|
Borsele
bestemmingsplan met verbrede reikwijdte
| identificatie | planstatus | |
| identificatiecode: | datum: | status: |
| NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0002 Borsele | 29-10-2016 | voorontwerp |
| 05-10-2017 | ontwerp | |
| projectnummer: | ||
| projectleider: | ||
| ir C.A. Louws | ||
Het bestemmingsplan Buitengebied (Borsels Buiten) van de gemeente Borsele is aan herziening toe. De gemeente wil (in plaats van een bestemmingsplan) een pilot-omgevingsplan opstellen. Een nieuw instrument, vooruitlopend op de Omgevingswet.
Het plangebied van het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 beslaat het hele buitengebied van de gemeente Borsele: het agrarische gebied, met alle daarbinnen gelegen natuurgebieden en infrastructuur (inclusief de Westerscheldetunnelweg, de verbreding Sloeweg en groenproject 't Sloe) en de Westerschelde. Alle kernen, bedrijventerreinen en twee verblijfsrecreatiegebieden, waarvoor afzonderlijke bestemmingsplannen gelden, maken geen deel uit van het plangebied van het pilot-omgevingsplan voor het buitengebied. In figuur 1.1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1 Plangebied
Het bestemmingsplan Borsels Buiten dateert uit 2007 en is op 5 februari 2015 partieel herzien (met betrekking tot de regeling voor Nieuwe Economische Dragers). Dat betekent dat de wettelijke plantermijn van het bestemmingsplan (van 10 jaar) in 2017 afloopt. Om tijdig een actueel planologisch kader te hebben, is de gemeente gestart met de herziening van het bestemmingsplan.
In 2019 treedt de Omgevingswet (naar verwachting) in werking. De gemeente heeft er voor gekozen om, op basis van mogelijkheden die de Crisis- en herstelwet (Chw) biedt, daarop vooruitlopend een pilot- omgevingsplan op te stellen en zo voor te sorteren op het nieuwe wettelijke kader.
Door het opstellen van een pilot-omgevingsplan investeert de gemeente in het instrumentarium van de toekomst en de daarbij behorende filosofie, in plaats van het opstellen van een bestemmingsplan dat vlak na de vaststelling (door de inwerkingtreding van de Omgevingswet) als instrument vervalt.
Artikel 2.4 van de Chw biedt de mogelijkheid om bij wijze van experiment af te wijken van bestaande wet- en regelgeving, indien het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan het bestrijden van de economische crisis en aan de duurzaamheid. De gemeente heeft deze pilotstatus aangevraagd. De innovatie zit in dit project met name in een andere wijze van beleidsontwikkeling (meer gericht op integraliteit) en in het opstellen en gebruiken van een ander instrumentarium, afgestemd op de uitgangspunten van de Omgevingswet. De innovatie werkt ook door in werkwijze en organisatie. Het omgevingsplan vraagt om een andere wijze van toetsing van initiatieven en heeft daarmee ook gevolgen voor de werkwijzen en organisatie bij toetsing en handhaving. De Provincie Zeeland heeft (in de antwoordnota op de Bevelandse reactie ingediend op de Kadernota herziening Omgevingsplan Zeeland 2012-2018, d.d. 20 okt. 2015) uitgesproken mee te werken aan pilotprojecten in het kader van de Omgevingswet zoals een pilot voor het buitengebied van Borsele.
Het Buitengebied Borsele is bij besluit van 8 juli 2016 tot wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en van bijlage II bij de Crisis- en herstelwet toegevoegd aan artikel 7c, lid 15, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet toegevoegd. De pilotstatus voor het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 (officieel een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) is daarmee op 15 juli 2016 (datum inwerkingtreding besluit) verleend.
In de Nota van Toelichting staat het volgende vermeld:
Het bestemmingsplangebied 'Borsels Buiten' omvat het gehele buitengebied van de gemeente Borsele en is, exclusief het buitendijkse water van de Westerschelde, ongeveer 12.000 ha groot. Het buitengebied beslaat het agrarische gebied met alle daarbinnen gelegen infrastructuur.
Het buitengebied levert een belangrijke bijdrage aan de inkomsten voor de gemeente in de vorm van agrarische bedrijvigheid en toerisme. De ontwikkelings- en gebruiksmogelijkheden van vrijkomende (agrarische) gebouwen hebben een belangrijke economische betekenis. Het tegengaan van onnodige belemmeringen in de economische ontwikkeling hiervan, met behoud van de kwaliteit van de leefomgeving, de ruimte en de recreatiefunctie, kan beter bereikt worden met een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte.
De gemeente heeft op het onderwerp geluidhinder en landschappelijke beeldkwaliteit een uitgewerkt en gebiedsgericht beleid dat effectiever kan worden toegepast indien het wordt geïntegreerd in het bestemmingsplan. Nu is dit beleid nog teveel versnipperd, waardoor plan- en besluitvorming niet aan elkaar worden gekoppeld en kansen worden gemist. De gemeente zal in ieder geval haar geluidverordening buitengebied en haar beleid ten aanzien van cultuurhistorie, welstand en landschappelijke kwaliteit opnemen in het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan kan vanwege de verbrede reikwijdte aspecten als duurzame energiewinning, landschappelijke inpassing en natuurcompensatie beter ondersteunen.
| Strikt genomen is het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 een 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte', waarvoor artikel 2.4 Crisis- en herstelwet jo. artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet de grondslag biedt. In deze toelichting en in het plan wordt echter gesproken over 'Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018' of 'pilot-omgevingsplan'. |
De Omgevingswet gaat uit van een andere filosofie dan de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro):
Doel Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018
De gemeente Borsele wil de nieuwe planfilosofie graag toepassen in het nieuwe plan voor het buitengebied. Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol:
De Omgevingswet biedt in de ogen van het gemeentebestuur in dat licht een aantal kansen:
Door gebruik te maken van de pilot-status onder de Crisis- en herstelwet wordt een plan in de geest van de Omgevingswet opgesteld, binnen de grenzen van artikel 7c Besluit uitvoering Chw. Op deze wijze kan worden geëxperimenteerd/ervaring worden opgedaan met de toekomstige planfilosofie en -methodiek.
Het huidige planningsstelsel, zoals vertaald in het huidige provinciale en gemeentelijke ruimtelijke ordeningsbeleid heeft, naast bescherming van de ruimtelijke kwaliteit, weliswaar als insteek om ruimte te bieden aan ontwikkelingen, maar beide werken in de praktijk vaak belemmerend. De betrokken beleidsdoelen zijn in het algemeen uitgewerkt in concrete (kwantitatieve en normatieve) regels en kaders. In plaats van faciliterend te zijn voor gewenste ontwikkelingen onder de goede voorwaarden, zijn de huidige regels te zeer gericht op het voorkomen van ongewenste ontwikkelingen. De ruimte ontbreekt vaak om op een andere dan de voorgeschreven manier de doelen te bereiken.
Het is de ambitie van de gemeente om nieuwe – passende – ontwikkelingen zo veel mogelijk rechtstreeks of met zo beperkt mogelijke procedures mogelijk te maken. De gemeente zoekt voor haar buitengebied naar instrumenten om te kunnen komen tot een integratie van haar eigen beleid en regelgeving, waarbij flexibiliteit wordt bereikt door het behalen van de achterliggende beleidsdoelen te borgen in plaats van die uit te werken in concrete normen en maatregelen. Een instrument waarmee effectiever en efficiënter ingespeeld kan worden op gewenste ontwikkelingen, waarbij meer maatwerk kan worden geleverd met een gelijkwaardig en mogelijk zelfs beter resultaat.
Doel voor het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 is vierledig:
Deze doelen vragen om een ander instrumentarium dan het vigerende bestemmingsplan Borsels Buiten.
Het gemeentebestuur wil een meer integrale en meer flexibele regeling waarbij met behoud van de omgevingskwaliteit beter kan worden ingespeeld op ontwikkelingen in het buitengebied; een juridisch kader dat meer ruimte biedt voor maatwerk in de belangenafweging (op basis van kwalitatieve criteria en gelijkwaardige oplossingen).
Het pilot-omgevingsplan vraagt om een goede mix van loslaten en sturen/vinger aan de pols houden. Daarbij zal een verschuiving optreden van kwantitatief en normatief naar een meer kwalitatieve en faciliterende regeling. De kunst is om gewenste ontwikkelingen direct mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. Een spannend en uitdagend traject, waarbij de gebaande paden worden verlaten en nieuwe wegen worden ingeslagen. Een traject met een meerwaarde op meerdere vlakken:
Verbreding
De gemeente wil in ieder geval (een deel van) haar geluidsverordening buitengebied en haar beleid ten aanzien van cultuurhistorie, welstand en landschappelijke kwaliteit opnemen in het op te stellen plan. Ook andere voor het buitengebied relevante regels in de gemeentelijke verordeningen zullen in dit plan worden betrokken.
Mogelijkheden
Bij het benutten van de kansen en mogelijkheden die de Omgevingswet biedt (concreet: de mogelijkheden die de pilot-status van de Chw biedt) zijn de volgende aspecten van belang.
Goede fysieke leefomgeving
De Omgevingswet richt zich op het in stand houden van 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. De term 'goede ruimtelijke ordening' verdwijnt. Hiermee heeft het pilot-omgevingsplan een verbrede reikwijdte ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. Milieu, ruimtelijke ordening en andere aspecten van de fysieke leefomgeving kunnen worden geïntegreerd in het pilot-omgevingsplan.
Daardoor ontstaat ook een veel meer integrale beleidsvorming en toetsing. De regelgeving kan zo worden vereenvoudigd. De regels worden inzichtelijker en strijdige en dubbele regelingen worden voorkomen. Ze worden immers op één plek samengebracht.
Artikel 7c, lid 1 van het Besluit uitvoering Chw biedt de mogelijkheid om in dit pilot-omgevingsplan te experimenteren met het invulling geven aan 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving'.
Afwijken van wettelijke kaders
De pilotstatus op basis van de Chw biedt kansen om op onderdelen af te wijken van het huidige wettelijk kader. Voorbeelden daarvan zijn de mogelijkheid om regels op te nemen die verder gaan dan een goede ruimtelijke ordening (toepassen verbrede reikwijdte) en de mogelijkheid om gebruiks- en bouwmogelijkheden anders dan door bestemmingen aan te geven. Daarnaast heeft dit plan een plantermijn van 20 jaar in plaats van de gebruikelijke 10 jaar.
Kwalitatieve én kwantitatieve toetsingsregels
Het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 biedt ruimte om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken met kwalitatieve regels. Het kan een flexibeler kader bieden dan een bestemmingsplan. Het bestemmingsplan kan en mag, voor directe gebruiksrechten, alleen concreet toetsbare kwantitatieve regels bevatten.
Overzicht
Voor een overzicht van de wijze waarop in dit plan invulling is gegeven aan de mogelijkheden die artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw biedt, wordt verwezen naar bijlage 1.
De toelichting op het pilot-omgevingsplan is relatief kort. In Hoofdstuk 2 Gemeentelijk beleid wordt een toelichting gegeven op het gemeentelijke beleid voor het buitengebied. Dit gemeentelijke beleid is een verdere uitwerking van de Nota van Uitgangspunten van september 2015 die door de gemeenteraad is besproken en geldt als leidraad voor de opstelling van het pilot-omgevingsplan. Aan het gemeentelijke beleid liggen diverse bouwstenen ten grondslag die zijn opgenomen in de bijlagen (Provinciaal beleid, Rijksbeleid, Sectorale aspecten en Beleidsregels en verordeningen). Een belangrijke bouwsteen is het planMER waarvan in Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten een korte samenvatting is opgenomen (voor het uitgebreide planMER zie bijlage 5 PlanMER). Een verdere uitwerking van het gemeentelijke beleid is opgenomen in bijlage 3: Uitwerking gemeentelijk beleid.
In Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving is opgenomen op welke wijze het gemeentelijke beleid is vertaald in de juridische regeling.
Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van het gemeentelijke beleid voor het pilot-omgevingsplan. Het gaat daarbij om het beleid voor de fysieke leefomgeving, voor zover de beleidsonderwerpen relevant zijn voor en zich laten vertalen in het pilot- omgevingsplan.
Het nieuwe pilot-omgevingsplan ('bestemmingsplan met verbrede reikwijdte') vervangt het vigerende bestemmingsplan Borsels Buiten. In de paragrafen 2.2 en 2.3 worden de in hoofdstuk 1 beschreven doelen voor het pilot-omgevings plan uitgewerkt, als basis voor de verdere uitwerking van het gemeentelijk beleid. Daarbij zijn twee aspecten van belang:
Uitgangspunten planfilosofie
Een omgevingsplan gaat op basis van de Omgevingswet uit van een andere filosofie dan een bestemmingsplan. Daarbij spelen de volgende uitgangspunten een rol.
Deze uitgangspunten vragen om een fundamentele heroverweging van beleid en regelgeving. Daarbij spelen de volgende vragen een rol:
Bij de eerste vraag zijn beleid en regeling meer gewenst en nodig naarmate:
Wat betreft de invulling van beleid en regeling is een goed evenwicht tussen flexibiliteit, duidelijkheid en rechtszekerheid van belang (zie figuur 2.1). Het gemeentebestuur wil meer flexibiliteit bieden, zonder dat daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid onevenredig worden geschaad. Zoals aangegeven zal de regeling meer kwalitatief worden ingestoken dan nu het geval is; meer gericht op de te realiseren beleidsdoelen. Dat betekent dat een verschuiving plaatsvindt van normatieve regels naar een vorm van 'onderhandelingsplanologie', waarbij aan de voorkant van het proces overeenstemming wordt bereikt over de vraag of medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling en onder welke voorwaarden. Dat vraagt om een goede onderbouwing door initiatiefnemers.
Daarom moet het pilot-omgevingsplan voorzien in:
De inhoud van beleid en regeling moet een goed evenwicht waarborgen tussen de aspecten flexibiliteit, rechtszekerheid en duidelijkheid. De (digitale) raadpleegbaarheid van het pilot-omgevingsplan speelt daarbij een belangrijke ondersteunende rol.
Figuur 2.1. Spanningsveld duidelijkheid-flexibiliteit-rechtszekerheid
In de inleiding is aangegeven dat het doel voor het pilot-omgevingsplan vierledig is:
In de paragrafen 2.2.1 tot en met 2.2.4 worden de doelstellingen voor Borsele verder uitgewerkt.
Uitgangspunt van beleid blijft het behoud en de ontwikkeling van de bijzondere kwaliteit van het buitengebied van Borsele. Het gaat daarbij in het pilot-omgevingsplan om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De kwaliteit van de leefomgeving staat hoog in het gemeentelijk vaandel en dat blijft zo. De ruimtelijke kwaliteit staat daarin centraal; versterkt en ondersteund door andere omgevingskwaliteiten, zoals de rust en de ruimte en de milieukwaliteit.
Ontstaansgeschiedenis
De ruimtelijke kwaliteit hangt nauw samen met de ontstaansgeschiedenis en de wijze waarop dit nog zichtbaar is in de landschapsstructuur en de beeldkwaliteit.
Het karakter van het buitengebied van Borsele is in belangrijke mate bepaald door de bedijkingsgeschiedenis van het gebied. Het Borsels buitengebied is een aaneenschakeling van poldergebieden die in de loop van de eeuwen op de zee zijn veroverd. Daarmee is de landschapsopbouw bepaald door het krachtenspel van mens en zee; de wisselwerking van het winnen van land op de zee en periodieke dijkdoorbraken.
De polderstructuur is in schillen opgebouwd rond de zogenaamde oudlandkernen. Tussen Goes en Nisse ligt het oudste gebied namelijk het kerngebied de Poel.
Verder is sprake van oudland rond Hoedekenskerke, Baarland, Oudelande en Ellewoutsdijk. In het begin van de 12e eeuw werden de oudlandkernen bedijkt. In eerste instantie om het doordringen van kreken in het achterland tegen te gaan. In het hedendaagse landschap zijn daarvan nog relicten te vinden, zoals de dijken bij Baarland, Hoedekenskerke en Oudelande en de later aangelegde ringdijken. De oudlandkernen werden van elkaar gescheiden door een stelsel van getijdegeulen (kreken). De belangrijkste geul was het Zwake die overging in het Sloe en de Schenge. In het geulenstelsel lagen zandplaten, de zogenaamde opwassen. Deze droogvallende delen werden na de periode van defensieve bedijking in het kader van landaanwinning bedijkt (offensieve bedijking). Het gaat om Heinkenszand, Ovezande en de polder daar direct omheen. Tegelijkertijd met de opwassen werden de toen nog buitendijks gelegen schorren bedijkt. Deze bedijkte gebieden worden aanwassen genoemd. Tot omstreeks 1500 werd op kleine schaal ingepolderd, hetgeen nu nog te zien is aan de kleine polders en het intensieve dijkenpatroon. Daarna maakte de technologische vooruitgang het mogelijk om grotere stukken in één keer in te polderen. Maar ook de langzame zeespiegelstijging in die tijd bevorderde de grootschalige inpoldering. De inpolderingsgeschiedenis van de grote polders loopt vanaf 1561, toen de Oude Kraaijertpolder werd bedijkt, tot aan de inpoldering van de Sloepolders in de 19e en 20e eeuw. Deze polders worden gekenmerkt door de grotere schaal en de langere, rechte wegen. Bijzonder is de renaissancepolder Borssele die gekenmerkt wordt door een open karakter en de rationele, rechthoekige verkaveling met het daarbij horende patroon van dijken en polderwegen (zie figuur 2.2.). Ook de kern Borssele is volgens dat rechthoekig verkavelingspatroon ingericht, waarbij de gedraaide oriëntatie ten opzichte van de omliggende polder opvallend is.
Figuur 2.2 Renaissancepolder Borssele
De bedijkingsgeschiedenis is daarmee sterk bepalend voor het huidige landschap. De kenmerkende structuur van dijken en wegen is met een aantal oude kreeklopen en de welen de belangrijkste structuurdrager van het landschap. Figuur 2.4. geeft de belangrijkste structuurdragers weer.
De bedijking was gericht op het uitbreiden van het agrarische areaal. De landbouw is nog steeds verreweg de belangrijkste gebruiksfunctie van het polderlandschap. De natuur- en landschapswaarden zijn in belangrijke mate verbonden met het agrarische gebruik. Denk daarbij aan het oude heggenlandschap bij Nisse of de weidereservaten in De Poel. Ook het huidige agrarische gebruik draagt bij aan de landschapswaarden van het buitengebied, bijvoorbeeld in de openheid en de fruitteelt. Natuurgebieden zijn op verschillende plaatsen ontstaan door dijkdoorbraken (welen), langs kreekrestanten en achter de Westerscheldedijk (inlaagpolders).
Ruimtelijke kwaliteiten - gebiedsbeschrijving
Het buitengebied van Borsele wordt gekenmerkt door een open polderlandschap. Een deel van de polders heeft een grootschalig, rationeel blokverkavelingspatroon. In de oudere polders is dat het gevolg van herverkavelingen, terwijl de nieuwere polders reeds bij het ontstaan op deze economische wijze zijn verkaveld. Nabij de kernen en in de landschappelijk beschermde gebieden zijn daarnaast polders met een meer kleinschalig verkavelingspatroon te vinden. In het landschap komen overigens veel dijken voor, van waarop vergezichten mogelijk zijn. Het landschap kan op basis van de ligging en de schaal van de polders onderverdeeld worden in een aantal deelgebieden: De Poel (oudland), de kleinschalige nieuwlandpolders van de Zak, de herverkavelde oudlandpolders (Baarland, Hoedekenskerke en Ellewoutsdijk), de grootschalige polders zoals de Kraaijertpolders en de Borsselepolder. De drie eerstgenoemde deelgebieden behelzen de (meer) kleinschalige en/of landschappelijk waardevolle polders.
De Poel
Kleinschalige polders
Grootschalige polders
In het buitengebied komen veel boerderijen voor. De traditionele agrarische bebouwingsvormen zoals Zeeuwse schuurboerderijen en boerenhofsteden hebben in Borsele een belangrijke cultuurhistorische waarde, maar zijn door hun verspreide aanwezigheid in het buitengebied ook voor de landschapsbeleving waardevol. Dergelijke bebouwing is in het open landschap makkelijk herkenbaar door de hoge bomen rondom het erf. Deze bomenrijen behoren tot de traditionele erfbeplanting. De bebouwing zelf is pas zichtbaar van dichtbij. Oorspronkelijk is de bebouwing gesitueerd langs de dijken, aan de rand van de polder. Bebouwing langs de wegen komt minder voor.
Erfbeplantingen in de Zak van Zuid-Beveland waren in vroegere tijden net zo vanzelfsprekend als de karakteristieke Zuid-Bevelandse boerderijen en spulletjes. In de beplanting en inrichting zat een logica die door het gebruik van het erf als het ware vanzelf ontstond en hierdoor in harmonie was met de bebouwing en hier nauwe samenhang mee vertoonde. De beplanting was een onderdeel van de bedrijfsvoering, waardoor men op een boerderij veelal zelfvoorzienend was. Vanwege de schaalvergroting en efficiëntie in de landbouw is het gebruik van de beplanting grotendeels verdwenen. De beplanting van een erf wordt nog steeds gezien als een kwaliteit, die kenmerkend is voor de Zak van Zuid-Beveland, omdat deze mede de Borselse identiteit bepaalt. Erfbeplantingen leveren hierdoor een belangrijke bijdrage aan het aanzien van het landschap. Deze kwaliteit van het landschap is van onschatbare waarde voor mensen die in het gebied wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat (bouw)ontwikkelingen landschappelijk goed worden ingepast, zodat de landschappelijke kwaliteit van erven behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Juist hierdoor kunnen de maat en schaal van de nieuwe bedrijfsbebouwing goed worden ingepast in het landschap en de veelal aanwezige bestaande karakteristieke bebouwing. Per landschapstype vertonen de erfbeplantingen verschillen. Het is van belang dat bij (bouw)ontwikkelingen de te ontwikkelen beplantingsplannen aansluiten op de kenmerken per deelgebied.
Naast de traditionele boerderijen komen ook nieuwe agrarische bedrijven voor. De moderne agrarische sector wordt gekenmerkt door een ontwikkeling van schaalvergroting en industrialisering. Waar de landbouw van oorsprong een activiteit was die gericht was op zelfvoorziening van de directe omgeving, is het geëvolueerd naar een rationele economische activiteit, die voor de (wereld)markt produceert. In het bewerken van het land (van handmatig naar machinaal), in de inrichting van het erf en in de vormgeving van de bebouwing is deze evolutie waarneembaar. Vanaf het prille begin van deze ontwikkeling is er sprake van functiescheiding op het erf, te beginnen met een scheiding tussen wonen en werken, doorgezet in afzonderlijke varkenskotten en wagenschuren. Naast de boerenwoningen komen veelvuldig, al dan niet samengevoegde, Zeeuwse arbeiderswoningen voor. Daarnaast zijn woningen ontstaan als resultaat van boerderijen die hun functie hebben verloren. De voormalige boerderijen zijn verbouwd tot woningen of gesloopt en vervangen door woningbouw.
In het buitengebied komt een aantal bebouwingsclusters voor die historisch gegroeid zijn zoals bijvoorbeeld Langeweegje, Graszoden, Sinoutskerke, Bakendorp en Baarsdorp. Ze worden vooral gekenmerkt door hun beperkt omvang. Deze landelijke bebouwingsconcentraties zijn veelal ontstaan langs historische verbindingswegen, maar toch zijn ze nooit uitgegroeid tot volwaardige kernen. Kenmerkend is de sterke relatie (verwevenheid) met de omliggende open ruimte. Het zijn veelal clusters van (arbeiders)woningen, al dan niet bij een boerderijencomplex. Overige functies komen in deze gebieden zelden voor. Meestal betreft het vrijstaande gebouwen.
De aanwezige natuur- en landschappelijke waarde vormen de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Bovendien wordt ook de recreatieve waarde van het buitengebied, gekenmerkt door rust, stilte en natuur, steeds meer gewaardeerd.
Behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit en vertaling naar deelgebieden
Het uitgangspunt van het veiligstellen en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied wordt langs verschillende sporen in het pilot-omgevingsplan vertaald.
Zoals hiervoor beschreven is sprake van verschillende deelgebieden:
Wat betreft de ontstaansgeschiedenis en de karakteristieke kenmerken zijn deze vijf deelgebieden in het algemeen duidelijk herkenbaar.
Voor het vastleggen van de bestaande kwaliteiten van het Borsels buitengebied in het pilot-omgevingsplan is het onderscheid in de aangegeven deelgebieden echter te grofmazig. De kwaliteiten van het landschap hangen samen met de dijkenstructuur, de aanwezige kreeklopen en welen, specifieke landschapselementen en perceelsgebonden landschaps- en natuurwaarden op specifieke locaties. Deze waarden zullen op perceelsniveau van een beschermende regeling worden voorzien. Het niveau van de deelgebieden is daarvoor te grootschalig. Met name de oudlandkern bij Sinoutskerke en het heggengebied bij Nisse zijn gebieden waar in het agrarisch gebied te beschermen landschaps- en natuurwaarden voorkomen. Deze gebieden zullen dan ook van een beschermende regeling worden voorzien.
Het pilot-omgevingsplan zal zonder meer - zonder nadere procedures - ruimte bieden aan het versterken en vergroten van de bestaande natuur- en landschapswaarden in het buitengebied.
Figuur 2.3 Omgeving Nisse
De ruimtelijke kwaliteit van het Borsels buitengebied wordt naast de natuurlijke en landschappelijke waarden, bepaald door de beeldkwaliteit van (voormalige) boerderijen en burgerwoningen. Behoud van omgevingskwaliteit wordt mede bereikt door het behoud van deze beeldkwaliteit bij toekomstige bouwinitiatieven. Daartoe worden de vigerende Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting vertaald in het pilot-omgevingsplan in voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen.
Figuur 2.4 Structuurdragers
Door voorwaarden te stellen aan toekomstige ontwikkelingen zal worden geborgd dat deze ontwikkelingen bijdragen aan de versterking en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daarbij zijn de deelgebieden zoals onderscheiden in het bestemmingsplan Borsels Buiten en bij de Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting in eerste instantie als uitgangspunt genomen, met dien verstande dat:
De relevante indeling van het plangebied in deelgebieden voor toelaatbare toekomstige ontwikkelingen is weergegeven in figuur 2.4. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 4; uit de tabel die is opgenomen in deze bijlage blijkt dat er, voor toelaatbare ontwikkelingsmogelijkheden, aanleiding is om een andere indeling van deelgebieden te hanteren.
Het versterken van de landschappelijke waarden (dijken, wegbeplantingen, schaal van het landschap) en de vergroting van de diversiteit aan natuurwaarden is niet alleen van belang voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, het draagt ook bij aan de aantrekkelijkheid van het gebied voor recreanten en toeristen en is daarmee van economische betekenis voor de ontwikkeling van aan het buitengebied verbonden recreatie (kleinschalig kamperen, aantrekkelijke dagrecreatieve functies, routes). De recreatieve gebruiksmogelijkheden van het buitengebied hebben ook een (potentieel) gezondheidsbevorderende functie.
Het gemeentebestuur wil in het buitengebied passende economische ontwikkelingsmogelijkheden, die de kwaliteit van het buitengebied niet aantasten, maar versterken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën ontwikkelingen. Voor de ontwikkeling van functies in het buitengebied wordt ruim baan geboden aan functies die aan het buitengebied zijn gebonden. Daarnaast wordt passende ontwikkelruimte geboden voor andere functies. Daarbij wordt gekozen voor een grote mate van flexibiliteit. Dat betekent dat zo veel mogelijk wordt gewerkt met algemene regels, zowel voor wat betreft de uitbreidings- en vestigingsmogelijkheden voor functies als voor wat betreft de koppeling aan de locatie. Functies en ontwikkelingen die op voorhand niet gewenst zijn in het buitengebied worden niet mogelijk gemaakt. Functies en ontwikkelingen die niet in het algemeen hoeven te worden uitgesloten, worden voorzien van randvoorwaarden, die in een specifieke situatie, voor een specifieke locatie getoetst worden. In dat kader wordt ook getoetst aan de specifieke locatiekenmerken. De vraag of uitbreiding of vestiging toelaatbaar is, wordt dus in het specifieke geval beantwoord.
Categorieën functies
Primair aan het buitengebied gebonden functies
Grondgebonden landbouw, natuur- en landschapsontwikkeling en recreatief medegebruik zijn functies die onlosmakelijk verbonden zijn aan het buitengebied en mede bepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Deze functies krijgen in beginsel (binnen een aantal algemene randvoorwaarden) ruime ontwikkelingsmogelijkheden.
Landbouw
Vanuit een oogpunt van ruimtelijke kwaliteit is het agrarische grondgebruik onmisbaar. De landbouw is een bedrijfstak die – vanuit de bedrijfseconomische noodzaak – continu in ontwikkeling is. Daarbij kunnen verschillende ontwikkelingsrichtingen/strategieën worden onderscheiden:
Dit is een belangrijke tendens in de landbouw in het algemeen, zowel in de akkerbouw als in de veehouderij. In combinatie met het beëindigen van bedrijven breiden andere bedrijven uit. De bedrijfscentra krijgen in de regel een andere functie, veelal wonen met een nieuwe gebruiksfunctie voor de agrarische schuren (nieuwe economische dragers). Soms blijven loodsen in agrarisch gebruik door andere bedrijven. De agrarische gronden worden door de overblijvende bedrijven gebruikt om hun bedrijfsoppervlakte te vergroten. De schaalvergroting uit zich derhalve in bedrijven die qua oppervlakte groter zijn, maar ook in meer en grotere gebouwen en groter materieel.
Door de ingezette schaalvergroting zal ook vrijkomende agrarische bebouwing in het algemeen omvangrijker zijn, waardoor ze niet meer zo eenvoudig in te vullen zijn met nieuwe (niet-agrarische) functies.
Een aantal bedrijven richt zich op specialisatie als strategie. Een belangrijk voorbeeld in Borsele is de fruitteelt, Voor de fruitteelt in Nederland is de teelt van hoogwaardige kwaliteitsproducten een logische strategie. De Nederlandse fruitteelt kan niet concurreren met de bulkproductie elders. Met het oog op het leveren van een hoogwaardig kwaliteitsproduct zijn vanuit de sector de nodige beschermende voorzieningen gewenst, zoals regenkappen, hagelnetten en antihagelgeneratoren. Andere voorbeelden van specialisatie zijn de teelt van zwarte bessen, druiventeelt in combinatie met het maken van wijn, de teelt van eetbare bloemen, et cetera.
Diverse bedrijven proberen een sterkere economische basis te creëren door koppeling van passende niet-agrarische activiteiten aan het agrarisch bedrijf. Voorbeelden daarvan zijn de verkoop van eigen producten, kleinschalige verblijfsrecreatie en een theetuin.
In beginsel moeten agrarische ondernemers de ruimte hebben om vanuit hun visie op hun bedrijf eigen accenten te leggen en keuzes te maken in deze ontwikkelingsstrategieën. Dat betekent dat het gemeentebestuur deze ontwikkelingsrichtingen met het pilot-omgevingsplan in beginsel wil faciliteren, binnen kaders. Die kaders worden ingegeven door de ruimtelijke karakteristiek van het buitengebied en cultuurhistorische en natuur- en landschapswaarden. In de teksten hierna wordt daar verder op ingegaan.
Akkerbouw en fruitteelt zijn van oudsher beeldbepalend voor het Borselse buitengebied en dat moet ook zo blijven. De grondgebonden landbouw krijgt dan ook ruime ontwikkelingsmogelijkheden. De omvang van de bouwmogelijkheden wordt begrensd. Aan het grondgebonden agrarische grondgebruik worden nauwelijks randvoorwaarden opgelegd, met uitzondering van de kwetsbare gebieden, zoals het heggengebied bij Nisse en het weidereservaat bij Sinoutskerke. Wel worden voorwaarden gesteld aan teeltondersteunende voorzieningen, voor zover het gaat om bouwwerken, die een duidelijke ruimtelijke invloed op de omgeving hebben. Het bieden van ontwikkelingsruimte voor de agrarische (grondgebonden) sector is noodzakelijk voor het behoud van de bedrijven en de kwaliteiten van het gebied. Intensievere vormen van agrarisch grondgebruik zoals intensieve veehouderij, glastuinbouw en aquacultuur (in gebouwen en in vijvers) zijn minder passend in het Borsels buitengebied. Aan deze categorieën zullen de nodige randvoorwaarden worden opgelegd. In het algemeen zullen verder randvoorwaarden aan de verschijningsvorm van gebouwen en kwalitatieve regels voor landschappelijke inpassing worden opgenomen, overeenkomstig de Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting.
Figuur 2.5 Fruitteelt
Natuur en landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en archeologie
Bij het karakter en de kwaliteiten van het Borselse buitengebied passende landschaps- en natuurontwikkeling is rechtstreeks mogelijk, ook al is de ecologische hoofdstructuur in beginsel gereed. Bestaande cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische waarden en archeologische verwachtingswaarden worden, voor zover dat nodig is, veiliggesteld.
Recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden
Context
Op basis van het provinciaal beleid zoals vastgelegd in het Omgevingsplan 2012-2018 is uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen in de provincie niet gewenst. Om minimaal het huidige kwaliteitsniveau te kunnen blijven bieden tegen de hiervoor noodzakelijke tarieven is het niet wenselijk dat het aanbod aan kampeerplaatsen in Zeeland verder toeneemt. Bij kwaliteitsverbetering en revitalisering van kampeerbedrijven neemt het aantal kampeerplaatsen geleidelijk af, omdat hoogwaardiger vormen van verblijfsrecreatie worden aangeboden. Kampeerplaatsen die als gevolg hiervan vrijkomen, kunnen opnieuw in de markt worden gezet.
Gemeentelijk beleid
Het gemeentebestuur wil - vanwege de gewenste ruimte voor verbreding binnen de landbouw en de differentiatie van het toeristisch-recreatieve product - ruimte bieden voor de ontwikkeling van kleinschalig kamperen. Daarnaast biedt het gemeentebestuur ruimte aan innovatieve vormen van verblijfsrecreatie in de vorm van bijzondere overnachtingsplaatsen. Het gaat daarbij om kleinschalige (qua aantal en omvang) ontwikkelingen, op bijzondere locaties, die duidelijk onderscheidend zijn in vormgeving en uitstraling en waarbij een inventieve en originele relatie wordt gelegd tussen vormgeving en de locatie. Een bijzondere overnachtingsplaats kan volledig opgaan in het landschap, de karakteristiek van het landschap versterken, of daar juist een spraakmakende toevoeging aan doen. Gedacht kan worden aan een koppeling aan thema's, zoals:
Verwacht wordt dat onder deze noemers (kleinschalig kamperen en bijzondere overnachtingsplaatsen) slechts een beperkt aantal kampeerplaatsen zal worden gerealiseerd. Aangenomen wordt dat door de herstructurering van grootschalige kampeerterreinen elders in de provincie ruimte is of zal ontstaan voor de beperkt te verwachten uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen in Borsele.
De realisatie van kleinschalige kampeerterreinen wordt gekoppeld aan een melding: met dit instrument kan goed worden gemonitord of het aantal standplaatsen binnen de gemeentegrenzen niet onevenredig en ongewenst oploopt tot onaanvaardbare aantallen.
Aan het buitengebied gebonden recreatiemogelijkheden, zoals routegebonden recreatief medegebruik, van bestaande wegen, dijken en paden, maar ook door middel van nieuwe paden, wordt eenvoudig mogelijk gemaakt. Als grondeigenaren daarmee instemmen, voegt een procedure niet zo veel toe. Overigens wordt daarbij wel rekening gehouden met de belangen van aangrenzende grondeigenaren. Ook kleinschalige, ondersteunende voorzieningen zoals picknickbanken en informatieborden, gekoppeld aan de routes worden eenvoudig mogelijk gemaakt. Voor nieuwe verblijfsrecreatieve voorzieningen worden mogelijkheden geboden voor kleinschalige kampeerterreinen en bijzondere overnachtingsplaatsen. Voor het overige wordt het spoor van de nieuwe economische dragers (ned-regeling) gevolgd.
Figuur 2.6 Boerenlandroute Borsele Zuid
Faciliterende functies
Naast de primair aan het buitengebied gebonden functies is het buitengebied van belang voor een aantal 'faciliterende' functies. Het gaat daarbij om utilitaire functies, zoals waterhuishouding, waterkeringen, leidingen, die belangrijke betekenis hebben voor het functioneren van zowel het buitengebied als de kernen. Voor zover deze voorzieningen planologisch relevant zijn en dat vanuit het oogpunt van veiligheid nodig is, worden deze functies specifiek vastgelegd in het pilot-omgevingsplan. Als dat niet nodig is, wordt – met name vanuit het oogpunt van flexibiliteit – de bestaande situatie niet specifiek vastgelegd. Dat speelt bijvoorbeeld voor de waterlopen met een waterhuishoudkundige functie in het plangebied. Mede gelet op de veiligstelling van deze waterlopen in de Keur van het waterschap en de wens om eventuele nieuwe waterlopen eenvoudig te kunnen realiseren, worden deze waterlopen niet vastgelegd op de verbeelding van het pilot-omgevingsplan.
