Gemeente:
Goes
Plannaam:
Kokuitsweg 2
Status:
Vastgesteld
Status Datum:
12-06-2012

Regels

 

HOOFDSTUK 1 Inleidende Regels

 

Artikel 1.1 Begrippen

 

In deze regels wordt verstaan onder:

 

1.1. plan: het wijzigingsplan “Kokuitsweg 2” van de gemeente Goes als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0664.WPLG05-VG99 met de bijbehorende regels.

 

1.2. aan-huis-gebonden beroep/bedrijf: een dienstverlenend beroep, dat in een woning of in een bijbehorend gebouw door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning en het woonperceel in overwegende mate hun woonfunctie behouden en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, bed & breakfast daaronder begrepen, met inachtneming van de volgende regels:

1. de woning blijft voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit;

2. ten hoogste 40 m² van de netto vloeroppervlakte van de woning en bijbehorende gebouwen gezamenlijk mag ten behoeve van beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in gebruik zijn;

3. het gebruik heeft een kleinschalig karakter en zal dit behouden;

4. het gebruik is naar aard in overeenstemming met het woonkarakter van de omgeving;

5. het gebruik ondersteunt de woonfunctie, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten uitvoert tevens gebruiker en bewoner van de woning is;

6. het gebruik leidt niet tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;

7. de uitoefening van detailhandel, anders dan als ondergeschikte nevenactiviteit in verband met het desbetreffende beroep of bedrijf is niet toegestaan;

8. reclame-uitingen aan de gevel mogen niet zichtbaar zijn;

9. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast.

 

1.3. agrarisch bedrijf: een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

a. grondgebonden agrarisch bedrijf:

1. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt;

2. bollenteelt: de teelt van bloembollen al dan niet in samenhang met de teelt van bolbloemen;

3. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;

4. houtteelt: de aanplant van bomen op agrarische gronden ten behoeve van de houtteelt, waarvoor op basis van de Beschikking ontheffing meldings- en herplantplicht van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit ontheffing is verkregen van de meldings- en herplantplicht.

5. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond waarvoor in de bedrijfsvoering de weidegang essentieel is;

6. paardenfokkerij: het fokken van paarden en het houden van paarden ten behoeve van de vlees- en/of melkproductie, waarbij het stallen van pensionpaarden is toegestaan;

7. sierteelt: de teelt van siergewassen op open grond al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten;

b. niet-grondgebonden agrarisch bedrijf:

1. glastuinbouw: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen;

2. intensieve kwekerij: de teelt van gewassen, paddenstoelen daaronder begrepen, in gebouwen;

3. intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen en (nagenoeg) zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel;

c. aquacultuur: teelt van (zout)watergebonden organismen zoals zagers, zeekraal, schelpdieren en vissen, daaronder begrepen het verwerken en ter plaatse verkopen daarvan;

d. overige teelten van gewassen of dieren al dan niet in gebouwen.

 

1.4. agrarisch deskundige: een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of onafhankelijke commissie van deskundigen op het agrarisch gebied, zoals de agrarische adviescommissie voor de provincie Zeeland.

 

1.5. agrarisch hulp-, neven- en loonbedrijf

a. een niet-industrieel bedrijf dat is gericht op het opslaan en leveren van goederen aan agrarische bedrijven en/of het opslaan van goederen ten behoeve van het verwerken van producten, die afkomstig zijn van agrarische bedrijven, waaronder begrepen mestverzamelsilo's met een regionale functie;

b. een niet-industrieel bedrijf dat - voornamelijk met behulp van verplaatsbare landbouw-werktuigen en landbouwapparatuur - uitsluitend of overwegend diensten verleent aan agrarische bedrijven:

- in verband met de bodemcultuur;

- ter uitvoering van grondwerkzaamheden op agrarische cultuurgronden;

- ter verrichting van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van landbouwwerktuigen of -apparatuur.

 

1.6. archeologisch deskundige: een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van archeologie.

 

1.7. archeologische waarde: de aan het gebied toegekende waarde gekenmerkt door voorwerpen of bewoningssporen van vroegere samenlevingen onder het aardoppervlak.

 

1.8. bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

1.9. bedrijfsgebouw: een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.

 

1.10. bedrijfswoning: een gebouw in of bij een bedrijf of op een terrein behorende bij een bedrijf, dat dient voor de huisvesting van een persoon of één huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het bedrijf of het terrein behorende bij het bedrijf, noodzakelijk is.

 

1.11. bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak.

 

1.12. bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

 

1.13. bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw danwel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw of ander bouwwerk, met een dak.

 

1.14. boogkassen: al dan niet verplaatsbare gebouwen, overtrokken met en omsloten door lichtdoorlatend materiaal anders dan glas, ten behoeve van de teelt van gewassen.

