstemming zijn met het gemeentelijk en provinciaal woningbouwbeleid;
2.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
3.
rekening wordt gehouden met de
structuur en het karakter van de omgeving (dorpskern, dorpsuitlopers of
landelijk gebied) en de oppervlakte, de ligging en de afmetingen van de
gebouwen op de aangrenzende bouwpercelen;
c.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming ‘Wonen - Woongebouw’, alsmede de oppervlakte van het (de)
bouwvlak(ken) wordt vergroot dan wel de ligging van een (de) aangegeven
bouwvlak(ken) wordt gewijzigd, mits:
1.
de bouwhoogte van een woongebouw
ten hoogste
2.
de vergroting ten hoogste 25% van
de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen;
3.
de te bouwen woningen in
overeenstemming zijn met het gemeentelijk en provinciaal woningbouwbeleid;
4.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
5.
rekening wordt gehouden met de
structuur en het karakter van de omgeving (dorpskern, dorpsuitlopers of
landelijk gebied) en de oppervlakte, de ligging en de afmetingen van de
gebouwen op de aangrenzende bouwpercelen;
d.
de oppervlakte van een aangegeven
bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt
gewijzigd, mits:
- de vergroting ten hoogste 25% van de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen;
e. in een aanduiding "maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)" een andere goothoogte, een andere bouwhoogte en/of een (ander) bebouwingspercentage wordt aangegeven, mits:
1.
de goothoogte van een gebouw ten
hoogste
2.
de bouwhoogte van een gebouw ten
hoogste
3.
het bebouwingspercentage van het
bouwperceel ten hoogste 80% zal bedragen;
f.
in een aanduiding “maximale
bouwhoogte (m)” een grotere bouwhoogte voor het bouwen van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, wordt aangegeven, mits:
-
de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten hoogste
g.
de aanduiding “karakteristiek”
wordt aangebracht, indien door verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde
inzichten een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek
wordt.
12.
4. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 12.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
13. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
tuinen;
b.
erkers;
c. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het spoorwegverkeer op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding “geluidzone – spoor”;
d.
het tegengaan van een te hoog
veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een
LPG-installatie , ter plaatse van de aanduiding “veiligheidszone - lpg”;
met daaraan ondergeschikt:
e.
groenvoorzieningen;
f.
parkeervoorzieningen;
g.
speelvoorzieningen;
h.
wegen, straten en paden;
i.
water;
j.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
k.
erven en verhardingen;
l.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
13. 2.
Bouwregels
13.
2. 1. Voor
het bouwen van erkers gelden de volgende regels:
a.
een erker zal ten hoogste
b.
de afstand van een erker tot de
zijdelingse bouwperceelgrens zal ten minste
1.
er sprake is van twee aaneen te
bouwen erkers voor twee afzonderlijke, aaneen gebouwde woonhuizen;
2.
er sprake is van een hoekerker of
een erker aan de zijgevel van een gebouw, in welk geval de afstand tot de
zijdelingse bouwperceel-grens ten minste
c.
een erker zal ten hoogste over 50%
van de voorgevel worden gebouwd;
d.
de oppervlakte van een erker zal
ten hoogste
13.
2. 2. Voor
het bouwen van de in lid 13.1. onder l. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van masten, niet
zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten
hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van bouwwerken,
geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven bouwhoogte
zal bedragen.
13. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden;
b.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
c.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als horecabedrijf.
13. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
13.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
-
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen - A1’, ‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen –
A5’, ‘Wonen – A6’, ‘Wonen - A7’, ‘Wonen - B1’, ‘Wonen – B2’, ‘Wonen – B3’, ‘Wonen
– B4’, ‘Wonen – B5’, ‘Wonen – B6’, ‘Wonen - B7’, ‘Wonen - C1’, ‘Wonen – C2’,
‘Wonen – C3’, ‘Wonen – C4’, ‘Wonen – C5’, ‘Wonen – C6’ en/of ‘Wonen - C7’,
alsmede nieuwe bouwvlakken worden aangebracht, mits:
1.
de wijzigingsbevoegdheid met
betrekking tot het aanbrengen van nieuwe bouwvlakken uitsluitend betrekking
heeft op een wijziging van de oorspronkelijke voorbouwgrens ten behoeve van een
veranderende situering van het woonhuis;
2.
de oppervlakte van het bouwvlak
niet groter wordt dan ten hoogste de oppervlakte van het oorspronkelijke
bouwvlak;
3.
gebouwen en overkappingen die
buiten een bouwvlak mogen worden gebouwd, niet voor de voorbouwgrens worden
gebouwd;
4.
de gezamenlijke oppervlakte van
gebouwen en overkappingen buiten een bouwvlak per bouwperceel ten hoogste
5.
de afstand ten opzichte van de
zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
6.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
7.
rekening wordt gehouden met de
structuur en het karakter van de omgeving (dorpskern, dorpsuitlopers of
landelijk gebied) en de oppervlakte, de ligging en de afmetingen van de
gebouwen op de aangrenzende bouwpercelen.
13.
4. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 13.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
14. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Verkeer –
a.
ontsluitingswegen en -straten;
b.
paden;
c.
parkeervoorzieningen en
carpoolplaatsen;
d.
bermen en beplanting;
e. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het spoorwegverkeer op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding “geluidzone – spoor”;
f.
het tegengaan van een te hoog
veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een
LPG-installatie , ter plaatse van de aanduiding “veiligheidszone - lpg”;
waarbij gestreefd wordt naar een inrichting
hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het verkeer;
met daaraan ondergeschikt:
g.
geluidwerende voorzieningen;
h.
groenvoorzieningen;
i.
tuinen, erven en terreinen;
j.
water;
k.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
l.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
waaronder kunstwerken.
14. 2.
Bouwregels
14. 2. 1. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
14.
2. 2. Voor
het bouwen van de in lid 14.1. onder l. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van palen en masten
ten hoogste
2.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het
verkeer ten hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen;
b.
er zullen geen windturbines worden
gebouwd.
14. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
- het inrichten van het bestemmingsvlak in afwijking van het (de) aangegeven dwarsprofiel(en).
14. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
14.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
een ander dwarsprofiel wordt
aangegeven, mits:
-
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
b.
een nieuw bouwvlak wordt
aangegeven, mits:
-
de oppervlakte ten hoogste
c.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming ‘Bedrijf – Nutsbedrijf, nutsvoorziening’, ten behoeve van de bouw
van transformatiehuisjes en gasdruk- en regelstations, mits:
-
de oppervlakte ten hoogste
d.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming ‘Verkeer – Verblijf’, mits:
1.
de functie van de betreffende weg
is gewijzigd;
2.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
e.
in een aanduiding “maximale
bouwhoogte (m)” een grotere bouwhoogte voor het bouwen van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, wordt aangegeven, mits:
1.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het
verkeer ten hoogste
2.
de bouwhoogte van andere
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste
14.
4. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 14.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 15:
Verkeer - Verblijf
15. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Verkeer – Verblijf’ aangewezen gronden zijn
bestemd voor:
a.
(woon)straten en pleinen;
b.
paden;
c.
parkeervoorzieningen;
met daaraan ondergeschikt:
d.
het recreatief medegebruik;
e.
groenvoorzieningen;
f.
speelvoorzieningen;
g.
water;
h.
tuinen, erven en terreinen;
i.
terrassen;
j.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
k.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
waaronder kunstwerken.
15. 2.
Bouwregels
15.
2. 1. Op
of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
15.
2. 2. Voor
het bouwen van de in lid 15.1. onder k. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van palen en masten
ten hoogste
2.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het
verkeer ten hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen;
b.
er zullen geen windturbines worden
gebouwd.
15. 3.
Wijzigingsbevoegdheid
15.
3. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
een nieuw bouwvlak wordt
aangegeven, mits:
-
de oppervlakte ten hoogste
b.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming ‘Bedrijf - Nutsbedrijf, nutsvoorziening’ ten behoeve van de bouw van
transformatiehuisjes en gasdruk- en regelstations, mits:
-
de oppervlakte ten hoogste
c.
de bestemming wordt gewijzigd in de
aangrenzende bestemmingen ‘Groen – Groenvoorzieningen’ of ‘Tuin’, mits:
-
de geluidsbelasting van geluidsgevoelige
objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde
hogere grenswaarde;
d.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming ‘Verkeer -
1.
de functie van de betreffende weg
is gewijzigd;
2.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
e.
in een aanduiding “maximale
bouwhoogte (m)” een grotere bouwhoogte voor het bouwen van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, wordt aangegeven, mits:
1.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het
verkeer ten hoogste
2.
de bouwhoogte van andere
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste
15.
3. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 15.3.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
16. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Water -
a.
sloten, vaarten, kanalen, meren en
plassen, en daarmee gelijk te stellen waterlopen en waterpartijen, al dan niet
voor verkeer en vervoer te water;
b.
kaden en oevers;
c.
aanleggelegenheid;
d.
de waterhuishouding;
e.
het behoud, het herstel en de
ontwikkeling van de natuurlijke waarden;
met daaraan ondergeschikt:
f.
het recreatief medegebruik;
g.
groenvoorzieningen;
h.
paden;
i.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
j.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
waaronder kunstwerken.
16. 2.
Bouwregels
16.
2. 1. Op
of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
16.
2. 2. Voor
het bouwen van de in lid 16.1. onder j. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van palen en masten
ten hoogste
2.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het
verkeer op het water ten hoogste
3.
de bouwhoogte van kunstwerken ten
hoogste
4.
de bouwhoogte van
aanleggelegenheden, anders dan aan- en afmeersteigers, ten hoogste
5.
de oppervlakte van een
aanleggelegenheid, anders dan aan- en afmeersteigers, ten hoogste
b.
er zullen geen windturbines worden
gebouwd.
16. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a.
het gebruik van de gronden als
(permanente) liggelegenheid voor (recreatie)vaartuigen;
b.
het gebruik van de gronden als
ligplaats voor woonschepen;
c.
het gebruik van de gronden als
ligplaats voor recreatiewoonschepen.
16. 4. Aanlegvergunning
16. 4. 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
a. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
b. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik;
c. het graven of dempen van watergangen.
16. 4. 2. Het bepaalde in lid 16.4.1. is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, die:
a. het normale onderhoud betreffen;
b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
c. noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen.
16. 4. 3. De in lid 16.4.1. genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden van de gronden.
16. 5.
Wijzigingsbevoegdheid
16.
5. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de gronden worden voorzien van de
aanduiding “steiger" of "specifieke vorm van recreatie -
liggelegenheid (recreatie)vaartuigen";
b.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het
verkeer op het water ten hoogste
16.
5. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 16.5.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
17. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Water –
a.
sloten, tochten, vaarten, vijvers
en poelen, en daarmee gelijk te stellen waterlopen en waterpartijen;
b.
kaden en oevers;
c.
aanleggelegenheid;
d.
de waterhuishouding;
met daaraan ondergeschikt:
e.
het behoud, het herstel en de
ontwikkeling van de landschappelijke waarden van het open landschap;
f.
het behoud, het herstel en de
ontwikkeling van de natuurlijke waarden;
g.
het recreatief medegebruik;
h.
groenvoorzieningen;
i.
paden;
j.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
k. bouwwerken,
geen gebouwen zijnde, waaronder kunstwerken.
17. 2.
Bouwregels
17.
2. 1. Op
of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
17.
2. 2. Voor
het bouwen van de in lid 17.1. onder k. genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van
aanleggelegenheden ten hoogste
2.
de oppervlakte van een
aanleggelegenheid ten hoogste
3.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het
verkeer ten hoogste
4.
de bouwhoogte van kunstwerken ten
hoogste
b.
er zullen geen aan- en
afmeersteigers worden gebouwd;
c.
er zullen geen windturbines worden
gebouwd.
17. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
- het gebruik van de gronden als (permanente) liggelegenheid of ligplaats voor (recreatie)vaartuigen of (recreatie)woonschepen.
17. 4. Aanlegvergunning
17. 4. 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
a. het aanbrengen van bomen en opgaande beplanting;
b. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
c. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik;
d. het graven of dempen van waterlopen en/of waterpartijen.
17. 4. 2. Het bepaalde in lid 17.4.1. is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, die:
a. het normale onderhoud betreffen;
b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
c. noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen.
17. 4. 3. De in lid 17.4.1. genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde van de gronden voor de waterhuishouding.
17. 5.
Wijzigingsbevoegdheid
17.
5. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
-
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het
verkeer op het water ten hoogste
17.
5. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 17.5.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 18: Wonen - A1 (vrijstaande woningen)
18. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen - A1’ aangewezen gronden zijn bestemd
voor:
a.
gebouwen en overkappingen ten
behoeve van:
1. het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
2. het wonen in combinatie met:
a.
winkels, ter plaatse van de
aanduiding “detailhandel”;
b.
bedrijven die zijn genoemd in
bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 en bedrijven die naar de aard en de
invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn, met uitzondering van geluidszoneringsplichtige
inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven, ter plaatse van
de aanduiding “bedrijf tot en met categorie
c. dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen, ter plaatse van de aanduiding “dienstverlening”;
b. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het spoorwegverkeer op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding “geluidzone – spoor”;
c. het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een LPG-installatie , ter plaatse van de aanduiding “veiligheidszone - lpg”;
waarbij, ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek”,
de bestaande karakteristieke hoofdvorm zoveel mogelijk in stand wordt gehouden;
met daaraan ondergeschikt:
b.
groenvoorzieningen;
c.
parkeervoorzieningen;
d.
speelvoorzieningen;
e.
wegen, straten en paden;
f.
water;
g.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
h.
tuinen, erven en verhardingen;
i.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
18. 2.
Bouwregels
18.
2. 1. Bouwen
van gebouwen binnen een bouwvlak
Voor het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak gelden
de volgende regels:
a.
het aantal woonhuizen per bouwvlak
zal ten hoogste één bedragen;
b.
de gebouwen zullen met ten minste
60% van de breedte van de voorgevel in de voorbouwgrens worden gebouwd;
c.
de goot- en bouwhoogte zal ten
hoogste
-
de goothoogte binnen een afstand
van
18.
2. 2. Bouwen
van gebouwen en overkappingen buiten een bouwvlak
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten een
bouwvlak gelden de volgende regels:
a.
de goot- en bouwhoogte van
niet-vrijstaande gebouwen zal ten hoogste
1.
de goothoogte van gebouwen binnen
een afstand van
2.
de goothoogte van gebouwen binnen
een afstand van
b.
de goot- en bouwhoogte van een
vrijstaand gebouw zal ten hoogste 3 respectievelijk
c.
de bouwhoogte van overkappingen zal
ten hoogste
d.
de gezamenlijke oppervlakte van de
gebouwen en overkappingen per bouwperceel zal ten hoogste 30% van de
oppervlakte van het erf, met een maximum van
e.
de oppervlakte van een vrijstaand
gebouw zal ten hoogste
tenzij de gronden ter plaatse zijn aangeduid als
“maximum bebouwd oppervlak (m²)”, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte van
andere gebouwen en overkappingen ten dienste van de woonfunctie ten hoogste de
in die aanduiding aangegeven oppervlakte zal bedragen.
18.
2. 3. Bouwen
van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van de in lid 18.1. onder i. genoemde
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van masten, niet
zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten
hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen.
18. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a.
het gebruik van vrijstaande
gebouwen buiten het bouwvlak als zelfstandige woning;
b.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van detailhandel, tenzij de gronden ter plaatse zijn
aangeduid als “detailhandel”;
c.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden, tenzij de gronden ter plaatse
zijn aangeduid als “bedrijf tot en met categorie
d.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als horecabedrijf;
e.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, zodanig
dat de beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 30% van de totale
gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het
bouwperceel, met dien verstande dat deze oppervlakte niet meer bedraagt dan
18. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
18.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen – A2’. ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen – A5’ en/of
‘Wonen - A6’;
b.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen – B1’, ‘Wonen – B2’, ‘Wonen – B3’, ‘Wonen – B4’, ‘Wonen –
B5’ en/of ‘Wonen - B6’, mits:
1.
de oppervlakte van het bouwvlak
tenminste
2.
de te bouwen tweede woning in
overeenstemming is met het gemeentelijk en provinciaal woningbouwbeleid;
3.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
4.
het parkeren ten behoeve van de
woningen op het eigen erf plaatsvindt;
5.
de woningen op een adequate wijze
worden ontsloten;
c.
de oppervlakte van een aangegeven
bouwvlak in combinatie met de oppervlakte van gebouwen en overkappingen buiten
een bouwvlak wordt vergroot, mits:
1.
de oppervlakte van het bouwvlak ten
hoogste 25% van de oppervlakte van het bouwperceel zal bedragen, met een
maximum van
2.
het bebouwingspercentage van het
erf ten hoogste 30% zal bedragen, met een maximum van
3.
de oppervlakte van een vrijstaand
gebouw ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bouwperceel zal bedragen, met
een maximum van
4.
de afstand ten opzichte van de
zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
5.
geen onevenredige afbreuk wordt
gedaan aan de stedenbouwkundige uitgangspunten van het gebied, waarbij met name
rekening wordt gehouden met de structuur en het karakter van de omgeving
(dorpskern, dorpsuitlopers of landelijk gebied) en de oppervlakte, de ligging
en de afmetingen van de gebouwen op de aangrenzende bouwpercelen;
6.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
d.
de ligging van een aangegeven
bouwvlak wordt gewijzigd, mits:
1.
de oppervlakte van het bouwvlak
niet groter wordt dan ten hoogste
2.
de afstand ten opzichte van de
zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
3.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
e.
de aanduiding “karakteristiek”
wordt aangebracht, indien door verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde
inzichten een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek
wordt;
f.
de aanduiding “karakteristiek”
geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, mits:
1.
de karakteristieke hoofdvorm niet
langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan
worden hersteld;
2.
de karakteristieke hoofdvorm in
zijn geheel redelijkerwijs niet te handhaven is in relatie tot de functie die
het gebouw moet of uitsluitend nog kan vervullen.
18.
4. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 18.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 19:
Wonen - A3 (vrijstaande woningen)
19. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen - A3’ aangewezen gronden zijn bestemd
voor:
a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
b. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het spoorwegverkeer op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding “geluidzone – spoor”;
met daaraan ondergeschikt:
c.
groenvoorzieningen;
d.
parkeervoorzieningen;
e.
speelvoorzieningen;
f.
wegen, straten en paden;
g.
water;
h.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
i.
tuinen, erven en verhardingen;
j.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
19. 2.
Bouwregels
19.
2. 1. Bouwen
van gebouwen binnen een bouwvlak
Voor het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak gelden
de volgende regels:
a.
het aantal woonhuizen zal per
bouwvlak ten hoogste één bedragen;
b.
de gebouwen zullen met ten minste
60% van de breedte van de voorgevel in de voorbouwgrens worden gebouwd;
c.
de goot- en bouwhoogte zal ten
hoogste
-
de goothoogte binnen een afstand
van
19.
2. 2. Bouwen
van gebouwen en overkappingen buiten een bouwvlak
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten een
bouwvlak gelden de volgende regels:
a.
de goot- en bouwhoogte van
niet-vrijstaande gebouwen zal ten hoogste
1.
de goothoogte van gebouwen binnen
een afstand van
2.
de goothoogte van gebouwen binnen
een afstand van
b.
de goot- en bouwhoogte van een
vrijstaand gebouw zal ten hoogste 3 respectievelijk
c.
de bouwhoogte van overkappingen zal
ten hoogste
d.
de gezamenlijke oppervlakte van de
gebouwen en overkappingen per bouwperceel zal ten hoogste 30% van de
oppervlakte van het erf, met een maximum van
e.
de oppervlakte van een vrijstaand
gebouw zal ten hoogste
tenzij de gronden ter plaatse zijn aangeduid als
“maximum bebouwd oppervlak (m²)”, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte van
andere gebouwen en overkappingen ten dienste van de woonfunctie ten hoogste de
in die aanduiding aangegeven oppervlakte zal bedragen.
19.
2. 3. Bouwen
van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van de in lid 19.1. onder j. genoemde
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van masten, niet
zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten
hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen.
19. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a.
het gebruik van vrijstaande
gebouwen buiten het bouwvlak als zelfstandige woning;
b.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van detailhandel, tenzij de gronden ter plaatse zijn
aangeduid als “detailhandel”;
c.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden;
d.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als horecabedrijf;
e.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, zodanig
dat de beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 30% van de totale
gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het
bouwperceel, met dien verstande dat deze oppervlakte niet meer bedraagt dan
19. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
19.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen – A1’, ‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen – A5’ en/of
‘Wonen - A6’;
b.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen – B1’, ‘Wonen – B2’, ‘Wonen – B3’, ‘Wonen – B4’, ‘Wonen –
B5’ en/of ‘Wonen - B6’, mits:
1.
de oppervlakte van het bouwvlak
tenminste
2.
de te bouwen tweede woning in
overeenstemming is met het gemeentelijk en provinciaal woningbouwbeleid;
3.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
4.
het parkeren ten behoeve van de
woningen op het eigen erf plaatsvindt;
5.
de woningen op een adequate wijze
worden ontsloten;
c.
de oppervlakte van een aangegeven bouwvlak
in combinatie met de oppervlakte van gebouwen en overkappingen buiten een
bouwvlak wordt vergroot, mits:
1.
de oppervlakte van het bouwvlak ten
hoogste 25% van de oppervlakte van het bouwperceel zal bedragen, met een
maximum van
2.
het bebouwingspercentage van het
erf ten hoogste 30% zal bedragen, met een maximum van
3.
de oppervlakte van een vrijstaand
gebouw ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bouwperceel zal bedragen, met
een maximum van
4.
de afstand ten opzichte van de zijdelingse
bouwperceelgrens ten minste
5.
geen onevenredige afbreuk wordt
gedaan aan de stedenbouwkundige uitgangspunten van het gebied, waarbij met name
rekening wordt gehouden met de structuur en het karakter van de omgeving
(dorpskern, dorpsuitlopers of landelijk gebied) en de oppervlakte, de ligging
en de afmetingen van de gebouwen op de aangrenzende bouwpercelen;
6.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
d.
de ligging van een aangegeven
bouwvlak wordt gewijzigd, mits:
1.
de oppervlakte van het bouwvlak
niet groter wordt dan ten hoogste
2.
de afstand ten opzichte van de
zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
3.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
e.
de aanduiding “karakteristiek”
wordt aangebracht, indien door verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde inzichten
een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek wordt.
19. 4. 2. Burgemeester en wethouders
kunnen toepassing geven aan de in lid 19.4.1. bedoelde wijzigingsbevoegdheden
indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en
bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke
waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de verkeersveiligheid en
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 20:
Wonen -
A5 (vrijstaande woningen)
20. 1. Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen - A5’ aangewezen gronden zijn bestemd
voor:
a. gebouwen
en overkappingen ten behoeve van:
1. het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
2. het wonen in combinatie met:
a. winkels,
ter plaatse van de aanduiding “detailhandel”;
b. dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen, ter plaatse van de aanduiding “dienstverlening”;
waarbij, ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek”,
de bestaande karakteristieke hoofdvorm zoveel mogelijk in stand wordt gehouden;
met daaraan ondergeschikt:
b. groenvoorzieningen;
c. parkeervoorzieningen;
d. speelvoorzieningen;
e. wegen,
straten en paden;
f.
water;
g. openbare
nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
h. tuinen,
erven en verhardingen;
i.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
20. 2. Bouwregels
20.
2. 1. Bouwen
van gebouwen binnen een bouwvlak
Voor het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak gelden
de volgende regels:
a. het
aantal woonhuizen zal per bouwvlak ten hoogste één bedragen;
b. de
gebouwen zullen met ten minste 60% van de breedte van de voorgevel in de
voorbouwgrens worden gebouwd;
c. de
goot- en bouwhoogte zal ten hoogste
20.