Ontwikkelruimte voor bestaande functies
Naast de primair aan het buitengebied gebonden functies, zoals hiervoor omschreven, komen in het buitengebied diverse functies voor die daaraan niet primair zijn gekoppeld, maar daar wel legaal zijn gevestigd. Het buitengebied is naast een agrarisch gebied bijvoorbeeld ook de locatie waarin veel burgerwoningen en niet-agrarische bedrijven zijn gevestigd.
Burgers zoeken het buitengebied onder meer op voor de rust en de ruimte en hebben specifieke gebruikswensen. Aan deze wensen (ruimte voor het houden van hobbydieren, erfbebouwing, kleinschalige beroep- of bedrijfsmatige activiteiten) kan in beginsel – binnen randvoorwaarden – tegemoet worden gekomen. Een strikte scheiding tussen agrarische percelen en gronden met een woonfunctie betekent dat procedures nodig zijn om bijvoorbeeld agrarische grond als schapenweitje bij een woning te gebruiken of een tuin bij een woning uit te breiden, als grond gekocht kan worden van het aangrenzende landbouwbedrijf. Bij dergelijke gebruiksveranderingen is het maken van een afweging in het algemeen niet nodig, tenzij sprake is van gronden met bijzondere natuur- of landschapswaarden. Wel zijn bepaalde voorwaarden gewenst, bijvoorbeeld met betrekking tot het uitbreiden van tuinen bij een woonfunctie in het buitengebied. In het algemeen hoeft dat geen bezwaar te zijn, waarbij wel moet worden voorkomen dat hinder ontstaat voor aangrenzende percelen.
Ook bestaande niet-agrarische bedrijven wordt – onder voorwaarden – ontwikkelingsruimte geboden. Het gaat daarbij om uitbreiding van het bedrijfsperceel en om uitbreiding van bebouwing. Overigens moet daarbij worden afgewogen of verplaatsing naar een bedrijventerrein niet beter is.
Bij de ontwikkeling van functies in het buitengebied ligt het accent, zoals hier voor beschreven, bij de functies die onlosmakelijk met het buitengebied zijn verbonden (grondgebonden landbouw, landschap, natuur en cultuurhistorie, recreatief medegebruik). Deze functies bepalen de kernwaarden van het buitengebied en die mogen niet onevenredig onder druk komen te staan.
Het gemeentebestuur kiest voor een zo faciliterend mogelijke regeling, waarmee passende ontwikkelingen eenvoudiger mogelijk worden gemaakt. Het pilot-omgevingsplan biedt de mogelijkheid om ontwikkelingen rechtstreeks toe te staan mits voldaan wordt aan kwalitatieve voorwaarden.
Het rechtstreeks toestaan van ontwikkelingen kan eventueel gekoppeld worden aan een melding zodat is vastgelegd tussen gemeente en initiatiefnemer op welke wijze aan de kwalitatieve voorwaarden wordt voldaan. Daarnaast kan in het pilot-omgevingsplan gewerkt worden met 'afwijkingen' en 'delegatie'. Met de afwijkingen van het pilot-omgevingsplan kunnen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt waarvoor in het huidige bestemmingsplan afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen. Ten opzichte van de wijzigingsprocedure van het bestemmingsplan ontstaat hier tijdswinst. De gemeenteraad kan verder aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid delegeren om het pilot-omgevingsplan op afgesproken onderdelen te wijzigen. Ook hier ontstaat tijdwinst ten opzichte van een traditionele partiële bestemmingsplanherziening.
De Omgevingswet biedt voorts mogelijkheden om noodzakelijke afwegingen en onderzoeken voor initiatieven vooruit te schuiven naar het moment van aanvraag. In het pilot-omgevingsplan wordt opgenomen aan welke (kwalitatieve) voorwaarden moet worden voldaan, de toetsing vindt in een later stadium plaats.
In het pilot-omgevingsplan voor het buitengebied van Borsele wordt de vereenvoudiging van regelgeving onder andere gezocht in:
Nieuwe functies
Wat betreft het toelaten van nieuwe functies (op erven bij aanwezige functies) gaat het gemeentebestuur bij de toetsing nadrukkelijk uit van de kwaliteiten van de betreffende locatie en de invloed daarop van de nieuwe functie. Functies die in het buitengebied in het algemeen niet passend zijn worden algemeen uitgesloten. Het gaat daarbij om functies die ruimtelijk en/of milieuhygiënisch een te grote belasting betekenen, of om functies die naar de aard aan dorpen en kernen zijn gebonden en bijdragen aan het voorzieningenniveau. Anderzijds kunnen kleinschalige, ondergeschikte functies met weinig effecten op de omgeving algemeen worden toegestaan. Voor het overige is het afhankelijk van de specifieke omstandigheden of medewerking kan worden verleend aan een nieuwe ontwikkeling en onder welke voorwaarden.
Voor de toetsing van dergelijke ontwikkelingen wordt een procesbenadering gehanteerd. Afhankelijk van de aard en de omvang van de ontwikkeling worden de daarbij behorende stappen doorlopen. Voor een in schaal en omvang relatief beperkte ontwikkeling kan volstaan worden met een eenvoudige afweging en is landschappelijke inpassing (stap 4 ) en een ruimtelijke meerwaarde (stap 5) niet altijd noodzakelijk. Naarmate een ontwikkeling ingrijpender en grootschaliger is zijn alle stappen aan de orde en is landschappelijke inpassing en/of ruimtelijke kwaliteitswinst noodzakelijk.
Stap 1: Past initiatief in het pilot-omgevingsplan?
Initiatieven die op voorhand als passend in het buitengebied (naar aard en omvang van de functie en de daar aan te stellen voorwaarden) gezien worden, worden rechtstreeks of met een melding mogelijk gemaakt in het pilot-omgevingsplan.
Als een initiatief niet rechtstreeks in het pilot-omgevingsplan past, dan zullen hiervoor mogelijkheden worden geboden (afwijking, delegatie) waarbij dan wordt getoetst volgens de volgende stappen.
Stap 2: Past de functie op de locatie?
Bij de vraag of het initiatief past op de locatie spelen de volgende aspecten een rol:
Bij de beoordeling of een initiatief naar aard en omvang van de functie in het gebied past kan een onderscheid gemaakt worden naar functies die in meer of mindere mate een binding hebben met het buitengebied. Functies die bij uitstek een bijdrage leveren aan het voorzieningenniveau in de kernen (detailhandel, kantoren met een baliefunctie, zorgfuncties) of grootschalige bedrijven met een verkeer aantrekkende werking passen naar aard minder goed in het buitengebied. Alleen als daarbij sprake is van een meerwaarde van de vestiging in het buitengebied, kan daaraan medewerking worden verleend.
Functies die een duidelijke relatie hebben met het buitengebied (zoals aan de landbouw gekoppelde of daarmee verbonden bedrijven, aan het buitengebied gebonden dag- en verblijfsrecreatieve functies, aan de landbouw en/of het buitengebied gerelateerde dienstverlening, maatschappelijke en zorgfuncties en landbouwproduct verwerkende bedrijven) worden eerder als passend beoordeeld. Ook de omvang van een initiatief en de mate waarin uitbreiding van bebouwing aan de orde is, zijn van belang voor de beoordeling.
Bij de beoordeling van een initiatief worden de specifieke kwaliteiten van het betreffende deelgebied (bijvoorbeeld kerngebied de Poel of de grootschalige polders) in ogenschouw genomen.
Stap 3: Past de functie bij de omgevingsaspecten van de locatie?
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt beoordeeld of de kwaliteiten van de locatie actief worden benut en er zowel economisch als ruimtelijk ook kwaliteit wordt toegevoegd.
Daarbij moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkeling voor aspecten als ecologische en landschappelijke waarden, bodemkwaliteit, waterhuishouding, in de grond aanwezige of te verwachten monumenten en cultuurhistorische waarden. Tevens moet worden aangegeven of voldaan wordt aan sectorale wet- en regelgeving en mogen het woon- en leefklimaat van omwonenden en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet (onevenredig) worden aangetast.
Stap 4: Is sprake van een goede landschappelijke inpassing?
Wat de landschappelijke inpassing betreft wordt uitgegaan van een hoogwaardige en gevarieerde inpassing, passend bij de indeling in deelgebieden.
Stap 5: Is sprake van een meerwaarde voor het gebied?
Om medewerking te verlenen aan een initiatief kan, anders dan met landschappelijke inpassing, ook een meerwaarde worden gecreëerd door een aantoonbare fysieke verbetering van de kwaliteit van het buitengebied. Als uitgangspunt voor het bepalen en invullen van de meerwaarde is een handreiking die door de geraadpleegde klankbordgroep is gedaan gebruikt (economische meerwaarde, maatschappelijke meerwaarde, natuurlijke meerwaarde). Hieronder kan onder andere worden verstaan het versterken van de recreatieve potenties van het buitengebied van Borsele, het versterken van natuur- of landschapswaarden en de versterking van cultuurhistorische waarden.
Figuur 2.7 Zwaakse weel
Het gemeentebestuur vindt het draagvlak van omwonenden en eventuele andere belanghebbenden een belangrijk aspect bij het beoordelen van initiatieven. Initiatiefnemers zijn daarvoor verantwoordelijk, waarbij uit de aanvraag (of eventueel melding) moet blijken hoe de initiatiefnemer het draagvlak heeft getoetst en of er in de omgeving draagvlak is voor de beoogde ontwikkeling. Overigens betekent het aanwezig zijn van draagvlak niet automatisch dat meegewerkt wordt aan een ontwikkeling. Omgekeerd betekent ook het ontbreken van draagvlak niet op voorhand dat geen medewerking wordt verleend. Primair blijft sprake van een toets aan de effecten op de omgevingskwaliteit. Het aanwezige draagvlak speelt daarbij echter wel een aanvullende rol.
De Omgevingswet (en daarmee een omgevingsplan) heeft betrekking op de fysieke leefomgeving. Dat begrip is breder dan de goede ruimtelijke ordening uit de Wro. Op basis van artikel 1.2 van de Omgevingswet omvat de fysieke leefomgeving in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden onder meer aangemerkt activiteiten waardoor emissies, hinder of risico's worden veroorzaakt. Gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed via de onderdelen van de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt als gevolgen voor de fysieke leefomgeving.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden door het rijk normen en instructieregels opgenomen voor de verschillende aspecten van de leefomgeving. Daarmee wordt de kwaliteit van de fysieke leefomgeving vertaald in concrete normen. Naar aanleiding van een door de Tweede Kamer aangenomen amendement is het mogelijk dat gemeenten aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Dat kan bijvoorbeeld als sprake is van onvoorziene gezondheidsrisico's, die nog niet door de wet worden beschermd. Zo kan een gemeente een omgevingsvergunning weigeren als sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor het verlenen van de vergunning zou leiden tot nadelige gevolgen voor de gezondheid.
De ruimte die de Omgevingswet biedt, kan met het pilot-omgevingsplan in beginsel worden benut. Daarbij spelen twee aspecten een rol:
Vigerend gemeentelijk beleid fysieke leefomgeving
Wat betreft het integreren van de gemeentelijke verordeningen en beleidsregels voor de fysieke leefomgeving in het pilot-omgevingsplan kiest het gemeentebestuur voor een selectieve aanpak. Daarbij spelen drie aspecten een rol. In de eerste plaats zijn de verordeningen en beleidsregels niet opgesteld met het oogmerk ze ooit mee te nemen in een pilot-omgevingsplan, waardoor er verschillen zijn in plangebieden en definities. De verordeningen en beleidsregels zouden moeten worden aangepast, ingetrokken en/of gedeeltelijk van kracht moeten blijven voor het gebied wat niet in het pilot-omgevingsplan wordt opgenomen. In de tweede plaats is de duidelijkheid en toegankelijkheid van het pilot-omgevingsplan een belangrijk aandachtspunt. Naarmate meer verordeningen en beleidsregels – die qua opzet niet zijn afgestemd op het pilot-omgevingsplan – worden opgenomen, kan de duidelijkheid van het pilot-omgevingsplan afnemen. Tot slot is van belang dat er nog geen wettelijke standaarden zijn en het integreren van verordeningen en beleidsregels daardoor relatief veel pionierswerk kost.
Om die reden is besloten om een selectie te maken van de verordeningen en beleidsregels die meegenomen worden in het pilot-omgevingsplan. De verordeningen en beleidsregels die aansluiten bij en van belang zijn voor de doelstelling om het bijzondere karakter van het buitengebied te behouden worden in ieder geval meegenomen en zo nodig aangepast (bijvoorbeeld door aanpassing van het gebied waarop de verordening van toepassing is, het op een andere manier raadpleegbaar maken of door een beleidsregel te actualiseren). Het betreft de verordeningen en beleidsregels die van belang zijn voor de landschapsstructuur (erfbeplantingsregels, waardevolle bomen en dergelijke) en voor de beeldkwaliteit (Beeldkwaliteitsnota). Voorts zijn de beleidsregels en verordeningen meegenomen waarvan opname noodzakelijk is (de erfgoednota is opgesteld in afwachting van de vertaling van het archeologiebeleid in een bestemmingsplan en hoeft dus niet te worden opgenomen) of relatief eenvoudig (zoals het stookbeleid). Het pilot-omgevingsplan moet zodanig van opzet zijn dat in de toekomst beleidsregels of verordeningen relatief eenvoudig aan het plan kunnen worden toegevoegd. In Bijlage 7 is een overzicht opgenomen van de beleidsregels en -nota's en de afweging of deze wordt vertaald in het pilot-omgevingsplan.
Naast het opnemen van de vigerende verordeningen en beleidsregels in het pilot-omgevingsplan is het mogelijk om - voor zover de wetgeving zich daar niet tegen verzet - eigen beleid en regels te formuleren voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Dat zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat niet-agrarische bewoners van het buitengebied wat meer hinder van de agrarische bedrijfsvoering moeten accepteren. Omgekeerd zou beleid opgesteld kunnen worden, waarmee bepaalde agrarische ontwikkelingen beperkt worden, met als doel gezondheidsrisico's te beperken. Op een aantal terreinen geldt al specifiek gemeentelijk beleid: geluid en hagelkanonnen. Dit beleid is geëvalueerd en wordt vertaald in het pilot-omgevingsplan. Vooralsnog lijkt er geen aanleiding te zijn om specifiek aanvullend beleid te formuleren. In bijlage 6 is een overzicht gegeven van mogelijke aspecten die daarbij een rol kunnen spelen.
De vierledige doelstelling zoals hiervoor beschreven in paragraaf 2.2 vormt de algemene basis voor het gemeentelijke beleid voor de fysieke leefomgeving. Dit algemene beleid is meer in detail uitgewerkt.
Deze uitwerking is opgenomen in bijlage 4 Uitwerking gemeentelijk beleid. In deze paragraaf wordt ingegaan op een aantal specifieke beleidsonderwerpen.
Uitgangspunt voor de uitwerking
Het gemeentelijk overzicht van het beleid voor de fysieke leefomgeving wordt in eerste instantie beschreven aan de hand van de karakteristiek van de verschillende deelgebieden. Hierbij is uitgegaan van de gebiedsindeling zoals deze in het bestemmingsplan Borsels Buiten en verschillende andere gemeentelijke beleidsdocumenten - zoals met name de Structuurvisie 2015-2020 - is gehanteerd. Het betreft de indeling: de Poel, Kleinschalige nieuwlandpolders, Herverkavelde oudlandpolders, Grootschalig polders en Westerschelde.
Gekoppeld aan de kernkwaliteiten van de deelgebieden worden ook de doelen per deelgebied geformuleerd. Kernkwaliteiten en doelen vormen de basis voor de toelaatbaarheid van functies en de toelaatbare ontwikkelingen. Voor zover aspecten van de fysieke leefomgeving niet aan bepaalde deelgebieden kunnen worden gekoppeld, worden deze in algemene zin, voor alle deelgebieden, weergegeven. Uit de uitwerking blijkt dat voor het toelaten van ontwikkelingen de indeling in deelgebieden kan worden aangepast.
Het ruimtelijke beleid is aangevuld met de elementen, relevant voor de fysieke leefomgeving die in diverse andere gemeentelijke nota's, verordeningen en beleidsregels zijn opgenomen (zie hiervoor bijlage 7 Beleidsregels en verordeningen). Daarnaast is het huidige provinciale beleid (zie bijlage 3 Provinciaal beleid) meegewogen.
Het beleid is meer dan een opsomming van alle vigerende beleidsstukken: nadrukkelijk is gekeken naar mogelijkheden om het aantal regels te verminderen en afwegingen meer integraal en kwalitatief te maken.
Vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen
Context
Net als de afgelopen jaren zal het aantal agrarische bedrijven in de planperiode van het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 afnemen. In het rapport Vrijkomende Agrarische Bebouwing, opgesteld in opdracht van de Rekenkamer Zeeland door Alterra en het Kadaster (2016), is onderzocht wat de te verwachten oppervlakte is van vrijkomende agrarische bebouwing in Zeeland in de periode 2012 tot 2030. Voor de gemeente Borsele is de verwachting dat de volgende oppervlakten gebouwen worden onttrokken aan de agrarische bedrijfsvoering:
Tabel 2.1: vrijkomende gebouwen
In de periode 2000-2012 bedroeg de oppervlakte agrarische bedrijfsgebouwen op beëindigde bedrijven Zeelandbreed op basis van het onderzoek 150 ha (12,5 ha/jr). Voor de periode 2012-2030 wordt Zeelandbreed een afname met 125,5 ha verwacht (6,9 ha/jr). Dat betekent een halvering van de jaarlijks vrijkomende oppervlakte agrarische gebouwen. Qua oppervlakte neemt de jaarlijkse bedrijfsbeëindiging derhalve flink af. De oppervlakte per agrarisch bedrijf dat wordt beëindigd neemt echter toe; 95% van de vrijkomende bedrijven had in de periode 2000-2012 een oppervlakte gebouwen van minder dan 2.000 m2. Voor de periode 2012-2030 is dat 86%. Ervan uitgaande dat het percentage van de totale agrarische bebouwing recht evenredig is met het aantal agrarische bedrijven, zullen in Borsele in de periode tot 2030 ongeveer 85 bedrijven worden beëindigd (uitgaande van de 340 adressen met een agrarische hoofdfunctie in het voorontwerpomgevingsplan). Over een periode van 14 jaar zou het om ongeveer 6 bedrijven per jaar gaan.
Door de verschuiving naar een grotere oppervlakte vrijkomende gebouwen per bedrijf en een verschuiving naar meer recente bebouwing (met in het algemeen een lagere cultuurhistorische waarde en beeldkwaliteit) ligt een verschuiving van hergebruik uitsluitend voor de woonfunctie of voor kleinschalige ondergeschikte functies naar - afhankelijk van de vraag - grootschaliger vervolgfuncties voor de hand.
In het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 (herziening 11 maart 2016) is bepaald dat alle bedrijfslocaties van 1 ha of groter worden aangemerkt als bedrijventerrein. Deze locaties worden - voorzover uitbreiding voorzien of gewenst is - opgenomen in het regionaal bedrijventerreinprogramma. Voormalige agrarische bedrijfslocaties (percelen) met een omvang van 1 ha of meer, waar niet-agrarische bedrijfsactiviteiten worden gevestigd, tellen mee in de regionale bedrijventerreinprogrammering.
Gemeentelijk beleid
De Rekenkamer Zeeland pleit voor integrale beleidsvorming onder provinciale regie voor de problematiek van de vrijkomende agrarische bedrijven en gebouwen. Aanbeveling is om gemeenten te vragen onderzoek te doen naar de diverse herbestemmingen van reeds vrijgekomen agrarisch vastgoed en een visie te ontwikkelen op de herbestemming voor de toekomst. Bepleit wordt om de beleidsvorming te baseren op de ligging ten opzichte van:
Daarnaast stelt de Rekenkamer voor de bredere vastgoedsituatie in de wijdere omgeving te betrekken bij het beleid. Verder wordt voorgesteld om het beleid voor vrijkomende agrarische bedrijven te koppelen aan beleid en regelgeving voor het saneren van asbestdaken in de landbouw.
Om gericht beleid te kunnen ontwikkelen is een goede inventarisatie van de huidige situatie en de ontwikkelingen in de afgelopen jaren gewenst. Op dit moment is geen gedetailleerde informatie beschikbaar over het aantal bedrijven dat de afgelopen jaren is beëindigd en de oppervlakte bedrijfsgebouwen die daarmee is gemoeid. Wel heeft de gemeente in het kader van de inventarisatie ten behoeve van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte de huidige gebruiksfuncties van voormalige agrarische bedrijfslocaties geïnventariseerd. De opgenomen inventarisatielijst van vergunde nevenfuncties in het plangebied geeft een goed beeld van de gerealiseerde nevenactiviteiten en vervolgfuncties in het plangebied (waarbij gedeeltelijk hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties heeft plaatsgevonden). Van de 45 bekende locaties is er op 15 locaties sprake van lichte bedrijvigheid. Op 14 locaties is een vorm van verblijfsrecreatief verblijf gerealiseerd. Daarnaast is opvallen en opvallend is het aantal van 9 locaties die voor zorginitiatieven zijn ingericht.
Tabel 2.2: nevenactiviteiten
Van de 45 bekende locaties is er bij 33 locaties sprake van een nevenfunctie bij een burgerwoning (9 van deze 33 locaties zijn voormalige agrarische bedrijfslocaties die in Borsels Buiten nog een agrarisch bouwblok hadden). Bij de overige 12 locaties is spake van een combinatie van een nevenactiviteit met een agrarisch bedrijf.
Op grond van deze beschikbare informatie kan worden geconcludeerd dat er sprake is van hergebruik van agrarische bedrijfsgebouwen. Het gaat daarbij in het algemeen om kleinschalige en in het buitengebied passende activiteiten. Er is geen sprake van de vestiging van grootschalige bedrijfsfuncties op voormalige agrarische bedrijven in het buitengebied van de gemeente Borsele.
Op grond van het rapport van de Rekenkamer Zeeland is te verwachten dat de jaarlijkse afname van de oppervlakte bedrijfsgebouwen op agrarische bedrijven die de komende tijd vrijkomt substantieel lager zal zijn dan de afgelopen periode. De omvang van de vrijkomende bebouwing per agrarisch bedrijf zal wel toenemen. Verder zal ook in Borsele sprake zijn van recentere bebouwing die vrijkomt, met een lagere cultuurhistorische waarde en beeldkwaliteit. De gebruiksmogelijkheden verschuiven daarmee naar verwachting ook. Het is dan ook gewenst om door middel van de regels van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte nieuwe initiatieven zorgvuldig te kunnen toetsen.
In het kader van het pilot-omgevingsplan voor het buitengebied acht het gemeentebestuur het gewenst om nieuwe ontwikkelingen op een flexibele manier mogelijk te maken. Wat betreft het hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijven worden daarbij de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Het gemeentebestuur kiest daarbij voor een kwalitatieve insteek, waarbij per locatie een afweging wordt gemaakt op basis van de kenmerken van de functie en van de omgeving. Het hanteren van een strikte zonering in relatie tot de ontsluitingsstructuur, afstanden tot wegen, kernen, recreatiegebieden en natuurgebieden en het hanteren van afstanden doet geen recht aan het gewenste maatwerk. Dat laat onverlet dat deze aspecten in de afweging van de toelaatbaarheid van nieuwe functies in de specifieke situatie worden meegewogen.
Wat betreft de ontsluiting is van belang dat voor agrarische transporten en verkeersbewegingen in het buitengebied steeds zwaardere voertuigen worden gebruikt. Dat legt een druk op de ontsluiting en de breedte en fundering van de wegen. In het algemeen is bij vervolgfuncties op agrarische bedrijven sprake van minder en van veel lichter verkeer dan het agrarische verkeer. Vervolgfuncties met een grote verkeersaantrekkende werking (veel verkeersbewegingen of veel zwaar verkeer) zijn in het algemeen niet gewenst in het buitengebied. Alleen in bijzondere situaties zijn dergelijke vervolgfuncties mogelijk in de nabijheid van de doorgaande ontsluitingsroutes.
Wat betreft de sloop van niet karakteristieke en waardevolle gebouwen is een kostendrager nodig. Daarbij kan worden gedacht aan de ruimte-voor-ruimteregeling of een sloopfonds. Een sloopfonds zal Zeelandbreed vorm moeten krijgen. Een interessante optie is om de beschikbare middelen voor asbestsanering te combineren met een dergelijk sloopfonds. Ook is het gewenst om de fiscale aspecten van de functieverandering van agrarisch naar een andere functie in de afweging te betrekken. Het gemeentebestuur werkt graag mee aan een provinciale pilot om deze aspecten nader te verkennen en uit te werken.
Ontsluiting
Context
Wat betreft de ontsluiting van het buitengebied van Borsele kan onderscheid worden gemaakt in diverse categorieën wegen:
Figuur 2.8. Wegencategorisering gemeente Borsele (bron: gemeente Borsele)
De komende 30 jaar zal de inrichting van de erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen in het buitengebied verder worden afgestemd op het snelheidsregime van de weg: 60 of 80 km/uur.
De erftoegangswegen zijn in beheer bij het Waterschap Scheldestromen. Het waterschap maakt onderscheid in doorgaande plattelandswegen, wegen voor doorgaand verkeer en wegen voor bestemmingsverkeer.
Naast de wegencategorisering is door de gezamenlijke wegbeheerders in Zeeland een Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland vastgesteld (zie figuur 2.9.). Doel van dit netwerk is dat het landbouwverkeer zich over grotere afstanden vlot en veilig kan verplaatsen zonder dat dit ten koste gaat van de verkeersveiligheid en doorstroming van het overige verkeer. Voor het buitengebied van de gemeente Borsele zijn twee prioritaire knelpunten met betrekking tot het netwerk landbouwverkeer vastgesteld:
Figuur 2.9. Routes landbouwverkeer (bron Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan gemeente Borsele, 2014)
Borsele is verder populair bij fietsers en wandelaars. In Borsele is sprake van verschillende fiets- en wandelknooppuntroutes en ook het grenswandelpad loopt door Borsele.
De routestructuur voor wandelen en fietsen is van belang voor zowel de gezondheid (bewegen) als voor de mobiliteit en toegankelijkheid van het gebied voor bewoners en recreanten.
Figuur 2.10. Grenswandelpad
Figuur 2.11. Knooppuntroutes voor wandelen en fietsen
Gemeentelijk beleid
De afgelopen decennia is sprake van een verandering van de functie en het karakter van het buitengebied. Van een primair agrarisch gebied is het buitengebied nadrukkelijk een multifunctioneel gebied geworden. Zo is het aantal niet-agrarische woningen inmiddels veel groter dan het aantal agrarische bedrijven. Bovendien is het recreatief medegebruik van het buitengebied sterk toegenomen: fietsen, wandelen, skeeleren, paardrijden. Tegelijkertijd is de aard van het landbouwverkeer sterk veranderd: tractoren en werktuigen zijn veel groter geworden. De verkeersdruk op de plattelandswegen is daardoor toegenomen. Ook de risico's op onveilige situaties nemen toe, door de grotere voertuigen en het toegenomen toeristische gebruik van het buitengebied. De toegenomen verkeersdruk heeft ook invloed op de recreatieve belevingswaarde. Tot slot kan door verbreding van wegen het karakter van het landschap worden aangetast.
Het beleid in relatie tot de ontsluiting heeft in het licht van het voorgaande twee aspecten:
Voorbeelden van inrichtings- en verkeersmaatregelen zijn de aanleg van fietspaden, verbreding van wegen (met doorgroeistenen of verbreding van het wegdek) en het sluiten van wegen voor doorgaand verkeer.
Daarbij verliest de gemeente Borsele het karakter van het buitengebied niet uit het oog. In het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan is het volgende aangegeven:
De Zak van Zuid-Beveland is een deelgebied van het Nationaal Landschap Zuidwest Zeeland. In het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan Zeeland is de mobiliteit in het gebied hoofdzakelijk gekenmerkt door het gebiedsprofiel “cultuurlandschap”. De plattelandswegen in het gebied worden beheerd door het Waterschap Scheldestromen. Vanuit de verschillende invalshoeken leeft bij het waterschap, de provincie en de gemeente Borsele de wens om binnen het raamwerk van stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen de plattelandswegen zoveel mogelijk verkeersluw te maken: bestemd voor wandelaars, fietsers en bestemmingsverkeer, ontmoedigen van sluipverkeer. Gekoppeld aan deze wens is het streven om bij de (her)inrichting van deze plattelandswegen, landschapsvriendelijke inrichtingsmaatregelen te treffen ter afremming van de snelheid van het autoverkeer. De gemeente Borsele ondersteunt deze visie met kracht en blijft bij waterschap en provincie aandringen op de realisatie daarvan.
Met betrekking tot het fietsverkeer is het beleid van de gemeente gericht op het bevorderen van het fietsen, door te zorgen voor een veilige en fietsvriendelijke infrastructuur. De gemeente maakt zich sterk voor veilige fietsroutes voor scholieren naar middelbare scholen in Goes en Krabbendijke. De gemeente maakt zich eveneens sterk voor een fietsvriendelijke inrichting van de recreatieve fietsroutes die onderdeel uitmaken van het provinciale fietsknooppuntennetwerk.
Het landbouwverkeer is deels lokaal van aard: tussen agrarische bedrijfscentra en de landbouwpercelen. Deels gaat het (steeds meer) om meer interlokaal verkeer, vooral door loonwerkers en ten behoeve van de aan- en afvoer van landbouwproducten. Gelet op het economisch belang van deze activiteiten dienen deze uiteraard mogelijk gemaakt te worden. Tegelijkertijd is het ook wenselijk eventuele negatieve effecten van het doorgaand landbouwverkeer zo veel mogelijk te minimaliseren. Het gaat daarbij om verkeersveiligheid en overlast.
Het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 kan een bijdrage leveren aan het voorkómen van nieuwe verkeersonveilige situaties in de toekomst door middel van het toelatingsbeleid voor nieuwe functies. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in nieuwe functies op locaties waar nog geen bebouwing aanwezig is en hergebruik van bestaande gebouwen, bijvoorbeeld voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Grootschalige nieuwe functies zoals nieuwe bedrijven voor verwerking, opslag en/of distributie van landbouwproducten, loon- en mechanisatiebedrijven, locaties voor (regionale) mestopslag worden alleen in de directe nabijheid van het landbouwroutenetwerk/ gebiedsontsluitingswegen toegelaten. Voor het hergebruik van agrarische bedrijfslocaties wordt als uitgangspunt gehanteerd dat nieuwe functies op de goede plek worden gesitueerd, aansluitend op de wegenstructuur, uitgaande van de bestaande breedte en zwaarte van de wegen. Nieuwe functies ter plaatse van een voormalig agrarische bedrijf mogen niet meer en zwaarder verkeer genereren dan het voorheen ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf. Daarnaast worden de volgende randvoorwaarden gehanteerd:
Daarnaast is het van groot belang dat het verkeer in het buitengebied op een verkeersveilige manier wordt afgewikkeld. Het pilot-omgevingsplan is daarvoor echter niet het juiste instrument. De breedte van wegen zou in beginsel in het pilot-omgevingsplan geregeld kunnen worden. In het verleden werd de breedte van de belangrijkste wegen in bestemmingsplannen verankerd via dwarsprofielen. Dat gebeurt echter al jaren niet meer, omdat voor aanpassingen van wegprofielen altijd een planologische procedure doorlopen moest worden. Gelet op het belang van de verkeersveiligheid vond in het planologische spoor niet een fundamentele afweging plaats. Om onnodige procedures te voorkomen is het niet gewenst verhardingsbreedten opnieuw in het pilot-omgevingsplan op te nemen.
Gezondheid
Context
Met het oog op de verbreding van de reikwijdte van het pilot-omgevingsplan is gezondheid een belangrijk aandachtsveld. In het kader van een goede fysieke leefomgeving kan een gezonde leefomgeving worden gedefinieerd als een leefomgeving die als prettig wordt ervaren (welbevinden/kwaliteit), uitnodigt tot gezond gedrag (gezondheidsbevordering) en waar de druk op de gezondheid zo laag mogelijk is (gezondheidsbescherming). Een gezonde fysieke leefomgeving heeft verschillende maatschappelijke voordelen, waaronder vermindering van de ziektelast, positieve effecten op productiviteit en creativiteit, verminderen van stressproblemen, gezonde ontwikkeling van kinderen, verminderen van psychische problemen. Bovendien biedt een gezonde leefomgeving een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven. Gezondheidsbevordering: prettige en veilige omgeving om te recreëren en te sporten.
Gemeentelijk beleid
Het is belangrijk dat op basis van het pilot-omgevingsplan gezondheidsbevorderende voorzieningen en activiteiten zo eenvoudig mogelijk kunnen worden gerealiseerd en dat voorzieningen en activiteiten die een negatieve invloed hebben op de gezondheid zo veel mogelijk worden beperkt.
Wat betreft de inrichting is behoud en versterking van de kwaliteiten van het Borselse landschap een belangrijke voorwaarde voor een gezonde fysieke leefomgeving. Verder is het vanuit het oogpunt van gezondheid wenselijk om voorzieningen zoals nieuwe fiets-, wandel- en ruiterpaden en nieuwe natuurgebieden of ondersteunende recreatieve voorzieningen eenvoudig te kunnen realiseren, zodat het buitengebied nog meer uitnodigt om daar al recreërend gebruik van te maken.
Met betrekking tot activiteiten zijn het gemeentelijk geluidbeleid, de anti-hagelgeneratoren, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en veehouderij-activiteiten belangrijke aandachtspunten voor het pilot-omgevingsplan. Het gemeentelijk geluidbeleid zoals dat is vastgelegd in de geluidverordening is in het pilot-omgevingsplan vertaald. Daarbij gelden voor zone 4 (het groen/grijs/bruine gebied, zie figuur 2.10) van het wettelijk kader afwijkende normen, gericht op het handhaven van de bestaande geluidskwaliteit. Het gaat daarbij om een relatief stil gebied, waarbij lagere richt- en grenswaarden worden gehanteerd dan wettelijk toegestaan. Antihagelgeneratoren zijn hiervan overigens uitgezonderd. Het beleid voor de overige zones uit de gemeentelijke geluidverordening (zone 1 t/m 3) komt te vervallen, waarbij dus ook de mogelijkheid om meer geluid toe te staan dan wettelijk geregeld, vervalt.
Figuur 2.10. Geluidverordening gemeente Borsele
Gelet op het belang van anti-hagelgeneratoren voor de fruitteelt, in verband met het beperken van de schade aan het fruit door hagelbuien, en het incidentele gebruik ervan, acht het gemeentebestuur het van belang om ruimte te bieden voor dergelijke voorzieningen. Het pilot-omgevingsplan maakt het oprichten van anti-hagelgeneratoren mogelijk. Bij de vergunningverlening wordt vervolgens getoetst aan het wettelijk kader, waarbij aandacht wordt besteed aan gezondheidsaspecten.
Gewasbeschermingsmiddelen kunnen effecten hebben op de gezondheid. In dat licht is voor boomgaarden en fruitteelt een afstandsmaat van 50 meter aangehouden tot tuinen en woningen, tenzij voldoende afschermende maatregelen zijn genomen. Voor overige agrarische teelten voorzien de wettelijke regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in voldoende bescherming voor kwetsbare functies.
Wat betreft veehouderij-activiteiten biedt het pilot-omgevingsplan primair beperkte ontwikkelingsmogelijkheden. Daarbij is met het oog op het voorkomen van mogelijke significant negatieve effecten op Natura2000 op basis van de planMER een emissie-standstil voor ammoniak opgenomen in de regels. Alleen als wordt aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn op Natura2000 en de emissie niet toeneemt, kan worden meegewerkt aan uitbreiding.
In het kader van het pilot-omgevingsplan is vooralsnog geen specifiek nieuw beleid ontwikkeld voor het aspect gezondheid. Wel is gezondheid vertaald in voorwaarden die worden gesteld aan nieuwe ontwikkelingen. In het licht van het voorgaande is wel een aantal voorwaarden opgenomen in het pilot-omgevingsplan met betrekking tot het aspect gezondheid, gericht op de aspecten overlast in verband met geur, stof, geluid, verkeer, gevaar en magnetische velden.
Het buitengebied van de gemeente Borsele is opgenomen in de 11e tranche van de Chw. De Chw biedt
mogelijkheden om in het omgevingsplan op een andere wijze om te gaan met de toetsing van de
milieugevolgen dan gebruikelijk bij een 'regulier' bestemmingsplan. De meest relevante wijzigingen
voor de beoordeling van omgevingsaspecten zijn de volgende:
Dit hoofdstuk bevat een toelichting op de wijze waarop in het omgevingsplan de relevante
omgevingsaspecten zijn meegewogen.
Waarom een planMER?
Evenals voor een 'regulier' bestemmingsplan buitengebied is voor een pilot-omgevingsplan een milieueffectrapportage noodzakelijk. Enerzijds omdat het pilot-omgevingsplan mogelijkheden biedt voor (veehouderij)-initiatieven waarbij sprake kan zijn van een overschrijding van de drempelwaarden uit de C- en D-lijst bij het Besluit milieueffectrapportage. Het pilot-omgevingsplan is daarmee kaderstellend voor mer-(beoordelings)plichtige vervolgbesluiten. Anderzijds omdat een passende beoordeling noodzakelijk is, aangezien significant negatieve effecten binnen Natura 2000 (als gevolg van een toename van stikstofdepositie) niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. PlanMER en passende beoordeling zijn opgenomen in bijlage 5 PlanMER.