 

1.15. bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

 

1.16. bouwgrens: de grens van een bouwvlak.

 

1.17. bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.

 

1.18. bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel.

 

1.19. bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

 

1.20. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

 

1.21. dunne mest: mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouw-

huisdieren, al dan niet vermengd met mors-, spoel-, reinigings- of regenwater.

 

1.22. erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.

1.23. erfgrens: de grens van het erf.

 

1.24. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

 

1.25. hoofdgebouw: een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

 

1.26. kampeermiddel: tent, tentwagen, tenthuisje, kampeerauto of (sta)caravan, al dan niet een bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, één en ander mits deze geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben.

 

1.27. kampeerseizoen: de jaarlijkse periode van 15 maart tot en met 31 oktober van enig jaar.

 

1.28. kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

 

1.29. kassen: bouwwerken van glas of ander lichtdoorlatend materiaal met een bouwhoogte van 1,20 meter of meer ten behoeve van de teelt of veredeling van gewassen, schuurkassen daaronder begrepen.

 

1.30. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten: het in een woning of in een bijbehorend bijgebouw door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van Bijlage 1 van het Besluit Omgevingsrecht geldt en waarbij de woning en het woonperceel in overwegende mate hun woonfunctie behouden met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.

 

1.31. kleinschalig kamperen: een recreatiebedrijf met over het algemeen recreatie als neventak, waarbij op het bij het bedrijf behorende kampeerterrein niet-permanente standplaatsen gesitueerd mogen worden.

 

1.32. logies met ontbijt: het verhuren van één of meerdere kamers en het aanbieden van een ontbijt, waarbij de functie van de bebouwing in overwegende mate in stand blijft.

 

1.33. mestbassins: werken, niet zijnde bouwwerken, ten behoeve van de opslag van mest, zoals mestzakken, foliebassins en daarmee vergelijkbare vormen van mestopslag.

 

1.38. mestopslag: het bewaren van vaste meststoffen of dunne mest in een reservoir dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal zoals een mestsilo, mestplaat, mestzak of foliebassin.

 

1.34. mestopslagruimten: bouwwerken ten behoeve van de opslag van mest, zoals mestsilo's en daarmee vergelijkbare vormen van mestopslag.

 

1.35. overkapping: een bouwwerk geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak.

 

1.36. peil:

- de kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 meter bedraagt;

- bij ligging in het water: het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water;

- in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerp-bestemmingsplan bestaande aansluitende afgewerkte bouwterrein.

 

1.37. plattelandstoerisme: alle vormen van kleinschalige recreatie en toerisme met de nadruk op dagtoerisme en klein verblijfstoerisme, die plaatsvinden op en gebonden zijn aan het platteland en die aansluiten bij het reguliere toeristische aanbod, zoals wandel- en fietsroute structuren, ruiterpaden, toeristische autoroutes.

 

1.38. recreatief nachtverblijf: recreatie in ruimten welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf, zoals een recreatiewoning, kampeerhuisje, logeergebouwen, pension of kampeermiddel, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben.

 

1.39. regenkappen: niet door wanden omsloten bouwwerken met een bouwhoogte van maximaal 4,00 meter, overtrokken met lichtdoorlatend materiaal, bestemd voor de bescherming van gewassen tegen neerslag.

 

1.40. semi-agrarisch bedrijf: een bedrijf of bedrijfsonderdeel gericht op de handel in bloemen en planten en/of de bewaring van en/of sportbeoefening met dieren, zoals een tuincentrum, hoveniersbedrijf, ponyhouderij of manege.

 

1.41. stacaravan: een kampeermiddel bestaande uit één niet-samengesteld geheel, voorzien van een as en wielenstelsel en een dissel, met een maximale oppervlakte van 70m² met bij- of aanbouw en maximaal 4.50 meter hoog.

 

1.42. standplaats: een ruimte voor het plaatsen van een kampeermiddel.

 

1.43. teeltondersteunende voorzieningen: voorziening ten behoeve van de bescherming van plantaardige agrarische teelten (tegen neerslag, zonlicht en vogelvraat) en/of de voorkweek van ten behoeve van het eigen bedrijf benodigd plantmateriaal en/of de voorkoming van verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, ten behoeve van grondgebonden agrarische teelten, nader te onderscheiden in boogkassen, regenkappen en stellingen met fijnmazige netten.

 

1.44. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die slechts gedurende één seizoen op de landbouwgronden aanwezig zijn.

 

1.45. vaste meststoffen: dierlijke meststoffen en andere meststoffen van organische oorsprong en samenstelling, mits de meststoffen niet verpompbaar zijn.