2. 2. Bouwen
van gebouwen en overkappingen buiten een bouwvlak
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten een
bouwvlak gelden de volgende regels:
a. de
goot- en bouwhoogte van niet-vrijstaande gebouwen zal ten hoogste
1. de
goothoogte van gebouwen binnen een afstand van
2. de
goothoogte van gebouwen binnen een afstand van
b. de
goot- en bouwhoogte van een vrijstaand gebouw zal ten hoogste 3 respectievelijk
c. de
bouwhoogte van overkappingen zal ten hoogste
d. de
gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen en overkappingen per bouwperceel zal
ten hoogste 30% van de oppervlakte van het erf, met een maximum van
e. de
oppervlakte van een vrijstaand gebouw zal ten hoogste
tenzij de gronden ter plaatse zijn aangeduid als
“maximum bebouwd oppervlak (m²)”, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte van
andere gebouwen en overkappingen ten dienste van de woonfunctie ten hoogste de
in die aanduiding aangegeven oppervlakte zal bedragen.
20.
2. 3. Bouwen
van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van de in lid 20.1. onder i. genoemde
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
a. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste
b. de
bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1. de
bouwhoogte van masten, niet zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2. de
bouwhoogte van antennemasten ten hoogste
tenzij de aanduiding “maximale
bouwhoogte” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven bouwhoogte zal
bedragen.
20. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a. het
gebruik van vrijstaande gebouwen buiten het bouwvlak als zelfstandige woning;
b. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, tenzij de
gronden ter plaatse zijn aangeduid als “detailhandel”;
c. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden, tenzij
de gronden ter plaatse zijn aangeduid als “bedrijf tot en met categorie
d. het
gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijf;
e. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een beroeps- of
bedrijfsactiviteit aan huis, zodanig dat de beroeps- c.q.
bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt dan
-
30% van de totale gezamenlijke
begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, of
-
tenzij de gronden ter plaatse zijn aangeduid als “dienstverlening”.
20. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
20.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a. de
bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Wonen – A1’, ‘Wonen – A2’,
‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’ en/of ‘Wonen - A6’;
b. de
bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Wonen – B1’, ‘Wonen – B2’,
‘Wonen – B3’, ‘Wonen – B4’, ‘Wonen – B5’ en/of ‘Wonen - B6’, mits:
1. de
oppervlakte van het bouwvlak tenminste
2. de
te bouwen tweede woning in overeenstemming is met het gemeentelijk en
provinciaal woningbouwbeleid;
3. de
geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende
voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
4. het
parkeren ten behoeve van de woningen op het eigen erf plaatsvindt;
5. de
woningen op een adequate wijze worden ontsloten;
c. de
oppervlakte van een aangegeven bouwvlak in combinatie met de oppervlakte van
gebouwen en overkappingen buiten een bouwvlak wordt vergroot, mits:
1. de
oppervlakte van het bouwvlak ten hoogste 25% van de opper-vlakte van het
bouwperceel zal bedragen, met een maximum van
2. het
bebouwingspercentage van het erf ten hoogste 30% zal bedra-gen, met een maximum
van
3. de
oppervlakte van een vrijstaand gebouw ten hoogste 10% van de oppervlakte van
het bouwperceel zal bedragen, met een maximum van
4. de
afstand ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
5. geen
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige uitgangspunten van
het gebied, waarbij met name rekening wordt gehouden met de structuur en het
karakter van de omgeving (dorpskern,
dorpsuitlopers of landelijk gebied) en de oppervlakte, de ligging en de afmetingen van de gebouwen op
de aangrenzende bouwpercelen;
6. de
geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende
voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
d. de
ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits:
1. de
oppervlakte van het bouwvlak niet groter wordt dan ten hoogste
2. de
afstand ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
3. de
geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende
voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
e. de
aanduiding “karakteristiek” wordt aangebracht, indien door
verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde inzichten, een niet als
karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek wordt;
f.
de aanduiding “karakteristiek”
geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, mits:
1. de
karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende
wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld;
2. de
karakteristieke hoofdvorm in zijn geheel redelijkerwijs niet te handhaven is in
relatie tot de functie die het gebouw moet of uitsluitend nog kan vervullen.
20.
4. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 20.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 21:
Wonen - A7 (vrijstaande woningen boerderijtypen)
21. 1.
Bestemmingsomschrijving
De
voor ‘Wonen - A7’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. gebouwen
en overkappingen ten behoeve van:
1. het
wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een beroeps- of
bedrijfsactiviteit aan huis;
2. het
wonen in combinatie met:
a. winkels,
ter plaatse van de aanduiding “detailhandel”;
b.
bedrijven die zijn genoemd in
bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 en bedrijven die naar de aard en de
invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn, met uitzondering van
geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of
vuurwerkbedrijven, ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie
c. dienstverlenende
bedrijven en/of dienstverlenende instellingen, ter plaatse van de aanduiding
“dienstverlening”;
d. een
houtbewerkingbedrijf, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van
bedrijf – houtbewerkingbedrijf”;
b. het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten vanwege een LPG-installatie , ter plaatse van de aanduiding “veiligheidszone - lpg”;
waarbij,
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek”, de bestaande karakteristieke hoofdvorm
zoveel mogelijk in stand wordt gehouden;
met
daaraan ondergeschikt:
c. groenvoorzieningen;
d. parkeervoorzieningen;
e. speelvoorzieningen;
f.
wegen, straten en paden;
g. water;
h. openbare
nutsvoorzieningen;
met
de daarbijbehorende:
i.
tuinen, erven en verhardingen;
j.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
21. 2.
Bouwregels
21. 2. 1. Bouwen van gebouwen binnen
een bouwvlak
Voor
het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak gelden de volgende regels:
a. het
aantal woonhuizen zal per bouwvlak ten hoogste één bedragen;
b. de
gebouwen zullen met ten minste 60% van de breedte van de voorgevel in de
voorbouwgrens worden gebouwd;
c. de
goot- en bouwhoogte zal ten hoogste
-
de goothoogte binnen een afstand
van
21. 2. 2. Bouwen van gebouwen en
overkappingen buiten een bouwvlak
Voor
het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten een bouwvlak gelden de volgende
regels:
a. de
goot- en bouwhoogte van niet-vrijstaande gebouwen zal ten hoogste
1. de
goothoogte van gebouwen binnen een afstand van
2. de
goothoogte van gebouwen binnen een afstand van
b. de
goot- en bouwhoogte van een vrijstaand gebouw zal ten hoogste 3 respectievelijk
c. de
bouwhoogte van overkappingen zal ten hoogste
d. de
gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen en overkappingen per bouwperceel zal
ten hoogste 30% van de oppervlakte van het erf, met een maximum van
e. de
oppervlakte van een vrijstaand gebouw zal ten hoogste
tenzij
de gronden ter plaatse zijn aangeduid als “maximum bebouwd oppervlak (m²)”, in
welk geval de gezamenlijke oppervlakte van andere gebouwen en overkappingen ten
dienste van de woonfunctie ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
oppervlakte zal bedragen.
21. 2. 3. Bouwen van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde
Voor
het bouwen van de in lid 21.1. onder j. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste
b. de
bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1. de
bouwhoogte van masten, niet zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2. de
bouwhoogte van antennemasten ten hoogste
tenzij
de aanduiding “maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de
bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die
aanduiding aangegeven bouwhoogte zal bedragen.
21. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a. het
gebruik van vrijstaande gebouwen buiten het bouwvlak als zelfstandige woning;
b. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, tenzij de
gronden ter plaatse zijn aangeduid als “detailhandel”;
c. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden, tenzij
de gronden ter plaatse zijn aangeduid als “bedrijf tot en met categorie
d. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een agrarisch bedrijf, tenzij de gronden zijn voorzien van de aanduiding “agrarisch bedrijf”, in welk geval activiteiten ten behoeve van een agrarisch bedrijf zijn toegestaan;
e. het
gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijf;
f.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, zodanig
dat de beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 30% van de totale
gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het
bouwperceel, met dien verstande dat deze oppervlakte niet meer bedraagt dan
21. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
21. 4. 1. Burgemeester en wethouders
kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a. de
bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Bedrijf –
1. deze
wijzigingsbevoegdheid uitsluitend van toepassing is ten behoeve van een
functieverandering van het gehele oorspronkelijke boerderijpand welke gelegen
is in een dorpsuitloper of binnen het landelijk gebied;
2. de
uitoefening van de betreffende functie plaatsvindt binnen de bestaande
oppervlakte aan gebouwen en het bijbehorende erf;
3. de
betreffende functie qua aard en schaal is afgestemd op de verzorgingsfunctie
van de omringende kernen;
4. vestiging
niet leidt tot een duurzame ontwrichting van het in het betrokken gebied
bestaande voorzieningenpatroon in de desbetreffende sector, die niet door een
dringende reden wordt gerechtvaardigd;
5. de
bestaande woonfunctie bij het bedrijf gehandhaafd blijft;
6. het
geen geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of
vuurwerkbedrijven betreft;
b. de
bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Wonen – A1’, ‘Wonen – A2’,
‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen – A5’ en/of ‘Wonen - A6’;
c. de
bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Wonen – B1’, ‘Wonen – B2’,
‘Wonen – B3’, ‘Wonen – B4’, ‘Wonen – B5’ ‘Wonen - B6’ en/of ‘Wonen – B7’, mits:
1. de
oppervlakte van het bouwvlak ten minste
2. de
te bouwen tweede woning in overeenstemming is met het gemeentelijk en
provinciaal woningbouwbeleid;
3. de
geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende
voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
4. het
parkeren ten behoeve van de woningen op het eigen erf plaatsvindt;
5. de
woningen op een adequate wijze worden ontsloten;
d. de
oppervlakte van een aangegeven bouwvlak in combinatie met de oppervlakte van
gebouwen en overkappingen buiten een bouwvlak wordt vergroot, mits:
1. de
oppervlakte van het bouwvlak ten hoogste 25% van de oppervlakte van het
bouwperceel zal bedragen, met een maximum van
2. het
bebouwingspercentage van het erf ten hoogste 30% zal bedragen, met een maximum
van
3. de
oppervlakte van een vrijstaand gebouw ten hoogste 10% van de oppervlakte van
het bouwperceel zal bedragen, met een maximum van
4. de
afstand ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
5. geen
onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige uitgangspunten van
het gebied, waarbij met name rekening wordt gehouden met de structuur en het
karakter van de omgeving (dorpskern, dorpsuitlopers of landelijk gebied) en de
oppervlakte, de ligging en de afmetingen van de gebouwen op de aangrenzende
bouwpercelen;
6. de
geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende
voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
e. de
ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits:
1. de
oppervlakte van het bouwvlak niet groter wordt dan ten hoogste
2. de
afstand ten opzichte van de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
3. de
geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende
voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
f.
de aanduiding “karakteristiek”
wordt aangebracht, indien door verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde
inzichten een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek
wordt;
g. de
aanduiding “karakteristiek” geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, mits:
1. de
karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende
wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld;
2. de
karakteristieke hoofdvorm in zijn geheel redelijkerwijs niet te handhaven is in
relatie tot de functie die het gebouw moet of uitsluitend nog kan vervullen.
21. 4. 2. Burgemeester en wethouders
kunnen toepassing geven aan de in lid 21.4.1. bedoelde wijzigingsbevoegdheden
indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en
bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke
waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de verkeersveiligheid en
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 22:
Wonen – B1 (twee onder één kap)
22. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen - B1’ aangewezen gronden zijn bestemd
voor:
a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
met daaraan ondergeschikt:
b.
groenvoorzieningen;
c.
parkeervoorzieningen;
d.
speelvoorzieningen;
e.
wegen, straten en paden;
f.
water;
g.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
h.
tuinen, erven en verhardingen;
i.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
22. 2.
Bouwregels
22.
2. 1. Bouwen
van gebouwen binnen een bouwvlak
Voor het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak gelden
de volgende regels:
a.
het aantal woonhuizen zal per
bouwvlak ten hoogste twee bedragen;
b.
de gebouwen zullen met ten minste
60% van de breedte van de voorgevel in de voorbouwgrens worden gebouwd;
c.
de goot- en bouwhoogte zal ten
hoogste
-
de goothoogte binnen een afstand
van
22.
2. 2. Bouwen
van gebouwen en overkappingen buiten een bouwvlak
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten een
bouwvlak gelden de volgende regels:
a.
de goot- en bouwhoogte van
niet-vrijstaande gebouwen zal ten hoogste
1.
de goothoogte van gebouwen binnen
een afstand van
2.
de goothoogte van gebouwen binnen
een afstand van
b.
de goot- en bouwhoogte van een
vrijstaand gebouw zal ten hoogste 3 respectievelijk
c.
de bouwhoogte van overkappingen zal
ten hoogste
d.
de gezamenlijke oppervlakte van de
gebouwen en overkappingen per bouwperceel zal ten hoogste 40% van de
oppervlakte van het erf, met een maximum van
e.
de oppervlakte van een vrijstaand
gebouw zal ten hoogste
tenzij de gronden ter plaatse zijn aangeduid als
“maximum bebouwd oppervlak (m²)”, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte van
andere gebouwen en overkappingen ten dienste van de woonfunctie ten hoogste de
in die aanduiding aangegeven oppervlakte zal bedragen.
22.
2. 3. Bouwen
van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van de in lid 22.1. onder i. genoemde
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van masten, niet
zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten
hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen.
22. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a.
het gebruik van vrijstaande
gebouwen buiten het bouwvlak als zelfstandige woning;
b.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
c.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden;
d.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als horecabedrijf;
e.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, zodanig
dat de beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 30% van de totale
gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het
bouwperceel, met dien verstande dat deze oppervlakte niet meer bedraagt dan
22. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
22.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen – A1’, ‘Wonen – A2’, ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen –
A5’, ‘Wonen - A6’, ‘Wonen – B2’, ‘Wonen – B3’, ‘Wonen – B4’, ‘Wonen – B5’ en/of
‘Wonen - B6’;
b.
de oppervlakte van een aangegeven
bouwvlak in combinatie met de oppervlakte van gebouwen en overkappingen buiten
een bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak
wordt gewijzigd, mits:
1.
de oppervlakte van het bouwvlak ten
hoogste 30% van de oppervlakte van het bouwperceel zal bedragen met een maximum
van
2.
het bebouwingspercentage van het
erf ten hoogste 30% zal bedragen, met een maximum van
3.
de oppervlakte van een vrijstaand
gebouw ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bouwperceel zal bedragen, met
een maximum van
4.
de afstand ten opzichte van de zijdelingse
bouwperceelgrens ten minste
5.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
6.
geen onevenredige afbreuk wordt
gedaan aan de stedenbouwkundige uitgangspunten van het gebied, waarbij met name
rekening wordt gehouden met de structuur en het karakter van de omgeving
(dorpskern, dorpsuitlopers of landelijk gebied) en de oppervlakte, de ligging
en de afmetingen van de gebouwen op de aangrenzende bouwpercelen;
c.
de aanduiding “karakteristiek”
wordt aangebracht, indien door verbeterwerkzaamheden dan wel door veranderde
inzichten een niet als karakteristiek aangeduid gebouw (weer) karakteristiek
wordt.
22. 4. 2. Burgemeester en wethouders kunnen
toepassing geven aan de in lid 22.4.1. bedoelde wijzigingsbevoegdheden indien
hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en
bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke
waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de verkeersveiligheid en
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 23:
Wonen – C1 (rijenbouw, meer dan
twee aaneen)
23. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen - C1’ aangewezen gronden zijn bestemd
voor:
a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
met daaraan ondergeschikt:
b.
groenvoorzieningen;
c.
parkeervoorzieningen;
d.
speelvoorzieningen;
e.
wegen, straten en paden;
f.
water;
g.
openbare nutsvoorzieningen;
met de daarbijbehorende:
h.
tuinen, erven en verhardingen;
i.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
23. 2.