Reikwijdte en detailniveau
Het planMER en de passende beoordeling geven inzicht in de bandbreedte aan mogelijke milieugevolgen die kunnen optreden. Daarbij is zowel gekeken naar de gevolgen van agrarische bedrijfsactiviteiten als naar de gevolgen van nevenfuncties bij agrarische bedrijven, bedrijven en burgerwoningen.
Eerst is in het planMER per milieuthema de referentiesituatie in beeld gebracht. Bij de beschrijving van de gevolgen van het pilot-omgevingsplan is vervolgens onderscheid gemaakt tussen een maximaal en een realistisch ontwikkelingsscenario. In eerste instantie zijn de effecten van het pilot-omgevingsplan beoordeeld zonder rekening te houden met maatregelen of randvoorwaarden. Vervolgens wordt bekeken welke uitgangspunten, randvoorwaarden of maatregelen in het pilot-omgevingsplan dienen te worden opgenomen om ongewenste situaties te voorkomen en te zorgen dat nieuwe initiatieven een bijdrage leveren aan de beoogde kwaliteit.
Figuur 3.1 Schematisch weergave verhouding planMER en omgevingsplan
Agrarische bedrijven
Voor de agrarische bedrijfsactiviteit leidt de keuze voor een pilot-omgevingsplan in vergelijking met een 'regulier' bestemmingsplan, in algemene zin niet tot meer ontwikkelingsruimte of flexibiliteit. De toetsing van de effecten is daarom in principe conform de toetsing in een planMER voor een 'regulier' bestemmingsplan buitengebied. Dit betekent dat uitgebreid onderzoek is uitgevoerd om de gevolgen van ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven (in het bijzonder de veehouderijen) in beeld te brengen. Het planMER is mede bepalend voor de voorwaarden waaronder veehouderij-initiatieven kunnen worden toegestaan.Om een beeld te krijgen van de bandbreedte aan mogelijke milieugevolgen wordt in het planMER een tweetal ontwikkelingsscenario's onderzocht: een maximaal en een realistisch ontwikkelingsscenario.
Neven- en vervolgfuncties
Het pilot-omgevingsplan biedt onder voorwaarden ruime mogelijkheden voor nevenfuncties en vervolgfuncties. Deze mogelijkheden kunnen per deelgebied verschillen. Het betreft onder andere mogelijkheden voor kleinschalige recreatieve functies, horeca en niet-agrarische bedrijvigheid. Door de ruime mogelijkheden die het pilot-omgevingsplan biedt, is het onmogelijk om in het planMER een gedetailleerde kwantitatieve toetsing van de (maximale) gevolgen op te nemen. Een dergelijk toetsing past ook niet binnen de algemene visie achter het instrument omgevingsplan. In het planMER is aan de hand van ontwikkelingsscenario's op hoofdlijnen ingegaan op de mogelijke milieugevolgen.
Resultaten en conclusies
Op basis van de sectorale beoordelingen van de (potentiële) effecten zoals opgenomen in het planMER en de passende beoordeling kunnen op hoofdlijnen de volgende conclusies worden getrokken.
Effecten maximaal ontwikkelingsscenario
Uit de resultaten van de effectbeoordeling voor het maximale ontwikkelingsscenario blijkt dat uitbreidingsmogelijkheden en omschakelingsmogelijkheden voor veehouderijen kunnen leiden tot significant negatieve effecten binnen Natura 2000-gebieden in de wijde omgeving van het plangebied. Cumulatief kan bij maximale groei van de veestapel een grote toename van stikstofdepositie optreden in situaties binnen Natura 2000 waar reeds sprake is van een overbelasting. Daarnaast zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen mede bepalend voor het woon- en leefklimaat binnen de gemeente. In het maximale ontwikkelingsscenario is als gevolg van de mogelijkheden voor veehouderijen sprake van beperkte negatieve gevolgen voor de geurbelasting, de concentraties fijn stof en de daarmee samenhangende gezondheidssituatie.
Ook bouw- en gebruiksmogelijkheden die samenhangen met neven- en vervolgfuncties kunnen (zonder aanvullende randvoorwaarden en/of maatregelen) ongewenste effecten met zich meebrengen. Zo kan in het maximale ontwikkelingsscenario sprake zijn van negatieve effecten op beschermde soorten (flora en fauna), water en de verkeerssituatie (en de daarmee samenhangende effecten). Tevens kunnen in bepaalde landschappelijke deelgebieden ongewenste landschappelijke gevolgen optreden.
Effecten realistisch ontwikkelingsscenario
Zoals uit het voorgaande blijkt kunnen in het maximale ontwikkelingsscenario negatieve effecten optreden. Het is echter de vraag of deze (vaak theoretische) maximale situatie in alle gevallen leidend moet zijn voor de wijze waarop de uitkomsten uit het planMER worden doorvertaald in het pilot-omgevingsplan. Om een meer genuanceerd beeld te geven van de mogelijke milieugevolgen is ook een meer realistisch ontwikkelingsscenario onderzocht. Daarbij is rekening gehouden met trends in de agrarische sector en specifieke gebiedskenmerken. Uit de beoordeling van de effecten voor dit realistische ontwikkelingsscenario blijkt dat dat de milieugevolgen over het algemeen minder negatief worden beoordeeld dan de effecten van het maximale ontwikkelingsscenario.
Sturingsmogelijkheden
Op basis van de beschrijving beoordeling van de milieugevolgen van de beide ontwikkelingsscenario's is in het planMER bekeken op welke wijze en onder welke voorwaarden kunnen worden mogelijk gemaakt in het omgevingsplan. De beschikbare milieugebruiksruimte (zoals die volgt uit de beschrijving van de referentiesituatie) is hier mede bepalend voor. In de sectorale hoofdstukken is per milieuthema ingegaan op de mogelijkheden om ongewenste effecten te voorkomen en binnen het omgevingsplan te sturen op de beoogde omgevingskwaliteit.
Het pilot-omgevingsplan maakt relevante ontwikkelingen (functieveranderingen) met een melding, via afwijking en via delegatie mogelijk. Om ongewenste effecten te voorkomen en te borgen dat ontwikkelingen een bijdrage leveren aan de gewenste omgevingskwaliteit worden voorwaarden verbonden aan nieuwe initiatieven. In bijlage 6 Sectorale aspecten is een overzicht opgenomen van de geldende sectorale toetsingskaders en de wijze waarop daarmee in het pilot-omgevingsplan is omgegaan. Uitgangspunt voor het pilot-omgevingsplan is het vastleggen van de kaders waarbinnen toekomstige ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. De verschillende omgevingsaspecten spelen een belangrijke rol bij de uitwerking van de voorwaarden, regels en onderzoeksverplichtingen. Een ndere, meer gedetailleerde toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief en gebruik wordt gemaakt van de flexibiliteitsbepalingen.
Algemene voorwaarden
In de regels is een set van 'standaard' voorwaarden opgenomen die (voor zover relevant/van toepassing) gekoppeld zijn aan de verschillende mogelijkheden voor functieveranderingen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om voorwaarden als:
Meerwaarde
Voldoen aan de voorwaarden alleen is niet voldoende: om medewerking te verkrijgen is het ook noodzakelijk dat er sprake is van een meerwaarde voor het buitengebied. Het staat de initiatiefnemer vrij om te kiezen voor een (combinatie van) financieel-economische, maatschappelijke of ruimtelijke meerwaarde. Van een ruimtelijke meerwaarde is bijvoorbeeld sprake indien natuurwaarden of cultuurhistorische waarden worden versterkt.
Aanvullende maatregel planMER en passende beoordeling
Stikstofdepositie Natura 2000
Uit de passende beoordeling blijkt dat de veehouderijsector een belangrijke bijdrage levert aan de stikstofdepositie binnen Natura 2000. Mede naar aanleiding van de resultaten van de passende beoordeling is besloten in het pilot-omgevingsplan geen mogelijkheden te bieden voor omschakeling naar of nieuwvestiging van intensieve veehouderij. Daarnaast dienen voorwaarden te worden verbonden aan de uitbreiding van bestaande veehouderijen. De gemeente kiest er voor om in de regels vast te leggen dat de emissies op bedrijfsniveau niet mogen toenemen. Dit betekent niet dat alle veehouderijen 'op slot' worden gezet. Uitbreiding is mogelijk door het treffen van voldoende stikstofreducerende maatregelen (toepassen van emissiearme stalsystemen). Daarnaast biedt het omgevingsplan mogelijkheden voor een toename van emissie wanneer de daarmee samenhangende gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 uitvoerbaar zijn binnen de kaders van het programma aanpak stikstof (PAS). Op deze wijze is in het pilot-omgevingsplan geborgd dat geen achteruitgang zal optreden en op termijn de depositie zal afnemen.
Monitoring en evaluatie
Het omgevingsplan biedt op onderdelen meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden dan een 'regulier' bestemmingsplan. Daarnaast is de looptijd van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte onder de crisis- en herstelwet 20 jaar (voor een 'regulier' bestemmingsplan 10 jaar). Voor verschillende milieuthema's en criteria is er sprake van een relatief grote onzekerheidsmarge als het gaat om de optredende effecten. Deze worden ook beïnvloed door allerlei ontwikkelingen buiten de scope van het omgevingsplan, zoals ontwikkelingen in wet- en regelgeving, economische ontwikkelingen en technologische ontwikkelingen. Het is daarom noodzakelijk om tijdens de looptijd van het omgevingsplan vinger aan de pols te houden en te monitoren hoe de milieusituatie binnen het studiegebied zich ontwikkelt en of de optredende milieugevolgen vragen om een bijsturing door aanpassing van de kaders in het omgevingsplan.
Voor de monitoring en evaluatie zijn zowel de gevolgen van agrarische initiatieven als de gevolgen van de niet agrarische functies van belang. In het planMER wordt voorgesteld om iedere 5 jaar een integrale monitoring uit te voeren, waarbij voor de maatgevende thema's eventuele wijzigingen in de milieusituatie in beeld worden gebracht. Mochten actuele ontwikkelingen daar aanleiding toe geven dan kan vanzelfsprekend voor specifieke thema's tussentijdse monitoring plaatsvinden. In het planMER is uitgewerkt op welke wijze de monitoring en evaluatie kan worden ingevuld.
In paragraaf 4.2 wordt in hoofdlijnen de gekozen juridische opzet voor het pilot- omgevingsplan toegelicht. Paragraaf 4.3 bevat een toelichting op verschillende onderdelen van het plan zoals de opgenomen functies en regels. in bijlage 8 is een inventarisatie opgenomen van diverse functies in het buitengebied.
Bij de vertaling van het gemeentelijke beleid naar een pilot-omgevingsplan zijn op hoofdlijnen vier aspecten van belang:
De vier aspecten resulteren in een opzet zoals opgenomen in paragraaf 4.2.5.
Een omgevingsplan verschilt op een aantal onderdelen van het bestemmingsplan. Zo bevat het pilot-omgevingsplan regels voor activiteiten die gericht zijn op het bereiken en in stand houden van 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. Het vertrouwde referentiekader 'goede ruimtelijke ordening' uit de Wro verdwijnt met de Omgevingswet en het nieuwe referentiekader kan nu met de pilot-status voor dit plan al worden toegepast. Een gezonde fysieke leefomgeving is een veel breder kader dan de goede ruimtelijke ordening. Ook bijvoorbeeld milieuaspecten, beeldkwaliteit en welstand zijn onderdeel van de gezonde fysieke leefomgeving en kunnen daarmee onderdeel zijn van een pilot-omgevingsplan. Volgens de Omgevingswet gaat het in een omgevingsplan om 'het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, het beschermen van het milieu, het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, het behoud van cultureel erfgoed, de natuurbescherming, het tegengaan van klimaatverandering, de kwaliteit van bouwwerken, de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten, het beheer van infrastructuur, het beheer van watersystemen, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen, het beheer van natuurlijke hulpbronnen, het beheer van natuurgebieden en het gebruik van bouwwerken' (artikel 1.2 Omgevingswet).
Een gemeente mag zelf bepalen of alle regels en bepalingen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving uiteindelijk in een omgevingsplan terecht komen. Er kan ook voor worden gekozen om bepaalde onderdelen separaat te blijven regelen in beleidsregels of verordeningen. Het omgevingsplan heeft dan echter niet het beoogde integrale karakter.
Het omgevingsplan onder de Omgevingswet kent geen geldigheidstermijn (uiterste houdbaarheidsdatum): een eenmaal vastgesteld omgevingsplan blijft gelden en kan op onderdelen steeds worden herzien. Alleen het onderdeel dat wordt herzien is daarbij onderdeel van de vaststellingsprocedure en staat open voor beroep.
Bij de inrichting van de set van regels voor het pilot-omgevingsplan en de opzet van de verbeelding wordt rekening gehouden met deze mogelijkheid om onderdelen (modules) eenvoudig te kunnen herzien. Er hoeft daarmee ook geen uitgebreid feitelijk onderzoek gedaan te worden naar uiteenlopende uitvoeringsvarianten van het plan: dit kan worden doorgeschoven naar het moment waarop er daadwerkelijk sprake is van een ontwikkeling. Het pilot-omgevingsplan voor Borsele heeft als 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte' een plantermijn van 20 jaar.
Schematisch zou de opzet van een omgevingsplan er dan als volgt uit kunnen zien.
Figuur 4.1 Lagen in de verbeelding (plat vlak en in digitale laagopbouw) met een voorbeeldmodule van de regels
De raadpleger 'prikt' door op de verbeelding op een bepaalde locatie te klikken als het ware door alle lagen/modules in een omgevingsplan en ziet alle relevante onderdelen van het omgevingsplan, met uitsluitend de onderdelen van de regels die voor de betreffende locatie van belang zijn.
Naar een opzet voor het pilot-omgevingsplan voor Borsele
In het pilot-omgevingsplan voor Borsele:
Bij de nieuwe doelen en uitgangspunten hoort ook een vernieuwd instrumentarium dat aansluit bij de beoogde doelen (integraal, globaal, doelgericht denken, afwegingsruimte, kwalitatief in plaats van kwantitatief, vertrouwen). Dit instrumentarium bestaat uit verschillende soorten van regels: bouw- en gebruiksregels en beoordelingsregels, omgevingsvergunning voor afwijken, meldingsregels, maatwerkvoorschriften en -regels en regels voor gelijkwaardigheid.
Met het instrument 'melding' kan door de pilot-status worden geëxperimenteerd evenals met de delegatiebevoegdheid. Voor een overzicht van de wijze waarop van de verschillende mogelijkheden van de pilot-status gebruik is gemaakt wordt verwezen naar bijlage 1.
Naar een opzet voor het pilot-omgevingsplan voor Borsele
Bij de keuze voor instrumentarium wordt gestreefd naar minder regels en naar ontwikkelingen met minder of kortere procedures mogelijk maken. De voorkeur wordt gegeven aan het rechtstreeks toestaan van initiatieven en ontwikkelingen mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om aan deze voorwaarden te (blijven) voldoen. Dit vraagt extra aandacht en alertheid van de ambtelijke medewerkers die belast zijn met handhaving.
Waar nodig worden de regels aangevuld met de bepaling dat een melding van een ontwikkeling moet worden gedaan bij het college van burgemeester en wethouders. Hierdoor ontstaat een duidelijk signaleringsmoment.
Ontwikkelingen of activiteiten die niet rechtstreeks of met melding worden toegestaan kunnen met een afwijking of delegatie worden toegestaan: het pilot-omgevingsplan bevat de voorwaarden waaronder deze instrumenten kunnen worden toegepast.
Uitgangspunt voor omgevingsplannen is het objectgericht benaderen van de informatie en de regels die in een omgevingsplan staan. Gronden en panden zijn objectgericht te benaderen indien de gronden gekoppeld worden aan een getekend vlak waaraan de betreffende regels voor de gronden en panden zijn gekoppeld. Bij het pilot-omgevingsplan voor Borsele leidt een dergelijke systematiek er toe dat een van de doelstellingen (flexibiliteit om de begrenzing van bestemmingsvlakken en bouwblokken aan te passen) niet wordt bereikt. Daarnaast is de huidige landelijke raadpleegomgeving voor bestemmingsplannen (www.ruimtelijkeplannen.nl) nog niet geschikt om daadwerkelijk objectgericht te raadplegen.
Naar een opzet voor het pilot-omgevingsplan voor Borsele
Voor het pilot-omgevingsplan voor Borsele is daarom gekozen voor:
In het pilot-omgevingsplan kunnen gemeentelijke beleidsregels en verordeningen worden geïntegreerd of er kan naar worden verwezen. Voordeel van het werken met een verwijzing naar beleidsregels of verordeningen is dat het pilot-omgevingsplan niet behoeft te worden gewijzigd bij veranderende inzichten: het wijzigen van de materiële beleidsregel of de verordening is dan voldoende. Nadeel is dat het bedoelde integrale karakter minder goed uit de verf komt. Het uitgangspunt voor het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 is dan ook dat beleidsregels en verordeningen waar mogelijk in het pilot-omgevingsplan worden verwerkt.
De verbrede reikwijdte heeft niet alleen betrekking op de verwerking van beleidsregels en verordeningen die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving. Verbrede reikwijdte heeft ook betrekking op het bieden van een handvat om de verschillende aspecten die spelen in de fysieke leefomgeving met elkaar in verbinding te brengen en in onderlinge samenhang af te wegen (integraliteit). In het pilot-omgevingsplan wordt de integraliteit bij nieuwe ontwikkelingen in deelgebieden als volgt ingevuld:
Samenvattend leiden de aspecten in de hiervoor beschreven paragrafen tot de volgende opzet van het pilot-omgevingsplan voor Borsele.
Algemene regels
Waar mogelijk zijn in het plan algemene regels gehanteerd.
Eenvoudige procedure
Ontwikkelingen worden zoveel mogelijk rechtstreeks of met een melding toegestaan; hieraan zijn kwantitatieve en/of kwalitatieve voorwaarden verbonden.
Ontwikkelingen die met een afwijking of delegatie zijn toegestaan worden getoetst op voorwaarden (kwalitatief en/of kwantitatief) en geboden meerwaarde.
Deelgebieden
Er is een onderscheid in deelgebieden gemaakt; deze deelgebieden zijn op verschillende niveaus van elkaar te onderscheiden:
Objectgerichte raadpleging
De opzet van de regels maakt, samen met de verbeelding, een objectgerichte raadpleging mogelijk; de opzet van de regels en de verbeelding kunnen daarmee niet precies volgens de standaarden van SVBP2012 worden opgesteld; de standaarden zijn gemanipuleerd om de gewenste raadpleegbaarheid mogelijk te maken.
Raadpleegomgeving
Het plan is geschikt voor publicatie op www.ruimtelijkeplannen.nl. De leesbaarheid van het plan komt op de aanvullende raadpleegomgeving beter tot zijn recht. De raadpleging van het plan geschiedt via een vragenstructuur. De toegankelijkheid van de vragen ( 'waarvoor mag ik deze locatie gebruiken', 'wat mag ik op deze locatie bouwen') heeft tot doel de leesbaarheid voor de gebruikers te vergroten.
Verbreding
Verordeningen en beleidsnota's zijn indien mogelijk in het pilot-omgevingsplan opgenomen; indien dit niet haalbaar is, wordt verwezen naar de betreffende nota of verordening.
Kwaliteitsverbetering
Het plan is opgezet vanuit de ambitie om bij te dragen aan de verdere verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, ten aanzien van:
Het pilot-omgevingsplan heeft de volgende opbouw van de regels en verbeelding.
Tabel 4.1: overzicht opbouw regeling
Bij het gebruik van de aanvullende raadpleegomgeving zijn door het aanklikken van een locatie alleen de modules zichtbaar die op de betreffende locatie van toepassing zijn.
In grote delen van het plangebied zijn de functies agrarisch grondgebruik, wegen en waterlopen, extensief dagrecreatief medegebruik, tuinen, nieuwe natuur en nieuwe landschapselementen rechtstreeks toegestaan. Bestaande functies, zoals agrarische bedrijven, burgerwoningen en niet agrarische bedrijven, zijn op de verbeelding aangeduid met een symbool (een aanduiding). In de regels van artikel 40 Algemeen toelaatbare functies, is opgenomen dat het algemeen toelaatbare gebruik is toegestaan én de bestaande functies zoals aangegeven met een indicatieve aanduiding. De indicatieve aanduiding heeft niet tot doel om de locatie en de begrenzing van het bestaande gebruik exact vast te leggen. Het symbool geeft aan waar de functie zich bevindt: indien nodig wordt de omvang van het gebruik en de mate van concentratie van bebouwing in de regels vastgelegd.
Voor gebieden waar sprake is van kwetsbaarheden (agrarische gebieden met natuur- of landschapswaarden, gebieden bestemd voor nieuwe natuur, dijken met natuur- of landschapswaarden, vliedbergen) is het rechtstreeks toelaatbare gebruik beperkt en gelden de regels van artikel 41 Algemeen toelaatbare functies in kwetsbare gebieden.
Bestaande functies zoals natuurgebieden, de Westerschelde, Sloegroen en de primaire waterkering hebben een functievlak gekregen.
Bij de hiervoor genoemde algemeen toelaatbare functies en bestaande functies is aangegeven wat rechtstreeks toelaatbaar is aan functieveranderingen en bouwmogelijkheden. Voor veranderingen die niet rechtstreeks zijn toegestaan, zijn de deelgebieden van belang. In het pilot-omgevingsplan worden 3 deelgebieden onderscheiden, te weten:
Veranderingen van functies en (bouw)ontwikkelingen zijn in principe toegestaan indien ze naar aard en omvang passend zijn in het betreffende deelgebied en voldoen aan algemene voorwaarden, zoals geluid, milieuhygiënische inpasbaarheid en verkeer. De regels bevatten een gebiedsbeschrijving waarin de specifieke en onderscheidende kenmerken van een deelgebied zijn beschreven. Deze gebiedsbeschrijving én het beleidsuitgangspunt dat gestreefd wordt naar versterking van de ruimtelijke kwaliteit zijn bepalend voor het toestaan van nieuwe ontwikkelingen. Behalve dat aan de voorwaarden moet worden voldaan, moet een initiatief ook een meerwaarde hebben voor het buitengebied en een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Deze meerwaarde kan onder andere bestaan uit het versterken van natuurwaarden, het slopen van detonerende bebouwing of het versterken van een cultuurhistorisch element. De mate waarin sprake moet zijn van een meerwaarde is afhankelijk van de aard en omvang van het initiatief en het is aan de initiatiefnemer om een keuze te maken in de wijze waarop de meerwaarde wordt gerealiseerd.
De toelaatbaarheid van veranderingen is mede afhankelijk van de mate waarin met de ontwikkeling 'de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven worden aangetast'. Hieronder wordt onder andere verstaan de gebruiksmogelijkheden van zowel aangrenzende als in de nabijheid gelegen woningen en verblijfsrecreatieve terreinen en de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende of nabijgelegen natuurgebieden.
Veranderingen met melding
Bij een beperkt aantal veranderingen kan met een melding van de initiatiefnemer aan het college worden volstaan. Om gebruik te kunnen maken van het instrument melding moet voldaan worden aan de voorwaarden die aan de verandering worden gesteld. De gemeente kan achteraf controleren of er daadwerkelijk aan de voorwaarden wordt voldaan. Onder andere de vestiging van een kleinschalig kampeerterrein tot 15 standplaatsen kan met een melding worden gedaan mits voldaan wordt aan de voorwaarden.
Verandering met afwijking
De mogelijkheid om van het plan af te wijken is opgenomen voor onder andere nevenactiviteiten die naar aard en omvang de beperkte rechtstreekse mogelijkheden voor nevenfuncties overstijgen, bouwen vóór de voorgevelrooilijn, plattelandswoningen en nieuwbouw ten behoeve van nevenfuncties.
Verandering met delegatie
Met toepassing van de delegatiebevoegdheid wordt een deel van het pilot-omgevingsplan herzien waarbij het college van burgemeester en wethouders het besluit tot vaststelling van de herziening neemt. In het plan is een delegatiebevoegdheid opgenomen voor onder andere het omzetten van een agrarisch functie naar wonen bij bedrijfsbeëindiging, de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf en het realiseren van duurzame initiatieven voor zonne-energie.
Deze zonneweides kunnen passend zijn in het grootschalige polderlandschap; om te beoordelen of een locatie geschikt is voor een dergelijk initiatief zijn de volgende (aanvullende) voorwaarden opgenomen in de regels:
In principe is gekozen voor algemeen geldende criteria die in een specifieke situatie in combinatie met het uitgangspunt dat een functie passend moet zijn in een deelgebied, nader wordt ingevuld. Bijvoorbeeld de beoordelingsregels voor verkeer: indien sprake is van een grootschalige nieuwe functie zoals een nieuw bedrijven voor verwerking, opslag en/of distributie van landbouwproducten of een loon- en mechanisatiebedrijf dan betekent de voorwaarden voor verkeer in combinatie met de gebiedsbeschrijving van het gebied dat meegewogen kan worden:
Indeling in bedrijven
In het pilot-omgevingsplan is een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten van agrarische bedrijven. De noodzaak om een onderscheid te maken wordt enerzijds ingegeven door het provinciale beleid dat specifieke regels kent voor intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven. Anderzijds vormen ook het gemeentelijke beleid en de resultaten van het planMER aanleiding voor de volgende indeling van agrarische bedrijven:
De in het plangebied aanwezige bedrijven zijn geïnventariseerd en hebben een aanduiding gekregen overeenkomstig de aanwezige bedrijfsvoering. Daarbij kan sprake zijn van hoofd- en neventakken of gemengde bedrijven. Neventakken intensieve veehouderij bij grondgebonden agrarische bedrijven zijn niet algemeen toelaatbaar en worden om die reden aangeduid. Een neventak grondgebonden teeltbedrijf is bij alle agrarische bedrijven toegestaan en wordt om die reden niet apart aangeduid maar als algemeen toelaatbaar opgenomen bij het toelaatbare gebruik.
Bouwblok
Ten behoeve van een agrarisch bedrijf mag worden gebouwd:
Het suggestievlak voor bebouwing vormt in de basis het gebied waarbinnen bebouwing voor het agrarische bedrijf altijd is toegestaan. Aangezien de vorm en omvang van een suggestievlak in de loop der tijd aan verandering onderhevig kan zijn - omdat de bedrijfsvoering wijzigt of bij gewijzigde inzichten van de ondernemer - is tevens bebouwing in een denkbeeldig en veranderlijk bouwblok toegestaan. Uitgangspunt is dat, indien eenmaal is gekozen voor het oprichten van bebouwing buiten het suggestievlak maar binnen het bouwblok, de gerealiseerde bebouwing te allen tijde binnen het bouwblok gelegen blijft.
Het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn. Verder gelden voor de bebouwing binnen deze bouwblokken nog aanvullende voorwaarden zoals afstanden tot wegen en perceelsgrenzen, aansluiten bij de situering en lengterichting van bestaande bebouwing, geen onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en handhaven van de voorgevelrooilijn. Bouwen binnen een bouwblok met een oppervlakte van 1,5 ha is ook mogelijk maar hiervoor gelden aanvullende voorwaarden. Voor glastuinbouwbedrijven zijn denkbeeldige bouwblokken van 2 ha mogelijk gemaakt, met uitzondering van het glastuinbouwbedrijf Hellenburgstraat 32. Deze locatie is in de structuurvisie aangewezen als herstructurering- transformatielocatie voor woningbouw. Voor deze locatie zijn specifieke (bouw)aanduidingen opgenomen om de bouw van een bedrijfswoning en de uitbreiding van bedrijfsgebouwen en kassen te voorkomen.
Ammoniakemissiestandstill
Voor functievlakken waar het houden van dieren is toegestaan is een ammoniakemissiestandstill opgenomen. Dit betekent dat het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen op het moment van vaststelling van het pilot-omgevingsplan, het stalsysteem dat hiervoor op dat moment was vergund en de diersoort waarvoor de dierplaatsen zijn gerealiseerd, slechts mogen worden gewijzigd indien dit niet gepaard gaat met een toename van ammoniakemissie. In voorkomende situaties waarbij een toename van emissie niet leidt tot een aantasting van Natura 2000-gebieden, kan met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid medewerking worden verleend aan een wijziging van de aantallen dierplaatsen, de diersoort of het stalsysteem.
Uitbreiding intensieve veehouderij
Voor intensieve veehouderijen gelden de regels uit de Verordening ruimte provincie Zeeland waarbij er een grens is gesteld aan de maximale omvang van hoofd- en neventakken intensieve veehouderij. Bouwen ten behoeve van een uitbreiding van de bedrijfsvloeroppervlakte is mogelijk met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid indien onder andere aan eisen van verduurzaming wordt voldaan.
Teeltondersteunende voorzieningen
Bij grondgebonden teeltbedrijven komt het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen voor. Het pilot-omgevingsplan maakt een onderscheid tussen lage teeltondersteunende voorzieningen die worden aangelegd (zoals gebruik van folies (tijdelijke voorzieningen) en containervelden (permanente voorzieningen)) en hoge voorzieningen waarvoor wordt gebouwd (zoals kassen, boog- en gaaskassen en hagelnetten, voornamelijk permanente voorzieningen). Het gebruik van de gronden voor lage, tijdelijke voorzieningen is zonder meer toegestaan. Het gebruik van lage, permanente voorzieningen is toegestaan met uitzondering van het gebruik in deelgebied Kerngebied de Poel en heggengebied Nisse.
Voor de bouw van teeltondersteunende kassen is een regel opgenomen bij de suggestievlakken/bouwblokken (de kassen moeten binnen het suggestievlak/bouwblok worden gerealiseerd). Overige teeltondersteunende voorzieningen zoals hagelnetten mogen buiten suggestievlakken/bouwblokken worden gebouwd, overeenkomstig de regels die in de algemene bouwregels zijn opgenomen.
Niet-agrarische nevenactiviteiten
Bij de beschrijving van de specifieke regels voor gebruik is per functie ook aangegeven dat een aantal niet-agrarische nevenactiviteiten is toegestaan. Rechtstreeks toelaatbaar, mits aan de voorwaarden wordt voldaan, is de verkoop van (regionale) agrarische producten, kleinschalige plattelandshoreca en kleinschalige zorginitiatieven.
Huisvesting van arbeidsmigranten
Overeenkomstig de Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten worden in het plan mogelijkheden geboden om arbeidsmigranten te huisvesten op zogenoemde agrarische campings (met melding toegestaan overeenkomstig de mogelijkheden voor kleinschalig kamperen), in agrarische bedrijfsgebouwen en in leegstaande gebouwen (met toepassing van de delegatiebevoegdheid).
De bestaande burgerwoningen zijn met een aanduiding Wonen opgenomen op de verbeelding. Het symbool geeft weer dat ter plaatse één woning met erf en tuin is toegestaan. De omvang van dit gebruik is niet begrensd, het gebied waarbinnen mag worden gebouwd voor deze functie is evenmin op de verbeelding met een vlak vastgelegd. Uitgangspunt van de formuleringen in de regels is dat er wel sprake moet zijn van een concentratie van bebouwing (beperking van het erf en een maximale onderlinge afstand van woningen tot vrijstaande bijbehorende bouwwerken).
De gronden mogen gebruikt worden voor de huisvesting van personen: behalve de bewoning door huishoudens en gezinnen is daarmee ook de huisvesting van bijvoorbeeld arbeidsmigranten mogelijk.
De maximale inhoud, goot- of bouwhoogte van woningen is niet in het plan vastgelegd. Bij bouw, uitbreiding of verbouw is het uitgangspunt dat:
Ook bij burgerwoningen zijn nevenactiviteiten toegestaan zoals aan-huis-gebonden beroepen. Met melding is ook de realisering van een kleinschalig terrein voor kamperen mogelijk. Voor de realisering van een kleinschalig kampeerterrein gelden onder andere voorwaarden voor landschappelijke inpassing, situering van de standplaatsen, veiligheid en een gezonde leefomgeving.
In het plangebied komen verschillende niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten voor die zijn voorzien van de volgende aanduidingen:
In bijlage 8 Inventarisatie functies is een overzicht opgenomen van de betreffende functies.
Agrarisch aanverwante bedrijven en maneges
Zowel de agrarisch aanverwante bedrijven (al dan niet met een agrarische bedrijfstak) als de maneges zijn functioneel aan het buitengebied verbonden; het buitengebied is voor deze bedrijven de meest voor de hand liggende vestigingslocatie. De bestaande agrarisch aanverwante bedrijven en maneges zijn met een aanduiding op de verbeelding opgenomen. In de regels voor bouwen is opgenomen dat bebouwing is toegestaan:
Het suggestievlak voor bebouwing vormt in de basis het gebied waarbinnen bebouwing voor het agrarisch aanverwante bedrijf of de manege altijd is toegestaan. Aangezien de vorm en omvang van een suggestievlak in de loop der tijd aan verandering onderhevig kan zijn - omdat de bedrijfsvoering wijzigt of bij gewijzigde inzichten van de ondernemer - is tevens bebouwing in een denkbeeldig en veranderlijk bouwblok toegestaan. Uitgangspunt is dat de gerealiseerde bebouwing te allen tijde binnen het bouwblok gelegen blijft.
Aan de Gerbernesseweg 21a is een paardenhouderij gevestigd die zich gaat richten om manege-activiteiten. Het opnemen van een aanduiding voor een manege is gemotiveerd op basis van de ruimtelijke onderbouwing met landschappelijke inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 10 Ruimtelijke onderbouwing en landschappelijke inpassing Gerbernesseweg 21a
Overige bedrijvigheid
Voor de overige genoemde bedrijvigheid is in mindere mate sprake van een functionele relatie met het buitengebied. Ook voor deze bedrijven zijn symbolen opgenomen waarbij in het plan (op de verbeelding en zichtbaar in de regels) tevens de maximale oppervlakte in gebruik en de maximaal toelaatbare oppervlakte aan bebouwing is vastgelegd. De maximaal toelaatbare oppervlakte in gebruik en voor bebouwing is, overeenkomstig het bestemmingsplan Borsels Buiten, inclusief de uitbreidingsruimte van 20 % ten opzichte van de bestaande oppervlakten op moment van ter inzage legging van het ontwerp-pilot-omgevingsplan. Bijlage 8 geeft inzicht in de huidige en maximaal toelaatbare oppervlakten bij deze functies.
Met behulp van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en Staat van Horeca-activiteiten zijn de bedrijven ingedeeld naar de mate van milieubelasting en invloed op de omgeving. Voor een toelichting op de werking en wijze van toepassen van de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt verwezen naar bijlage 9 Toelichting Staat van Bedrijfsactiviteiten.
Nevenactiviteiten
Bij de beschrijving van de specifieke regels voor gebruik is per functie ook aangegeven dat een beperkt aantal nevenactiviteiten is toegestaan. Rechtstreeks toelaatbaar, mits aan de voorwaarden wordt voldaan, zijn het bieden van recreatief nachtverblijf tot een vloeroppervlakte van niet meer dan 40 m² en beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten in een woning en/of bijbehorende bouwwerken.
Horeca op de waterkering
Aan de Zeedijk bij Baarland is een restaurant gevestigd waarvoor tot nu toe een tijdelijke vergunning is verleend. Het 'Hoogwaterbeschermingsprogramma Westerschelde' verzet zich niet tegen de vestiging van een permanente voorziening op deze locatie. Het opnemen van een positieve bestemming voor het betreffende restaurant is gemotiveerd en akkoord bevonden op basis van de ruimtelijke onderbouwing die is opgenomen in bijlage 11 Ruimtelijke onderbouwing en natuurtoets restaurant Zeedijk-Baarland.
In het bestemmingsplan Borsels Buiten is voor de percelen met een hoofdfunctie horeca, detailhandel of bedrijf de uitbreidings- en ontwikkelingsruimte bepaald op 20 % en al vastgelegd in de voorschriften en bijlagen van het plan. Deze regeling wordt overgenomen in het pilot-omgevingsplan (op de verbeelding en vertaald in de regels; voor een overzicht wordt verwezen naar bijlage 8).
Voor de nevenfuncties die met melding of afwijking zijn of kunnen ontstaan geldt in principe dat de bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor de nevenfunctie en dat deze oppervlakte met 20% mag worden uitgebreid tot een maximum van 250 m2 (regels voor functieveranderingen met toepassing van de afwijkingsbevoegdheden zoals opgenomen in de verschillende deelgebieden) .
In het huidige Borsels Buiten is een quotum geïntroduceerd voor kleinschalig kamperen: er zijn in totaal 14 kleinschalige kampeerterreinen toegestaan (op het moment van vaststelling Borsels Buiten waren er al 7 aanwezig, momenteel in de fase van voorontwerp zijn er 12 kleinschalige kampeerterreinen). Het quotum wordt losgelaten: nieuwe kleinschalige kampeerterreinen zijn rechtstreeks toegestaan mits voldaan wordt aan kwalitatieve randvoorwaarden. In kerngebied de Poel en het heggengebied Nisse zijn geen kleinschalige kampeerterreinen toegestaan.