 

1.46. verblijfsrecreatie: recreatie in ruimten welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf zoals een recreatiewoning, logeergebouw of kampeermiddel, door personen die elders hun hoofdverblijf hebben;

 

1.47. waterbassin: een reservoir bestemd en geschikt voor het opslaan van water ten behoeve van

het agrarische bedrijf.

 

1.48. weidegang: het bieden van gelegenheid voor dieren om buiten te lopen, op een substantiële oppervlakte landbouwgrond, waarbij een deel van de voerbehoefte voor de dieren buiten wordt verzameld en waarbij meer dan 50% van de betreffende landbouwgrond is begroeid.

 

 

Artikel 1.2 Wijze van meten

 

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

 

2.1. afstanden van bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot de perceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn.

 

2.2. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

 

2.3. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

 

2.4. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, portalen, balkons en overstekende daken. Deze worden bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen buiten beschouwing gelaten mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt.

 

2.5. breedte, lengte en diepte van een bouwwerk: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

 

2.6. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

 

2.7. het bebouwde oppervlak van een bouwperceel, of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar op te tellen, tenzij in de regels anders is bepaald.

 

2.8. de bedrijfsvloeroppervlakte wordt gemeten binnenwerks, op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat:

1. voor intensieve veehouderijen geldt dat de gezamenlijke oppervlakte van alle dierplaatsen bij de bedrijfsvloeroppervlakte wordt inbegrepen. Bij het houden van pluimvee, pelsdieren en/of konijnen in gestapelde hokken cq. batterijen geldt, in tegenstelling tot het voorgaande, dat uitsluitend de oppervlakte van de vaste vloer onder de hokken c.q. batterijen bij de bedrijfsvloeroppervlakte wordt inbegrepen;

2. tot de bedrijfsvloeroppervlakte tevens wordt gerekend de onder afdaken aanwezige oppervlakte die wordt of kan worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten;

3. tot de bedrijfsvloeroppervlakte niet wordt gerekend de oppervlakte van mestbassins, mestplaten en weegbruggen.

 

 

HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels

 

Artikel 2.1 Agrarisch

 

2.1.1 Bestemmingsomschrijving

 

2.1.1.1 De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

 

a. de bedrijfsvoering van grondgebonden agrarische bedrijven;

 

b. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming.

 

2.1.2 Bouwregels

 

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

 

2.1.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd:

 

2.1.2.2 Algemeen

 

a. agrarische bedrijfsgebouwen, ten behoeve van de in de bijlagen 3 en 4 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 opgenomen agrarische bedrijven;

 

b. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

 

2.1.2.3 Agrarische bedrijven

De agrarische bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

 

a. het bouwen van de agrarische bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en bouwwerken geen gebouwen zijnde en het aanleggen van waterbassins, bassins ten behoeve van aquacultuur, mestbassins en mestplaatsen vindt plaats binnen het bouwvlak;

 

b. in tegenstelling tot het bepaalde in sub a mogen buiten het agrarisch bouwvlak bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd, niet zijnde teeltondersteunende voorzieningen en bassins ten behoeve van aquacultuur;

 

c. de afstand van bedrijfsgebouwen, overkappingen, silo's en mestbassins tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 10 meter;

 

d. de goot- en bouwhoogte van een bedrijfsgebouw of overkapping bedraagt maximaal 6 respectievelijk 10 meter;

 

e. de bouwhoogte van:

1. een silo bedraagt maximaal 10 meter;

2. een mestbassin bedraagt maximaal 5 meter;

3. een waterbassin bedraagt maximaal 5 meter;

4. teeltondersteunende voorzieningen bedraagt maximaal 4 meter;

5. een waterbassin ten behoeve van aquacultuur bedraagt maximaal 1,5 meter;

 

f. de bebouwde oppervlakte van de gezamenlijke mestbassins bedraagt maximaal 750 m² per bedrijf, inclusief mestzakken en foliebassins;

 

g. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m3 en de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 6 respectievelijk 10 meter;

 

h. de afstand van een bedrijfswoning tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter;

 

i. bij iedere bedrijfswoning mogen maximaal twee bijbehorende bouwwerken worden gebouwd waarvan de gezamenlijke oppervlakte maximaal 60 m² bedraagt, de goothoogte maximaal 3,20 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter;

 

j. de afstand van bijgebouwen tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 2 meter;

 

k. ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein als bedoeld in lid 3.5.2, sub d mogen één of meerdere gebouwen ten dienste van sanitaire- en slechtweervoorzieningen op het bouwvlak worden opgericht, met dien verstande dat:

- de gezamenlijke oppervlakte maximaal 100 m² bedraagt;

- de goot- en bouwhoogte maximaal 3,20 respectievelijk 6 meter bedraagt;

 

2.1.3 Nadere eisen

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, indien zulks noodzakelijk is:

 

1. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van aangrenzende gronden;

 

2. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken geen gebouwen zijnde;

 

3. ten behoeve van de landschappelijke inpassing;

 

4. ten behoeve van de milieusituatie;

 

5. ten behoeve van de verkeersveiligheid.