Bouwregels
23.
2. 1. Bouwen
van gebouwen binnen een bouwvlak
Voor het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak gelden
de volgende regels:
a.
de woonhuizen zullen aaneen worden
gebouwd;
b.
de gebouwen zullen met ten minste
60% van de breedte van de voorgevel in de voorbouwgrens worden gebouwd;
c.
de goot- en bouwhoogte zal ten
hoogste
-
de goothoogte binnen een afstand
van
23.
2. 2. Bouwen
van gebouwen en overkappingen buiten een bouwvlak
Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten een
bouwvlak gelden de volgende regels:
a.
de goot- en bouwhoogte van
niet-vrijstaande gebouwen zal ten hoogste
1.
de goothoogte van gebouwen binnen
een afstand van
2.
de goothoogte van gebouwen binnen
een afstand van
b.
de goot- en bouwhoogte van een
vrijstaand gebouw zal ten hoogste 3 respectievelijk
c.
de bouwhoogte van overkappingen zal
ten hoogste
d.
de gezamenlijke oppervlakte van de
gebouwen en overkappingen per bouwperceel zal ten hoogste 50% van de
oppervlakte van het erf, met een maximum van
e.
de oppervlakte van een vrijstaand
gebouw zal ten hoogste
tenzij de gronden ter plaatse zijn aangeduid als
“maximum bebouwd oppervlak (m²)”, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte van
andere gebouwen en overkappingen ten dienste van de woonfunctie ten hoogste de
in die aanduiding aangegeven oppervlakte zal bedragen.
23.
2. 3. Bouwen
van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van de in lid 23.1. onder i. genoemde
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
a.
de bouwhoogte van erf- en
terreinafscheidingen zal ten hoogste
b.
de bouwhoogte van de overige
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1.
de bouwhoogte van masten, niet
zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2.
de bouwhoogte van antennemasten ten
hoogste
tenzij de aanduiding
“maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de bouwhoogte van
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die aanduiding aangegeven
bouwhoogte zal bedragen.
23. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a.
het gebruik van vrijstaande
gebouwen buiten het bouwvlak als zelfstandige woning;
b.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
c.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden;
d.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als horecabedrijf;
e.
het gebruik van de gronden en
bouwwerken ten behoeve van een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, zodanig
dat de beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 30% van de totale
gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het
bouwperceel, met dien verstande dat deze oppervlakte niet meer bedraagt dan
23. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
23.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen – C2’, ‘Wonen – C3’, ‘Wonen – C4’, ‘Wonen – C5’ en/of
‘Wonen – C6’;
b.
de bestemming wordt gewijzigd in de
bestemming(en) ‘Wonen – A1’, ‘Wonen – A2’. ‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen –
A5’, ‘Wonen - A6’, ‘Wonen – B1’, ‘Wonen – B2’. ‘Wonen – B3’, ‘Wonen – B4’, ‘Wonen
– B5’ en/of ‘Wonen - B6’, mits:
-
geen onevenredige afbreuk wordt
gedaan aan de stedenbouwkundige uitgangspunten van het gebied, waarbij met name
wordt uitgegaan van de oppervlakte en de ligging van de gebouwen op de
aangrenzende bouwpercelen;
c.
de oppervlakte van een aangegeven
bouwvlak wordt vergroot dan wel de ligging van een aangegeven bouwvlak wordt
gewijzigd, mits:
1.
de vergroting ten hoogste 25% van
de oppervlakte van het bouwvlak zal bedragen;
2.
de afstand ten opzichte van de
zijdelingse bouwperceelgrens ten minste
3.
de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of
een vastgestelde hogere grenswaarde;
4.
geen onevenredige afbreuk wordt
gedaan aan de stedenbouwkundige uitgangspunten van het gebied, waarbij met name
wordt uitgegaan van de oppervlakte en de ligging van de gebouwen op de
aangrenzende bouwpercelen.
23.
4. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 23.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel
24:
Wonen - D1 (bouwstroken)
24. 1.
Bestemmingsomschrijving
De
voor ‘Wonen - D1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. gebouwen
en overkappingen ten behoeve van het wonen, al dan niet in combinatie met
ruimte voor een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
met
daaraan ondergeschikt:
b. groenvoorzieningen;
c. parkeervoorzieningen;
d. speelvoorzieningen;
e. wegen,
straten en paden;
f.
water;
g. openbare
nutsvoorzieningen;
met
de daarbijbehorende:
h. tuinen,
erven en verhardingen;
i.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
24. 2.
Bouwregels
24. 2. 1. Bouw van gebouwen en
overkappingen
a. de
gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen zal ten hoogste 75% van
de oppervlakte van het bouwperceel bedragen, met een maximum van
b. de
oppervlakte van een vrijstaand gebouw, niet zijnde het gebouw bedoeld in lid
24.2.2. onder a, zal per bouwperceel ten hoogste
24. 2. 2. Bouwen van gebouwen en
overkappingen binnen een bouwvlak
Voor
het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak gelden de volgende regels:
a. een
woonhuis zal met ten minste 60% van de breedte van de voorgevel in de
voorbouwgrens worden gebouwd;
b. het
maximaal aantal aaneen te bouwen woonhuizen, als bedoeld in sub a., zal ten
hoogste het ter plaatse van de aanduiding “maximum aantal aaneen te bouwen
wooneenheden” aangegeven aantal bedragen;
c. het
maximaal aantal woningen zal ten hoogste het ter plaatse van de aanduiding
“maximum aantal wooneenheden” aangegeven aantal bedragen;
d. in
afwijking van het bepaalde in sub a., zullen overige gebouwen en overkappingen
ten minste
e. de
goot- en bouwhoogte zal ten hoogste
1. de
goothoogte van het gebouw bedoeld in sub a., binnen een afstand van
2. de
goothoogte van een niet-vrijstaand gebouw, niet zijnde het gebouw bedoeld in
sub a., binnen een afstand van
3. de
goothoogte van een niet-vrijstaand gebouw, niet zijnde het gebouw bedoeld in
sub a., binnen een afstand van
f.
de goot- en bouwhoogte van een
vrijstaand gebouw, niet zijnde het gebouw bedoeld in sub a., zal ten hoogste 3
respectievelijk
g. de
bouwhoogte van een overkapping zal ten hoogste
24. 2. 3. Bouwen van gebouwen en
overkappingen buiten het bouwvlak
Voor
het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak gelden de
volgende regels:
a. de
gebouwen en overkappingen zullen ten minste
b. de
goot- en bouwhoogte van niet-vrijstaande gebouwen zal ten hoogste
1. de
goothoogte van gebouwen binnen een afstand van
2. de
goothoogte van gebouwen binnen een afstand van
c. de
goot- en bouwhoogte van een vrijstaand gebouw zal ten hoogste 3 respectievelijk
d. de
bouwhoogte van overkappingen zal ten hoogste
24.
2. 4. Bouwen
van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor
het bouwen van de in lid 24.1. onder i. genoemde bouwwerken, geen gebouwen
zijnde, gelden de volgende regels:
a. de
bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste
b. de
bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste
1. de
bouwhoogte van masten, niet zijnde antennemasten, en palen ten hoogste
2. de
bouwhoogte van antennemasten ten hoogste
tenzij
de aanduiding “maximale bouwhoogte (m)” is aangegeven, in welk geval de
bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de in die
aanduiding aangegeven bouwhoogte zal bedragen.
24. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a. het
gebruik van vrijstaande gebouwen, niet zijnde het gebouw als bedoeld in lid
24.2.2. onder a., als zelfstandige woning;
b. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
c. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijfsdoeleinden;
d. het
gebruik van de gronden en bouwwerken als horecabedrijf;
e. het
gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een beroeps- of
bedrijfsactiviteit aan huis, zodanig dat de beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte
meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de
aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat deze oppervlakte
niet meer bedraagt dan
24. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
24. 4. 1. Burgemeester en wethouders
kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a. de
bestemming wordt gewijzigd in de bestemming(en) ‘Wonen – A1’, ‘Wonen – A2’,
‘Wonen – A3’, ‘Wonen – A4’, ‘Wonen – A5’, ‘Wonen - A6’, ‘Wonen – B1’, ‘Wonen –
B2’, ‘Wonen – B3’, ‘Wonen – B4’, ‘Wonen – B5’, ‘Wonen - B6’, ‘ Wonen – C1’,
‘Wonen – C2’, ‘Wonen – C3’, ‘Wonen – C4’, ‘Wonen – C5’, ‘Wonen – C6’, ‘Wonen –
D2’, ‘Wonen – D3’, ‘Wonen – D4’, ‘Wonen – D5’ en/of ‘Wonen – D6’;
b. het
in een bouwvlak aangegeven maximaal aantal woningen wordt vergroot, mits:
-
de te bouwen woningen in
overeenstemming zijn met het gemeentelijk en provinciaal woningbouwbeleid;
c. het
in een bouwvlak aangegeven maximaal aantal aaneen te bouwen woonhuizen, als
bedoeld in lid 24.2.2 onder b., wordt vergroot;
d. de
ligging van een aangegeven bouwvlak wordt gewijzigd, mits:
1. de
aangegeven voorbouwgrens met ten hoogste
2. de
geluidsbelasting van de geluidsgevoelige gebouwen niet hoger is dan de geldende
voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde.
24. 4. 2. Burgemeester en wethouders
kunnen toepassing geven aan de in lid 24.4.1. bedoelde wijzigingsbevoegdheden
indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en
bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke- en
de archeologische waarden, de natuurwaarden, de verkeersveiligheid en de
gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 25: Leiding - Hoogspanningsverbinding
25. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ aangewezen
gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede
bestemd voor:
a.
een bovengrondse
hoogspanningsleiding;
met de daarbijbehorende:
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
25. 2.
Bouwregels
25.
2. 1. In
afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en), mogen
op of in deze gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden
gebouwd, anders dan ten behoeve van deze dubbelbestemming.
25.
2. 2. Op
of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
25.
2. 3. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:
-
de bouwhoogte van
hoogspanningsmasten zal ten hoogste
25. 3.
Specifieke
gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
- het aanbrengen van opgaande beplanting;
25. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
25.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de in de andere daar voorkomende bestemming(en)
toegelaten gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits:
1.
hierdoor geen onevenredige afbreuk
wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de
hoogspanningsleiding;
2.
vooraf advies wordt ingewonnen van
de leidingbeheerder;
b.
de dubbelbestemming ‘Leiding -
Hoogspanningsverbinding’ wordt verwijderd.
25.
4. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 25.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de
landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de
verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 26: Leiding – Riool
26. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Leiding – Riool’ aangewezen gronden zijn,
behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
a.
een rioolpersleiding;
met de daarbijbehorende:
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
26. 2.
Bouwregels
26.
2. 1. In
afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en), mogen
op of in deze gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden
gebouwd, anders dan ten behoeve van deze dubbelbestemming.
26.
2. 2. Op
of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
26.
2. 3. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:
-
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde zal ten hoogste
26. 3.
Aanlegvergunning
26.
3. 1. Het
is, in het gebied waarop deze bestemming betrekking heeft, verboden zonder of
in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders
(aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en
werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de
andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemming(en):
a.
het egaliseren en ophogen van
gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
b.
het uitvoeren van
graafwerkzaamheden dieper dan
c.
het in de grond brengen van
voorwerpen dieper dan
d.
het aanleggen van
oppervlakteverhardingen;
e.
het planten van bomen en het
aanbrengen van andere beplantingen, die dieper wortelen of kunnen wortelen dan
26.
3. 2. Het
bepaalde in lid 26.3.1. is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken
zijnde, of werkzaamheden die:
a.
het normale onderhoud betreffen;
b.
reeds in uitvoering zijn op het
tijdstip van het van kracht worden van het plan.
26.
3. 3. De
in lid 26.3.1. genoemde vergunning zal slechts worden verleend, indien geen
onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren
van de leiding.
26. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
26.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de in de andere daar voorkomende
bestemming(en) toegelaten gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden
gebouwd, mits:
1.
vooraf advies wordt ingewonnen van
de leidingbeheerder;
2.
geen onevenredige afbreuk zal
worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding;
b.
de dubbelbestemming ‘Leiding –
Riool’ wordt verwijderd.
26.
4. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 26.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan een veilig en doelmatig functioneren van de leiding.
27. 1.
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Leiding – Water’ aangewezen gronden zijn,
behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
a.
een hoofdwaterleiding;
met de daarbijbehorende:
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
27. 2.
Bouwregels
27.
2. 1. In
afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en) mogen
op of in deze gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden
gebouwd, anders dan ten behoeve van deze dubbelbestemming.
27.
2. 2. Op
of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
27.
2. 3. Voor
het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:
-
de bouwhoogte van bouwwerken, geen
gebouwen zijnde, zal ten hoogste
27. 3.
Aanlegvergunning
27.
3. 1. Het
is, in het gebied waarop deze bestemming betrekking heeft, verboden zonder of
in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders
(aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en
werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de
andere daar voorkomende bestemming(en):
a.
het egaliseren en ophogen van
gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
b.
het uitvoeren van
graafwerkzaamheden dieper dan
c.
het in de grond brengen van
voorwerpen dieper dan
d.
het aanleggen van
oppervlakteverhardingen;
e.
het planten van bomen en het
aanbrengen van andere beplantingen die dieper wortelen of kunnen wortelen dan
27.
3. 2. Het
bepaalde in lid 27.3.1. is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken
zijnde, of werkzaamheden die:
a.
het normale onderhoud betreffen;
b.
reeds in uitvoering zijn op het
tijdstip van het van kracht worden van het plan.
27.
3. 3. De
in lid 27.3.1. genoemde vergunning zal slechts worden verleend, indien geen
onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren
van de leiding.
27. 4.
Wijzigingsbevoegdheid
27.
4. 1. Burgemeester
en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
a.
de in de andere daar voorkomende
bestemming(en) toegelaten gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden
gebouwd, mits:
1.
vooraf advies wordt ingewonnen van
de leidingbeheerder;
2.
geen onevenredige afbreuk zal
worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding;
b.
de dubbelbestemming ‘Leiding –
Water’ wordt verwijderd.
27.
4. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 27.4.1. bedoelde
wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan
aan een veilig en doelmatig functioneren van de leiding.
Artikel 28: Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 29:
Algemene bouwregels
29. 1. Welstandscriteria
De
door het plan geboden ruimte ten aanzien van de situering en de maatvoering van
bouwwerken, kan nader worden ingevuld door de in artikel 12a van de Woningwet
bedoelde welstandscriteria.
29. 2. Horizontale windturbines
Er zullen geen
horizontale windturbines worden gebouwd, tenzij de gronden zijn bestemd als
‘Bedrijf –
29. 3.
Sloopvergunning
29. 3. 1. Ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning), gebouwen geheel of gedeeltelijk te slopen.
29. 3. 2. Het bepaalde in lid 29.3.1.
is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden die:
a.
het normale onderhoud betreffen;
b.
reeds in uitvoering zijn op het
tijdstip van het van kracht worden van het plan.
29. 3. 3. De in lid 29.3.1. genoemde
vergunning kan slechts worden verleend mits:
a.
de karakteristieke hoofdvorm niet
langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan
worden hersteld;
b.
de karakteristieke hoofdvorm in
redelijkheid niet is te handhaven;
c. het
delen van gebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan
te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de
karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
Artikel
30:
Algemene
gebruiksregels
Tot een gebruik strijdig met
de gegeven bestemmingen, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke
ordening, wordt in ieder geval gerekend:
a. het gebruik van de gronden voor het storten van puin en afvalstoffen;
b. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming(en) toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
c. het gebruik van de gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming(en) toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;;
d. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
Artikel 31:
Algemene aanduidingsregels
31. 1. Geluidzone - spoor
31. 1. 1. Bouwregels
Voor het bouwen van gebouwen geldt de volgende regel:
-
een op grond van de daar
voorkomende bestemming(en) toelaatbaar gebouw, of de uitbreiding daarvan, welke
aangemerkt kan worden als een geluidsgevoelig object, mag niet worden gebouwd.