Bij diverse ontwikkelingen die met het plan mogelijk zijn en worden gemaakt is het vereiste van een landschappelijke inpassing opgenomen. De Richtlijn voor erfbeplanting die hiervoor binnen de gemeente wordt gehanteerd is opgenomen in het pilot-omgevingsplan. Daarbij is de richtlijn 'opgeknipt' naar deelgebieden. De raadpleger van het plan wordt via de verbeelding en het deelgebied direct naar de relevante onderdelen van de richtlijn geleid.
In het plangebied wordt de aanleg verwacht van:
In artikel 3.28 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad na terinzagelegging van een ontwerp-inpassingsplan gedurende 10 jaar niet langer bevoegd is tot vaststelling van een bestemmingsplan, tenzij in het inpassingsplan anders is bepaald. In beide inpassingsplannen zijn hiervoor regels opgenomen die luiden dat de gemeenteraad een bestemmingsplan mag vaststellen 'indien daarbij wordt voorzien in de bestemmingen en in de planregels zoals neergelegd in het inpassingsplan' (artikel 13.2.b 'Zuid-West 380 kV west') of 'dat voorziet in de bestemmingen zoals neergelegd in dit inpassingsplan op dezelfde wijze als is voorzien in dit inpassingsplan' (artikel 9.2.b 'net op zee Borssele').
Met het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 wordt een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte vastgesteld met een looptijd van 20 jaar. De keuze om dit plan niet vast te stellen voor de gronden waar de rijksinpassingsplannen zijn vastgesteld is niet aan de orde: de gemeente wil het buitengebied van een integrale, zo veel mogelijk gebiedsdekkende regeling voorzien.
Er is dus gekozen voor een regeling in het plan die voldoet aan de voorwaarde dat hiermee voorzien wordt in een regeling die overeenkomt met een regeling zoals voorzien in de inpassingsplannen.
Deze voorwaarde hoeft naar onze mening en na bestudering van de formulering van de regels in de inpassingsplannen, niet te betekenen dat de inpassingsplannen letterlijk één op één, regel voor regel, exact worden overgenomen. Het gaat erom dat de werking en de inhoud van de regels in de inpassingsplannen in tact blijven.
Er zijn nog andere redenen om niet te kiezen voor het letterlijk, één op één overnemen maar voor het opnemen van de regeling die 'voorziet in een regeling zoals in de inpassingsplannen:
De regeling die in dit plan wordt opgenomen is als volgt:
Op deze wijze wordt in dit plan een regeling opgenomen die erin voorziet dat het doel en de regels van de inpassingsplannen van toepassing blijven.
In het plangebied is daarnaast nog een aantal bouw- en gebruiksbeperkingen opgenomen of zijn voorwaarden gesteld aan het bouwen. Het betreft het bouwen binnen belemmeringenzones van leidingen, het bouwen binnen geluidszones industrielawaai, het bouwen binnen de walradarketen en straalpaden en het bouwen op de waterkering of binnen de beschermingszones van de waterkering. Voor deze bouwbeperkingen zijn vlakken opgenomen op de verbeelding zodat de raadpleger direct op de bouwbeperking wordt gewezen.
De beeldkwaliteitsregels die in het plan zijn opgenomen zijn opgesteld vanuit de overtuiging dat de gemeente het belang van een aantrekkelijke (gebouwde) omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen, tezamen met de inrichting van de tuinen, erven en de open(bare) ruimte, de dagelijkse leefomgeving van iedereen die in Borsele woont en/of werkt. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar van het bouwwerk alleen, elke voorbijganger en nog sterker de buren (!) worden ermee geconfronteerd, of zij nu willen of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van een onroerende zaak en versterkt het vestigingsklimaat. Uit onderzoek en de rapportages van professor Thissen blijkt dat de beeldkwaliteit van de openbare ruimten en de bebouwing in sterke mate bijdraagt aan de keuze waar mensen willen wonen en werken. Dit geldt zeker bij teruglopende voorzieningen zoals scholen, winkels enzovoort en een ruime keuze aan waar men kan wonen. Het doel van het beeldkwaliteitsbeleid is, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de dagelijkse leefomgeving, de schoonheid en de aantrekkelijkheid van de gemeente Borsele.
Voor een uitgebreide toelichting op het beleid voor beeldkwaliteit wordt verwezen naar bijlage 12 Beeldkwaliteitsbeleid Buitengebied Borsele.
Alle panden in het plangebied zijn geïnventariseerd en voor zover relevant van een typlogie voorzien. In de regels is opgenomen welke eisen voor een goede beeldkwaliteit aan de verschillende typologieën worden gesteld. Door het objectgerichte karakter van het plan krijgt de raadpleger uitsluitend de regels te zien die gelden voor de typologie die aan het geraadpleegde perceel zijn toegekend.
Behalve regels voor de onderscheiden typologieën zijn er ook meer algemene regels opgenomen zoals onder andere voor agrarische bedrijfsgebouwen en dakkapellen.
De regels voor beeldkwaliteit worden aangemerkt als een verbijzondering van de opgenomen bouw- en gebruiksregels. Zo zijn in de bouwregels voor de agrarische suggestievlakken geen regels opgenomen voor de plaatsing van gebouwen. Bij het verbale agrarische bouwblok is bepaald dat gebouwen achter de voorgevelrooilijn geplaatst moeten worden. In de regels voor beeldkwaliteit zijn vervolgens specifieke regels opgenomen voor de plaatsing van bedrijfsgebouwen en silo's. Deze regels worden niet gezien als strijdig met de bouwregels maar als een verbijzondering daarvan.
De regels met betrekking tot het kappen, vellen en rooien van houtopstanden zijn opgenomen in de APV en in het huidige bestemmingsplan Borsels Buiten. In het pilot-omgevingsplan worden deze regelingen samengebracht.
In de APV is in zijn algemeenheid het kappen of vellen van bomen niet toegestaan, waarbij de APV tevens voorziet in een uitzondering indien een lijst van waardevolle bomen is vastgesteld. Het algemene verbod geldt dan niet voor bomen die niet op de lijst staan. Deze regeling is omslachtig en bovendien heeft Borsele een dergelijke lijst van waardevolle bomen vastgesteld.
In het pilot-omgevingsplan wordt volstaan met een verbod om deze waardevolle bomen te kappen en de bevoegdheid om de lijst met waardevolle bomen te wijzigen. De lijst met waardevolle bomen is ook digitaal te raadplegen en het plan bevat een link naar deze digitale raadpleegomgeving.
De lijst met waardevolle bomen biedt onvoldoende bescherming voor de kenmerkende dijkbeplantingen. De dijken met kenmerkende beplantingen zijn onder andere om deze reden aangeduid in het plan: zie de toelichting onder 4.3.13.
Agrarische gebieden en dijken met natuur- en/of landschapswaarden zijn specifiek aangeduid op de verbeelding. Het uitvoeren van verschillende werken en werkzaamheden is op deze gronden niet zonder omgevingsvergunning toegestaan. De kenmerkende dijkbeplanting – voor zover deze niet onder de Boswet valt of, indien ze daar wel onder valt, de herplantplicht niet op hetzelfde dijkvlak is gelegen – wordt met deze regeling beschermd.
Dijken met natuur- of landschapswaarden zijn overgenomen van de provinciale verordening.
De agrarische gebieden met landschaps- of natuurwaarden zijn aangemerkt op basis van:
De huidige geluidsverordening biedt in delen van het buitengebied van Borsele meer en in andere delen minder geluidsruimte voor inrichtingen om geluid te produceren. Een van de belangrijke doelstellingen van het pilot-omgevingsplan is om de geluidsverordening te integreren in het pilot-omgevingsplan. Een andere doelstelling van het pilot-omgevingsplan is om regelgeving op elkaar af te stemmen en dubbele regelgeving te voorkomen. De geluidsverordening is dan ook geëvalueerd. In de zones 1 en 2 waar meer ruimte werd geboden om geluid te produceren, blijkt van deze mogelijkheid niet of nauwelijks gebruik te zijn gemaakt. Zone 3 heeft weinig betekenis omdat hier de wettelijke normen gelden en er geen sprake was van een verruiming of vermindering van de mogelijkheid om geluid te produceren. Zone 4 heeft tot doel de stilte te behouden en biedt minder ruimte dan wettelijk toegestaan om geluid te produceren. Samenvattend is het behoud van de geluidsverordening voor zone 4 zinvol en wenselijk; voor de overige gebieden kan de verordening komen te vervallen.
Ook de beleidsregel voor het toepassen van antihagelgeneratoren is in het plan verwerkt. In de regels is voor het gebied waar strengere normen gelden dan wettelijk is vastgelegd, opgenomen dat de strengere normen voor geluid niet van toepassing zijn op antihagelgeneratoren. In het gehele plangebied is bij fruitgaarden de plaatsing of het bouwen van antihagelgeneratoren toegestaan: de beleidsregels met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen milieu zorgen voor maatwerk met betrekking tot de situering en het te plaatsen type antihagelgenerator.
In het archeologiebeleid zijn 8 categorieën van archeologische verwachtingswaarden onderscheiden die als volgt zijn vertaald.
Tabel 4.2: vertaling archeologiebeleid
Molenbiotopen
De molenbiotopen zijn in het plan opgenomen waarbij een onderscheid is gemaakt tussen de biotoop van de stellingmolen in Heinkenszand en de overige molens.
Vliedbergen
De vliedbergen aan de Trenteweg, Goesestraatweg en Iseweg zijn aangeduid en worden beschermd met een verbod op het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Van dit verbod kan worden afgeweken mits de cultuurhistorische en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. De vliedberg aan de Bergweg en de twee vliedbergen in Baarsdorp hebben al de functie Natuur en behoeven geen verdere bescherming.
Waardevolle panden
De bescherming van de gemeentelijke monumenten en de (wijziging van de) aanwijzing van gemeentelijke monumenten wordt opgenomen in het pilot-omgevingsplan. Bij raadpleging is dan direct zichtbaar welke regels er gelden ter bescherming van de gemeentelijke monumenten.
In het buitengebied zijn ook vele panden gelegen die als karakteristiek en cultuurhistorisch waardevol zijn aangemerkt. Voor deze panden wordt een bescherming tegen sloop opgenomen. Een omgevingsvergunning om van het verbod tot slopen af te wijken kan worden verleend indien de karakteristiek van de gronden/omgeving niet onevenredig wordt aangetast of, gelet op de staat van het bouwwerk, handhaving niet in redelijkheid kan worden verlangd.
Rijksmonumenten
De aanwijzing en bescherming van rijksmonumenten hoeft niet in het pilot-omgevingsplan te worden geregeld (de gemeente heeft en krijgt hierin geen leidende rol). Bij de beoordeling van vergunningaanvragen heeft de gemeente wel een taak en toetst zij overeenkomstig hetgeen in artikel 124 en bijlage 6 van de regels is verwoord. Door de rijksmonumenten in de verbeelding op te nemen worden de regels die de gemeente hierbij hanteert zichtbaar.
In het kader van de Grondexploitatiewet is de gemeente verplicht kosten die ten behoeve van het pilot-omgevingsplan worden gemaakt, te verhalen (het huidige regime van Wro en Grondexploitatiewet is nog aan de orde).
De gemeente maakt geen kosten voor plannen die op grond van dit pilot-omgevingsplan worden uitgevoerd. Dat betreft in alle gevallen particulier initiatief, waaraan in beginsel geen kosten voor de gemeente zijn verbonden, afgezien van kosten van het ambtelijk apparaat voor de begeleiding en toetsing van aanvragen. Deze kosten worden door middel van leges gedekt. Mochten er andere kosten zijn, die op grond van artikel 6.13 Wet ruimtelijke ordening dienen te worden verhaald, dan zal uitsluitend worden meegewerkt aan de omgevingsvergunning voor afwijken of herziening van het plan, nadat een exploitatieovereenkomst is gesloten. De initiatiefnemers zijn hiervoor verantwoordelijk.
Wel maakt de gemeente plankosten, dit zijn de kosten die zijn gemoeid bij het opstellen van het pilot-omgevingsplan. Deze kosten zijn niet toe te schrijven aan een specifieke groep gebruikers. De gemeente neemt deze plankosten daarom voor haar rekening. Indien er aanvullende plankosten gemaakt worden voor het uitvoeren van het pilot-omgevingsplan, bijvoorbeeld in de vorm van kosten voor het toepassen van een delegatie- of afwijkingsbevoegdheid, worden dergelijke plankosten verhaald op de initiatiefnemer.
In lijn met deze redenering is er geen sprake van verhaalbare kosten en is voor het pilot-omgevingsplan geen exploitatieplan opgesteld.
De gemeente hecht veel waarde aan de grote betrokkenheid van haar inwoners bij het buitengebied en heeft het voorontwerp opgesteld met behulp van een klankbordgroep. In deze klankbordgroep zijn verschillende partijen vertegenwoordigd zoals de dorpsraden, stichting Behoud Zak van Zuid-Beveland, ZLTO-afdeling Borsele, waterschap Scheldestromen, provincie Zeeland, Recron, veiligheidsregio en GGD. Deze klankbordgroep is in de fase van opstelling van de Nota van Uitgangspunten en het voorontwerp veelvuldig geconsulteerd en bijgepraat.
Vooroverleg en inspraak
Het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening aan diverse instanties toegezonden. Tevens heeft het voorontwerp gedurende 6 weken ter inzage gelegen en is een inspraakavond georganiseerd voor bewoners en gebruikers van het buitengebied en hun adviseurs.
In totaal zijn 6 vooroverlegreacties en 24 inspraakreacties ingediend. Voor een samenvatting van de inhoud van de reacties en de beantwoording hiervan wordt verwezen naar de bijlagen 13 en 14.
Aanpassingen naar aanleiding van inspraak en overleg
Naar aanleiding van de inspraak- en overlegreacties zijn de volgende aanpassingen verwerkt in de toelichting, regels en verbeelding van het plan.
Ambtshalve aanpassingen
Het pilot-omgevingsplan is ook ambtshalve nog aangepast. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om de volgende aanpassingen.
Vaststellingsfase
De resultaten van de zienswijzefase worden te zijner tijd verwerkt.
Met dit pilot-omgevingsplan wordt beoogd een voor de burgers duidelijk en herkenbaar beleid voor de fysieke leefomgeving te formuleren. Het pilot-omgevingsplan is zodanig opgezet dat het ruimte biedt voor ontwikkelingen binnen de randvoorwaarden die volgen uit 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. Het pilot-omgevingsplan biedt daarmee meer flexibiliteit en ruimte dan het traditionele bestemmingsplan.
Het pilot-omgevingsplan bevat ook meer rechtstreekse bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden waaraan voorwaarden zijn verbonden.
De ontwikkelingen die mogelijk zijn na het doen van een melding zijn aan voorwaarden gebonden die niet vooraf door het ambtelijk apparaat worden getoetst (het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om te blijven voldoen).
Daarnaast is er sprake van kwalitatieve voorwaarden.
Het uitgangspunt is dat er handhavend wordt opgetreden wanneer de regels van het pilot-omgevingsplan niet worden nageleefd. Het achterwege laten van handhaving kan ertoe leiden dat zich ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen voordoen, die negatieve gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Het pilot-omgevingsplan in combinatie met een goede handhaving van de vastgestelde regels beschermen de kwaliteiten van het buitengebied en geven ook veel beter sturing aan ontwikkelingen.
Aangezien het pilot-omgevingsplan meer kwalitatieve regels bevat en een aantal ontwikkelingen rechtstreeks of met melding mogelijk worden gemaakt, zal het accent bij veranderen van 'toetsing vooraf' naar 'handhaving achteraf' en naar handhaving van kwantitatieve en kwalitatieve normen verschuiven.
Vanuit diverse overheidsinstanties is beleid voor het buitengebied geformuleerd. Deze beleidskaders en de daarin opgenomen randvoorwaarden bepalen mede de beleidsvrijheid die de gemeente heeft bij het opstellen van het Omgevingsplan Borsele Buitengebied 2018. De gemeente kan, als daar goede redenen voor zijn, er voor kiezen buiten de door de overheid aangegeven kaders beleid te formuleren. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van het landelijke beleid dat relevant is voor het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018.
De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld. De SVIR vervangt de 'Nota Ruimte', de 'Structuurvisie Randstad 2040', de ' Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak' en de 'Structuurvisie voor de Snelwegomgeving'. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: 'PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen', de 'Agenda Landschap', de 'Agenda Vitaal Platteland' en 'Pieken in de Delta'. De SVIR geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
Van rijksdoelen naar nationaal belang
In de structuurvisie formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Figuur B2.2.1 Uitsnede Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Voor de drie rijksdoelen worden de volgende onderwerpen van nationaal belang benoemd:
Gebiedsgerichte nationale belangen
In de Structuurvisie worden verschillende deelgebieden onderscheiden. De Zuidwestelijke Delta beslaat de gehele provincie Zeeland.
Voor Borsele zijn de volgende relevante gebiedsgerichte nationale belangen en opgaven van belang:
Waterveiligheid en zoetwatervoorziening in relatie tot klimaatveranderingen is een van de opgaven voor de Zuidwestelijke Delta. De Deltawateren vormen een kans voor economische sectoren zoals visserij en aquacultuur, recreatie en toerisme.
Door de Zuidwestelijke Delta loopt de belangrijke internationale achterlandverbinding van de haven van Rotterdam met Antwerpen/Parijs, die met de geplande uitbreiding van de Seine-Scheldeverbinding nog in betekenis zal toenemen. De delta is ook belangrijk voor verdere havensamenwerking. Samen met het Vlaams Gewest werkt het Rijk aan de uitvoering van de Scheldeverdragen voor een veilig, toegankelijk en natuurlijk Schelde-estuarium.
Doel van deze Structuurvisie is om ruimte beschikbaar te houden in Nederland voor de aanleg van toekomstige buisleidingen van nationaal en internationaal belang voor de transport van gevaarlijke stoffen. Met de Structuurvisie Buisleidingen wil het Rijk verdere duidelijkheid verschaffen aan zowel het bedrijfsleven dat daarmee kan rekenen op goede verbindingen voor buisleidingtransport, als aan provincies en gemeenten die hierop hun ruimtelijke plannen kunnen afstemmen.
De hoofdverbinding buisleidingen van Rijnmond naar Zeeland/België loopt door Zuid-Beveland naar het Sloegebied en via de Westerschelde bij Ellewoutsdijk naar het industriegebied bij Terneuzen en verder door naar België. Hiermee worden de haven- en industriegebieden in Zeeland en België bereikt en onderling verbonden. Er is gekozen voor een tracé door Zuid-Beveland omdat een alternatief tracé door Zeeuws Vlaanderen het Natura 2000 gebied 'Verdronken land van Saeftinge' de natuurontwikkeling in de Hertogin Hedwigepolder zou verstoren.
Het voorgestelde tracé voor de buisleidingenstrook is gedeeltelijk indicatief (ten zuiden van Ellewoutsdijk). Afgesproken is dat een definitief tracé uitgewerkt zal worden door de gemeente via een eigen gemeentelijke structuurvisie. Voorwaarde is dat de tracé keuze van de gemeente voorziet in een doorgaande verbinding door Zeeland naar België voor leidingen van nationaal belang. Op de Westerschelde is hiervoor een zoekgebied met een breedte van 2 km opgenomen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de EHS, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.
Voor dit plangebied zijn de volgende doelstellingen vanuit het Barro van belang:
Het Nationaal Waterplan beschrijft de maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het Nationaal Waterplan bestaat uit een thematische uitwerking en een gebiedsuitwerking. Thema's die behandeld worden zijn: waterveiligheid, watertekort en zoetwatervoorziening, wateroverlast, waterkwaliteit en gebruik van water. Gebiedsuitwerkingen zijn er voor de Kust, Rivieren, IJsselmeergebied, Zuidwestelijke Delta, Randstad, Noordzee, Noord-Nederland en de Waddenzee, Hoog Nederland en het stedelijk gebied. Op basis van de Waterwet en de Wro heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie.
De centrale opgave voor de Zuidwestelijke Delta is duurzaam herstel van het evenwicht tussen veiligheid, economie en ecologie. Het perspectief van integrale gebiedsontwikkeling staat voorop, waarbij een betere verbinding wordt gelegd tussen water en ruimtelijke ordening. Het huidige stelsel van dijken en waterkeringen blijft ook in de toekomst de basis voor waterveiligheid in de Zuidwestelijke Delta. Voor de Oosterschelde en de Westerschelde kiest het kabinet voor het optimaliseren van de huidige veiligheidsstrategie.
Figuur B2.2.2 Agenda voor de toekomst
In de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) zetten Vlaanderen en Nederland samen hun schouders onder het beheer van het Schelde-estuarium. De VNSC werkt vanuit een integrale aanpak, die tegelijk de veerkracht van de natuur versterkt, ons beschermt tegen overstromingen en de havens toegankelijk houdt. De Agenda voor de Toekomst duidt de noodzakelijke stappen aan om die duurzame balans op lange termijn te garanderen.
Door de Omgevingswet wordt het wettelijke kader voor burgers, ondernemers en overheden inzichtelijker en ontwikkeling en beheer van de leefomgeving beter beheersbaar. Onderwerpen die in de nieuwe wet worden geregeld verdwijnen uit de bestaande wetgeving, daartoe worden (delen van) bestaande wetten ingetrokken. De nieuwe wet zal daarmee een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels, wetten en regelingen op het terrein van de fysieke leefomgeving betekenen. De nieuwe wet regelt:
De Omgevingswet omvat een aantal integrale instrumenten als de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. Hierin worden soortgelijke sectorale instrumenten geïntegreerd in één instrument. De omgevingsvisie vervangt de (gebiedsdekkende) structuurvisie voor ruimtelijke ordening, het waterplan, het milieubeleidsplan, het verkeers- en vervoerplan en de ruimtelijke aspecten van de natuurvisie uit de voorziene Wet natuurbescherming. Procedures worden al in de eerste fase geüniformeerd. Het omgevingsplan is een gebiedsdekkend plan voor de leefomgeving. Het vervangt onder meer:
Het verschil met het bestemmingsplan is dat in het omgevingsplan meer regels kunnen worden opgenomen dan enkel over de bestemming van grond; ook afspraken over natuur en milieu en bijvoorbeeld erfgoed kunnen er in. Gemeenten kunnen het plan zo 'breed' maken, als zij willen: van 'een goede ruimtelijke ordening' tot 'een goede fysieke leefomgeving'.
Op 1 juli 2015 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de Omgevingswet De Eerste Kamer heeft vervolgens op 22 maart 2016 ook met een ruime meerderheid ingestemd met de wet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet met de bijbehorende AmvB's was voorzien in 2019 maar is uitgesteld.
Toetsingskader
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel (de gemeente Borsele is niet binnen een concentratiegebied gelegen).
Tabel B6.1.1: overzicht geurnormen Wgv
Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van 100 m binnen de bebouwde kom en 50 m buiten de bebouwde kom.
Voor pelsdieren gelden afstandseisen, waarbij de minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom afhankelijk is van het aantal fokteven. De minimaal aan te houden afstand tot objecten binnen de bebouwde kom loopt op van 175 m tot 275 m. De minimaal aan te houden afstand tot objecten buiten de bebouwde kom loopt op van 100 m tot 200 m.
Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).
De Wgv en het Activiteitenbesluit stellen eisen aan de maximaal optredende voorgrondbelasting (als gevolg van een individuele veehouderij). Voor de achtergrondbelasting (de cumulatieve geurbelasting door de bedrijven in een bepaald gebied) gelden op grond van de Wgv geen wettelijke normen.
Het pilot-omgevingsplan
Het pilot-omgevingsplan kan gevolgen hebben voor de geurbelasting. In het planMER is ingegaan op de optredende achtergrondconcentraties, de daarmee samenhangende gezondheidseffecten en de wijze waarop hiermee kan worden omgegaan in het pilot-omgevingsplan. Uit de resultaten blijkt dat de maximale gevolgen van het pilot-omgevingsplan voor de optredende geurbelastingen beperkt blijven. De resultaten geven geen aanleiding om in het bestemmingsplan specifieke geurhindergerelateerde maatregelen vast te leggen.
Conclusie
Het pilot-omgevingsplan voldoet aan de geldende toetsingskaders.
Toetsingskader
Wet milieubeheer
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer (Wm) luchtkwaliteitseisen 2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang en rond veehouderijen uitsluitend de grenswaarden voor fijn stof. De grenswaarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.
Tabel B6.2.1: grenswaarden maatgevende stoffen Wlk
1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen indien:
Besluit niet in betekenende mate (nibm)
In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:
Het pilot-omgevingsplan
In het planMER is ingegaan op de mogelijke gevolgen van het pilot-omgevingsplan voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarbij gaat het enerzijds om een toename van emissies als gevolg van de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten. Anderzijds kunnen ook ontwikkelingen die leiden tot extra verkeer leiden tot een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Uit het planMER blijkt dat de effecten relatief beperkt zijn en het pilot-omgevingsplan in geen geval leidt tot een overschrijding van de wettelijke grenswaarden.
Conclusie
Het pilot-omgevingsplan voldoet aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit.
Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.
Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) bevat de wet- en regelgeving voor het transport van gevaarlijke stoffen. De concrete uitwerking is vastgelegd in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maken bij het PR onderscheid in bestaande en in nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden (het gebied waarin bij het realiseren van kwetsbare objecten rekening gehouden dient te worden met de effecten van een plasbrand) benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.
Buisleidingenstraat
Figuur B6.3.1 Buisleidingenstrook uit Structuurvisie Buisleidingen
In de Structuurvisie Buisleidingen is voor de gemeente Borsele een buisleidingenstrook opgenomen waarvoor een breedte wordt gehanteerd van 50 m.
Het pilot-omgevingsplan
Binnen het plangebied en in de omgeving daarvan zijn verschillende risicobronnen aanwezig (inrichtingen, wegen, spoorwegen, buisleidingen en vervoer over water). Voor een overzicht wordt verwezen naar de paragraaf externe veiligheid in het planMER. Nieuwe Bevi-inrichtingen worden niet toegestaan.
In het pilot-omgevingsplan is vastgelegd dat geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd binnen een PR 10-6-contour. Daarnaast dient bij ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het GR een verantwoording van het GR plaats te vinden.
Conclusie
Met de voorwaarden zoals vastgelegd in het pilot-omgevingsplan is geborgd dat nieuwe ontwikkelingen passen binnen de geldende toetsingskaders voor externe veiligheid. Verdere toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief.
Toetsingskader
Rond hoogspanningsverbindingen ontstaan magnetische velden. Er is uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit onderwerp. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar wel sprake van Europees en nationaal beleid.
Voor nieuwe situaties, waaronder begrepen nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen, hanteert het Rijk het beleidsadvies op basis van het voorzorgbeginsel, zoals opgenomen in het 'Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen' (2005) en de 'Verduidelijking' van dit beleidsadvies (2008). Het beleidsadvies inzake magneetvelden is om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (0-15 jaar) langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Dit beleidsadvies is van toepassing op nieuwe bovengrondse verbindingen. Op ondergrondse verbindingen, hoogspanningsstations en opstijgpunten is het beleidsadvies niet van toepassing. Het Ministerie van VROM (inmiddels Ministerie van Infrastructuur en Milieu geheten) heeft in 2005 advies uitgebracht aan gemeenten en provincies over het omgaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van bovengrondse hoogspanningsleidingen. Zij adviseert om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de 0,4 microtesla zone rond een hoogspanningslijn. Aanleiding voor dit rijksbeleid voor hoogspanningsleidingen vormen mogelijke gezondheidsrisico's bij langdurige blootstelling van kinderen aan elektromagnetische velden.
Het pilot-omgevingsplan
In het plangebied zijn bestaande boven- en ondergrondse 150 kV- en 380 kV-hoogspanningsverbindingen gelegen. Deze verbindingen hebben een (indicatieve) magneetveldzone van 80 tot 100 m aan weerszijden. De belemmeringenzones van de bovengondse hoogspanningsverbindingen bedraagt 25 tot 35 m aan weerszijden, van de ondergrondse hoogspanningsleiding bedraagt de belemmeringszone 5 m aan weerszijde van de leiding. Het pilot-omgevingsplan biedt ontwikkelingsmogelijkheden voor diverse functies binnen de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningsverbindingen.
In het plangebied wordt ook de aanleg verwacht van:
Beide inpassingsplannen zijn in het ontwerpplan verwerkt door het opnemen van een verwijzing naar het van toepassing zijnde rijksinpassingsplan.
Conclusie
De verschillende ontwikkelingsmogelijkheden die in het pilot-omgevingsplan worden geboden zijn gekoppeld aan voorwaarden waaronder gezondheid. In de regels wordt bepaald dat ontwikkelingen waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magneetvelden, niet voldoen aan de voorwaarden voor gezondheid.
In het plangebied zijn waterleidingen en rioolwaterleidingen gelegen met een doorsnede van meer dan 400 mm.
Toetsingskader
Het vliegveld Midden Zeeland is gelegen aan de Calandweg in Arnemuiden. Sinds 15 mei 2014 is voor het vliegveld de Verordening Luchthavenbesluit Midden Zeeland van toepassing. In deze verordening worden gebieden in en rond het vliegveld aangewezen als 'Luchthavengebied', 'Beperkingengebieden' en 'Aanvullend beperkingengebied'. Voor het plangebied is het deelgebied met hoogtebeperkingen (onderdeel van het Beperkingengebied) van belang. Binnen dit gebied geldt een hoogtebeperking van 45 m rondom Lewedorp, oplopend tot 100 m ten zuiden van Nieuwdorp.
Figuur B6.6.1. Vliegveld Midden Zeeland
Het plangebied is in het radarverstoringsgebied van vliegveld Woensdrecht gelegen. Het radarverstoringsgebied legt beperkingen op aan de bouw van hoge bouwwerken zoals hoogspanningsmasten. Daarbij gaat het om bouwwerken met een hoogte van meer dan 113 m ten opzichte van NAP.
Figuur B6.6.2 Radarverstoringsgebied vliegveld Woensdrecht
In het plangebied bevindt zich een optisch vrij veld ten behoeve van de walradarketen langs de Westerschelde. Dit optisch vrije veld begint bij de radartoren bij Baarland, en bestaat uit 2 deelgebieden: een klein gebied rond Baarland (gebied van de walradarketen) en een zone van 2 km gemeten vanaf de watergrens.
Voor het realiseren van gebouwen binnen het gebied van de walradarketen, waarbij de bebouwing boven de kruin van de dijk uitsteekt, is overleg met de beheerder van de walradarketen (Gemeenschappelijk Nautisch Beheer Scheldegebied (GNB)) verplicht. Reikt de bebouwing niet boven de dijk uit, is dit overleg niet nodig.
Daarnaast worden in een zone van 2 km breed, gemeten vanaf de watergrens, bouwplannen hoger dan de hoogte van de dijk én met een oppervlak van meer dan 500 m2 voor overleg toegezonden aan de beheerder van de walradarketen.
Figuur B6.6.3 Walradarketen
In het plangebied bevinden zich vier optisch vrije paden ten behoeve van straalverbindingen. Deze optisch vrije paden hebben allen een breedte van 200 m. De eerste straalverbinding bevindt zich tussen Goes (Tv-toren) en Terneuzen. De overige optisch vrije paden zijn ten behoeve van de kerncentrale bij Borssele. De hoogtebeperkingen die hiermee samenhangen lopen op van 36 tot 93 m ten opzichte van NAP.
Figuur B6.6.4 Straalverbindingen
Het pilot-omgevingsplan
De huidige in het plan aanwezige windturbines en hoogspanningsmasten zijn gedeeltelijk in gebieden gelegen waar sprake is van hoogtebeperkingen door vliegveld Midden Zeeland of de optisch vrije paden. Andere hoge bouwwerken die verstoring kunnen veroorzaken worden in het plan niet voorzien.
In het optisch vrije veld van de walradarketen kan bij bouwwerken hoger dan de dijk langs de Westerschelde sprake zijn van verstoring.
Conclusie
Het plan biedt geen mogelijkheden voor nieuwe of hogere windturbines. Voor wat betreft de hoogspanningsverbindingen zal bij de bouwbepalingen worden verwezen naar de verschillende hoogtebeperkingen waarmee rekening moet worden gehouden.
In het gebied van de walradarketen zal een hoogtebeperking worden opgenomen.
Toetsingskader
Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging.
Ook langs spoorwegen en rond/op industrie- en bedrijventerreinen waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken zijn geluidszones gelegen.
Het pilot-omgevingsplan
Binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn verschillende geluidbronnen gelegen, waaronder gezoneerde wegen en het gezoneerde industrieterreinen Sloegebied en het aangrenzende terrein van DOW/MPV in Terneuzen. In de toekomst worden mogelijk nieuwe geluidsgevoelige functies gerealiseerd, zoals bedrijfswoningen. Het pilot-omgevingsplan zal geen rechtstreekse bouwmogelijkheden voor de nieuwbouw van woningen bieden waardoor een akoestisch onderzoek achterwege kan blijven. Ten behoeve van de ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuw- en/of herbouw van woningen wordt, omdat de plaats en de situering niet bekend is en omdat de geluidsbelasting in de loop der jaren kan wijzigen, een oplossing gezocht in een bepaling die een koppeling legt tussen het pilot-omgevingsplan en de wettelijk toelaatbare geluidsbelasting.
Conclusie
In het pilot-omgevingsplan is vastgelegd dat voor nieuwe geluidsgevoelige objecten of de wijziging/uitbreiding van bestaande geluidsgevoelige objecten dient te worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of de vast te stellen hogere waarde. Toetsing (en vaststelling van eventuele hogere waarden) vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief.
Toetsingskader
Wet natuurbescherming (Wnb)
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura-2000 gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen
of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel
1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing
verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen
van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling
te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage
IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage
I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden
of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening
kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing
of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zeeland
In de provincie Zeeland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en het voor op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Het pilot-omgevingsplan
Natura 2000
Binnen en in de (wijde) omgeving van het plangebied is een aantal Natura 2000-gebieden gelegen. Het betreft binnen het plangebied het gebied Westerschelde & Saeftinghe en daarbuiten de gebieden Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde, Veerse Meer en Manteling van Walcheren. Er bevinden zich buiten de Natura 2000-gebieden geen beschermde natuurmonumenten. De gebieden Westerschelde & Saeftinghe, Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde en Manteling van Walcheren zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De Westerschelde & Saeftinghe, Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde en Veerse Meer zijn ook gevoelig voor verstoring.
In het planMER is een passende beoordeling opgenomen vanwege de mogelijke effecten op Natura 2000 door de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen (stikstofdepositie). In Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten is uitgewerkt op welke wijze in het pilot-omgevingsplan wordt omgegaan met de resultaten van de passende beoordeling.
Nationaal Natuurnetwerk
Verspreid door het buitengebied van Borsele liggen gebieden die deel uitmaken van het NNN. In het plangebied komen vooral veel dijkbeplantingen voor die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Ook de delen van het plangebied die deel uitmaken van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe zijn onderdeel van het NNZ. Daarnaast maken enkele verspreid liggende gebieden ook deel uit van het NNZ, zoals het Ganzenreservaat Sinoutskerke, de Zwaakse weel, Heggengebied Nisse en het Poelbos. De Kaloot is ook aangewezen als WAV-gebied (Wet Ammoniak en Veehouderij). In het plangebied zijn in de VrpZ ook enkele gebieden aangewezen als agrarisch gebied van ecologische betekenis (zie figuur 4.4), deze gebieden maken deel uit van het NNZ.
Een deel van de natuurgebieden is gevoelig voor veranderingen in het grondwater. In het Omgevingsplan Zeeland is aangegeven dat ten opzichte van natuurgebieden rekening moet worden gehouden met een afwegings(buffer)zone van 100 m. Als aangetoond wordt dat geen schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid of de natuur zullen optreden, kan een kleinere afstand toelaatbaar zijn. Evenals binnen Natura 2000 kan ook binnen het NNN een toename van stikstofdepositie leiden tot negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. De maatregelen die worden getroffen om significante negatieve effecten binnen Natura 2000 uit te sluiten (zie hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten) hebben tot gevolg dat ook binnen het NNN geen grote toename van depositie zal optreden.
Flora en fauna
In het planMER is (op basis van een bureaustudie) inzicht gegeven in de beschermde soorten binnen het plangebied. Uit de effectbeschrijving blijkt dat het pilot-omgevingsplan zonder het treffen van maatregelen gevolgen kan hebben voor beschermde soorten. De aantasting van individuen is niet uit te sluiten, maar effecten op populatieniveau kunnen echter wel worden uitgesloten. Over het algemeen zijn goede mitigerende maatregelen te treffen. De kans dat de Wnb een belemmering zal vormen voor de uitvoering van het pilot-omgevingsplan is daardoor zeer gering. In het pilot-omgevingsplan is in de verschillende flexibiliteitsbepalingen een toets van de effecten op natuurwaarden opgenomen.
Conclusie
In het pilot-omgevingsplan is geborgd dat geen sprake zal zijn van negatieve effecten op natuurwaarden.