 

2.1.4 Afwijking van de bouwregels

 

2.1.4.1 Agrarische bedrijven

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in (bij elke afwijking is aangegeven aan welke toetsingscriteria o.a. dient te worden getoetst. In bijlage 12 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 is aangegeven hoe deze criteria moeten worden gehanteerd):

 

a. lid 3.2.3, sub a voor het buiten het agrarisch bouwvlak bouwen c.q. aanleggen van:

 

1. schuurtjes, melkstallen of schuilgelegenheden voor vee, tot maximaal 50 m² per bedrijf;

 

2. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met een maximale bouwhoogte van 3 meter en voor boogkassen tot een oppervlakte van maximaal 1 hectare per bedrijf, met dien verstande dat boogkassen niet toelaatbaar zijn op gronden met de aanduiding “openheid”;

 

3. waterbassins, mits een bouwwerk zijnde, met een inhoud van maximaal 200 m3 en een bouwhoogte van maximaal 2,5 meter;

 

4. één of meerdere foliebassins ten behoeve van een nevenactiviteit niet-grondgebonden aquacultuur opgericht aansluitend aan het agrarisch bouwvlak met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 1 hectare per bedrijf en een bouwhoogte van maximaal 1 meter.

Bij afwijking gelden tevens de toetsingscriteria:

- noodzaak;

- landschapstoets, uitgezonderd bij schuurtjes en schuilgelegenheden voor vee;

- milieutoets;

- bij afwijking zoals genoemd onder 4: de aanwezigheid van een zoetwatervoorrraad.

 

b. lid 3.2.3, sub a ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein, voor het buiten het agrarisch bouwvlak bouwen van één of meerdere gebouwen ten dienste van sanitaire- en slechtweervoorzieningen, mits:

 

1. er om veiligheidsredenen geen ruimte is op het agrarisch bouwvlak;

 

2. de gezamenlijke oppervlakte inclusief de oppervlakte van de op het agrarisch bouwvlak reeds aanwezige gebouwen ten dienste van een kleinschalig kampeerterrein maximaal 100 m² bedraagt;

 

3. de goot- en bouwhoogte maximaal 3 respectievelijk 6 meter bedraagt;

 

Bij afwijking geldt tevens het toetsingscriterium:

- landschapstoets;

 

c. lid 3.2.3, sub e voor een bouwhoogte van maximaal 15 meter voor een silo, geen mestsilo zijnde.

 

Bij afwijking geldt tevens het toetsingscriterium:

- landschapstoets;

 

d. lid 3.2.3, sub e tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter, uitsluitend ten behoeve van afdekking van het mestbassin door middel van een kap.

 

Bij afwijking geldt tevens het toetsingscriterium:

- landschapstoets;

 

e. lid 3.2.3, sub h: tot een afstand van minimaal 3 meter tot de perceelsgrens, mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;

 

f. lid 3.2.3, sub m voor het vergroten van de maximale oppervlakte tot 80 m² indien dat noodzakelijk is vanwege inrichtingseisen voor o.a. groepsruimte of sanitaire ruimten;

 

2.1.5 Specifieke gebruiksregels

 

2.1.5.1 Omschakeling

Omschakeling naar een andere bedrijfsvorm is toegestaan in de volgende gevallen:

 

a. omschakeling van een intensieve veehouderij, zoals aangegeven in bijlage 4 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010, naar een intensief tuinbouwbedrijf in gebouwen;

 

b. omschakeling van een intensieve veehouderij, zoals aangegeven in bijlage 4 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010, naar een niet-grondgebonden aquacultuurbedrijf in gebouwen;

 

c. omschakeling van een intensief tuinbouwbedrijf naar een niet-grondgebonden aquacultuurbedrijf in gebouwen;

 

d. omschakeling van een niet-grondgebonden aquacultuurbedrijf naar een intensief tuinbouwbedrijf in gebouwen;

 

e. bij omschakeling zoals bedoeld in sub a, b, c en d zijn de bouw- en inrichtingsregels zoals opgenomen in lid 3.2. overeenkomstig van toepassing.