31. 1. 2. Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze gebiedsaanduiding, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
-
het gebruik van
niet-geluidsgevoelige gronden en bouwwerken als geluidsgevoelig object.
31. 1. 3. Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
- het bepaalde in de leden 31.1.1. en 31.1.2. buiten toepassing blijft, teneinde ingevolge de daar voorkomende bestemming(en) toegelaten geluidsgevoelige objecten te kunnen bouwen of gebruiken, mits:
- de geluidsbelasting vanwege het spoorwegverkeer op de gevels van deze geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde.
31. 2. Veiligheidszone – lpg
31. 2. 1. Bouwregels
In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemming(en) mogen op in deze gronden geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd.
31. 2. 2. Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze gebiedsaanduiding, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
-
het gebruik van de gronden en
bouwwerken als kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object.
31. 2. 3. Wijzigingsbevoegdheid
a. Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
1. de gebiedsaanduiding “veiligheidszone – lpg” wordt verwijderd, mits:
- de betreffende risicovolle functie ter plaatse niet meer aanwezig is;
2. de omvang en situering van de gebiedsaanduiding “veiligheidszone – lpg” wordt gewijzigd, mits:
a. de hoedanigheid van de betreffende risicovolle functie is gewijzigd;
b. de ligging van de zone is afgestemd op de risicocontouren ingevolge de van toepassing zijnde wettelijke regels;
b. Burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 31.2.3. onder a. bedoelde wijzigingsbevoegdheden indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen.
31. 3. WRO
– zone - wijzigingsgebied 2
31.
3. 1. Burgemeester en wethouders kunnen het
bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de gronden die ter plaatse zijn
aangeduid als “Wro-zone – wijzigingsgebied
-
winkels, indien de gronden ter
plaatse worden aangeduid als “detailhandel”;
-
bedrijven die zijn genoemd in
bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 en bedrijven die naar de aard en de
invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn, met uitzondering van
geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of
vuurwerkbedrijven, indien de gronden ter plaatse worden aangeduid als “bedrijf
tot en met categorie
-
dienstverlenende bedrijven en/of
dienstverlenende instellingen, indien de gronden ter plaatse worden aangeduid
als “dienstverlening”;
mits:
1.
de betreffende functie qua aard en
schaal is afgestemd op de verzorgingsfunctie van de omringende kernen;
2.
vestiging niet leidt tot een
duurzame ontwrichting van het in het betrokken gebied bestaande voorzieningenpatroon
in de desbetreffende sector, die niet door een dringende reden wordt gerechtvaardigd;
3.
er voldoende parkeergelegenheden in
het gebied aanwezig zijn.
31.
3. 2. Burgemeester
en wethouders kunnen toepassing geven aan de in lid 31.3.1. bedoelde wijzigingsbevoegdheden
indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en
bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke
waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden, de verkeersveiligheid en
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
31. 3. 3. Algemene wijzigingsregels
Burgemeester en Wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat:
in een aanduiding “maximale bouwhoogte (m)” een grotere bouwhoogte voor het bouwen van antennemasten wordt aangegeven, mits:
-
de bouwhoogte van antennemasten ten hoogste
a. de
dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ wordt aangebracht, indien:
1. wordt
voldaan aan de regels uit de van toepassing zijnde wettelijke regels;
2. hierdoor
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de
milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de archeologische
waarden, de natuurwaarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden
van de aangrenzende gronden;
b. de
dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ wordt aangebracht, indien:
-
hierdoor geen onevenredige afbreuk
wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de
woonsituatie, de landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden,
de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
c. de
dubbelbestemming ‘Leiding – Overig <type leiding>’ wordt aangebracht,
indien:
1. wordt
voldaan aan de regels uit de van toepassing zijnde wettelijke regels;
2. hierdoor
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de
milieusituatie, de woonsituatie, de landschappelijke waarden, de archeologische
waarden, de natuurwaarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden
van de aangrenzende gronden;
d. de
dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ wordt aangebracht, indien:
-
hierdoor geen onevenredige afbreuk
wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de
woonsituatie, de landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de natuurwaarden,
de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
e. de
dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ wordt aangebracht, indien:
-
door onderzoek archeologische
waarden van terreinen naar voren komen;
f.
de dubbelbestemming ‘Waarde –
Cultuurhistorie’ wordt aangebracht, indien:
-
door onderzoek cultuurhistorische
en (cultuur)landschappelijke waarden van terreinen naar voren komen;
g. de
dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ wordt aangebracht, indien:
-
door aanvullend historisch
onderzoek (cultuur)landschappelijke waarden van terreinen naar voren komen;
h. de
dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’ wordt aangebracht,
indien:
-
dit noodzakelijk is ten behoeve van
de bescherming, ophoging en verbetering van de gronden met een waterkerende
en/of waterregulerende (neven)functie;
i.
de gebiedsaanduiding
“vrijwaringszone - vaarweg” wordt aangebracht, indien:
-
een verandering in de klassering
van de betreffende vaarweg in de Provinciale Vaarwegenverordening daartoe
aanleiding geeft;
j.
de gebiedsaanduiding “milieuzone –
grondwaterbeschermingsgebied” wordt aangebracht, indien:
-
een wijziging van het beloop en/of
een verandering in de omvang en de begrenzing van milieubeschermingsgebieden in
de Provinciale Milieuverordening daartoe aanleiding geeft.
Verwijzingsregel wijzigingsbevoegdheden
en/of uit te werken bestemmingen
Voorzover in de bestemmingsregels,
dubbelbestemmingsregels en/of de overige regels wordt verwezen naar
bestemmingen en/of gebiedsaanduidingen die daarin niet rechtstreeks zijn opgenomen,
zijn de bestemmingsregels en/of de dubbelbestemmingsregels en/of de
aanduidingsregels van toepassing als bedoeld in de bijlage
"Standaardregels (versie 2.0)".
33. 1.
Overgangsrecht
bouwwerken
a. Een
bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan
aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een
bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en
omvang niet wordt vergroot,
1. gedeeltelijk
worden vernieuwd of veranderd;
2. na
het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of
veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar
na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
b. Burgemeester
en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van sublid a. voor het
vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met
maximaal 10%.
c. Sublid
a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip
van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in
strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling
van dat plan.
33. 2.
Overgangsrecht
gebruik
a.
Het gebruik van grond en bouwwerken
dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en
hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
b.
Het is verboden het met het
bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a., te veranderen of te
laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze
verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
c.
Indien het gebruik, bedoeld in
sublid a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode
langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te
hervatten of te laten hervatten.
d.
Sublid a. is niet van toepassing op
het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan,
daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
33. 3. Overgangsrecht ten aanzien van het verhandelen en repareren van aanhangwagens op de percelen Lytse Geast 65 en 67 te Tytsjerk
Het gebruik van de percelen Lytse Geast 65
(kadastraal Hardegarijp F 02203) en 67 (kadastraal Hardegarijp F 01105) te
Tytsjerk door de heer L. van der Veen (eigenaar van genoemde percelen)
ten behoeve van het assembleren, verhandelen en repareren van aanhangwagens mag
worden voortgezet, mits de percelen vanaf de eerste terinzagelegging van dit
plan niet zijn vervreemd, door erfopvolging zijn verkregen, zijn verhuurd c.q.
op andere wijze in gebruik zijn gegeven, met het oogmerk aan een ander het
betreffende gebruik te verschaffen.
Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het
Bestemmingsplan Tytsjerk -
Zuid 2010
van de gemeente
Tytsjerksteradiel.
Aldus vastgesteld in de
raadsvergadering van 23 september 2010
De voorzitter, De griffier,
……………….
………………