Toetsingskader
Bij functieveranderingen is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bestaande bodemkwaliteit niet verslechtert. Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, dient deze direct te worden opgeruimd. Bij bestaande mobiele verontreinigingen die voor 1987 ontstaan zijn (zogenaamde erfenisgevallen), zal bij de sanering ook naar de kosteneffectiviteit worden gekeken. Uitgangspunt voor verontreinigingen die zich in het grondwater manifesteren is dat deze beheersbaar zijn en blijven.
Het pilot-omgevingsplan
In de regels voor functieveranderingen is waar relevant als voorwaarde opgenomen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief. Als de onderzoeksresultaten daar aanleiding toe geven, zullen eventueel aanwezige verontreinigingen moeten worden gesaneerd.
Conclusie
In de regels van het pilot-omgevingsplan is geborgd dat bij functieveranderingen de kwaliteit van de bodem voldoende is voor het beoogde gebruik.
Toetsingskader
Diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus liggen ten grondslag aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer:
Europa:
Nationaal:
De provincie en het waterschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en uitvoeringsplannen. Wettelijke verankering van het waterbeleid vindt plaats in de Waterwet en onderliggende uitvoeringsregels. De regels die zijn vastgelegd in een verordening van de waterschappen, worden 'de Keur' genoemd. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. De Waterwet kent één watervergunning, de voormalige Keurvergunning is hierin opgenomen.
De watertoets is een proces waarmee in ruimtelijke plannen de mogelijke risico's (zoals waterveiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verdroging en verzilting van grond- en oppervlaktewater) en kansen van water vroegtijdig in beeld worden gebracht in overleg met de waterbeheerders. In het kader van het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 vindt afstemming plaats met de waterbeheerders, in dit geval het Waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren.
In het Deltaprogramma heeft het rijk aangegeven dat de leefomgeving adaptief dient te worden gemaakt voor klimaatverandering. Klimaatadaptatie zal daartoe vanzelfsprekend als aandachtspunt moeten worden mee genomen bij nieuwe ontwikkelingen en herstructurering in het buitengebied. Uitgangspunt is dat de leefomgeving klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht.
Het pilot-omgevingsplan
Watersysteem
Binnen het plangebied komen meerdere grondwatertrappen voor. De grondwatertrap VI komt in het grootste deel van het plangebied voor. Dit houdt in dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,4 en 0,8 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand op meer dan 1,2 m beneden het maaiveld is gelegen. Verder komen ook de grondwatertrappen II, III, IIIb, VI, VIb en VII voor.
In het plangebied is over het algemeen geen sprake van zoute kwel. Bij de inlagen in het zuidwestelijk gedeelte van het plangebied is lokaal wel sterke, veelal matige tot afnemend geringe kwel aanwezig tot circa 1000 m landinwaarts. Aan de zuidoostkust zijn bandstroken zoute kwel aanwezig, met name in de zware schorgronden en de oude kreekbeddingen. De zoute kwel is hier tot circa 2.200 m landinwaarts aanwezig.
In het kreekruggen- en kreekopvullingensysteem rondom de Poel komt een zoetwaterbel voor. Overmatige grondwateronttrekking in dit gebied heeft een sterke stijging van het zich onder de zoetwaterbel bevindende zoute grondwater tot gevolg. In dit gebied is het beleid er dan ook op gericht om een gelijkblijvende omvang van de zoetwaterbel te behouden en het beperken van de vermenging van zoet water met zout water.
Waterlopen
Binnen het plangebied komen verschillende waterafvoergebieden voor, te weten de Poel, Maelstede, Van Borsele, Groenewege, Hellewoud, Baarland en Coudorpe. Deze gebieden wateren bijna allemaal af op de Westerschelde. Het afvoergebied Baarland watert af op het gebied Hellewoud en Maelstede ontvangt het water van de Poel.
Het plangebied wordt doorkruist door meerder primaire watergangen. Daarnaast komen ook talrijke andere oppervlaktewateren voor. Tevens komen op diverse plaatsen welen voor, zoals de welen aan de Brilletjesdijk, de polder 't Vlaandertje en de Westeindse weel. Een weel is een voormalig kolkgat, dat is ontstaan bij een dijkdoorbraak of een dijkval. Naast deze welen komen er in het plangebied ook voormalige kreken en kreekrestanten voor. Dit zijn langgerekte wateren, omzoomd door rietkragen en/of drassige oeverlanden en laaggelegen graslanden.
Waterveiligheid
De kust langs de Westerschelde wordt volledig begrensd door een primaire waterkering. Binnen het plangebied zijn verder nog verschillende regionale keringen gelegen. Rondom deze keringen is sprake van een beschermingszone waarbinnen beperkingen gelden voor bouwen. Delen van het plangebied zijn binnen deze zones gelegen.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is grotendeels aangesloten op een gescheiden rioleringsstelsel.
In het gemeentelijk waterplan is aangegeven dat 878 panden zijn aangesloten op drukriolering en 679 panden niet zijn aangesloten op de riolering.
Watertoetstabel zoals door het waterschap aangereikt
In het pilot-omgevingsplan zijn bepaalde voorwaarden opgenomen met betrekking tot het aspect water, waaronder 'de ontwikkeling vindt hydrologisch neutraal plaats' en 'de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed'. In het kader van het pilot-omgevingsplan is de Watertoetstabel doorlopen zoals deze gehanteerd wordt door het Waterschap Scheldestromen. Deze Watertoetstabel is hieronder weergegeven:
Tabel B6.10.1: watertoets
Conclusie
In de regels van het pilot-omgevingsplan is geborgd dat bij functieveranderingen getoetst wordt op wateraspecten. Ook de bescherming tegen het water is in het pilot-omgevingsplan verwerkt.
Toetsingskader
De gemeente Borsele heeft eigen archeologiebeleid geformuleerd en op 11 oktober 2011 vastgesteld in de Beleidskaart en Beleidsnota Borsele.
In het archeologiebeleid zijn verwachtingskaarten gemaakt voor het gehele grondgebied van de gemeente. Hierin worden 4 verschillende archeologische niveaus onderscheiden:
Uit de onderzoeken is gebleken dat de verwachtingskaart laag 1 Walcheren voor Borsele het meest relevant is. De verwachtingen uit de lagen 2, 3 en 4 komen ook weer terug in laag 1.
Figuur B6.10.1 Huidig archeologiebeleid
De archeologische verwachtingen zijn onderverdeeld in de volgende beleidscategorieën:
Het pilot-omgevingsplan
In het plangebied van dit pilot-omgevingsplan komen alle categorieën voor, inclusief buitendijks gelegen gebieden uit de categorie 7 en gebieden zonder een archeologische verwachtingswaarde (categorie 8).
Voor de archeologische rijksmonumenten is geen gemeentelijk beleid geformuleerd (rijksoverheid is immers bevoegd gezag).
Als uitgangspunt voor beleid voor de categorieën 2 tot en met 6 geldt dat, ongeacht het te verstoren oppervlak, geen vooronderzoek hoeft plaats te vinden als de dieptemaat van 40 cm bij bodemverstorende activiteiten niet wordt overschreden. Het verbod geldt evenmin indien een rapport is overgelegd waaruit blijkt dat aanwezige archeologische waarden in voldoende mate kunnen worden veiliggesteld of dat deze niet onevenredig worden geschaad dan wel dat in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Voor de gronden gelegen in categorie 7, waterbodems, geldt specifiek beleid. Het aantreffen van archeologische waarden in deze zone dient gemeld te worden waarna in overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, een vervolgtraject zal worden bepaald.
De gronden in categorie 8 behoeven geen archeologische bescherming.
Sinds de vaststelling van het archeologiebeleid zijn al diverse archeologisch onderzoeken gedaan en in een aantal gevallen heeft dit geleid tot de conclusie dat er geen sprake is van archeologische verwachtingswaarden.
Conclusie
De gemeentelijke Archeologische waardenkaart is vertaald in het pilot-omgevingsplan. Daarmee is geborgd dat geen aantasting van archeologische waarden plaatsvindt.
In de Woningwet (Ww) is vastgelegd dat een bestaand of nieuw te bouwen bouwwerk moet voldoen aan redelijke eisen van welstand, tenzij anders door de gemeenteraad is bepaald. Gemeenten die beeldkwaliteitstoezicht (welstandstoezicht) willen voeren, dienen te zorgen dat de wijze waarop dit toezicht plaatsvindt helder en transparant is. Zij dienen aan de aanvrager van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een zo concreet en objectief mogelijk toetsingskader aan te bieden. Hierdoor krijgt de aanvrager reeds vooraf inzicht in de beeldkwaliteitsregels waaraan zijn/haar bouwplan wordt getoetst. Daarnaast kan op grond van het toetsingskader worden bepaald of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand en een handhavingstraject worden ingezet.
Vanaf 2006 heeft de gemeente Borsele haar toetsingskader voor beeldkwaliteit vastgelegd in een zogenaamde welstands-/beeldkwaliteitsnota. In het kader van het pilot-omgevingsplan voor het buitengebied is besloten het toetsingskader, voor zover deze betrekking heeft op (nieuw te bouwen) bouwwerken in het buitengebied, te actualiseren en op te nemen in dit voorliggende plan. De 'regels voor een goede beeldkwaliteit' die zijn opgenomen in hoofdstuk 6 van het pilot-omgevingsplan dienen te worden beschouwd als criteria zoals genoemd in artikel 12a van de Woningwet. Hierbij wordt opgemerkt dat de wijze van beeldkwaliteitstoetsing hetzelfde blijft als voorheen. Daarnaast blijft de Beeldkwaliteitsnota Borsele (inwerkingtredingsdatum: 21 februari 2013) wat betreft het toetsingskader voor de kernen en het algemene beleid in stand.
De beeldkwaliteitsregels zijn opgesteld vanuit de overtuiging dat de gemeente het belang van een aantrekkelijke (gebouwde) omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen, tezamen met de inrichting van de tuinen, erven en de open(bare) ruimte, de dagelijkse leefomgeving van iedereen die in Borsele woont en/of werkt. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar van het bouwwerk alleen, elke voorbijganger en nog sterker de buren (!) worden ermee geconfronteerd, of zij nu willen of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van een onroerende zaak en versterkt het vestigingsklimaat. Uit onderzoek en de rapportages van professor Thissen blijkt dat de beeldkwaliteit van de openbare ruimten en de bebouwing in sterke mate bijdraagt aan de keuze waar mensen willen wonen en werken. Dit geldt zeker bij teruglopende voorzieningen zoals scholen, winkels enzovoort en een ruime keuze aan waar men kan wonen. Het doel van het beeldkwaliteitsbeleid is, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de dagelijkse leefomgeving, de schoonheid en de aantrekkelijkheid van de gemeente Borsele.
In deze bijlage bij de toelichting van het pilot-omgevingsplan wordt achtergrondinformatie gegeven met betrekking tot het beeldkwaliteitsbeleid. In hoofdstuk 3 worden de kenmerken van de verschillende typen bebouwing, die aanwezig/toelaatbaar zijn in het buitengebied, nader beschreven. De beeldkwaliteitsregels, die in het pilot-omgevingsplan zijn opgenomen, zijn afgestemd op de aard en architectonische kenmerken van deze verschillende typen bebouwing. Daarnaast zijn er in het pilot-omgevingsplan nog 'overige regels' met betrekking tot beeldkwaliteit opgenomen. Deze regels omvatten een zogenaamde hardheidsclausule (algemene regels waar in bijzondere situaties op terug kan worden gegrepen), de verplichting voor burgemeester en wethouders om advies in te winnen bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit/monumentencommissie en een excessenregeling (die het mogelijk maakt om op te treden tegen welstandsexcessen). In hoofdstuk 4 worden deze 'overige regels' toegelicht. Eerst wordt in hoofdstuk 2 echter ingegaan op de procedure van beeldkwaliteitstoetsing.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de procedure van beeldkwaliteitstoetsing. Onder meer wordt ingegaan op vragen als “Hoe wordt een bouwplan getoetst?”, “Welke informatie moet voor de beeldkwaliteitstoetsing worden aangeleverd?”, “Welk soort adviezen worden uitgebracht door de dorpsbouwmeester/monumentencommissie?”, “Is het indienen van bezwaar tegen een advies mogelijk?”, etc.
Inleiding
Of en op welke wijze de beeldkwaliteitstoetsing plaatsvindt is afhankelijk van:
Type bouwwerk
Artikel 2.10 van de Wabo omvat de toetsingsgronden (imperatieve weigeringsgronden) voor een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen. Uitgangspunt van de Wabo is dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. Echter, met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden tegelijkertijd vele soorten vergunningvrije bouwwerken mogelijk gemaakt. In de Wabo is namelijk geregeld dat bij Algemene maatregel van bestuur (Amvb) kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen (bouw)activiteiten in daarbij aangegeven categorieën van gevallen, geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist. Deze Amvb is het Bor. In artikel 2.3 Bor, gelezen in samenhang met artikel 2 en 3 bijlage II Bor, is bepaald voor welke bouwwerken geen omgevingsvergunningplicht geldt. Deze bouwwerken worden niet getoetst aan de geldende beeldkwaliteitsregels. Alle overige bouwwerken zijn omgevingsvergunningpichtig en worden wel vooraf getoetst aan de beeldkwaliteitsregels.
Voor de vergunningsvrije bouwwerken geldt wel dat deze niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met de beeldkwaliteitsregels. In dat geval kan sprake zijn van een exces. Tegen excessen kan handhavend worden opgetreden.
Gedetailleerdheid beeldkwaliteitsregels
Voor elk adres binnen het buitengebied zijn, op basis van de bestaande ruimtelijke en architectonische kwaliteit, de regels voor een goede beeldkwaliteit vastgelegd. Hoe waardevoller het bebouwingsbeeld is, hoe gedetailleerder de regels zijn.
Informatie aan de aanvrager en ontwerper
Bij de indiening van een plan zal informatie verschaft worden over de tijd en plaats waarop het plan, indien dit voldoet aan de indieningsvereisten en het omgevingsplan, voorgelegd zal worden aan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie. Als de aanvrager niet bekend is met de regels en het beoordelingskader voor zijn bouwplan dan zal hij daarvan in kennis worden gesteld.
Vooroverleg
Voordat een officiële omgevingsaanvraag wordt ingediend is het raadzaam om eerst het zogenaamde vooroverleg op te starten. In dit overleg wordt het bouwplan getoetst aan het omgevingsplan. Voldoet het bouwplan hieraan dan wordt het plan voorgelegd aan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie. De praktijk wijst uit dat de wettelijke termijnen om te komen tot vergunningverlening na het indienen van een officiële aanvraag vaak onvoldoende lang zijn om bouwplannen aan te passen indien zij bijvoorbeeld niet voldoen aan de regels voor een goede beeldkwaliteit. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan door burgers langs elektronische weg (digitaal) worden ingediend, voor bedrijven is dit vanaf oktober 2012 verplicht. Het bevoegd gezag is verplicht de digitale aanvraag in ontvangst te nemen. Bij digitale aanvragen moeten alle gegevens langs elektronische weg worden ingediend. Het bevoegd gezag en de aanvrager kunnen hierover andere afspraken maken, bijvoorbeeld vanwege de indiening van een omvangrijk pakket (aanvullende) gegevens.
Indieningsvereisten
Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gelden landelijke, uniforme indieningsvereisten voor gegevens en bescheiden die het bevoegd gezag denkt nodig te hebben. Deze vereisten zijn neergelegd in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Bij het indienen van een bouwplan (al dan niet) in het kader van het vooroverleg dient de aanvrager de volgende zaken aan te leveren:
Mede aan de hand van bovengenoemde indieningsvereisten toetst de dorpsbouwmeester/monumentencommissie aan de regels voor een goede beeldkwaliteit in dit omgevingsplan of wordt voldaan aan redelijke eisen van beeldkwaliteit. Op basis hiervan kan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie tot een afgewogen beeldkwaliteitsadvies komen.
Aanvraag omgevingsvergunning
Wanneer het plan een monument betreft zijn zwaardere indieningsvereisten van toepassing. Voor de beoordeling dient in dat geval ook de redengevende beschrijving van het monument, een bestek/werkomschrijving, fotomateriaal en een bouwkundig onderzoek, een bouwhistorisch onderzoek en een aanvraag omgevingsvergunning monument bij de behandeling van het plan beschikbaar te zijn. Activiteiten met betrekking tot monumenten kunnen in dit verband zijn: slopen, verstoren, verplaatsen, wijzigen door bouwactiviteit of aanlegactiviteit. Voor deze en andere activiteiten met betrekking tot monumenten gelden (aanvullende) indieningsvereisten, zoals aangegeven bij die activiteiten in de Mor.
Bij grote projecten kan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie vragen een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving aan te leveren, om zo de schaal en massa te beoordelen.
Indien een bouwplan voldoet aan het omgevingsplan, waaronder de regels voor een goede beeldkwaliteit, dan kan het bouwplan gecompleteerd worden met de technische indieningsvereisten en kan de officiële aanvraag omgevingsvergunning worden ingediend. Hiermee wordt voorkomen dat technische berekeningen en tekeningen als gevolg van aanpassingen van het bouwplan door omgevingsplanbepalingen, waaronder de beeldkwaliteitsregels, moet worden aangepast.
Architectenspreekuur
Bouwplannen die uit oogpunt van beeldkwaliteit (in beperkte mate) aanpassing behoeven, kunnen door de dorpsbouwmeester/monumentencommissie worden doorverwezen naar het architectenspreekuur. Op dit 'spreekuur' wordt door een architect en een ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling advies en informatie over een mogelijke aanpassing van het bouwplan verstrekt.
Beoordeling op volledigheid
Wanneer de aanvraag voor een vergunning door burgemeester en wethouders is ontvangen zal eerst worden beoordeeld of deze volledig is. Als niet alle vereiste tekeningen en gegevens aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid stellen om alsnog de ontbrekende gegevens te overleggen. Dit binnen de hiervoor gestelde termijn. Indien geen gehoor wordt gegeven aan het verzoek tot aanvulling van de gegevens kunnen burgemeester en wethouders beslissen om de aanvraag niet in behandeling te nemen.
Procedure met betrekking tot vergunningvrije bouwwerken
Een vergunningvrij bouwwerk wordt vooraf niet aan beeldkwaliteitseisen getoetst. In strikte zin is er dus geen sprake van een te volgen procedure. Het kan echter raadzaam zijn toch, door middel van een bezoek aan de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling van de gemeente, overleg te voeren om misverstanden vroegtijdig uit de weg te ruimen.
Procedure met betrekking tot een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk (regulier)
De beeldkwaliteitstoetsing voor omgevingsvergunningsplichtige bouwwerken geschiedt op basis van de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in dit omgevingsplan. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn kan eenmaal met maximaal 6 weken worden verlengd. Dit dient tijdig aan aanvrager te worden gemeld. Overschrijding van de beslistermijn is fataal, de omgevingsvergunning wordt dan geacht van rechtswege te zijn verleend.
Belangstellenden kunnen de vergadering van de dorpsbouwmeester/monumentencommissie bijwonen. Zij hoeven daarvoor geen afspraak te maken. Belangstellenden hebben geen spreekrecht. De dorpsbouwmeester/monumentencommissie wordt immers gevraagd om een onafhankelijk en deskundig advies aan burgemeester en wethouders, binnen het democratisch vastgestelde kader van de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in dit omgevingsplan. In zeer bijzondere situaties kunnen burgemeester en wethouders de dorpsbouwmeester/monumentencommissie vragen om belangstellenden te horen, voorafgaand aan de planbeoordeling.
De vergaderingen van de dorpsbouwmeester/monumentencommissie (beraadslagingen en beoordelingen) zijn openbaar, tenzij op verzoek van de aanvrager en de gemeente hiervan om een of meer redenen die in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) staan vermeld, moet worden afgeweken.
Belanghebbenden (aanvrager en ontwerper) kunnen op verzoek in de gelegenheid worden gesteld zowel bij de gemandateerd ambtenaar als bij de dorpsbouwmeester/monumentencommissie een toelichting te geven op hun plan of een toelichting te verkrijgen op het advies. Zij kunnen hiertoe een afspraak maken via de ambtelijk secretaris.
Indien sprake is van vooroverleg/preadvies wordt door middel van een zogenoemd formulier beeldkwaliteitsadvies verslag gemaakt. Het preadvies wordt via het formulier beeldkwaliteitsadvies aan het college ter kennisname gebracht. In het kader van de openbaarheid kunnen burgemeester en wethouders dit verslag voor betrokkenen beschikbaar stellen.
Het advies van de dorpsbouwmeester/monumentencommissie aan het college van burgemeester en wethouders wordt altijd schriftelijk uitgebracht. Het geeft aan of (a) "het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet is strijd is met redelijke eisen van beeldkwaliteit” of (b) “het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van beeldkwaliteit” (zie Ww artikel 12a lid 1). Een en ander wordt beoordeeld aan de hand van de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in dit omgevingsplan. Alle adviezen, behoudens het positieve advies, worden schriftelijk gemotiveerd. De positieve adviezen worden op verzoek van het college gemotiveerd of indien daar vanuit andere overwegingen aanleiding toe is. Een behandeling van een plan bij de dorpsbouwmeester of de commissie kan de volgende uitkomsten hebben.
Gunstig (Niet strijdig)
De dorpsbouwmeester/monumentencommissie adviseert positief aan burgemeester en wethouders omdat het plan volgens de van toepassing zijnde beeldkwaliteitsregels voldoen aan (niet strijdig is met) redelijke eisen van beeldkwaliteit. Desgewenst motiveert de dorpsbouwmeester/monumentencommissie haar advies schriftelijk. Eventueel geeft de dorpsbouwmeester/monumentencommissie nog suggesties om het plan te verbeteren. Formeel gezien is het bouwplan dan echter akkoord.
Gunstig onder voorwaarden (Niet strijdig, mits)
De dorpsbouwmeester/monumentencommissie adviseert gunstig onder voorwaarden (niet strijdig met een mits) aan burgemeester en wethouders, omdat het plan volgens de van kracht zijnde beeldkwaliteitsregels niet strijdig is met redelijke eisen van beeldkwaliteit, maar uit oogpunt van beeldkwaliteit ontbreekt nog een bepaald onderdeel. Formeel gezien is het bouwplan daarmee niet strijdig, met andere woorden het voldoet. Het gebruik van onder voorwaarden (mits) wordt in de praktijk in enkele gevallen gehanteerd om aanvullende bemonstering in een later stadium af te spreken of een nadere detailtekening aan te leveren. Onder voorwaarden (mits) is bedoeld om de planprocedures niet onnodig op te houden en kan niet worden opgenomen als voorwaarde in de omgevingsvergunning. Het advies gunstig onder voorwaarden (Niet strijdig, mits) wordt slechts toegepast als de aanwijzingen ook later in een handhavingssituatie (als de aanwijzingen niet zijn opgevolgd) kunnen worden aangebracht (bijvoorbeeld de kleur; de grootte van een dakkapel zijn in een handhavingssituatie niet eenvoudig te wijzigen).
Ongunstig (Strijdig)
De dorpsbouwmeester/monumentencommissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met redelijke eisen van beeldkwaliteit. Een negatief beeldkwaliteitsadvies betekent dat een bouwplan ingrijpend moet worden gewijzigd. Adviseert de dorpsbouwmeester/commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde beeldkwaliteitscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.
Ongunstig, tenzij (Strijdig, tenzij)
De dorpsbouwmeester/monumentencommissie is van oordeel dat het bouwplan op hoofdlijnen in principe voldoet, maar dat het op onderdelen deels moet worden herzien dan wel bijgesteld, waardoor het strijdig is met redelijke eisen van beeldkwaliteit. De strijdigheid is beperkt en is in goed overleg met de aanvrager vastgesteld. De strijdigheid wordt nauwkeurig geformuleerd.
Aanhouden
Binnen de wettelijke beslistermijnen kan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie het beeldkwaliteitsadvies aanhouden, indien meer informatie of een toelichting van de ontwerper wenselijk is. De aangestelde ambtenaar is verantwoordelijk voor het aanleveren van de gevraagde gegevens of het maken van afspraken.
Niet te beoordelen
Als een bouwplan aan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie wordt voorgelegd, waarvan het tekenwerk onvoldoende bouwkundig is uitgewerkt en/of niet op schaal is getekend en/of het tekenwerk niet overeenkomt met de daadwerkelijke toestand en/of niet of onvoldoende inzicht wordt gegeven in de toe te passen kleuren, materialen en detailleringen, kan als advies worden uitgebracht dat het plan niet te beoordelen is.
Aanvullend advies
Als er na advisering een gesprek met de dorpsbouwmeester/monumentencommissie volgt dan wordt het verslag van dit gesprek als aanvulling op het eerdere advies gegeven. Een aanvullend advies zal ook gegeven worden als het college om een nadere motivering of schriftelijke toelichting op het eerdere advies verzoekt.
Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van burgemeester en wethouders op de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Belanghebbenden zijn in de regel de planindiener en de direct omwonenden. In de bezwaarschriftprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit, na advies van de Commissie Bezwaarschriften. Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. Binnen twaalf weken na het aflopen van de bezwarentermijn, nemen burgemeester en wethouders daarna een beslissing op het bezwaar. De belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn kunnen hiertegen in beroep gaan. De afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling kan informatie over de procedure geven.
Als een bezwaar te maken heeft met het beeldkwaliteitsoordeel richt de belanghebbende zich dus nadrukkelijk op het oordeel van burgemeester en wethouders en niet op het advies van de dorpsbouwmeester/monumentencommissie. Dat is immers een advies aan en ten behoeve van burgemeester en wethouders. De dorpsbouwmeester/monumentencommissie kent geen bezwaarprocedure voor belanghebbenden. Uiteraard kunnen de ontwerper en eventueel de planindiener de dorpsbouwmeester/monumentencommissie een toelichting op een uitgebracht advies vragen. Na hoor en wederhoor kan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie als zij daartoe aanleiding ziet, het advies herzien. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd. De Federatie Beeldkwaliteit beschikt over een beroepscommissie voor procedurele en juridische zaken.
De gemeente geeft met de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in dit omgevingsplan, impliciet regels voor het beeldkwaliteitstoezicht en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. In de Beleidsnota toezicht en handhaving ruimtelijke regelgeving is het gemeentelijk beleid, waaronder een prioriteitstelling voor handhaving neergelegd.
Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd, dan wel het bouwwerk na realisering afwijkt van de tekeningen waarop die vergunning is afgegeven, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het gerealiseerde bouwwerk. Als deze vergunning moet worden geweigerd, bijvoorbeeld wegens een negatief beeldkwaliteitsadvies, dan zal de eigenaar de situatie moeten veranderen. Burgemeester en wethouders kunnen dan degene die tot het opheffen van de situatie bevoegd is, aanschrijven om binnen een door hen te bepalen termijn de strijdigheid op te heffen.
Ook voor bouwwerken waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd kan, indien sprake is van ernstige mate van strijdigheid met redelijke eisen van welstand, tot aanschrijving worden besloten. In dit verband wordt verwezen naar de excessenregeling in paragraaf 4.3.
De beeldkwaliteitsregels die in dit omgevingsplan zijn opgenomen, zijn afgestemd op de aard en architectonische kenmerken (typologie) van de bebouwing. In dit hoofdstuk worden de kenmerken van de verschillende typen bebouwing als achtergrondinformatie nader beschreven.
De kenmerken van deze bebouwing zijn veelal bepaald door de bouwperiode waarin deze zijn gerealiseerd. Voor de woningen en schuren die tot deze bedrijfsbebouwing behoren kunnen specifieke kenmerken benoemd zijn in de typologie-beschrijving.
Het woongedeelte (woning) en het bedrijfsgedeelte (hoofdschuur) zijn in elkaars directe omgeving op het perceel gebouwd. Qua positie staan de woning en de hoofdschuur meestal verschillend ten opzichte van elkaar maar zijn de nokrichtingen evenwijdig. En derhalve zijn ook de dakvoet- en gootrichtingen gelijk. Over het algemeen zijn de daken uitgevoerd als zadeldaken waarbij de nokhoogte van de hoofdschuur hoger is dan de nokhoogte van de woning. De dakbedekking van de hoofdschuur kan verschillend zijn uitgevoerd. Dit kan zijn in een rietbedekking, keramische dakpannen of golfplaten (staal- of cementgebonden). In de laatstgenoemde afwerking zijn vaak lichtstraten toegepast. De dakhellingen zijn verschillend en zijn afhankelijk van de beukbreedte van de schuur.
In de grootschalige polders zijn de schuren vaak groter qua lengte en qua overspanningsmaat dan die in de kleinschalige polders en de Poel. De woningen zijn meestal afgedekt met keramische dakpannen. De woningen zijn uitgevoerd in baksteen.
De schuren kennen meerdere afwerkingen zoals potdekselwerk, metselwerk of staalplaatprofiel platen (horizontaal of verticaal verwerkt).
De wijze van rand- en erfbeplanting levert een sterke bijdrage aan de uitstraling van deze complexen.
De kenmerken van deze bebouwing zijn veelal bepaald door de bouwperiode waarin deze zijn gerealiseerd.
Qua locatie op het erf is er meestal een relatie tot de openbare weg en de erfindeling. De plattegrond is meestal rechthoekig. Over het algemeen worden de daken uitgevoerd als zadeldak. De dakbedekking kan per bedrijfsloods verschillend zijn uitgevoerd. Toegepast worden keramische dakpannen, golfplaten (staal- of cementgebonden) of dakpanprofielplaten. In de twee laatstgenoemde afwerkingen zijn vaak lichtstraten toegepast. De dakhellingen zijn verschillend en zijn afhankelijk van de beukbreedte van de loods.
In de grootschalige polders zijn de bedrijfsloodsen vaak groter dan die in de kleinschalige polders en de Poel. De wanden kennen meerdere afwerkingen zoals potdekselwerk, metselwerk of staalplaatprofiel platen (horizontaal of verticaal verwerkt).
De rand- en erfbeplanting is minimaal en beperkt tot enkele solitaire bomen of struiken.
Het omgevingsplan staat, onder voorwaarden, nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf toe. Voor de nieuwvestiging gelden regels voor een goede beeldkwaliteit. Het gaat daarbij zowel om regels voor de bedrijfsbebouwing als voor de woning. De te realiseren bouwwerken dienen, zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik, een samenhangend geheel te vormen. De nieuw op te richten bedrijfswoning dient óf de kenmerken van een boerenhofstedewoning te krijgen óf van een woning in een hedendaagse architectuurstijl.
Sommige woningen zijn dusdanig verbouwd dat zij niet meer getypeerd kunnen worden als een woning met een uitgesproken typologie, zoals bijvoorbeeld een boerenbedoeninkje of Zeeuwse arbeiderswoning. Vaak is de oorspronkelijke bouwvorm overigens nog wel te herleiden. Mocht er vervangende nieuwbouw plaatsvinden dan dient een woning in een uitgesproken typologie, gelijk aan die van de oorspronkelijke bouwvorm, te worden teruggebouwd. Ook is mogelijk om, in plaats van de oorspronkelijke typologie, een woning in een hedendaagse architectuurstijl te bouwen.
Voor de verbouw van woningen, die geen uitgesproken typologie meer kennen, zijn wel een aantal regels voor een goede beeldkwaliteit opgenomen. Zo is bijvoorbeeld de opbouw van de woning gebaseerd op een rechthoekige plattegrond of een samenspel daarvan. Verder is er sprake van een eenduidige hoofdvorm afgedekt met een kapconstructie. De kapconstructies zijn afgewerkt met keramische dakpannen.
In Borsele komen meerdere boerderijtypen voor, maar bijna allemaal zijn ze ontstaan uit het oude Hallehuistype en een variant daarvan: het Langhuistype. Ze worden, omwille van de streek waar ze voorkomen, ook wel Zeeuwse schuurboerderijen genoemd. Afhankelijk van de schaal van de boerderij worden ze schuurboerderijen of boerenbedoeninkjes genoemd.
Het type heeft een eenvoudige rechthoekige of een uit rechthoeken samengestelde plattegrond waarbij het woonhuis direct tegen en in het verlengde van de schuur is gebouwd. Vaak bevinden woning en schuur zich onder hetzelfde dak. Kenmerkend voor de schuur is de interne verdeling waarbij de delen dwars op de lengterichting staan, het zogenaamde dwarsdeel. Hoewel aan elkaar gebouwd, vormen het huis en de schuur veelal geheel zelfstandige constructies.
Soms is de woning of de schuur vervangen door een moderner type.
Woongedeelte
Het woongedeelte is over het algemeen laag: één bouwlaag, eventueel met borstwering, en een steile kap. De gevels van het woongedeelte zijn uitgevoerd in metselwerk. Het woongedeelte is uitgevoerd in IJsselsteen of rode baksteen met een dak van rode gebakken pannen of blauwe gesmoorde pannen.
De detaillering is veelal beperkt tot een plint, rollagen, gootklossen, eenvoudig geprofileerde boeiboorden en overstekken. Een horizontale geleding in het metselwerk komt voor in de vorm van anders gekleurde lagen ter hoogte van de onder- en bovendorpel van raamkozijnen.
Schoorstenen
Aan het uiteinde van de nok van het woonhuis is een gemetselde schoorsteen geplaatst. Een extra schoorsteen is soms op de scheiding van woonhuis- en schuurdeel aanwezig.
Gevelopeningen
Er komen, afhankelijk van de ontstaansperiode, verschillende raamtypen voor zoals schuiframen (onder- en/of bovenschuivend) met wisseldorpels, kozijnen met bovenlichten en roedeverdelingen. Toegepaste roedeverdelingen zijn vooral 6-ruits of T-ramen. De entree van de woning ligt veelal in de langsgevel.
Deuren, ramen en kozijnen zijn uitgevoerd in hout, de kozijnen zijn geschilderd in wit, de draaiende en schuivende delen in donkergroen, donkerblauw of sporadisch in 'meekraprood'. De ramen zijn soms voorzien van opgeklampte luiken met terugliggende spiegels. De klampen zijn vaak groen terwijl de spiegels wit zijn. Deze kleuren komen overeen met de kleuren van de kozijnen, ramen en deuren.
Dakkapellen
in het woongedeelte worden nauwelijks dakkapellen gemaakt. Bij uitzondering wordt een dakkapel in hout centraal boven de voordeur in het dakvlak aangebracht. De dakkapel wordt eenvoudig (zonder versieringen) en met een plat dak uitgevoerd. De wanden worden uitgevoerd als houten wanden bekleed met zink.
Schuurgedeelte
In beginsel worden de schuren vaak in hout opgetrokken en bekleed met houten delen (potdekselwerk vanaf een voetingmuur) en een rieten dak maar na verloop van tijd werden gevels op getrokken in baksteen en worden de daken belegd met keramische dakpannen (rood gebakken of blauw gesmoord). Het optillen van de dakrand ter plaatse van de mendeuren komt bij dit type boerderijen alleen voor bij rieten daken.
Qua hoofdvorm van de schuren is er een duidelijk verschil ten aanzien van de functie akkerbouw, veeteelt of gemengd bedrijf. Schuren in de akkerbouw hebben meestal een symmetrische dwarsdoorsnede terwijl schuren in de veeteelt asymmetrisch zijn. De dakvoet bij veeteeltschuren is aan de mestvaaltzijde veel lager dan de gevels aan de voorzijde. Aan de voorzijde werd onder andere hooi en stro aangevoerd dus waren hier hoge deuren nodig.
In de langsgevel van de schuur, meestal in de voorgevel, zijn vaak mendeuren geplaatst vallend in een spantvak. Vaak is ter plaatse van die hoge deuren de dakrand opgetild.
De indeling van de langsgevels met de toepassing van meerdere deuren (mendeuren, loopdeuren en koetsdeuren) wordt mede bepaald door de plaatsing van de spanten die tussenvloeren en het dak dragen.
De nokrichting loopt meestal evenwijdig met de weg of dijk. De dakvoet van schuur en woning ligt ter plaatse van de voorgevel op één hoogte en de dakhelling van schuur en woning is gelijk (ca. 45 graden). De nok van de schuur ligt mede door de grotere dieptemaat hoger dan de nok van de woning.
Bijzondere kenmerken bij houten, zwart geschilderde schuren zijn de witte biezen rondom de mendeuren, het klinket, de uitwendige hoeken van de schuur, de vensters en de zogenaamde muizenoortjes. Deze kleine daglichtopeningen zijn uitgezaagd en vallen in één potdekseldeel. Andere vensters zijn ter hoogte van één of twee potdekseldelen en vallen nagenoeg gelijk met de buitenkant van het potdekselwerk. Opvallend zijn ook de vaak toegepaste wit geschilderde goten met klossen, waterborden en makelaars.
De toegang tot het erf bestaat (bij schuurboerderijen) veelal uit een rijk gedecoreerd hek in hout of ijzer. Het erf is met bomen of hagen, de zogenaamde Zeeuwse heggen, omrand. Vaak is er op het erf nog een aantal gebouwtjes te vinden, zoals een varkenshok, wagenschuur of een bakkeet, waarin de houtoven werd gebouwd. Het vrijstaande woonhuis, de schuur en de erfindeling met beplanting vormen een ensemble. Boerenbedoeninkjes hebben meestal een kleiner erf.