 

2.1.5.2 Niet strijdig gebruik

Tot een gebruik niet strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

 

a. het aanleggen van waterbassins met een aarden wal binnen het agrarisch bouwvlak;

 

b. de kortstondige opslag van vaste meststoffen buiten het agrarisch bouwvlak ten behoeve van de directe aanwending op de landbouwgronden, al dan niet op een verharde ondergrond, geen mestplaat zijnde;

 

c. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen voor de verkoop van agrarische producten, mits de totale oppervlakte ten behoeve van deze voorziening maximaal 40m² per bedrijf bedraagt;

 

d. het aanleggen van een kleinschalig kampeerterrein bij agrarische bedrijven, met dien verstande dat:

 

1. het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein maximaal 15 bedraagt;

 

2. de kampeermiddelen geplaatst worden op of aansluitend aan het agrarisch bouwvlak;

 

3. rond het kampeerterrein een groenstrook met een breedte van minimaal 10 meter aanwezig is;

 

4. op het kampeerterrein uitsluitend kampeermiddelen zijn toegestaan gedurende het kampeerseizoen;

 

5. het plaatsen van stacaravans als kampeermiddel niet is toegestaan;

 

6. het kampeerterrein een aansluiting op de drukpersriolering krijgt. Indien er geen drukpersriolering aanwezig is dient in overleg met het Waterschap Scheldestromen naar een andere oplossing gezocht te worden.

 

2.1.5.3 Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

 

a. het buiten het agrarisch bouwvlak aanleggen van een mestbassin;

 

b. het gebruik van gronden buiten het agrarisch bouwvlak als opslagplaats voor bagger en grondspecie, met uitzondering van het tijdelijk deponeren van bagger en specie in het kader van normaal onderhoud van waterlopen;

 

c. het omzetten van grasland in bouwland dan wel het scheuren van grasland ten behoeve van graslandverbetering;

 

d. het storten en lozen van specie;

 

e. het uitponden van een kleinschalig kampeerterrein.

 

2.1.6 Afwijking van de gebruiksregels

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in (bij de een afwijking is aangegeven aan welke toetsingscriteria dient te worden getoetst. In bijlage 12 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 is aangegeven hoe deze criteria moeten worden gehanteerd):

 

a. lid 3.1.1 voor het tijdelijk huisvesten van aan het betreffende agrarische bedrijf verbonden seizoensarbeiders, met in achtneming van het volgende:

 

1. de afwijking kan worden verleend voor vervangende nieuwbouw of het inpandig verbouwen van een gebouw, mits gelegen binnen het agrarisch bouwvlak of:

 

2. voor het aanleggen van een kampeerterrein binnen of aansluitend aan het bouwvlak;

 

3. de gezamenlijke oppervlakte van (woon)eenheden voor seizoensarbeiders mag ten hoogste 250m² bedragen;

 

4. de bouwhoogte van niet inpandige (woon)eenheden mag ten hoogste 3,5 meter bedragen;

 

5. de tijdelijke huisvesting mag per jaar niet langer duren dan de periode van 15 maart t/m 31 oktober. Buiten deze periode dienen de kampeermiddelen op het onder sub 2 genoemde kampeerterrein te worden verwijderd;

 

6. de afwijking mag niet leiden niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;

 

b. lid 3.1.1 ten behoeve van het realiseren van een Nieuwe Economische Drager bij wijze van nevenactiviteit in bestaande (bedrijfs)gebouwen zoals aangegeven in de als bijlage 14 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 opgenomen lijst Nieuwe Economische Dragers kolom N, of naar aard, schaal en gevolgen voor de omgeving vergelijkbare activiteiten.

 

Bij afwijking gelden tevens de toetsingscriteria:

- het afsluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst ten behoeve van de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst;

- geen ernstige beperking agrarische functie;

- geen onevenredige toename automobiliteit;

 

c. lid 3.1.1 ten behoeve van het toevoegen van een Nieuwe Economische Drager bij wijze van nevenactiviteit in nieuwe (bedrijfs)gebouwen zoals aangegeven in de als bijlage 14 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 opgenomen lijst Nieuwe Economische Dragers kolom N, of naar aard, schaal en gevolgen voor de omgeving vergelijkbare activiteiten, met dien verstande dat:

 

1. nieuwbouw gepaard dient te gaan met de afbraak van bestaande bebouwing en/of een investering in de ruimtelijke kwaliteit van de locatie;

 

2. de nieuwbouw dient plaats te vinden binnen het bouwvlak van het agrarisch bedrijf;

 

Bij afwijking gelden tevens de toetsingscriteria:

- het afsluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst ten behoeve van de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst;

- geen ernstige beperking agrarische functie;

- geen onevenredige toename automobiliteit.

 

d. lid 3.2.3, sub b voor het aansluitend aan het agrarisch bouwvlak oprichten van één of meerdere foliebassins ten behoeve van een nevenactiviteit niet-grondgebonden aquacultuur, met een gezamenlijk oppervlakte van maximaal 1 hectare per bedrijf en een bouwhoogte van maximaal 1 meter.

 

Bij afwijking gelden tevens de toetsingscriteria:

- landschapstoets;

- milieutoets;

- de aanwezigheid van een zoetwatervoorrraad.

 

e. lid 3.1.1. sub a voor het toevoegen van een nevenactiviteit glastuinbouw, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte aan kassen, met uitzondering van boogkassen, maximaal 2.000 m² bedraagt;

 

f. lid 3.1.1. sub a voor het toevoegen van een nevenactiviteit tuinbouwveredeling, met dien verstande dat de totale bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van tuinbouwveredeling maximaal 2.000 m² bedraagt;

 

g. lid 3.1.1. sub a voor het toevoegen van een nevenactiviteit intensieve veehouderij, met dien verstande dat de totale bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van intensieve veehouderij maximaal 1.600 m² bedraagt;

 

h. lid 3.1.1. sub a voor het toevoegen van een nevenactiviteit niet-grondgebonden aquacultuur met dien verstande totale bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van niet-grondgebonden aquacultuur maximaal 1.600 m² bedraagt;

 

i. lid 3.1.1. sub a voor het toevoegen van een nevenactiviteit agrarisch hulp-, loon- en nevenbedrijf met dien verstande dat de totale bedrijfsvloeroppervlakte maximaal 1.000 m² bedraagt;

 

j. lid 3.5.2 sub d voor het uitbreiden van het aantal standplaatsen tot maximaal 25 standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein met dien verstande dat:

 

1. de kampeermiddelen worden geplaatst op dan wel aansluitend aan het bouwvlak dan wel het bestaande kleinschalig kampeerterrein;

 

2. rond het kampeerterrein een groenstrook met een breedte van minimaal 10 meter wordt aangebracht;

 

3. op het kampeerterrein uitsluitend kampeermiddelen zijn toegestaan gedurende het kampeerseizoen;

 

4. het plaatsen van stacaravans als kampeermiddel niet is toegestaan;

 

5. het kampeerterrein een aansluiting op de drukpersriolering krijgt. Indien er geen drukpersriolering aanwezig is dient in overleg met het Waterschap Scheldestromen naar een andere oplossing gezocht te worden.

 

Bij het afwijking geldt tevens het toetsingscriterium:

- het afsluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst ten behoeve van de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst;

 

k. Bij het toevoegen van een nevenactiviteit als genoemd in sub e en g gelden de toetsingscriteria:

- ontsluitingstoets;

- continuïteit;

- omgevingskwaliteiten;

 

l. indien ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan een toegevoegde tak aanwezig is die de in sub d, e, f, g en h genoemde maximale oppervlakte overschrijdt, geldt de aanwezige oppervlakte als maximaal toegestane oppervlakte.

 

2.1.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

2.1.7.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden zonder vergunning

 

Het is verboden om zonder vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

 

a. het buiten het agrarisch bouwvlak aanleggen van waterbassins met een bouwhoogte van maximaal 2,5 meter, waarbij getoetst wordt aan de als bijlage 13 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 opgenomen Richtlijnen landschappelijke inpassing waterbassins;

 

b. het planten van fruitteeltbomen buiten bestaande boomgaarden binnen een zone van 50 meter rondom woon- en verblijfsrecreatiegebieden.

 

2.1.7.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

Het in lid 3.7.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

 

a. 1. werken en/of werkzaamheden voor normaal onderhoud en beheer, mits deze niet leiden tot onevenredige schade aan en/of onomkeerbare gevolgen voor de landschappelijke of archeologische waarden;

2. werken of werkzaamheden die noodzakelijk zijn ten behoeve van de instandhouding van de waterkering;

 

b. werken en/of werkzaamheden welke worden uitgevoerd in een Natura 2000 gebied in de zin van de Natuurbeschermingswet 1998 en die handelingen opleveren waarvoor een vergunning op grond van die Wet is vereist, dan wel handelingen welke zijn voorzien in een beheersplan als bedoeld in de Natuurbeschermingswet 1998;

 

c. werken en/of werkzaamheden binnen de agrarische bouwvlakken, tenzij de gronden zijn bestemd tot “Waarde - Archeologie” of aangegeven in de als bijlage 11 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 opgenomen lijst met monumenten en die handelingen opleveren waarvoor een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988, de provinciale monumentenverordening of de gemeentelijke monumentenverordening is vereist.