Vanaf het einde van de 17e eeuw zien we in Borsele een verandering in het voorkomende boerderijtype. Kenmerkend is de scheiding tussen het woonhuis en de bedrijfsruimten. Dit gebeurde omwille van de steeds groter wordende schuren, het brandgevaar en de overlast van ongedierte. Deze ontwikkeling werd geleidelijk aan overgenomen vanuit Noord-Beveland. Aanvankelijk werd die tendens vooral gevolgd door welgestelde, vooruitstrevende boeren wat ook de grootte van veel van deze boerderijen verklaart. Zo ontstonden de zogenaamde boerenhofsteden, met een vrijstaand woonhuis en vaak forse bedrijfsgebouwen. Pas vanaf 1850 worden ook kleinere boerderijen van dit type gebouwd.
Bij de woonhuizen bij de hofstedes die gebouwd zijn na 1650 zien we een tendens tot vergroting en verfraaiing. Onder invloed van een toegenomen bedrijfsgrootte en het ter beschikking komen van een groter formaat bouwhout worden ook de schuren steeds groter.
In relatie tot die symmetrische gevelindeling heeft het voorterrein vaak ook een formele indeling en is er sprake van een vrij grote afstand tot de weg/dijk.
Het vrijstaande woonhuis, de schuur en de erfindeling met beplanting vormen een ensemble.
Woonhuis
Bij de boerenhofstede is het woonhuis opgetrokken uit IJsselsteen of rode baksteen. De woning heeft veelal een symmetrische gevelindeling met de entree in het midden van de langsgevel, veelal geflankeerd door twee maal twee ramen. Het dakvlak, een zadeldak met steile hellingshoek, is met rode gebakken of blauwe gesmoorde pannen afgedekt.
Specifieke detailleringen zijn (gepleisterde) plinten, rollagen, hanenkammen, geprofileerde gootklossen, boeiboorden en overstekken. Een horizontale geleding in het metselwerk komt voor in de vorm van anders gekleurde lagen ter hoogte van de onder- en bovendorpel van raamkozijnen. De topgevels zijn soms doorgemetseld tot boven de daklijn. In dat geval zijn vaak boerenvlechtingen in die gevel verwerkt en zijn schouderstukken en een tuit afgedekt met een natuurstenen dekstuk. Een tuitbeëindiging wordt alleen gemaakt als er geen sprake is van een schoorsteen in die gevel.
Schoorstenen
Schoorstenen van het woonhuis monden meestal uit in de nok en vrijwel altijd ter plaatse van de topgevel. Een logische plaats want de haarden zijn meestal tegen de topgevel gebouwd. Soms zijn de rookkanalen deels uitgebouwd. In dat geval er sprake is van één schoorsteen.
Gevelopeningen van het woonhuis
De gevelopeningen zijn verticaal (smalle, hoge ramen). Er komen, afhankelijk van de ontstaansperiode, verschillende raamtypen voor zoals schuiframen (onder- en/of bovenschuivend) met wisseldorpels, kozijnen met bovenlichten en roedeverdelingen. Toegepaste roedeverdelingen zijn vooral 6-ruits of T-ramen.
Deuren, ramen en kozijnen zijn uitgevoerd in hout, de kozijnen zijn geschilderd in wit, de draaiende en schuivende delen in donkergroen, donkerblauw of sporadisch in 'meekraprood'. De ramen zijn soms voorzien van opgeklampte luiken met terugliggende spiegels. De klampen zijn vaak groen terwijl de spiegels wit zijn. Deze kleuren komen overeen met de kleuren van de kozijnen, ramen en deuren.
Dakkapellen
In het woongedeelte worden nauwelijks dakkapellen gemaakt. Bij uitzondering wordt een dakkapel in hout centraal boven de voordeur in het dakvlak aangebracht. De dakkapel wordt eenvoudig (zonder versieringen) en met een plat dak uitgevoerd. De wanden worden uitgevoerd als houten wanden bekleed met zink.
Deze dakkapellen zijn vaak alleen een uiting van status en benadrukken de verticale geleding en symmetrie.
Schuur
In beginsel worden de schuren vaak in hout opgetrokken en bekleed met houten delen (potdekselwerk vanaf een voetingmuur) en een rieten dak, maar na verloop van tijd werden gevels op getrokken in baksteen en worden de daken belegd met keramische dakpannen (rood gebakken of blauw gesmoord). De grote schuren worden gebouwd met een zadeldak, soms met een wolfseinde. De langsgevels zijn vaak hoger opgetrokken dan bij de schuurboerderijen. Het optillen van de dakrand ter plaatse van de mendeuren komt bij dit type boerderijen alleen voor bij rieten daken.
Qua hoofdvorm van de schuren is er een duidelijk verschil ten aanzien van de functie akkerbouw, veeteelt of gemengd bedrijf. Schuren in de akkerbouw hebben meestal een symmetrische dwarsdoorsnede terwijl schuren in de veeteelt asymmetrisch zijn. De dakvoet bij veeteeltschuren is aan de mestvaaltzijde veel lager dan de gevels aan de voorzijde. Aan de voorzijde werd onder andere hooi en stro aangevoerd dus waren hier hoge deuren nodig.
In de langsgevel van de schuur, meestal in de voorgevel, zijn vaak mendeuren geplaatst vallend in een spantvak.
De indeling van de langsgevels met de toepassing van meerdere deuren (mendeuren, loopdeuren en koetsdeuren) wordt mede bepaald door de plaatsing van de spanten die tussenvloeren en het dak dragen.
Bijzondere kenmerken bij houten, zwart geschilderde schuren zijn de witte biezen rondom de mendeuren, het klinket, de uitwendige hoeken van de schuur, de vensters en de zogenaamde muizenoortjes. Deze kleine daglichtopeningen zijn uitgezaagd en vallen in één potdekseldeel. Andere vensters zijn ter hoogte van één of twee potdekseldelen en vallen nagenoeg gelijk met de buitenkant van het potdekselwerk. Opvallend zijn ook de vaak toegepaste wit geschilderde goten met klossen, waterborden en makelaars.
In het buitengebied van Borsele, maar ook in de historische kernen van de dorpen en aan de historische uitlopers (linten), komen veel woningen van het type Zeeuwse arbeiderswoning voor. In de historische kernen zijn de woningen overwegend aaneengesloten, langs de linten zijn ze meestal vrijstaand. De woningen in het buitengebied zijn vaak in de buurt van boerderijen en hofstedes gebouwd. In aaneengesloten vorm staan de woningen vaak direct aan de openbare ruimte, soms is een wel eigen stoep of klein plantenperkje aanwezig. Vaak zijn deze woningen gebouwd aan een dijk waarbij ze dan naar achter zijn uitgebouwd tot aan de dijkvoet. De vrijstaande arbeiderswoningen kennen (vrijwel) altijd een voortuin. In het buitengebied is er soms geen formele voordeur aanwezig, maar bevindt de toegang zich achterom via de oorspronkelijke keuken. In het buurtschap Graszode (Lewedorp) zijn meerdere arbeiderswoningen in een groep, al dan niet aaneengesloten, gebouwd.
De Zeeuwse arbeiderswoning heeft een eenvoudige rechthoekige woningplattegrond en bestaat uit één bouwlaag, al dan niet met borstwering, en een steil zadeldak. De dakhelling is ca. 40 tot 50 graden. De nokrichting van de woningen loopt doorgaans evenwijdig aan de weg. De meerderheid van de Zeeuwse arbeiderswoningen kent een asymmetrische gevelopbouw, maar ook woningen met een symmetrische gevelopbouw komen voor.
De gevelopeningen zijn verticaal (smalle, hoge ramen). Deuren, ramen en kozijnen zijn uitgevoerd in hout en veelal geschilderd in de traditionele kleuren wit, groen of 'meekraprood'. Er komen, afhankelijk van de ontstaansperiode, verschillende raamtypen voor zoals schuiframen (onder- en/of bovenschuivend) met wisseldorpels, kozijnen met bovenlichten en klepramen of roedeverdelingen. Toegepaste roedeverdelingen zijn vooral 6-ruits of T-ramen. Sporadisch komen houten luiken voor. Qua materiaalgebruik worden rode baksteen en matte rode gebakken pannen of (in mindere mate) blauwe gesmoorde pannen toegepast. Enkele panden zijn versierd met anders gekleurde (vorm) baksteen (speklagen, hanenkammen en rollagen). Indien er dergelijke versieringen zijn toegepast, dan zijn deze gelijk van vorm en aanwezig boven alle ramen en de deur. De toegepaste ornamenten zoals gootklossen en muurankers hebben een ritmerend karakter.
Opmerkelijk zijn de schoorstenen die meestal ter plaatse van de topgevels zijn opgetrokken. Daarnaast komt het vaak voor dat er in geval van twee aaneengesloten arbeiderswoningen een extra schoorsteen op de scheidingsmuur is gemaakt. Dit markeert de pandscheiding.
In de loop der tijd hebben enkele Zeeuwse arbeiderswoningen wijzigingen ondergaan, waarbij bijvoorbeeld de dakvoet is opgetrokken, dakkapellen zijn toegevoegd, verticale ramen zijn vervangen door één groot, horizontaal raam en/of nieuwe (voorzet)gevels in anders gekleurde (gele) gevelsteen zijn aangebracht.
In het buitengebied komen woningen voor met specifieke kenmerken uit de bouwperiode 1915-1925. Wat vaak voorkomt is het zadeldaktype met één of twee wolfseinden. Deze woningen worden gekenmerkt door een eenvoudige baksteenstructuur. De uitvoering van de voorgevel is soms wat afwijkend van de overige gevels. In dat geval is meer aandacht besteed aan detaillering en/of is het gebruikte materiaal licht afwijkend. Verder is er sprake van een gevelindeling waarbij er een onderlinge relatie is tussen de posities van gevelopeningen op de begane grond ten opzichte van de verdieping. Uitbouwen als erkers komen bij deze woningen regelmatig voor. Deze gebouwonderdelen zijn vooral gemaakt om ruim zicht op de veelal grote erfoppervlakken en de omgeving te bieden. In mindere mate zijn, in een overeenkomende architectuur, serres aangebouwd. De serres zijn afgedekt met een plat dak.
Dit woningtype heeft een eenvoudige rechthoekige woningplattegrond en bestaat uit één bouwlaag veelal met een borstwering en een steil zadeldak. De dakhelling is ca. 40 tot 50 graden. De nokrichting van de woningen is doorgaans haaks op de weg. De topgevels met wolfseinden zijn begrensd door een horizontale goot die aan weerseinden uitloopt in een windveerconstructie die de dakhelling volgt. De meerderheid kent een gevelopbouw waarin de gevelopeningen symmetrisch zijn verdeeld. De gevelopeningen zijn verticaal (smalle, hoge ramen). Deuren, ramen en kozijnen zijn uitgevoerd in hout en veelal geschilderd in de traditionele kleuren wit en groen maar ook witte ramen in witte kozijnen komen voor.
Toegepaste raamtypes in de kozijnen zijn veelal schuiframen zonder een roedeverdeling. Sporadisch komen houten luiken voor. Qua materiaalgebruik worden rode baksteen en rode gebakken pannen of (in mindere mate) blauwe pannen toegepast. Enkele panden zijn voorzien van geglazuurde dakpannen, nokvorsten en hoekkepervorsten. Ten tijde van deze bouwperiode werden verglaasde elementen toegepast als raamdorpelstenen en pironnen. Enkele panden zijn versierd met anders gekleurde (vorm) baksteen (speklagen, hanenkammen en rollagen). De toegepaste ornamenten zoals gootklossen en muurankers hebben een ritmerend karakter.
Een vaak voorkomend woningtype in de historische linten is dat van de woning met een mansardekap (jaren '20/'30). In de lijn van de Traditionele architectuur, de stijl die in Nederland werd gebouwd in de periode van 1920 tot 1940, wordt dit type woningen gekenmerkt door de romantische, landschappelijke baksteenarchitectuur. Deze woningen komen meestal voor als halfopen of vrijstaande bebouwing, waarbij de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens vaak zeer beperkt is. Toch heeft de woning met een mansardekap steeds de allure van een vrijstaand gebouw. In de linten zijn deze woningen vaak voorzien van een voortuin.
Dit type woning heeft meestal een eenvoudige rechthoekige woningplattegrond en bestaat uit één bouwlaag, eventueel met borstwering, en een mansardekap. Deze kapvorm, ook vaak een “gebroken kap” genoemd, heeft per dakschild twee dakvlakken waarbij het onderste deel steiler is dan het bovenste deel. De nokrichting van de woningen staat vaak haaks op de weg. De schoorsteen is meestal in de langsgevel geplaatst. De gevelopbouw op de begane grond is asymmetrisch, op de eerste verdieping komt een symmetrisch opbouw voor. Bij de vrijstaande woningen zijn soms ook ramen in de langsgevel geplaatst.
De gevelopeningen zijn verticaal (smalle, hoge ramen). Deuren, ramen en kozijnen zijn uitgevoerd in hout en veelal geschilderd in de traditionele kleuren wit en groen.
Er komen, afhankelijk van de ontstaansperiode verschillende raamtypen voor zoals schuiframen met wisseldorpels, kozijnen met bovenlichten en klepramen of roedeverdelingen. In de toegepaste raamtypes komen géén roedeverdelingen meer voor. Bij dit type woningen worden de bovenramen vaak voorzien van glas-in-lood panelen met gekleurd glas.
Bij enkele panden komen houten luiken of erkers voor en zijn de voordeuren teruggelegd in de gevel waardoor een overdekt portaal ontstaat. Qua materiaalgebruik worden vooral rode baksteen en matte rode gebakken pannen of blauwe gesmoorde pannen toegepast. Een vaak toegepast type dakpan is Tuile du Nord of Kruispan. Een bijzondere dakpan is hier de geknikte dakpan op de overgang van de twee dakhellingen. Enkele panden zijn versierd met anders gekleurde (vorm)baksteen (speklagen, hanenkammen en rollagen). Indien er dergelijke versieringen zijn toegepast, dan zijn deze gelijk en aanwezig boven alle ramen en de deur.
In de loop der tijd hebben enkele jaren '20/'30 woningen wijzigingen ondergaan, waarbij bijvoorbeeld aanbouwen, dakkapellen of dakramen zijn toegevoegd, verticale ramen zijn vervangen door één groot, horizontaal raam, rolluiken zijn aangebracht en/of gevels geschilderd zijn.
In de historische linten komen regelmatig jaren '30-woningen voor met een zadeldak. Vaak betreft het vrijstaande bebouwing. Bijna altijd zijn de woningen voorzien van een voortuin.
Kenmerken van een jaren '30-woning en dus typerend voor deze bouwstijl zijn onder meer de royale dakoverstekken, entreepartijen en bijzondere vormgevingen van kozijnen en erkers. Verder is er sprake van forse houtafmetingen voor kozijnen en ramen, fraaie metselwerkdetailleringen, paneeldeuren, glas-in-lood, “omlopende” dakgootconstructies, geveloverstekken en rijke detailleringen en fraaie luifelconstructies bij de voordeur.
Bijzonder kenmerk is de combinatie van een dakvoet die fors buiten de langsgevel ligt met de brede in de voorgevel omgezette bakgoten. Mede hierdoor ontstaan brede gootplafonds, vaak afgewerkt met sponningdelen.
Bij deze woningen wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de verwerking van baksteen in éénzelfde formaat kleur en structuur. Door het toepassen van plaatselijk andere metselverbanden, metselwerken in verticale uitvoering of onder een helling, uitspringende strekkenlagen, rollagen en kleine ornamenten krijgen deze gevels een bijzonder karakter en wordt de architectuur versterkt. De kozijnen zijn over het algemeen sterk horizontaal geleed wat vaak nog versterkt wordt door uitkragende lateiconstructies.
Dit type woning heeft een eenvoudige rechthoekige plattegrond en bestaat uit één bouwlaag, eventueel met borstwering, en een steil zadeldak waarbij de hellingshoek vaak groter is dan 45 graden. De nokrichting van de woningen staat haaks op de weg. De gevelopbouw op de begane grond is asymmetrisch, op de eerste verdieping komt een symmetrisch opbouw voor. Bij de vrijstaande woningen zijn meestal ook ramen in de langsgevel geplaatst. Sporadisch komen dakopbouwen voor.
Deuren en kozijnen zijn uitgevoerd in hout en veelal geschilderd in de traditionele kleuren wit of groen. Er komen verschillende kozijntypen voor zoals schuiframen met wisseldorpels, kozijnen met bovenlichten en klepramen of strookvormige kozijnen met draaiende delen. Een vaak voorkomend kenmerk is een erker aan de voorgevel. Qua materiaalgebruik worden vooral rode baksteen en matte rode gebakken pannen of blauwe gesmoorde pannen toegepast.
In de loop der tijd hebben enkele jaren '30-woningen wijzigingen ondergaan, waarbij bijvoorbeeld aanbouwen of dakramen zijn toegevoegd of rolluiken zijn aangebracht.
In het historische lint van Oudelande (Kruipuitsedijk 2) is een woning gebouwd van het type jaren '30-woning met een paraboolkap.
Net als de woningen met mansardekap (jaren '20/'30) wordt ook dit type woning gekenmerkt door een baksteenarchitectuur. Dit betekent een veelzijdig gebruik van baksteen, waarbij niet alleen constructieve elementen als lateien, dorpels en muurafdekkingen, maar ook de decoratieve accenten in baksteen zijn uitgevoerd.
Dit type woning heeft een eenvoudige rechthoekige plattegrond en bestaat uit één bouwlaag, een borstwering en een dak in de vorm van twee elkaar snijdende bogen met een gelijke straal. De nokrichting van de woningen staat haaks op de weg. De gevelopbouw op de begane grond is asymmetrisch, op de eerste verdieping komt een symmetrisch opbouw voor. In de vrijstaande langsgevel zijn ook kozijnen geplaatst. Een dakopbouw is niet gemaakt.
Kenmerken van deze jaren '30-woning met paraboolkap (en dus typerend voor deze bouwstijl) zijn onder meer de royale dakgootconstructies, de licht decoratieve entreepartij, de bijzondere vormgeving van de kozijnen en de erker. Een overstek is niet gemaakt, kantpannen sluiten de topgevels aan de bovenzijde af. Verder is er sprake van slanke houtafmetingen voor kozijnen en ramen, fraaie metselwerkdetailleringen (waaronder de bloembakjes naast de voordeur), de glas-in-lood-panelen in de entreepartij en de erker en de luifelconstructie bij de voordeur.
Deuren en kozijnen zijn uitgevoerd in hout en geschilderd in de traditionele kleuren wit en groen. Er komen verschillende kozijntypen voor zoals kozijnen met bovenlichten en klepramen of strookvormige horizontaal gelede kozijnen met draaiende delen.
De gevels zijn opgemetseld in rode baksteen. Onder de kozijnen zijn zwarte raamdorpelstenen verwerkt. Het dak is belegd met matte rode gebakken dakpannen.
Het typische karakter van dit bouwwerk wordt vooral bepaald door de vormgeving en details, zoals bijvoorbeeld de decoratieve metselwerkversiering en de vorm van ramen en deuren, gootlijsten én het model en de locatie van de schoorsteen in de nok.
Bij dit woningtype wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de verwerking van baksteen in éénzelfde formaat kleur en structuur. Door het toepassen van plaatselijk andere metselverbanden, metselwerken in verticale uitvoering of onder een helling, uitspringende strekkenlagen, rollagen en kleine ornamenten krijgen deze gevels een bijzonder karakter en wordt de architectuur versterkt. De kozijnen zijn over het algemeen sterk horizontaal geleed wat vaak nog versterkt wordt door uitkragende lateiconstructies. Als basis is het metselwerk hier uitgevoerd als halfsteens verband met een lichtgrijze, iets terugliggende voeg.
In een later stadium zijn opbouw rolluiken en voorzetbeglazingen (in de erker) toegevoegd.
Aan één langsgevel is een garage/bergruimte met een plat dak aangebouwd, waarbij gebruik gemaakt is van baksteen die gelijk is aan de baksteen die is toegepast voor de woning. Ook het metselverband met versieringen is bijpassend.
Noot: De benaming “paraboolkap” is eigenlijk foutief ten aanzien van de aangetroffen kapvorm in de gemeente Borsele. Feitelijk is de vorm een spitsboog of lancetboog.
De boerderij 't Hof de Dierik (Dierikweg 1-3), gelegen in het buitengebied ten noorden van Oudelande, kwam in 1921 tot stand in opdracht van A. Tak van Poortvliet naar een ontwerp in traditionalistische vormen van de gebroeders H. en J. Baanders. De dubbele woning bestaat uit een woongedeelte voor de eigenaar en een aangebouwde dienstwoning, die inpandig met elkaar in verbinding staan. Op het erf staan verder een L-vormige schuur, een varkensstal, een dubbele garage, een kippenren en een in 1928 toegevoegde langwerpige schuur. De objecten zijn gebouwd in een traditionele sobere bouwstijl in het architectuurtype Amsterdamse School met kenmerken uit de eerste periode van de Delftse School. Ook de oorspronkelijke erfinrichting en tuinaanleg in Architectonische Stijl naar ontwerp van D.F. Tersteeg is nog grotendeels aanwezig.
Kenmerken casco
Kenmerkend voor de stijlperiode zijn het prominent gebruik van baksteen in de gevels, hoge dakvoeten, hoge met pannen belegde daken zonder overstekken en forse, gedetailleerde schoorstenen. Daarnaast is er sprake van baksteenarchitectuur, zoals versieringen in metselwerk, vlechtingen, uitmetselingen en steunberen.
Muurwerk algemeen
Het muurwerk is in kettingverband gemetseld met een iets terugliggende voeg. Het muurwerk is voorzien van diverse sierpatronen in de vorm van vlechtwerken langs de topgevels, rollagen onder schouderstukken en dakranden, schoorsteendetaillering in combinatie met een dakpanafdekking. Op een hoogte van ca. 500 mm boven het maaiveld is het trasraam beëindigd met een rollaag. Onder de kozijnen van de woningen zijn uitgemetselde vensterbanken gemaakt, onder de daglichtkozijnen van de schuurdelen is langs de onderdorpels een waterlaag met rollaag aangebracht. Boven de kozijnen zijn of getoogde of rechte rollagen gemetseld.
Meer bijzondere geveldetails
De entrees, voordeuren en overige deuren, zijn geaccentueerd door muurwerken als schermmuurtjes die buiten de gevels gemetseld zijn en door siermuurwerk in de vorm van rollagen die verticaal langs de kozijnen zijn gemetseld. De entree van het hoofdhuis is overdekt en geopend door twee open boogvormen. De hemelwaterafvoeren eindigen op maaiveldniveau in een soort sokkel van metselwerk.
Op de uitwendige hoek uitgemetselde zijgevels van het hoofdhuis is een opengewerkt houten trapeziumvormig ornament (klokkenstoel) op een dito voetplaat gemaakt.
Daken
De daken zijn belegd met geglazuurde blauwe dakpannen (Verbeterde Holle pan) met dito nokvorsten en kantpannen.
Schuurdaken zijn voorzien van ventilatiekappen in de vorm van een getimmerde schoorsteen met een spitsdakje en afgewerkt met een bolvormig ornamentje.
Goten en hemelwaterafvoeren
De getimmerde goten zijn bakgoten op geprofileerde frieslijsten (excentrisch golfprofiel) en gootklossen. De goten zijn aangesloten op rechthoekige afgetimmerde hemelwaterafvoeren.
Kozijnen
De raamkozijnen zijn divers van vorm maar overwegend horizontaal qua omtrek en verticaal geleed door toepassing van tussenstijlen. Kenmerkend is bovendien de roedeverdeling die zowel rechthoekig als ruitvormig is.
Bij meerdere kozijnen zijn buitenluiken toegepast die in luiksponningen vallen.
Een aantal gevelopeningen van de schuren zijn of uitgevoerd als half cirkelvormig of als korfboog.
Algemeen
De vorm van de verschillende objecten is bepaald door de functie en rang (woonhuis eigenaar en dienstwoning, schuren en bijgebouwen).
Bijzonder zijn onder andere de buitenluiken in de kleurstelling groen (klampen en spiegelklampen) en rood (binnenvlakken), geschulpte frieslijsten, deurkozijnen met halfronde boogvormen, 6- en 9-ruits roedeverdeling in de vensters, dakkapellen en topgevelkozijntjes en omtimmerde hemelwaterafvoeren.
De kozijnen zijn over het overgrote deel geschilderd in een witte kleur. Een aantal kozijnen is in een lichtgele (oker) kleur geschilderd maar vermoedelijk is dit niet de oorspronkelijke kleur. Gehengen, gevelankers en luifeldetails zijn ook in een rode kleur geschilderd.
Ensemble
Alle bouwwerken van de boerderij 't Hof de Dierik zijn qua architectuur tot in het kleinste detail volledig op elkaar afgestemd. Daaronder vallen ook de terrasindelingen, de hekpijlers, bloembakken en de tuinmuren met gedetailleerde draaipoorten. Het geheel resulteert in een zeer waardevol ensemble.
In de navolgende beschrijving wordt specifiek ingegaan op:
Wederopbouwbebouwing Quarlespolder, Lewedorp
In de Quarlespolder, die in 1949 ontstond na de inpoldering van het Sloe, zijn in de wederopbouwperiode een 14-tal boerderijen (eigenlijk boerenhofsteden) en een 2-tal woningcomplexen (2-onder-één-kap) gebouwd. De architectuur voor deze objecten is volledig identiek. Qua oriëntatie ten opzichte van het erf en openbare weg zijn er voor wat betreft de boerderijen verschillen, maar de gelijktijdige bouw laat er geen twijfel over bestaan dat alle boerderijen en 2-onder-één-kapwoningen in dezelfde periode zijn gebouwd. De woningen zijn vrijwel alle met de voordeur naar de openbare weg gericht. Alhoewel met name de schuren afwijkend zijn qua dakvormen, dakvoet en nokhoogte is er sprake van een duidelijke gelijkheid in architectuur. Bijzonder is dat enkele complexen gespiegeld om de wegas, exact tegenover elkaar staan.
De woning bij het boerderijcomplex
De woningen, opgetrokken uit een licht rode baksteen in een strak metselverband, hebben ruim bemeten gevelvlakken, borstweringen in de langsgevels en schoorstenen. De daken hebben een steile helling, groter dan 45 graden, en zijn belegd met rode, meer oranjekleurige of blauwe gesmoorde dakpannen. Op de aansluiting van het gevelvlak en het dakvlak zijn speciezomen gemaakt.
Zeer prominent zijn de schoorstenen op beide topgevels. Naast een forse horizontale doorsnede zijn de schoorstenen bijzonder hoog en lijken ze bijna uit verhouding. Deze uitvoering maken deze schoorstenen tot bijzonder in het oogspringende kenmerken van deze bouwstijl.
De goten zijn uitgevoerd in licht geprofileerd hout en op klossen gemonteerd. In de dakvlakken zijn dakkapellen gemaakt. Bij enkele woningen zijn deze dakkapellen net boven de goot gemaakt. Bij andere wordt de goot onderbroken en kennen de dakkapellen een andere breedte/hoogteverhouding.
De houten kozijnen zijn divers van maat, maar qua posities sterk aan elkaar gerelateerd. Kozijnen en ramen zijn veelal onderverdeeld door respectievelijk stijlen en raamroedes.
Een bijzonder kenmerk is de lichtkleurige voordeuromlijsting die waarschijnlijk prefab werd geleverd. Binnen die omlijsting is een deurkozijn gemonteerd met daarin, afwijkend van andere draaiende geveldelen, een groene voordeur. Verder zijn de kleuren van kozijnen en ramen wit.
Meerdere woningen hebben een aanbouw in exact bijpassende stijl, soms met een forse schoorsteen. In deze aanbouwen zijn veelal getoogde kozijnen toegepast. Dit is een bijzondere afwijking van de overigens rechthoekige kozijnen in de woning.
De schuur bij het boerderijcomplex
De schuren zijn, net als de woningen, opgetrokken uit een licht rode baksteen in een strak metselverband en hebben ruim bemeten gevelvlakken. De schuren hebben ofwel een zadeldak, een zadeldak met wolfseinden of een zadeldak met aangekapping. Soms zijn er open aankappingen gemaakt. De witte daglichtkozijnen zijn sterk repeterend in de gevels gesitueerd. Deze kozijntjes zijn, al dan niet getoogd, vaak in prefab beton met een ventilatieopening aan de onderzijde. Grote donkerkleurige toegangsdeuren zijn in de topgevels opgenomen en zijn vaak omkaderd door een witte lijst. In de langsgevels, als er sprake was van veeteelt, zijn donkerkleurige loopdeuren met daarboven een bovenlicht gemaakt.
De woningcomplexen
Op een tweetal locaties zijn 2 woningen met elkaar geschakeld. Deze woningen hebben qua vormgeving en materiaalgebruik dezelfde architectuur als de boerderijcomplexen. Het gaat slecht over kleine detailverschillen zoals kleine zinken bakgoten in plaats van geprofileerde goten en kleinere schoorstenen. De woningen zijn hoogstwaarschijnlijk ontworpen voor arbeiders werkzaam op de boerderijen.
Noot: De definitie “wederopbouw” is minder van toepassing op de als zodanig gekwalificeerde objecten in de gemeente Borsele. Wederopbouw is feitelijk een architectuurstijl waarin gebouwen werden opgetrokken bij de herbouw van een gebied na bijvoorbeeld oorlogsvernielingen. Nadien werd de architectuurstijl overgenomen in regio's waar hiervan geen sprake was, maar omdat de stijl werd gewaardeerd, werd deze gekopieerd. In de Quarlespolder is de stijl toegepast in het kader van nieuwbouw na inpoldering.
Overige bebouwing uit de wederopbouwperiode
Elders, verspreid over de gemeente Borsele, komt ook bebouwing uit de wederopbouwperiode voor. Het betreft dan woningen met of zonder een schuur.
Deze gebouwen zijn opgetrokken uit een licht rode baksteen in een strak metselverband, hebben ruim bemeten gevelvlakken, borstweringen in de langsgevels en schoorstenen. De daken hebben een steile helling, groter dan 45 graden, en zijn belegd met rode, meer oranjekleurige of blauwe gesmoorde dakpannen. Op de aansluiting van het gevelvlak en het dakvlak zijn speciezomen maar ook overstekken met kantpannen komen voor. De goten zijn uitgevoerd in licht geprofileerd hout en op klossen gemonteerd. In de dakvlakken zijn dakkapellen gemaakt, waarvan sommige uitgevoerd zijn met dubbele deuren. Deze deuren geven dan toegang tot een balkon boven een erker. Dakkapellen zijn soms uitgevoerd met een tympaan aan de bovendorpel.
Kozijnen en ramen zijn veelal onderverdeeld door verticale stijlen respectievelijk raamroedes. In een enkel woonhuis is een voordeurkozijn met een getoogde bovendorpel gemaakt. Deze gebogen vorm is kenmerkend voor deze stijl.
Verder zijn de kleuren van kozijnen en ramen wit, terwijl de deuren vaak een afwijkende donkere kleur hebben. Opgeklampte raamluiken met een groen kader en een wit middelvlak komen soms voor.
Meerdere woningen hebben een aanbouw in dezelfde bouwstijl.
De schuren hebben veel overeenkomsten met de schuren uit de Quarlespolder.
Herverkavelingsboerderijen werden in de gemeente Borsele opgebouwd in de polders die getroffen waren door de watersnoodramp van 1953. De bestaande polders werden door her- of ruilverkaveling opnieuw ingedeeld en er was behoefte aan nieuwe boerderijcomplexen. Later is deze architectuurvorm ook naar andere gebieden in Zeeland uitgewaaierd.
De boerderijcomplexen bestaan uit ruime woningen die eenvoud qua architectuur en materiaalgebruik uitstralen. De woningen hebben strakke rechthoekige, bijna vierkante plattegronden waarbij het binnenoppervlak van de verdieping gelijk is aan de begane grond. Er is geen zolderverdieping. In de gevels zijn grote rechthoekige raamopeningen gemaakt met één enkele stijl waarnaast een smal, te openen venster is gemaakt. Het dak is zeer flauw hellend en oorspronkelijk afgedekt met een bitumineuze dakbedekking. Op de twee topgevels zijn vrij forse en daardoor dominerende schoorstenen gemetseld.
De schuren of loodsen zijn deels opgetrokken uit baksteen en deels uit hout en afgedekt met een flauw hellend dak. Er is er sprake van een lagere aangezette aankapping met dezelfde flauwe dakhelling en één van de dakvlakken van het hoofdgebouw loopt langer door. Aan de dakvoet van dit grotere dakvlak is een horizontale lichtstrook gemaakt direct boven de aankapping en als zogenaamd “bandraam” omgezet in de topgevel.
Er is een onderscheid gemaakt in materiaalgebruik. Het hoofdgedeelte, met een symmetrische doorsnede, is gemetseld en tekent zich duidelijk af. De aankapping heeft getimmerde buitenwanden (verticale delen) en is opvallend door het wit-blauwe kleurgebruik. Hoofdgedeelte en aankapping hebben dezelfde lengtemaat. De herverkavelingsboerderijen zijn als een ensemble ontworpen door architect A.J. Rothuizen. Woning en schuur zijn gelijktijdig gebouwd.
De woningen uit de periode '60 /'70 hebben een zeer eigen architectuur, waarbij vooral eenvoudige detailleringen voorkomen. De plattegronden zijn veelal rechthoekig of er zijn meerdere rechthoeken in of tegen elkaar geschoven. Alle functies van deze woningen zijn onder één dak ondergebracht. Daarbij valt te denken aan de berging en de garage die aansluiten op de andere woonvertrekken.
In deze bouwvormen komen eigenlijk uitsluitend symmetrische zadeldaken voor. De dakhellingen kunnen variëren tussen 15 en 45 graden. Bij daken met een flauwe dakhelling is er nauwelijks nog sprake van een woonverdieping. Deze verdiepingen worden uitsluitend als zolder gebruikt. De slaapvertrekken zijn hier op de begane grond.
Deze woningen zijn veelal opgetrokken in een lichte, vaak gele strengperssteen al dan niet met een boomschorsstructuur en in een eenvoudig metselverband. In deze bouwperiode zijn de buitenmuren als spouwmuur uitgevoerd. Vaak is er sprake van tweekleurig metselwerk. Het trasraam is in dat geval uitgevoerd in een donkere klinkerbaksteen.
De daken zijn meestal belegd met grijze gebakken dakpannen waarbij ook gebruik gemaakt wordt van kantpannen.
De dakhellingen lopen ruim door over de bouwmuren en vormen zo overstekken die soms aan de onderzijde zijn voorzien van houten plafonds in mes- en groefdelen. Het komt echter ook voor dat in de overstekken en dakvoeten respectievelijk de gordingen en sporen in het zicht blijven.
De houten overstekken worden vaak gecombineerd met een overkapping of een luifel boven de hoofdentree.
Schoorstenen hebben in deze bouwperiode vaak een wat prominente uitstraling en positie, ofwel uitgebouwd tegen een gevel ofwel gecentreerd op het dak. Daarbij zijn ze vaak voorzien van metalen schoorsteenkappen.
De kozijnen zijn heel divers van vorm waarbij de nadruk ligt op ruime daglichttoetreding. De kozijnen zijn nauwelijks onderverdeeld, maar smalle verticale draairamen en klepraampjes komen veelvuldig voor. De toegepaste kleuren zijn hoofdzakelijk licht. Wit met een enkele accentkleur voor bijvoorbeeld draaiende delen, gevelbekledingen en deuren komt veel voor.
In het buitengebied van Borsele staan deze woningen vaak op grote percelen met eenvoudige tuinen en grote vlakken erfverharding.
In deze bouwstijl zijn vele ontwerpmodellen en details denkbaar. Vanaf de periode 1970 tot heden heeft de architectuur een grote ontwikkeling doorgemaakt. Onder andere door innovatieve bouwmaterialen, producten en afwerkingen kunnen bijzondere constructies worden gerealiseerd. Daarbij valt te denken aan dakvormen en gevelopeningen. Een belangrijk facet in het ontwerp kan de directe omgeving zijn. Naastliggende objecten, gebouwen en het landschap kunnen het ontwerp mede bepalen en zo mogelijk versterken.
Daarbij kan ook de perceelsgrootte en de bereikbaarheid een rol spelen. De materiaalkeuze voor de woning kan zelfs worden beïnvloed door de omgeving.
Een aantal specifieke kenmerken zijn:
De veldschuur is een bijzonder object binnen de gemeente Borsele. Deze schuur, in eerste instantie vermoedelijk uitsluitend gebouwd voor opslag van akkerbouwproducten of veeteelt, heeft de oorspronkelijke functie inmiddels verloren. De plattegrond is rechthoekig zonder aangebouwde bouwwerken. Het zadeldak is symmetrisch met een hellinghoek van ca. 45 graden.