 

2.1.7.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden

 

a. Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.7.1 zijn slechts toelaatbaar indien hierdoor dan wel door de te verwachten gevolgen, één of meer waarden en/of functies van de gronden, die het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;

 

b. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden die betrekking heeft op gronden die blijkens de bestemming een waterstaatkundige functie hebben, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de waterkeringbeheerder omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning de waterstaatkundige functie niet wordt geschaad;

 

c. alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden die betrekking heeft op gronden bestemd als “Waarde - archeologie” winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van die omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de betreffende waarden van het gebied;

 

 

2.1.8 Wijzigingsbevoegdheid

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd (bij elke wijziging is aangegeven aan welke toetsingscriteria dient te worden getoetst. In bijlage 12 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 is aangegeven hoe deze criteria moeten worden gehanteerd):

 

a. het plan te wijzigen voor het vergroten van het agrarisch bouwvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met inachtneming van de volgende regels:

1. het bouwvlak mag worden vergroot tot een rechthoek waarvan de oppervlakte maximaal 1,5 hectare bedraagt en de langste zijde maximaal 150 meter;

2. het vergroten van het agrarisch bouwvlak is uitsluitend toegestaan indien uitbreiding binnen het bouwvlak door ruimtegebrek of door ongunstige situering van gebouwen onmogelijk is ofwel dit noodzakelijk is voor het realiseren van een mestbassin;

 

3. indien sprake is van een bouwvlakvergroting binnen 100 meter van een bebouwde kom, verblijfsrecreatieterrein of natuurgebied, mag vergroting slechts plaatsvinden aan de zijde die is afgekeerd van het betreffende kwetsbare gebied;

 

Voor planwijziging gelden tevens de toetsingscriteria:

- noodzaak;

- volwaardigheid;

- landschapstoets;

- milieutoets;

 

b. de bestemming “Agrarisch” te wijzigen in de bestemming “Verkeer” ten behoeve van geringe aanpassingen van wegtracés;

 

c. in verband met de aanleg van natuurvriendelijke oevers, de bestemming “Agrarisch” te wijzigen in de bestemming “Water”. Deze wijzigingsbevoegdheid mag uitsluitend worden toegepast op een strook grond met een breedte van maximaal 16 meter aan één of beide zijden van de gronden met de bestemming “Water”. Het gaat hierbij om natte ecologische verbindingszones die deel uit maken van de ecologische hoofdstructuur, de Waterschaps Ecologische Infrastructuur en de in de Kaderrichtlijn Water aangewezen waterlichamen. Het plan zal worden gewijzigd nadat de gronden op vrijwillige basis en gebruiksvrij verworven zijn;

 

d. het plan te wijzigen als gevolg van reconstructieplannen ingevolge Duurzaam Veilig;

 

e. nieuwvestiging

Het plan kan worden gewijzigd voor het projecteren van een nieuw agrarisch bouwvlak ten behoeve van de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Hierbij geldt de volgende voorwaarde:

 

1. Nieuwvestiging is toegestaan indien het een verplaatsing betreft als gevolg van uitkoop (vanwege stads- of dorpsuitbreiding, ruilverkaveling, natuurontwikkeling of het oplossen van een milieuknelpunt);

 

Voor planwijziging gelden tevens de toetsingscriteria:

- noodzaak;

- volwaardigheid;

- geen voormalig agrarisch bedrijf beschikbaar;

- landschapstoets;

- ontsluitingsmogelijkheden;

- milieutoets;

 

f. toevoeging van / omschakeling naar agrarisch hulp-, loon- en nevenbedrijf

Het plan kan worden gewijzigd voor het toevoegen van dan wel omschakelen naar een hulp-, loon- en nevenbedrijf, uitsluitend op het agrarisch bouwvlak van een op de verbeelding aangegeven grondgebonden agrarisch bedrijf.

 

Voor planwijziging gelden tevens de toetsingscriteria:

- landschapstoets;

- ontsluitingstoets;

- wijziging wordt slechts toegepast indien een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst;

 

g. wonen

De bestemming van bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen, waarvan de agrarische functie door bedrijfsbeëindiging is vervallen kan gewijzigd worden in de bestemming “Wonen”. Na planwijziging is artikel 18 van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 overeenkomstige toepassing.

 

Voor planwijziging geldt tevens het toetsingscriterium:

- geen ernstige beperking agrarische functie;

 

h. Nieuwe Economische Dragers in bestaande (bedrijfs)gebouwen

Het plan kan worden gewijzigd ten behoeve van het toevoegen van een Nieuwe Economische Drager bij wijze van vervolgactiviteit zoals aangegeven in de als bijlage 14 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 opgenomen lijst Nieuwe Economische Dragers kolom V, of naar aard, schaal en gevolgen voor de omgeving vergelijkbare activiteiten, met dien verstande dat:

 

1. de Nieuwe Economische Drager binnen de bestaande bedrijfsbebouwing dient te worden gerealiseerd;

 

2. voor het toevoegen van een Nieuwe Economische Drager geïnvesteerd dient te worden in de ruimtelijke kwaliteit van de locatie.

 

Voor planwijziging gelden tevens de toetsingscriteria:

- wijziging wordt slechts toegepast indien een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst.