Op dit moment heeft het gebouw een combinatiefunctie te weten een recreatieaccommodatie en opslagruimte. Het pand heeft nog de authentieke uitstraling van een met zwart potdekselwerk beklede schuur. Eén van de kopgevels heeft een materiaalwijziging ondergaan. Hier is het potdekselwerk vervangen door een gemetselde wand. Het muurwerk is uitgevoerd in gele IJsselsteen met een lichte voeg. In deze gevel zijn meerdere kozijnen aangebracht die het daglicht verzorgen voor de achterliggende vertrekken. Deze gemetselde gevel is aan de bovenzijde afgedekt met een overstek, samengesteld uit windveren en waterborden. Ter plaatse van de nok is hier een licht gefigureerde houten makelaar aangebracht. Het dak is belegd met rode Oud Hollandse dakpannen.
Het object bevindt zich op een ruime kavel met een eenvoudige erfbeplanting, bomen en een beperkte erfverharding.
Voor deze bebouwingssoort zijn vele varianten aanwezig c.q. denkbaar. De vormgeving, maatvoering en materialisatie wordt veelal bepaald door de specifieke functie van het gebouw. Het gaat daarbij om functies zoals materiaalberging, sanitaire voorzieningen, kleedlokalen, kantine, vergaderruimte en om kleinere objecten als dug-outs, entreegebouwtjes met of zonder kassafunctie en dergelijke.
De vormgeving is meestal sober. De eenvoudige plattegronden passen bij de functie en zijn rechthoekig of hebben een eenvoudige combinatie van rechthoekige oppervlakken. De gevelindelingen zijn ook gerelateerd aan de functie. Kantines hebben grote gevelkozijnen met grote glasoppervlakken en deuropeningen, terwijl de kleed- en sanitaire ruimtes kleine gevelopeningen hebben. De daken zijn vaak licht hellend, soms met overstekken als verlengstuk van terrasvoorzieningen. De hellende daken zijn vaak voorzien van een eenvoudige dakbedekking in de vorm van golfplaten gecombineerd met licht doorlatende elementen. Een enkel gebouw is belegd met dakpannen. De gevels kunnen opgetrokken zijn in houtskeletbouw met een bekleding van kunstharsplaten en/of houten gevelbetimmeringen, prefab betonelementen of in metselwerk. Het metselwerk kan daarbij uitgevoerd zijn als schoonmetselwerk of als gepleisterd werk. Sommige gebouwen zijn opgetrokken in gasbetonblokken met of zonder een kleur- of pleisterwerkafwerking.
Op kleinere sportparken (als tennisbanen) zijn (tijdelijke) containerunits, al dan niet geschakeld, geplaatst. In de rechthoekige plattegronden worden voorzieningen met beperkte afmetingen ondergebracht. Deze units kunnen in houtskelet uitvoering zijn gemaakt en bekleed met kunstharsbeplating en zijn voorzien van een bitumineuze of een kunststof dakbedekking.
Als er sprake is van een combinatie van een clubgebouw met een gymzaal voor een meer openbaar gebruik hebben deze complexen meestal een meer duurzaam karakter. Deze gebouwen zijn uitgevoerd in schoonmetselwerk in combinatie met gevelelementen en -bekledingen. De daken zijn veelal met platte daken uitgevoerd met een bitumineuze dakbedekking.
De sportparken hebben doorgaans, door hun ligging en de aanwezige randbeplanting, een groene uitstraling. Vaak zijn hekwerken geplaatst die het park afschermen.
De bebouwing op begraafplaatsen beperkt zich tot gebouwtjes die gebruikt worden voor opslag van materiaal of beschutting bieden. De gebouwtjes zijn divers van maat en ontwerp, maar alle traditioneel vormgegeven. Er is gebruik gemaakt van materialen en afwerkingen die horen bij de eenvoudige architectuur.
De gebouwtjes kennen een rechthoekige plattegrond en zijn opgetrokken in metselwerk in een rode of gele kleur en veelal afgedekt met een zadeldak. Dit zadeldak is afgedekt met rode of blauwe dakpannen van een klassiek model. De daken hebben vaak een overstek met windveren en waterborden, maar ook komen gebouwtjes zonder overstek voor. In het laatste geval wordt de dakvlakbedekking beëindigd met een cementzoom. De kozijnen, deuren en ramen zijn uitgevoerd in hout, waarbij de kozijnen in een witte kleur zijn geschilderd. De draaiende delen zijn in een donkergroene kleur geschilderd.
De bebouwing op de spooremplacementen is divers. De volgende onderverdeling kan van de verschillende objecten rondom spooremplacementen worden gemaakt:
Stations – woonhuizen
De (voormalige) stations, die thans in gebruik zijn als woonhuis, kenmerken zich door een robuuste uitstraling. De plattegronden zijn rechthoekig van vorm en de gebouwstructuur kan worden samengevat als een pand met symmetrische gevels onder een zadeldak met gelijke dakschilden. Kleine gemetselde aanbouwen komen als latere toevoeging (onder andere onder een lessenaarsdak) soms voor.
Deze gebouwen zijn opgetrokken in een rode baksteen. Een bijzonder kenmerk is de toepassing van donker geschilderde houten geveldelen in de topgevels. Direct onder deze bekleding zijn gevelkozijnen aangebracht. De vorm van deze kozijnen is per station verschillend en varieert tussen horizontaal geleed en verticaal geleed.
De kozijnen in de bouwlaag begane grond zijn per station verschillend, maar vertonen wel gelijkenis. Per station zijn er in deze bouwlaag veel verschillende kozijnen aangebracht.
De kleuren van de kozijnen zijn door de jaren heen per station veranderd. Oorspronkelijk waren de kozijnen én ramen vermoedelijk in een lichte (witte) kleur geschilderd.
Opmerkelijk zijn de grote overstekende goten waardoor een gootplafond (wit geschilderd) ontstaat. Daarentegen zijn de dakoverstekken, met windveren en waterborden, beperkt van maat. De goten en overstekken zijn ofwel in een groene of in een witte kleur geschilderd.
De dakbedekking is uitgevoerd in rode Verbeterde Hollandse pannen met bijpassende nokvorsten. Gemetselde schoorstenen monden uit in de nok en staan op ca. 1/3 – 2/3 uit de kopgevels.
Goederenloodsen
In de directe omgeving van de stations zijn goederenloodsen gebouwd die qua vorm, materialisatie en afwerking nagenoeg identiek zijn. De goederenloodsen zijn thans voornamelijk in gebruik als berging/stallingsruimte.
Deze gebouwen hebben een rechthoekige plattegrond en hebben net als de stations een typische “spoorwegarchitectuur”. De daken zijn vrijwel alle uitgevoerd als een flauw hellend schilddak met vier hoekkepers en bedekt met rode Verbeterde Hollandse dakpannen. Op de kruising van hoekkepers en nok staat een piron. Langs de dakvoet zijn veelal zinken mastgoten gemonteerd. Er is sprake van een combinatie van metselwerk en houten gevelbekledingen in potdekselwerk. Ook kozijnen, ramen en (schuif-)deuren zijn uitgevoerd in hout. De kleurstellingen hiervan zijn wit en groen, terwijl het potdekselwerk in zwart is uitgevoerd. Kenmerkend is bovendien dat de uitwendige hoeken van het potdekselwerk en de aansluitingen op het muurwerk voorzien zijn van een opgeschilderde witte band.
Weeghuisjes /-brug
Een belangrijk object bij spoorwegemplacementen is vaak een weegbrug met weeghuisje. De weegbruggen zijn ingelaten in het wegdek en zijn gemaakt van stalen omrandingen met houten vloeren waaraan de basculeconstructie is verbonden. De bijhorende apparatuur is deels onder de weegbrug en deels in een weeghuisje (of elders) gemonteerd. Het weeghuisje is opgetrokken in baksteen en kenmerkt zich, naast hun beperkte omvang, door een gevel waarin veel glasoppervlakken zijn gemaakt ten behoeve van het zicht op de weegbrug.
Het weeghuisje is belegd met rode Verbeterde Hollandse dakpannen. Langs de dakvoeten zijn zinken mastgoten toegepast. Het metselwerk is in gevoegd schoonmetselwerk. De kozijnen zijn wit geschilderd terwijl de deuren groen zijn afgewerkt.
Overige gebouwen/loodsen
Bij veel stations zijn gebouwen en loodsen gebouwd die een directe relatie hebben tot het stationsemplacement. De omvang en uitvoering van deze loodsen is zeer divers en beslaan een bouwperiode vanaf ca. 1925 tot ca. 1970. Daardoor zijn in ontwerpen en materiaalgebruik de geschiedslagen vindbaar en hierop zijn de ontwikkelingen in het spoorgebruik van invloed.
De loodsen worden alle gekenmerkt door een groot oppervlak en ruime ingangspartijen als schuifdeuren en grote draaiende deuren aan de spoorzijde. Deze deuren zijn meestal in hout uitgevoerd. Daarnaast is het materiaalgebruik voor gevels en daken erg verschillend. Loodsen worden opgetrokken in prefabbeton, baksteen en kalkzandsteen terwijl een golfplaatbekleding ook voorkomt. Ook de dakvormen zijn verschillend en variëren tussen (flauw) hellende daken en lessenaarsdaken die veelal met golfplaten zijn gedekt. Bij enkele loodsen zijn ruime overstekken gemaakt met als doel een luifel te creëren waaronder materialen min of meer droog kunnen staan. Deze luifels zijn uitgevoerd met uitkragende liggers en de dakconstructies in beton. Veel gebruikte materialen zijn onafgewerkt. Ramen en deuren zijn vaak groen geschilderd.
Fort Ellewoutsdijk is een verdedigingswerk en stamt uit de periode 1835-1839. Het fort is gebouwd in de vorm van een zeshoek en is aan de zeezijde begrensd door een smalle gracht. Door verbeteringen en uitbreiding van de zeedijken is de directe omgeving van het fort in de loop der tijd sterk gewijzigd, waarbij de omgrachting rondom het fort grotendeels is verdwenen.
De zichtbare muren (facen) zijn opgebouwd in gevoegd baksteenmetselwerk. Aan de noordzijde is binnencourt gemaakt. De wanden van dit binnencourt zijn ná 1945 voorzien van een halfsteens voorzetwand die aan de bovenzijde afgedekt is met betonnen deksloven. Bovenop het fort zijn kanonopstellingen en geschutsputjes zichtbaar. Dit zijn Duitse restanten uit de Tweede Wereldoorlog.
In het muurwerk aan de zeezijde bevinden zich 18 met tongewelf overkluisde kazematten in zwaar metselwerk met schietgaten aan de grachtzijde. Deze bomvrije kazematten zijn verzonken in de vestingwal. Hier waren de slaapzalen van de soldaten, het wachtlokaal, de keuken, kruitmagazijnen en drinkwaterkelder. Bovenop de kazematten is twee meter grondbedekking aangebracht met een ingegraven drinkwatervoorziening. In de gevels bevinden zich (dubbele) deuren met halfronde bovenlichten voorzien van roedeverdeling en diefijzers en halfronde vensters, eveneens met roedeverdeling en diefijzers. Aan de uiteinden van de kazematten bevinden zich gemetselde trappen.
Het metselwerk is uitgevoerd in een rode baksteen met lichte voegen. In het muurwerk zijn hardstenen onderdelen aangebracht zoals bijvoorbeeld sluitstenen en aanzetstenen (in boogvormen) en betonnen onderdelen verwerkt zoals raamdorpelsteen en deksloven (afdekking van het muurwerk op aansluiting van de aardebedekking). Verder zijn in het metselwerk, onder andere boven muuropeningen en verdiepte velden, rollagen van verschillende hoogte aangebracht. Bijzonder en waardevol zijn de in het muurwerk nog aanwezige schadevlakken ten gevolge van kogel- en granaatinslagen. Houtwerk als raam-, roede- en deurhout is geschilderd in een rode kleur. Metaalwerken zijn geschilderd in een zwarte kleur.
Geschiedenis fort:
Ovezande Ellewoutsdijk Borssele Nisse 's-Gravenpolder
In het buitengebied van Borsele staan vier molens en één molenromp. Al deze molens zijn gebouwd als korenmolens voor het malen van graan. Het betreft molen De Hoop en Verwachting in Borssele, molen De Poel in Nisse, molen De Korenhalm in 's-Gravenpolder, molen De Blazekop in Ovezande en molenromp De Phoenix in Ellewoutsdijk. Al deze molens zijn aangewezen als rijksmonument, met uitzondering van de molenromp in Ellewoutsdijk. Deze is aangewezen als gemeentelijk monument. De molens zijn in uitvoering divers, maar alle van het type bovenkruier.
De molens in Borssele, Nisse en Ovezande zijn grondzeilers en gesitueerd op een molenbelt. De molens in Borssele en Nisse zijn opgebouwd als achtkant met houten onderbouw en een romp afgedekt met bitumen. De molen in Ovezande is eveneens opgebouwd als achtkant, maar kent een gemetselde onderbouw en een romp bekleed met bedekking van riet.
De molen in 's-Gravenpolder is een hoge ronde stenen molen met stelling. De molenromp in Ellewoutsdijk kent een vierkante onderbouw in metselwerk tot (voormalige) stellinghoogte en gaat middels een betonconstructie over in een ronde bovenbouw, welke ook uitgevoerd is in metselwerk. De molens en molenromp met de directe omgeving zijn van cultuurhistorische en landschappelijke betekenis.
De bebouwing op het schaapskooicomplex is divers. De volgende onderverdeling is gemaakt van de verschillende objecten:
Entreegebouw
De vormgeving van het entreegebouw is gebaseerd op een hooiberg. De vier roeden zijn in het ontwerp verwerkt en het dak lijkt een verstelbaar dak. Aan het hoofdgebouw is een grote aanbouw met plat dak gebouwd. Onder het piramidedak van het hoofdgebouw zijn de buitenwanden gemaakt in een combinatie van verticale houten delen en houten kozijnen. Daglichtkozijnen zijn hier 4-zijdig gemaakt en sluiten aan op het overstek ter plaatse van de dakvoet. Het dak is afgewerkt met grijze golfplaatelementen.
De aanbouw is gebouwd met een plat vegetatiedak met een smalle metalen dakrand met een forse oeversteek. Daaronder nagenoeg rondom volledig beglaasde oppervlakken die gevat zijn in een metalen frame. In deze gevels verschillende schuifpuien.
Schaapskooi
De schaapskooi is qua uitstraling gebaseerd is op een traditionele Zeeuwse schaapskooi. De plattegrond is rechthoekig, de dakvorm symmetrisch. De gevels zijn gemaakt in een houtskeletbouw die bekleed is met zwarte potdekseldelen. Kenmerken zijn verder de grote wit omrande mendeuren met klinket en de vrijwel gesloten gevels. De loopdeuren zijn zwart, terwijl de kozijnen en de ramen wit zijn. De windveren en waterborden zijn uitgevoerd in witgeschilderd hout. Ook de boeiboorden van de goten zijn wit. De boeiboorden zijn feitelijk de randafwerking van de zinken gootbekleding. De daken zijn belegd met Oud Hollandse dakpannen en vorstpannen. Op de ontmoeting van de windveren in de nok is een wit geschilderde makelaar aangebracht.
Wagenschuur
Voor de opslag van hooi en als overige bergings-/stallingsruimte is een gebouw in de vorm van een wagenschuur neergezet. De materialisatie van dit gebouw is gelijk aan die van de schaapskooi, met dien verstande dat de dakhellingen en de dakvlakbreedtes ongelijk zijn. Aan de hoge langszijde is geen gevel aanwezig. Rondom de deuropeningen zijn geen witte omrandingen gemaakt. Op de ontmoeting van de windveren in de nok is een wit geschilderde makelaar aangebracht.
De basis van de beeldkwaliteit van de Westerscheldetunnel met toeleidende wegen en kunstwerken is vastgelegd in een beeldkwaliteitsplan van architect J. Jobse. Het tolplein (overkapping, tolinning en kantoor) is ontworpen door architect B.G. Westenburger.
Het tolplein is een groene kamer in het Zuid-Bevelandse polderlandschap: een carré die aan de buitenzijde is omzoomd door Italiaanse populieren. De verhoudingen van dit, in een renaissancepolder gelegen, plein is mede afgeleid van de maatgevende verhouding van het dorpje Borssele (gulden snede). De groene kamer wordt afgebakend en vormgegeven door geluidschermen van 4 meter hoog, welke zijn begroeid met Hedera.
Binnen in de kamer wordt voor beide rijrichtingen van de Westerscheldetunnel tol geïnd, worden tunnel en tolinning bediend en liggen carpoolplaatsen, bushaltes en fietsenstallingen. Een loopbrug, die bestaat uit een in staal vormgegeven vakwerkconstructie, verbindt functies aan weerszijden van de weg en vormt onderdeel van de luifel boven de tolinning. Deze staalconstructie hangt als het ware, aan weerszijden van het wegtracé, tussen schijven van beton. Tussen deze betonschijven zijn de trappen gesitueerd om de loopbrug te bereiken. De luifel is als golvend dak uitgevoerd; het dak plooit omhoog boven de opstelplaatsen: een uitnodigend gebaar naar de naderende weggebruiker.
Aan de oostzijde van de weg staat in de groene kamer een kantoor. Het kantoor is grotendeels opgetrokken uit zwartkleurige Chinese basalt. Aan de zijde van de rijbanen (westkant) heeft het kantoor een glazen bovenbouw met ruimten voor tol- en tunnelbediening. De basalten onderbouw van dit kantoorgedeelte bevat ondersteunende functies en een buswachtruimte. De overige bebouwing, zoals de tolhuisjes onder de luifel en het vrijstaande energiegebouwtje zijn in vormgeving en materialisering (tegels) verwant met het kantoor. De fietsenstalling is meer vrij vormgegeven.
Ter plaatse van de in- en uitrit (tunnelbak) van de Westerscheldetunnel zijn de keerwanden voorzien van gekleurde bakjes. Deze variëren in afmetingen en in kleur van turquoisegroen tot donkerblauw. Deze bakjes zijn in strooimodel aangebracht. Bij de overgang van de tunnelbak naar de tunnel zijn gedeelten van wanden betegeld. Ook dit in voornoemde kleuropzet. Bovenop de tunnelbak ter plaatse van de tunnel staat een gebouw met technische ruimten. Dit gebouw is bekleed met koper (kleur groen) in horizontale gelede lamellenvorm. Ten behoeve van de ventilatie zijn er vakken waarbij deze lamellenbekleding openstaat. Bovenop dit gebouw staat een uitbouw in een donkerblauwe kleur.
Het wachtlokaal op het voormalige veerplein in Hoedekenskerke is enkele jaren geleden, vanwege de dijkverzwaring, tientallen meters verplaatst in noordelijke richting. Het gebouw heeft kenmerken van de Amsterdamse schoolarchitectuur. Het gebouwtje, met een bijna vierkante plattegrond, is uitgevoerd met een betonnen fundering die als plint in uitgewassen schoonwerkbeton doorloopt tot circa 1 meter boven het maaiveld. Ook de buitentrap is in beton uitgevoerd. Aan weerszijden van de trap staat een eenvoudige stalen leuning in een blauwe kleur. Het gebouwtje staat op een verhoging die afgewerkt is met basaltblokken. De oorspronkelijke trap naar de entreepui is langs het talud doorgezet in een nieuwe betonnen trap. Een dito betontrap is ook aan de linkerzijde van de verhoging aangebracht.
Ter hoogte van de luifel is rondom een tweetal lagen uitgemetseld in combinatie met een rondgaande rollaag. Het entreekozijn met luifel en de twee daglichtkozijnen in de voorgevel zijn gemaakt in hout en hebben een bijzondere detaillering. Bijzonder is dat de breedte/hoogteverhouding van de ruitjes in de entreedeuren en die van de hoekkozijnen verschillen van elkaar.
In de rechterzijgevel is één kozijn aangebracht, dat passend is bij de hoekkozijnen, en twee verticale kozijntjes met ver terugliggende ramen. Onder de raamkozijnen bevinden zich zwart verglaasde raamdorpelstenen. In de achtergevel is een afwijkend kozijn met twee tussenstijlen gemaakt. Dit kozijn is niet oorspronkelijk en vervangt mogelijk een houten luik. In de linkerzijgevel is onder een smalle luifel van uitgewassen grindbeton een houten schuifdeur aanwezig die toegang geeft tot een werkplaats. Deze deur is groen geschilderd.
Het gebouw is voorzien van een plat dak waarop drie pvc-vergaarbakken met hemelwaterafvoeren zijn aangesloten die uitmonden op het straatwerk. De dakrand is uitgevoerd in blauw gesmoorde muurafdektegels.
De meestoof Nederland in Nieuwdorp springt in eerste instantie in het oog door de grote omvang van het complex op een verder vrijwel leeg perceel. De grote stenen schuur heeft een symmetrische opbouw met een zadeldak. Het woongedeelte aansluitend op de oostelijke kopgevel heeft een verhoogde nok en is in zuidelijke richting uitgebouwd. Het woongedeelte heeft ook een zadeldak.
De plattegrond is oorspronkelijk onderverdeeld voor 3 functies:
Langsgevel zuidzijde
In de meestoof zijn aan de zuidgevel in verdiepte nissen rechthoekige daglichtkozijnen ingemetseld. In deze gevel zijn een stel dubbele deuren en een enkele loopdeur voorzien. De daglichtkozijnen en deuren zijn in een donkere kleur (veelal zwart) geschilderd. De nissen of spaarvelden zijn gemaakt tussen smalle penanten die vanaf een doorlopend basement of plint zijn opgetrokken en doorgezet zijn tot onder de dakgoot. De goot is uitgevoerd als mastgoot. Een enkele hemelwaterafvoer is aangesloten op een regenbak. In het vlak van de nissen zijn op regelmatige afstanden gevelankers zichtbaar die de achterliggende houtconstructies verankeren. De schuur is gedekt met blauwe Oud Hollandse dakpannen.
In de gemetselde gevel van het woongedeelte zijn kozijnen met schuiframen ingemetseld. Er is hier sprake van diepe neggen. De kozijnen zijn voorzien van enkelbladige opgeklampte (groene) luiken met verticale sponningdelen. De kozijnen en ramen zijn in een lichte kleur geschilderd. Onder deze kozijnen zijn gepleisterde raamdorpels gemaakt. In deze gevel is een gedenksteen van de eerste steenlegging (1826) verwerkt. Aan de dakvoet is een mastgoot gemaakt tegen een frieslijst. Oorspronkelijk is er (zie oude foto's) een houten bakgoot op klossen gemaakt.
In het verlengde van de zuidgevel van het woonhuis is een deel van de oorspronkelijke gevel van de “ast” blijven staan en vormt een afscheiding van het terras. In deze gevel is een oude deuropening nog zichtbaar. Op de oostelijk hoek wordt dit gevelrestant beëindigd met en forse steunbeer.
Links van de zuidgevel is om de hoek (buitengevel tussen het hogere en lagere bouwdeel) een gevel met pleisterwerk. Deze pleisterlaag bedekt de gehele gevel tot aan de nok. In dit gevelvlak is een eenvoudig kozijn aanwezig met een raam en roedeverdeling.
Topgevel westzijde
Deze gemetselde gevel met in rode letters de naam van de meestoof is voorzien van vijf daglichtvensters met een halfronde bovendorpel, een enkele loopdeur met een dito bovendorpel en een rechthoekig luik op de verdieping. De halfcirkelvormige vlakken van de kozijnen zijn vlak dichtgezet. Mogelijk zijn de ramen met roedeverdelingen (spaakvormig) nog aanwezig. In de gevel zijn tussen de kozijnen penanten gemetseld tot een hoogte van ca. 2,5 m alwaar ze afgedekt zijn met gepleisterde dekplaten. Ook de topgevel is afgewerkt met een gepleisterde muurafdekking die aan weerseinden eindigt in een licht geprofileerd, gepleisterd ornament. Verder zijn in de gevel diverse gevelankers aanwezig die onder andere de gordingen en balklagen verankeren.
Langsgevel noordzijde
Deze gevel met twee verhoogde deurpartijen met moderne overheaddeuren is voorzien van een aantal daglichtkozijnen die qua vorm en afmetingen identiek zijn aan de kozijnen in de zuidgevel. Verder is er nog een enkele loopdeur aanwezig. De penanten zijn hier uitgebouwd tot steunberen. Langs de dakvoet van de schuur is geen goot meer aanwezig.
De noordgevel van het woongedeelte is opgemetseld uit dezelfde rode baksteen als gebruikt in de zuidgevel. In de gevel is een loopdeurkozijn en een schuifraamkozijn aanwezig.
Topgevel oostzijde
De topgevel van de woning is deels uitgevoerd in schoonmetselwerk en deels in een metselwerk wat de bouwsporen van voormalige bouwmassa's laat zien. Het symmetrische middendeel steekt ca. 250 mm naar buiten.
In deze topgevel bevinden zich, op dezelfde hoogte, vier lichtkleurig geschilderde kozijnen met één verticale roede in het raam. Daarnaast zijn er, verspringend over de gevel, vier, recent aangebrachte donker gekleurde verticale daglichtkozijnen. Elk met een donker opgeklampt luik met een schoor. Bijzonder zijn de gepleisterde vlakken op de gevel, restanten van de oorspronkelijke “ast” of droogoven.
Algemeen
In alle gevels zijn veel bouwsporen te zien die zijn ontstaan door wijzigingen in het proces en techniek van de verwerking van meekrap, alsmede schade ontstaan door brand.
Het complex Tropical Zoo in Kwadendamme is gelegen aan de zuidwestkant van het spoorwegenemplacement Langeweegje. Het complex bestaat uit meerdere gebouwen die qua ontwerp zeer divers zijn. Aan de straatzijde (Langeweegje) staat van links naar rechts aan elkaar gebouwd het restaurant, de vlinderkas en de bedrijfswoning. Achter de vlinderkas is de speelhal opgetrokken die aan de achterzijde bijna de gehele breedte van het perceel beslaat.
Vlinderkas
Dit hoofdgebouw van de Tropical Zoo, waarin onder meer de entree is gemaakt, is een strak vormgegeven gebouw, symmetrisch onder een zadeldak. In principe betreft het een grote kas met aan de voorzijde een schijngevel met entree. De nokrichting staat haaks op het Langeweegje.
Speelhal
Op het achterterrein is een hal gebouwd die aansluit aan de vlinderkas. Het dak van deze hal is uitgevoerd met ritmerende zadeldaken met glazen elementen en ventilatievoorzieningen. Het daklandschap volgt het principe van een kassencomplex. De gevels zijn uitgevoerd in vrijwel vlakke metalen (geïsoleerde) gevelbeplating. Nokrichtingen zijn uitgevoerd in het verlengde van nokrichting van de vlinderkas.
Bedrijfswoning
De woning heeft geen uitgesproken typologie. De nokrichting loopt evenwijdig aan het Langeweegje. Het pand is grotendeels opgetrokken uit baksteen en heeft ook geveldelen met een houten betimmering. De daglichtkozijnen hebben een roedeverdeling. Het dak heeft een zadeldakvorm waarop een enkele dakkapel is aangebracht.
Restaurant
Het restaurant heeft geen uitgesproken typologie. Het gebouw heeft sfeerinvloeden van een boerenschuur. Dit door de rechthoekige plattegrond, gemetselde borstwering en gevels uitgevoerd met houten gepotdekselde delen in een zwarte kleur. Het zadeldak, wat aan de achterzijde in het hoofdprofiel is aangekapt, is gedekt met gebakken dakpannen in een oranje kleur. De aankapping is ter plaatse van de linkerzijkant doorgezet, waardoor ten opzichte van de voorgevel een terugliggend aangebouwd bijgebouw is ontstaan. De nokrichtingen lopen evenwijdig aan het Langeweegje.
Verder staan op het terrein allerlei kleinere bouwwerken als afscheidingen, bergingen en tuinmuren.
Het trekkermuseum gelegen aan de zuidkant van het spoorwegemplacement Nisse, is gehuisvest in een tweetal vrijstaande plaatstalen loodsen, zijnde een hoofdgebouw (waarin het museum is gevestigd) en een werkplaats. Beide gebouwen hebben een rechthoekige plattegrond. Kleinere aanbouwen met lessenaarsdaken zijn aangebouwd aan het hoofdgebouw. In het hoofdgebouw is aan de westzijde een verdiepingsvloer gemaakt. Dit gebouw is hoger dan de werkplaats.
Beide gebouwen met aanbouwen zijn opgebouwd met identieke materialen en hebben symmetrische zadeldaken en een flauwe dakhelling. Langs de dakvoeten zijn eenvoudig geprofileerde goten aangebracht (kroonlijstprofiel). In het dak van de werkplaats bevinden zich enkele lichtdoorlatende dakplaten. De plaatstalen wanden zijn geconstrueerd op betonnen plinten. De wanden zijn groen terwijl de plinten in schoonwerkbeton zijn uitgevoerd.
In de gevels zijn horizontaal gelede daglichtkozijnen gemaakt met een onderverdeling van verticale stijlen. Verder zijn er diverse loopdeuren, schuifdeuren, overheaddeuren en dubbele deuren toegepast. Deze elementen hebben alle een witte of grijze kleur. Dakranden, goten en hemelwaterafvoeren hebben een witte kleur.
De betrating rondom de gebouwen is hoofdzakelijk uitgevoerd in betontegels en basaltkeien (kinderkoppen).
De trafohuisjes zijn bijzondere objecten in het landschap en kenmerken zich door de eenvoudige vorm en metselwerkarchitectuur. De gebouwen dateren veelal van vóór de Tweede Wereldoorlog en zijn destijds gebouwd door de Provinciale Zeeuwse Energie Maatschappij (PZEM). De gebouwen zijn compact van omvang en zijn uitsluitend bedoeld om installaties van nutsbedrijven onder te brengen. Daglicht- en ventilatieopeningen zijn zeer terughoudend toegepast en passen naadloos in het muurwerk.
In de ontwerpen is veel aandacht besteed aan de detaillering. Met name de detaillering van het metselwerk met sfeerinvloeden van de Amsterdamse Schoolarchitectuur is bijzonder. Vaak zijn spaarvelden of blindnissen, rollagen en uitgemetselde lagen verwerkt. Soms is er sprake van een anderskleurig plint, die iets terugliggend gemetseld is ten opzichte van het hoger opgaande metselwerk. In een enkel geval is een bijzondere lateiconstructie van beton gemaakt boven het deurkozijn. In de genoemde constructie is dan een lichte profilering en het logo van het betreffende nutsbedrijf (PZEM) gemaakt. Ook stalen schilden op de gevels met teksten als “Levensgevaar – Hoogspanning – Bij brand niet spuiten” zijn kenmerkend.
De entreedeur en het kozijn zijn uitgevoerd in staal. Kozijn en deur zijn groen geschilderd.
De daken zijn uitgevoerd als tent- of schilddaken en zijn uitgevoerd als betondak of afgewerkt met een bitumineuze dakbedekking in banen of als singles. Kenmerkend zijn de ruime overstekken van de dakrand. Hemelwaterafvoeren zijn niet gemaakt. Een enkel trafohuis is geschilderd (wit).
Driewegen Nieuwdorp 's-Heerenhoek Nieuwdorp
De communicatieobjecten, in de vorm van zendmasten, wijken door hun grote hoogte ten opzichte van het maaiveld en verschijningsvorm sterk af van andere bouwwerken in het buitengebied. De zendmasten zijn erg rank en transparant door de toepassing van een frame van vakwerken, waarin schuine schoren en horizontale liggers domineren. Met name aan de top, maar ook halverwege, is de zendapparatuur bevestigd. Er wordt een grote diversiteit aan apparatuur toegepast. De masten zijn veelal in een gegalvaniseerde uitvoering en/of lichtgrijs geschilderd.
Aan de voet van deze masten zijn vaak trafoachtige gebouwtjes of kasten opgericht waarin bijhorende apparatuur is ondergebracht. In het geval van gemetselde gebouwtjes zijn deze opgetrokken in eenvoudig metselwerk in een halfsteensverband. De dakrand van het platte dak is uitgevoerd met een beplating met een uitstraling van uitgewassen grind. Kleinere vrijstaande objecten bij de trafoachtige gebouwtjes zijn in staal uitgevoerd en groen geschilderd.
In het geval van betonnen gebouwtjes zijn de wanden uitgevoerd in uitgewassen beton en wordt het gebouwtje afgedekt met een schoonwerk-betonnen dak. Deurkozijnen en deuren zijn in staal en grijs geschilderd.
Rondom de communicatieobjecten en de trafoachtige gebouwtjes zijn soms hekwerken geplaatst ter beveiliging.
Gemaal Hoedekenskerke Gemaal Ellewoutsdijk Gemaal Ellewoutsdijk
Gemaal Hoedekenskerke
Het gemaal “Groenewege” in Hoedekenskerke is gelegen in een groene omgeving en kenmerkt zich door de eenvoudige vorm en de lange, smalle verticale kozijnen aan de waterzijde (westgevel). Het gebouw heeft een rechthoekige plattegrond met een klein uitbouw aan de oostzijde. Het aanwezige zadeldak is deels asymmetrisch en is gedekt met rode keramische dakpannen met bijpassende nokvorsten en kantpannen. Het dak heeft aan de topgevels een kleine overstek met een vlak plafond.
Naast de verticale kozijnen aan de waterzijde zijn dezelfde kozijnen toegepast in de zuidelijke topgevel. In de noordelijke topgevel is een kozijn met twee tussenstijlen (ogend als een kozijn met drie loopdeuren) en een rond gevelrooster gemonteerd. In de oostelijke gevel is een enkele loopdeurkozijn geplaatst, waarin een deur met glasopening aanwezig is.
De buitenmuren zijn wit geschilderd en de plint onderlangs de kozijnen grijs. Houten kozijnen zijn lichtkleurig geschilderd en de deuren blauw (waterschapblauw), met uitzondering van de loopdeur in de oostgevel, deze is grijs. De verticale metalen kozijnen in de zuidgevel en in de westgevel zijn geheel in de waterschapblauwe kleur geschilderd. Gootconstructies zijn uitgevoerd als houten bakgoten en zijn geheel grijs geschilderd. Ook de overstekken zijn grijs.
In metalen letters is op de westgevel de tekst “Gemaal Groenewege” bevestigd. Op de zuidelijke gevel in dito letters de tekst “Anno 1952”.
Het gebouw is bereikbaar via een betonnen trap met leuning vanaf de dijk. Aan de waterzijde (westzijde) zijn de gemaalinstallaties zichtbaar die eveneens bereikbaar zijn via trappen met leuningen. Op het erf, deels belegd met stelconplaten, is verder nog een nieuwe vrijstaande unit geplaatst op een prefab betonnen sokkel. Deze unit is groen geschilderd. Het complex is afgezet met een groen stalen hekwerk.
Gemaal Ellewoutsdijk
Het gemaal “Hellewoud” in Ellewoutsdijk is met de voorgevel gericht naar de Westerschelde. Het gebouw bestaat uit een rechthoekige hoofdmassa met aan weerszijden een iets terugliggende, qua oppervlak bijna vierkante, zijvleugel. Het gebouw is deels gebouwd op het dijklichaam. De hoofdmassa en de zijvleugels zijn voorzien van een symmetrisch zadeldak wat gedekt is met oranjerode keramische dakpannen. De nokken van de gebouwdelen liggen in één lijn. De nokken van de zijvleugels liggen ca. 1 m lager dan die van de hoofdmassa.
In de voorgevel van de hoofdmassa zijn smalle, verticale daglichtkozijnen gemaakt. Centraal in deze gevel bevindt zich een entreepartij met twee blauw geschilderde deuren. In de linkerzijvleugel is een rechthoekig daglichtkozijn gemaakt, in de rechterzijvleugel een stalen deurkozijn met deur. Kozijn en deur zijn blauw geschilderd. Het bovenliggende metalen ventilatierooster is grijs geschilderd. Links en rechts is een betonnen trap met leuning gemaakt die leiden naar de lager gelegen gemaal-installatie.
De achtergevel aan de zijde van de gemaalinrichting is veel hoger, maar heeft dezelfde materialisatie als de voor- en zijgevels. Ook hier zijn er verticale vensters in de hoofdmassa aanwezig met in het midden een enkele loopdeur die toegang geeft tot het uitkragende betonnen balkon. Vanaf de vloer ofwel onderdorpel deurkozijn verzwaart het muurwerk zich tot aan de fundering (onderbouw).
Gootconstructies zijn uitgevoerd als houten bakgoten en zijn geheel wit geschilderd. Ook het overstek is geheel wit geschilderd.
In metalen letters is op de westgevel de tekst “Gemaal Hellewoud” bevestigd.
Het terrein is vanaf de draaipoorten aan de voet van de betontrappen afgezet met gegalvaniseerde hekwerken (niet in kleur).
De radarpost, gelegen nabij de Westerschelde ter hoogte van Baarland, is een opvallende verschijning in het landschap. Het hoge, smalle bouwwerk kenmerkt zich door de betonnen uitvoering van de schacht, het bordes en de radarinstallatie aan de top van het object.
Door de horizontale voegen op gelijke afstand lijkt het gebouw uit ringvormige segmenten te zijn opgebouwd. Het geheel is gefundeerd op een achthoekige sokkel die als voet boven het maaiveld uit komt. Langs deze sokkel is een betonnen trap met twee stalen leuningen gemaakt. De entreedeur is in staal uitgevoerd. Het hoge bordes maakt onderdeel uit van de betonnen schacht. Het bordes kan bereikt worden vanuit de schacht via een stalen loopdeur en is voorzien van een eenvoudige leuning. Vanaf het bordes kan de radarinstallatie bereikt worden met zogenaamde klimijzers.