- geen ernstige beperking agrarische functie;

- geen onevenredige toename automobiliteit;

 

i. Nieuwe Economische Dragers in nieuwe (bedrijfs)gebouwen

Het plan kan worden gewijzigd ten behoeve van het toevoegen van een Nieuwe Economische Drager bij wijze van vervolgactiviteit zoals aangegeven in de als bijlage 14 van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 opgenomen lijst Nieuwe Economische Dragers kolom V, of naar aard, schaal en gevolgen voor de omgeving vergelijkbare activiteiten, met dien verstande dat:

 

1. nieuwbouw gepaard dient te gaan met de afbraak van bestaande bebouwing en/of een investering in de ruimtelijke kwaliteit van de locatie;

 

2. de nieuwbouw moet passen binnen de bouwvlakmogelijkheden van het agrarisch bedrijf.

 

Voor planwijziging gelden tevens de toetsingscriteria:

- wijziging wordt slechts toegepast indien een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst.

- geen ernstige beperking agrarische functie;

- geen onevenredige toename automobiliteit.

 

2.1.8.1 Procedureregel

Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in lid 3.8.1 zijn de algemene procedureregels van artikel 9.1 van toepassing.

 

 

 

 

HOOFDSTUK 3 Algemene regels

 

Artikel 3.1 Anti-dubbeltelregel

 

3.1.1 Anti-dubbeltelregel

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

Artikel 3.2 Algemene bouwregels

 

3.2.1 Bouwhoogte

 

3.2.1.1 De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2,5 meter, tenzij in deze regels anders is bepaald.

 

3.2.2 Bestaande afstanden en andere maten

a. Indien afstanden op de datum van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als ten hoogste respectievelijk ten minste toelaatbaar worden aangehouden;

 

b. In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken op de datum van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer of minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als ten hoogste respectievelijk ten minste worden aangehouden;

 

c. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in lid a en b uitsluitend van toepassing indien dat geschiedt op dezelfde plaats.

 

3.2.3 Afwijking van de bouwregels

 

3.2.3.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in:

 

lid 5.1.1 tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter, indien daarvoor de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;

 

 

Artikel 3.3 Algemene gebruiksregels

 

3.3.1 Algemene regel

 

Het is verboden de in dit plan begrepen gronden, gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde te gebruiken, te doen of laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan aan de grond gegeven bestemming.

 

Tot het verboden gebruik wordt in ieder geval gerekend:

 

a. het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden, gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- en straatprostitutie;

 

b. het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden als uitstallings-, opslag-, stand-, of ligplaats voor kampeermiddelen, tenzij in deze regels anders is bepaald;

 

c. kleinschalig kamperen, tenzij in deze regels anders is bepaald.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 3.4 Algemene afwijkingsregels

 

3.4.1 Afwijkingsbevoegdheid

 

3.4.1.1 Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de regels in dit plan ten behoeve van:

 

a. het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en andere bouwwerken van geringe afmetingen ten behoeve van het openbaar nut waarvan het oppervlak maximaal 50 m² bedraagt en de bouwhoogte maximaal 5 meter;

 

b. het oprichten van antennes en masten tot een bouwhoogte van maximaal 15 meter ten behoeve van telecommunicatie- of alarmeringsvoorzieningen;

 

c. overschrijdingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;

 

d. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 meter bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

 

Er wordt niet afgeweken indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

 

 

 

 

Artikel 3.5 Algemene wijzigingsregels

 

3.5.1 Wijzigingsbevoegdheid

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van:

 

geringe overschrijdingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 5 meter toelaatbaar.

 

3.5.1.1 Procedureregel

 

Bij het verlenen van de bevoegdheid als bedoeld in lid 8.1 zijn de algemene procedureregels van artikel 9.1 van toepassing.

 

 

Artikel 3.6 Algemene procedureregels

 

3.6.1 Procedure bij toepassing wijzigingsbevoegdheid

 

Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid ingevolge dit plan, is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

 

HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotregels

 

Artikel 4.1 Strafbepaling

 

Overtreding van het bepaalde in:

 

artikel 3 lid 7.1;

 

is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a onder 2 van de Wed (Wet op de economische delicten).

 

Artikel 4.2 Overgangsrecht

 

4.2.1 Overgangsrecht bouwwerken

 

a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en niet in overeenstemming is met het plan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;

 

b. burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijken van lid 11.1, sub a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 11.1, sub a met maximaal 10 %;

 

c. lid 11.1, sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan.

 

4.2.2 Overgangsrecht gebruik

 

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

 

b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 11.2, sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

 

c. indien het gebruik, bedoeld in lid 11.2, sub a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

 

d. lid 11.2, sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

 

Artikel 4.3 Slotregel

 

Deze regels kunnen worden aangehaald onder de naam:

 

Regels wijzigingsplan “Kokuitsweg 2”.