Kleurstelling
Schacht in schoonwerkbeton, leuningen van de ondertrap zijn rood, de leuningen van het bordes zijn blauw, de klimijzers rood en de radarunit is wit.
Het sectorlicht of ook wel oeverlicht genoemd, bevindt zich op de strekdam bij de jachthaven van Hoedekenskerke. Het sectorlicht dateert uit 1914 en is opgericht in opdracht van de Belgische permanente Commissarissen van Toezicht op de Scheldevaart (BPCTS). Later is deze door de BPCTS afgestoten, omdat deze voor de rijkswaterstaat geen nautisch nut meer had. Het object is nu in eigendom van de gemeente Borsele en is een gemeentelijk monument. Inmiddels heeft het sectorlicht zijn nautische functie weer teruggekregen.
Het gebouw is in de basis een vierkant gemetseld object dat bijzonder fraai gedetailleerd is.
Op alle hoeken is een penant geformeerd, waardoor per gevel een spaarveld ontstaat. Op een hoogte van ca. 2,5 m boven het maaiveld zijn in elk spaarveld drie segmentvormige lagen uitgemetseld waarboven het metselwerk gebogen voortgezet wordt. De hoekpenanten en het gebogen metselwerk zijn vervolgens doorgemetseld over een hoogte van 0,9 m en worden beëindigd met een halfsteens rollaag. Aan de bovenzijde is het metselwerk afgedekt met een gewapend betonnen rand die de contouren van onderbouw volgt. Op deze betonnen rand is een cirkelvormig metalen hekwerk gemonteerd. Vermoedelijk is een beloopbaar vlak met een lage gemetselde borstwering gecreëerd, die bereikbaar is via een klimijzers of een ladder en een dakluik.
De entree is met de uitvoering van het metselwerk fraai gedetailleerd. Rondom het stalen deurkozijn, waarin een houten deur is afgehangen, volgt een halfsteens rollaag de contouren van het kozijn. De deur is opgebouwd als deur met een bossingpaneel met in het centrum een klein driehoekig venstertje dat de afschuining van het kozijn en de rollaag volgt.
Boven elk spaarveld is een spuwertje aangebracht wat het water van het beloopbare plat afvoert.
Het metselwerk is wit geschilderd, evenals het kozijn met de deur en het hekwerk op de betonnen rand. Hoogstwaarschijnlijk is het metselwerk als schoonwerk opgemetseld, maar snel daarna van opgeschilderde rode en witte banden voorzien in verband met de nautische functie. Het is gewenst dat deze kleurstelling wordt teruggebracht.
In Borsele is een aantal panden aangemerkt als rijks- of gemeentelijk monument, omdat ze van algemeen belang zijn wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Naast rijks- en gemeentelijke monumenten komt ook een aantal beeldbepalende gebouwen voor die (nog) niet als monument zijn aangewezen, maar vanwege hun karakteristieke verschijningsvorm, al dan niet in combinatie met de locatie, extra bescherming verdienen. Deze monumenten en beeldbepalende gebouwen zijn divers van karakter. Het gaat bijvoorbeeld om gebouwen zoals historische boerderijen, molens, sectorlicht, etc.
Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en de vrije hoogte en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. Dakkapellen zijn een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak en deze toevoeging mag niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. De ruimte tussen dakkapel en goot in het dakvlak bestaat vaak uit een aantal pannenrijen. Soms onderbreken dakkapellen de gootlijn en zijn dan deels verwerkt in verticaal metselwerk van de onderliggende muur of wand en deels in het dakvlak.
Een schutting is een bouwwerk met als doel het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Een schutting aan de openbare weg is van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit en dient te passen bij het karakter van de omgeving. Schuttingen dienen op een zorgvuldige en professionele manier geplaatst te worden en te worden gemaakt van duurzame materialen. Een lange, gesloten, slecht onderhouden schutting wekt bij velen het gevoel op van verloedering en sociale onveiligheid. Begroeide schuttingen hebben veelal een vriendelijke uitstraling.
Door bedrijfsbeëindiging kan het voorkomen dat een agrarisch bedrijf wordt omgezet naar een burgerwoning. Op diverse plaatsen heeft dat reeds plaatsgevonden. De vraag rijst dan hoe om te gaan met de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, bestaande uit schuren, loodsen en andere gebouwen. De voormalige agrarische bedrijfsbebouwing past qua schaal en maat vaak niet meer bij de woning. In gevolge van het omgevingsplan kan de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing worden gehandhaafd en worden aangewend voor de woonfunctie. Het beleid is er echter op gericht in dergelijke gevallen te komen tot een betere situatie wat betreft beeldkwaliteit en bij voorkeur ook tot een afname van de oppervlakte aan bebouwing.
Naast regels die geënt zijn op de aard/typologie van de bebouwing zijn in het omgevingsplan algemene regels met betrekking tot beeldkwaliteit opgenomen. Deze regels omvatten een zogenaamde hardheidsclausule (algemene criteria waar in bijzondere situaties op terug kan worden gegrepen), de verplichting voor burgemeester en wethouders om advies in te winnen bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit/monumentencommissie en een excessenregeling (die het mogelijk maakt om op te treden tegen welstandsexcessen).
De algemene beeldkwaliteitsregels liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling. Bij het opstellen van de overige regels die betrekking hebben op beeldkwaliteit zijn deze algemene regels in acht genomen. In de praktijk zullen de overige regels voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In bijzondere situaties kan het echter nodig zijn dat wordt teruggegrepen op de algemene beeldkwaliteitsregels. Dit kan bijvoorbeeld als een bouwplan past binnen de overige regels, maar desondanks zo onder de maat is dat deze de omgeving negatief zal gaan beïnvloeden. Maar ook andersom: als een bouwplan afwijkt van de overige regels, maar zo'n bijzondere schoonheid kent dat ruimschoots wordt voldaan aan 'redelijke eisen van welstand'. Het spreekt voor zich dat het hier om uitzonderingssituaties gaat en dat niet bij het minste of geringste op de algemene beeldkwaliteitsregels wordt teruggegrepen. Mocht er sprake zijn van een dusdanig bijzondere situatie dan zal in het beeldkwaliteitsadvies zorgvuldig worden aangegeven waarom van de overige regels wordt afgeweken en het bouwplan enkel op basis van algemene beeldkwaliteitsregels wordt getoetst.
De verschijningsvorm van een gebouw of bouwwerk heeft een relatie met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is. De vormgeving van een gebouw of bouwwerk is samenhangend en logisch (relatie tussen vorm, gebruik en constructie)
Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het beeldkwaliteitstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.
Een gebouw of bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het gebouw of van de omgeving groter is (relatie tussen bouwwerk en omgeving)
Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedgerichte beeldkwaliteitscriteria duidelijkheid verschaffen. Daarbij wordt opgemerkt dat 'eigenzinnige' vormgeving doorgaans eerder acceptabel is voor een gebouw dat qua plaatsing (rooilijn), stedenbouwkundige korrel en ritme géén onderdeel uitmaakt van een ensemble dan voor een gebouw dat dat wel doet.
Verwijzingen naar en associaties met een bouwstijl worden zorgvuldig gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar en leesbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit (betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context)
Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.
Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. Mocht het toch gewenst zijn terug te grijpen op stijlkenmerken uit het verleden dan is het zaak dat deze evenwichtig, consequent en met respect voor de oorsprong worden gehanteerd. Het toepassen van verschillende stijlen in één gebouw geeft een vervreemdend beeld doordat dit sociaal-cultureel niet is te plaatsen.
In een gebouw of bouwwerk is structuur aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat (evenwicht tussen helderheid en complexiteit)
Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken.
Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.
Een gebouw of bouwwerk heeft een samenhangend stelsel van maatverhoudingen, dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen (schaal en maatverhoudingen)
leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken.
De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen.
Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben.
De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel of een aanbouw) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.
Materiaal, textuur, kleur en licht ondersteunen het karakter van het gebouw of bouwwerk en maken de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk (materiaal, textuur, kleur en licht)
Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.
Burgemeester en wethouders zijn verplicht om over een bouwplan advies in te winnen bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit. In de praktijk betreft dit veelal de dorpsbouwmeester. De dorpsbouwmeester neemt bij de beoordeling van een bouwplan de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in het omgevingsplan, in acht. Voor dakkapellen en erfafscheidingen kan worden afgeweken van de adviesplicht.
Indien het bouwplan betrekking heeft op een rijks- of gemeentelijk monument dan wordt door het college van burgemeester en wethouders tevens advies aangevraagd bij de gemeentelijke monumentencommissie.
In de Wabo/Bor is bepaald dat voor bouwen van bepaalde typen bouwwerken geen vergunning meer nodig is. Vergunningvrij bouwen is echter iets heel anders dan regelvrij bouwen. Zo heeft de wetgever uitdrukkelijk aangegeven dat de overige regels gewoon blijven bestaan. Dat betekent dat een vergunningvrij bouwwerk onder meer moet voldoen aan het Bouwbesluit, de Bouwverordening, aan de regels over burenrecht uit het Burgerlijk Wetboek, aan de beeldkwaliteitsregels zoals opgenomen in dit omgevingsplan en in veel gevallen ook aan de andere eisen die zijn vastgelegd in het omgevingsplan. Het belangrijkste verschil is dat al deze regels niet meer vooraf worden getoetst door een ambtenaar of de dorpsbouwmeester. De burger of ondernemer die een vergunningvrij bouwwerk wil bouwen moet er voortaan zelf voor zorgen dat dit bouwwerk aan alle eisen voldoet. Indien achteraf blijkt dat de regels niet zijn nageleefd, kan aanpassing of in het uiterste geval sloop van het bouwwerk worden geëist.
De Woningwet biedt het bevoegd gezag, dat is het college van burgemeester en wethouders, de mogelijkheid om repressief tegen excessen op te treden. Een exces is een buitensporigheid. Dit geldt niet alleen voor bestaande gebouwen en bouwwerken waarvoor een vergunning is verleend, maar ook voor alle gebouwen en bouwwerken waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het gaat in gevallen van een exces altijd om ernstige ontsiering van een bouwwerk of een gedeelte daarvan in relatie tot de omgeving.
De gemeente hanteert bij het toepassen van de excessenregeling het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de uiterlijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft die buitensporigheid betrekking op:
Indien is vastgesteld dat zich ergens een mogelijk buitensporige/excessieve situatie voordoet, kan het college van burgemeester en wethouders aan de dorpsbouwmeester vragen of er, gelet op bovenstaande criteria, inderdaad sprake is van een exces. Wanneer dat het geval is, kan het college van burgemeester en wethouders via een aanschrijving en de eventueel daarop volgende bestuursdwang eisen dat aan de buitensporigheid een eind wordt gemaakt. Overigens is in deze een advies van de dorpsbouwmeester niet verplicht, burgemeester en wethouders kunnen ook op eigen gezag vaststellen dat een bepaalde situatie 'in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand (beeldkwaliteit)'.
De gronden met de indicatieve aanduiding 'aquacultuur' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 1.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'glastuinbouw' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 2.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'grondgebonden' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 3.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Het is verboden voor grondgebonden agrarische bedrijven om zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders, weidegang te beëindigen.
Grondgebonden agrarische bedrijven die in plaats van weidegang voldoende ruwvoer telen, worden aangemerkt als grondgebonden agrarische bedrijven indien voldaan wordt aan het volgende:
Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 onder c en een toename van ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'intensieve kwekerij' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 4.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'intensieve veehouderij' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 5.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 onder a en een toename van ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch en agrarisch aanverwant' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 6.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 onder f en een toename van ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' mogen tevens worden gebruikt voor intensieve veehouderij bij wijze van neventak.
Voor het in 7.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2 onder b en een toename van ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch aanverwant' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 8.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 9.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 10.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 11.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Toelaatbaar gebruik
De gronden met de indicatieve aanduiding 'begraafplaats' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor een begraafplaats met bij deze functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
De gronden met de indicatieve aanduiding 'cultuurhistorie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 13.1 onder f toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'dagrecreatie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 14.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'dagrecreatie 1' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'detailhandel' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 16.1 toelaatbare gebruik geldt het volgende:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
Voor het in 17.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'horeca' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 18.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'manege' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 20.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de natuurwaarden en/of de landschappelijke waarden.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de natuurwaarden en/of landschappelijke kwaliteiten.
De gronden met de indicatieve aanduiding 'nutsvoorziening' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'sport' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'verblijfsrecreatie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 24.1 toelaatbare gebruik geldt dat de plaatsing van kampeermiddelen is toegestaan mits:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'verblijfsrecreatie 1' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Toegestaan is het gebruik van gronden voor:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'verzorgingsplaats' en de daarbij aansluitende gronden mogen tevens worden gebruikt voor:
Voor het in 27.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'volkstuin' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Toegestaan is het gebruik van gronden voor:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de natuurwaarden en/of de landschappelijke waarden.
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:
De gronden met de indicatieve aanduiding 'wonen' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:
Voor het in 32.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' opgenomen.
Toegestaan is tevens het gebruik ten behoeve van een groot en meerdaags paardensport
evenement.
Voor het toegelaten gebruik geldt het volgende:
Toegestaan is tevens het gebruik ten behoeve van:
Toegestaan is tevens het gebruik ten behoeve van een tunnelverbinding onder de Westerschelde.
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt de maximale oppervlakte in gebruik zoals bedoeld in de regels: <strong data-attribute=”waarde1”>x</strong>m², zijnde de maximale oppervlakte in gebruik zoals vermeld in het plan.
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
algemeen:
verkeer:
natuur en landschap:
overig:
Het is verboden:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 40.2 onder c en een tijdelijke baggerdepot toestaan indien:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 40.1 onder c.1 en een fruitboomgaard op minder dan 50 m tot woningen en daarbij behorende erven en tuinen toestaan indien:
Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:
algemeen:
verkeer:
natuur en landschap:
overig:
Het is verboden:
Toegestaan zijn:
Ter plaatse van en in de directe omgeving van de met een indicatieve aanduiding aangegeven functie mag worden gebouwd ten behoeve van deze functie en in overeenstemming met de regels die voor de bebouwing ten behoeve van deze functie gelden.
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functies Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf of Agrarisch - intensieve kwekerij geldt het volgende:
Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.
De bestaande bedrijfsvloeroppervlakte van gebouwen en overkappingen ten behoeve van een intensieve veehouderij mag niet worden vergroot.
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 48.1 bepaalde voor vergroting van de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte van gebouwen en overkappingen ten behoeve van een neventak intensieve veehouderij tot ten hoogste 2.100 m² waarbij geldt:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Agrarisch - glastuinbouw geldt het volgende:
Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitbreiding uitgesloten' opgenomen.
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Agrarisch - intensieve veehouderij geldt het volgende:
Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 51 onder i voor vergroting van de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de intensieve veehouderij waarbij geldt:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Bedrijf - agrarisch aanverwant of Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf geldt het volgende:
Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Manege geldt het volgende:
Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functies Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Detailhandel, Horeca, Dagrecreatie, Dagrecreatie 1 of Verblijfsrecreatie 1, inclusief de medegebruiksfuncties, geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Begraafplaats geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Cultuurhistorie geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de functie Jachthaven geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Nutsvoorziening geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Sport geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Verblijfsrecreatie geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Volkstuin geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Wonen inclusief de medegebruiksfuncties, geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Verzorgingsplaats geldt het volgende:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de exploitatie, het beheer en onderhoud van de Westerscheldetunnel geldt het volgende:
Voor de functie op deze locatie geldt het aangeduide suggestievlak voor bebouwing zoals opgenomen in artikel 47 Specifieke bouwaanduiding agrarisch bedrijf, artikel 49 Specifieke bouwaanduiding glastuinbouwbedrijf, artikel 51 Specifieke bouwaanduiding intensieve veehouderij, artikel 52 Specifieke bouwaanduiding agrarisch en/of agrarisch aanverwant bedrijf of artikel 53 Specifieke bouwaanduiding manege.
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt de maximale bebouwingsoppervlakte zoals bedoeld in de regels: <strong data-attribute=”waarde1”>x</strong>m², zijnde de maximale bebouwingsoppervlakte zoals vermeld in het plan.
Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt het aantal bedrijfswoningen: <strong data-attribute=”waarde1”>x</strong>, zijnde het aantal bedrijfswoningen zoals vermeld in het plan.
Indien en voorzover hier op grond van dit plan bebouwing is toegestaan geldt het volgende:
Bouwen binnen het gebied van 'walradarketen 1' is uitsluitend toegestaan tot een bouwhoogte die de hoogte van de aangrenzende dijk langs de Westerschelde niet overschrijdt.
Voor bebouwing hoger dan de dijk geldt dat bebouwing uitsluitend is toegestaan indien het belang van de walradarketen niet onevenredig wordt geschaad; hierover wordt de beheerder van de walradarketen advies gevraagd.
Bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 500 m2 binnen het gebied van 'walradarketen 2' zijn uitsluitend toegestaan tot een bouwhoogte die de hoogte van de aangrenzende dijk langs de Westerschelde niet overschrijdt. Voor bebouwing groter dan 500 m2 alsmede hoger dan de dijk geldt dat bebouwing uitsluitend is toegestaan indien het belang van de walradarketen niet onevenredig wordt geschaad; hierover wordt de beheerder van de walradarketen advies gevraagd.
Toegestaan zijn:
Voor anti-hagelgeneratoren geldt:
Voorzover voor teeltondersteunende voorzieningen op gronden in agrarisch gebruik sprake is van bouwen geldt:
Voorts zijn nog toegestaan:
Met betrekking tot bestaande maten en afstanden gelden de volgende regels:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 72.1 onder c voor:
Hierbij geldt dat afwijking is toegestaan voor zover een bijdrage wordt geleverd aan de versterking van:
en geen sprake is van een onevenredige aantasting van:
De volgende gebouwen en overkappingen, uitsluitend ten behoeve van de toegelaten functie, waarbij het volgende geldt:
De volgende bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, uitsluitend ten behoeve van de toegelaten functie, waarbij het volgende geldt:
Op deze gronden is tevens het vastgestelde inpassingsplan 'net op zee Borssele' van toepassing, waarbij geldt:
Op deze gronden is tevens het vastgestelde inpassingsplan 'Zuid-West 380 kV west' van toepassing waarbij geldt:
Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor:
Tot strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:
De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.
Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor een ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV.
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:
De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.
Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen van 150 of 380 kV.
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:
De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.
Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor leidingen met een zodanige druk en diameter dat de daarbij behorende belemmeringenstrook en de 10-6-risicocontour binnen het geometrisch bepaald vlak met de functie Leiding - Leidingstrook zijn gelegen.
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:
De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.
Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:
De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.
Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:
De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:
De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:
De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.
Bouwen ten behoeve van de hoogspanningsverbinding en vervanging van de bestaande hoogspanningsmasten is toegestaan:
met dien verstande dat, indien sprake is van een samenvallende functie Waterkering, er geen sprake is van een onevenredige nadelige invloed op de waterkerende functie van de Waterkering.
Bouwen ten behoeve van het bovengrondse gastransport is toegestaan met dien verstande dat, indien sprake is van een samenvallende functie Waterkering, er geen sprake is van een onevenredige nadelige invloed op de waterkerende functie van de Waterkering.
Bouwen ten behoeve van de leidingen is toegestaan met dien verstande dat, indien sprake is van een samenvallende functie Waterkering, er geen sprake is van een onevenredige nadelige invloed op de waterkerende functie van de Waterkering.
Ten behoeve van de andere, voor deze gronden toegestane functies mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 83.2:
De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, en b alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.
Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor de regionale waterkering en de waterbeheersing.
Het bepaalde in Artikel 72 Algemeen toelaatbare gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is van toepassing.
Bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden toegestane functies zijn niet toegestaan, met uitzondering van reeds bestaande bouwwerken.
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 84.3:
De beheerder van de waterkering wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.
Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor de bescherming van de primaire en regionale waterkering.
Het bepaalde in Artikel 72 Algemeen toelaatbare gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is van toepassing.
Ten behoeve van de andere, voor deze gronden toegestane functies mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 84.3:
De beheerder van de waterkering wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een grootschalige polder gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een grootschalige polder gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels voor de bedrijfsbebouwing:
Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels voor de bedrijfswoning in de vorm van een boerenhofstedewoning:
Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels voor de bedrijfswoning in een hedendaagse architectuurstijl:
Op de locaties met meerdere van onderstaande typologieën is de toekenning van de typologie als volgt waarbij tevens geldt van voor de locaties zoals genoemd geen dakkapellen zijn toegestaan:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de woning:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de schuur:
Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de woning:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur:
Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de woning:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden – indien de schuur eveneens dateert uit de wederopbouwperiode – de volgende regels voor de gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels voor de dakkapellen:
Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de woning:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels voor de gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur:
Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een veldschuur gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een veldschuur gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een veldschuur gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren veldschuur gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van een veldschuur gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een sportpark gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een sportpark gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een sportpark gelden de volgende regels voor situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een sportpark gelden de volgende regels voor gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een sportpark gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik het station (woning):
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de goederenloods (bijgebouw bij de woning):
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de bedrijfsgebouwen:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van het weeghuisje:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij het station (woning):
Voor een goede beeldkwaliteit van het fort gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van het fort gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van het fort gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van het fort gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van het fort gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp en de overige gebouwen gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de molen of molenromp:
Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de overige gebouwen:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp en de overige gebouwen gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de hooimijt (bezoekerscentrum):
Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels voor de gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de stal en de wagenschuur:
Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing gerelateerd aan de Westerscheldetunnel gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing gerelateerd aan de Westerscheldetunnel gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing gerelateerd aan de Westerscheldetunnel gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing gerelateerd aan de Westerscheldetunnel gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van het voormalige wachtlokaal gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van het voormalige wachtlokaal gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van het voormalige wachtlokaal gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van het voormalige wachtlokaal gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van het voormalige wachtlokaal gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van de voormalige meestoof gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van de voormalige meestoof gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van de voormalige meestoof gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van de voormalige meestoof gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van het woongedeelte:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede beeldkwaliteit van de voormalige meestoof gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels voor de vlinderkas:
Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels voor de speelhal:
Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels voor de bedrijfswoning:
Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels voor het restaurant:
Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van een trafohuisje gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een trafohuisje gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een trafohuisje gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een trafohuisje gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van een trafohuisje gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een communicatieobject gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een communicatieobject gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een communicatieobject gelden de volgende regels voor het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van de radarpost gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van de radarpost gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van de radarpost gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van de radarpost gelden de volgende regels voor het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van het sectorlicht gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van het sectorlicht gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van het sectorlicht gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede beeldkwaliteit van het sectorlicht gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van het sectorlicht gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een rijksmonument gelden de volgende regels:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een rijksmonument gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een rijksmonument gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een rijksmonument gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een rijksmonument gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van rijksmonument gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een gemeentelijk monument gelden de volgende regels:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een gemeentelijk monument gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een gemeentelijk monument gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een gemeentelijk monument gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een gemeentelijk monument gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van gemeentelijk monument gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een beeldbepalend pand gelden de volgende regels:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een beeldbepalend pand gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een beeldbepalend pand gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een beeldbepalend pand gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:
Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.
Voor een goede (beeld)kwaliteit van een beeldbepalend pand gelden de volgende regels voor de detaillering:
Voor een goede (beeld)kwaliteit van beeldbepalend pand gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor de plaatsing en het aantal:
Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor de maatvoering:
Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor de vormgeving:
Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor het kleur- en materiaalgebruik:
Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden bij een aantal afwijkende kapvormen en bebouwingstypologieën de volgende aanvullende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van erfafscheidingen gelden de volgende regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van erfafscheidingen gelden de volgende algemene regels:
Voor een goede beeldkwaliteit van gebouwde erfafscheidingen gelden de volgende regels voor de maatvoering en vormgeving:
Voor een goede beeldkwaliteit van gebouwde erfafscheidingen gelden de volgende regels voor het kleur- en materiaalgebruik:
Indien er sprake is van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels voor een goede beeldkwaliteit:
De algemene regels voor een goede beeldkwaliteit liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling
en zijn bij het opstellen van de regels per typologie in acht genomen. In de praktijk
zullen de regels per typologie voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In
bijzondere situaties kan het echter nodig zijn dat wordt teruggegrepen op de algemene
regels voor een goede beeldkwaliteit.
In dat geval gelden de volgende algemene regels voor een goede beeldkwaliteit:
Voor de beoordeling van een bouwplan aan de in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' opgenomen regels voor een goede beeldkwaliteit gelden de volgende regels:
Indien het bouwplan betrekking heeft op het bouwen en/of verbouwen van een bouwwerk dat valt onder de werking van artikel 124 of artikel 125 winnen burgemeester en wethouders tevens advies in bij de gemeentelijke monumentencommissie met betrekking tot de vraag of:
Het is verboden om het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in een toestand te brengen en/of te houden die in ernstige mate in strijd is met de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals opgenomen in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.
Om te bepalen of sprake is van een toestand die in ernstige mate in strijd is met de regels voor een goede beeldkwaliteit moet sprake zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk van het bouwwerk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de uiterlijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft die buitensporigheid betrekking op:
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor zover dit betreft de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in de artikelen 86 tot en met 132. Deze bevoegdheid beperkt zich tot het op ondergeschikte onderdelen aanpassen van regels voor een goede beeldkwaliteit, binnen de door de raad gestelde kaders. Deze kaders bestaan uit de typologieën en stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van het buitengebied.
Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor bijzondere overnachtingsplaatsen ten behoeve van verblijfsrecreatief gebruik op bijzondere locaties.
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat:
Voor de toepassing van de beoordelingsregel zoals genoemd in lid 134.2 onder b gelden de volgende, niet limitatieve, referentiebeelden ter ondersteuning van de creatieve invulling van bijzondere overnachtingsplaatsen.
In het kerngebied de Poel en heggengebied Nisse zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:
waarbij:
De ruimtelijke kwaliteit van het kerngebied de Poel en het heggenlandschap rond Nisse wordt bepaald door:
Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden zoals vermeld in tabel 135.1.
Tabel 135.1
Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:
wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering.
Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 135.2.
Tabel 135.2
Bij het toepassen van het bepaalde in lid 135.4.1 onder h winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit omtrent de vraag of voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.
In afwijking van de beoordelingsregels in lid 135.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief niet of in onvoldoende mate voldoet aan een of meerdere van de beoordelingsregels maar na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt. Hiervan kan alleen sprake zijn indien het initiatief op een of meerdere andere beoordelingsregels in meer dan ruime mate voldoet. Indien niet aan de beoordelingsregels voor 'geluid' of 'gezondheid en milieu' wordt voldaan kan geen medewerking worden verleend.
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:
Voor een verandering als bedoeld in 135.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:
Tabel 135.3
Tabel 135.4
In de kleinschalige polders zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:
waarbij:
De ruimtelijke kwaliteit van de kleinschalige polders wordt bepaald door:
Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 136.1.
Tabel 136.1
Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:
wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering.
Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 136.2.
Tabel 136.2
Bij het toepassen van het bepaalde in lid 136.4.1 onder i winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit omtrent de vraag of voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.
In afwijking van de beoordelingsregels in lid 136.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief niet of in onvoldoende mate voldoet aan een of meerdere van de beoordelingsregels maar na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt. Hiervan kan alleen sprake zijn indien het initiatief op een of meerdere andere beoordelingsregels in meer dan ruime mate voldoet. Indien niet aan de beoordelingsregels voor 'geluid' of 'gezondheid en milieu' wordt voldaan kan geen medewerking worden verleend.
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:
Voor een verandering als bedoeld in 136.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:
Tabel 136.3
Tabel 136.4
In de grootschalige polders zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:
waarbij:
De ruimtelijke kwaliteit van de grootschalige polders wordt bepaald door:
Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 137.1.
Tabel 137.1
Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:
wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering.
Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 137.2.
Tabel 137.2
Bij het toepassen van het bepaalde in lid 137.4.1 onder j winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit omtrent de vraag of voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.
In afwijking van de beoordelingsregels in lid 137.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief niet of in onvoldoende mate voldoet aan een of meerdere van de beoordelingsregels maar na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt. Hiervan kan alleen sprake zijn indien het initiatief op een of meerdere andere beoordelingsregels in meer dan ruime mate voldoet. Indien niet aan de beoordelingsregels voor 'geluid' of 'gezondheid en milieu' wordt voldaan kan geen medewerking worden verleend.
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:
Voor een verandering als bedoeld in 137.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:
Tabel 137.3
Tabel 137.4
Voor zover in het voorgaande een 'goede landschappelijke inpassing' is voorgeschreven gelden de volgende:
De kenmerken van het gebied zoals opgenomen in lid 138.1 zijn daarbij richtinggevend voor de beoordeling of sprake is van een goede landschappelijke inpassing.
De Poel is een grootschalig en open gebied. De (opgaande) erfbeplantingen spelen hier een belangrijke rol in het landschapsbeeld. In de randen komen de karakteristieke heggengebieden voor. Van oorsprong werd de zogenaamde Zeeuwse haag aangeplant op de perceelsgrenzen of langs slootjes en diende als veekering. Het vormt een losse (niet geschoren) haag en bestaat uit soorten die een dichte ondoordringbare begroeiing vormen. Vaak zitten hier doornen aan, zoals bijvoorbeeld aan de meidoorn.
Het meest verdichte deel vormt het gebied rondom Nisse, dat gekenmerkt wordt door meidoornheggen op de perceelsgrenzen. Hierdoor ontstaat een besloten beeld en zijn de erfbeplantingen minder beeldbepalend.
Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:
De nadruk ligt op de toepassing van streekeigen elementen, omdat de traditionele, streekeigen erven een belangrijke landschappelijke karakteristiek vormen. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting - zijnde de Zeeuwse haag - zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.
Regels:
Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:
Voor zover in het voorgaande een 'goede landschappelijke inpassing' is voorgeschreven gelden de volgende:
De kenmerken van het gebied zoals opgenomen in lid 139.1 zijn daarbij richtinggevend.
De polders zijn vaak kleinschalig van opzet. De boerderijen komen op twee manieren voor: onderaan de dijk en midden in de polder, gelegen aan de polderweg. In de kleinste polders komt alleen de eerste variant voor. In de grotere polders, waar sprake is van (een stelsel van) polderwegen komen beide varianten voor.
In het geval dat de boerderijen onder aan de dijk zijn gesitueerd heeft de erfbeplanting een relatie met de beplanting op de dijken. Midden in een polder is een erfbeplanting te beschouwen als een eiland in een ruimte die dikwijls door de omringende beplanting wordt gedomineerd.
Opvallend is de veelal ruime opzet van de erven. In dit gebied zijn niet alleen de hoog opgaande beplantingen bepalend voor het boerenerf.
Doordat in dit gebied veel fruitteelt voorkomt, komen rondom het erf veel boomgaarden met laagstamfruit voor. De elzenhagen die het fruit omsluiten zijn zeer karakteristiek voor dit gebied. Af en toe wordt een boomgaard met hoogstamfruit aangetroffen, meestal dichtbij de woning. Naast de woning is ook vaak een huisweitje aanwezig. Knotbomen komen veelvuldig voor. Het betreft het traditionele, streekeigen erf van de Zak van Zuid-Beveland.
Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:
De nadruk ligt op de toepassing van streekeigen elementen, omdat de traditionele, streekeigen erven een belangrijke landschappelijke karakteristiek vormen. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting - zijnde een 5 m brede singelbeplanting zonder boomvormers - zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.
Regels:
Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:
Voor zover in het voorgaande een 'goede landschappelijke inpassing' is voorgeschreven gelden de volgende:
De kenmerken van het gebied zoals opgenomen in lid 140.1 zijn daarbij richtinggevend.
Qua openheid neemt dit gebied een positie in tussen de open grootschalige polders en de kleinschalige, besloten polders. Het gebied rondom Ellewoutsdijk maakt de meest open en grootschalige indruk.
De hoofdstructuur van het landschap wordt bepaald door de wegbeplantingen. Het gaat hier om boomsingels met een onderbeplanting, waarbij de bomen vaak in een onregelmatig plantverband staan. Bij Baarland en Hoedekenskerke is het landschap fijnmazig gestructureerd door dijken. Richting Oudelande en Ellewoutsdijk krijgt het landschap een meer open en grootschalig karakter.
Ruimtelijk vormen de erfbeplantingen een belangrijke aanvulling op de landschappelijke opbouw. De erven komen meestal voor langs de beplante polderwegen. In de buurt van de dorpen wordt de concentratie hoger. De erven in dit gebied zijn over het algemeen vrij bescheiden van opzet. De variatie aan beplantingen en beplantingsvormen is in deze gebieden gering. De samenstelling is eenzijdiger. Iep, es en populier komen veelvuldig in de beplantingen voor.
Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:
In de Herverkavelde Oudlandpolders kan een keuze worden gemaakt uit een singelbeplanting met heesters (minimaal 5 m breed), in combinatie met één streekeigen beplantingselement, of een singelbeplanting met bomen en heesters (minimaal 10 m breed).
De nadruk ligt in de omgeving van Hoedekenskerke en Baarland op de toepassing van streekeigen elementen. De traditionele, streekeigen erven vormen een belangrijke landschappelijke karakteristiek. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting (singelbeplanting met heesters) zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.
Het gebied in de richting van Oudelande en Ellewoutsdijk heeft een meer open karakter. Een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting is wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.
Regels:
Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:
Voor zover in het voorgaande een 'goede landschappelijke inpassing' is voorgeschreven gelden de volgende:
De kenmerken van het gebied zoals opgenomen in lid 141.1 zijn daarbij richtinggevend.
De grootschalige polders hebben een minder luisterrijke uitstraling in vergelijking met andere delen van de gemeente. Het gebied is open en efficiënt ingedeeld. De polders zijn grootschalig en de dijken dikwijls onbeplant, evenals de bermen van de meeste polderwegen. De nabijheid van het Sloegebied versterkt het industriële karakter van het gebied.
De erfbeplantingen zijn over het algemeen beperkt van opzet en weinig gevarieerd in beplantingsvormen en soortensamenstelling. De erven komen voor onder aan de dijk of midden in de polder aan een weg. Door de openheid van het gebied vervullen de erfbeplantingen een belangrijke rol in het landschappelijke beeld. De erfbeplantingen zijn hier op een aantal plaatsen de enige opgaande elementen. De erfbeplantingen van de Kraaijertpolder en omgeving kenmerken zich in het algemeen door weinig variatie in beplantingsvormen en soortensamenstelling.
Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:
Gelet op het open, grootschalige karakter van de Kraaijertpolders is een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.
Regels:
Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:
Voor zover in het voorgaande een 'goede landschappelijke inpassing' is voorgeschreven gelden de volgende:
De kenmerken van het gebied zoals opgenomen in lid 142.1 zijn daarbij richtinggevend.
De polder kenmerkt zich door een grootschalige opzet met, in dit geval, een vierkante wegenstructuur. Het industriegebied vormt een belangrijke beeldbepalende factor. De hoge Westerscheldedijk vormt een ander dominant gegeven.
De polderwegen zijn momenteel onbeplant. De erven liggen langs de wegen, waarbij op een gedeelte van de Monsterweg sprake is van lintbebouwing. Langs de andere wegen vormen de erven eilanden in de grootschalige open ruimte. De variatie in beplantingsvormen en soortensamenstelling is in de Borsselepolder niet groot.
Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:
Gelet op het open, grootschalige karakter van de Borsselepolder is een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m breed benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.
Regels:
Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:
met dien verstande dat daarbij sprake moet blijven van een goede regeling voor landschappelijke inpassing die aansluit bij de landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken van deelgebieden.
Het is verboden de houtopstanden die aangemerkt zijn op de lijst van beschermwaardige bomen te vellen of te doen vellen. Het verbod geldt niet voor bomen die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een Aanwijzing of last bij iepenziekte van het college van burgemeester en wethouders.
Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven, gericht op herplant.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bomen aan te wijzen als beschermwaardige boom en deze toe te voegen aan de lijst beschermwaardige bomen of te verwijderen van de lijst beschermwaardige bomen.
Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor de verspreiding van de iepziekte of de vermeerdering van iepenspintkevers is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college van burgemeester en wethouders is aangeschreven verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:
Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:
Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend voor het zich ontdoen van bepaalde afvalstoffen door deze buiten de inrichting te verbranden met dien verstande dat:
Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning voor het afwijken kan het aanvraagformulier worden gebruikt dat via deze koppeling binnen is te halen: www.borsele.nl/document.php?m=17&fileid=41599&f=b3dec452e7a9538240ce2d673b8f5e88&attach ment=0&c=21309.
Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) ten gevolge van inrichtingen die in dit gebied zijn gelegen geldt dat de niveaus op de gevel van geluidsgevoelige functies of wanneer er geen woning binnen 50 m staat, dan geldt de afstand van 50 m vanaf de grens van de inrichting, binnen de in tabel 146.1 genoemde dagdelen niet meer mag bedragen dan de aangegeven richtwaarden.
Tabel 146.1: Richt- en grenswaarden (handhaving bestaande geluidskwaliteit)
Omgevingsvergunning om van de richtwaarde af te wijken tot maximaal de grenswaarde kan door burgemeester en wethouders worden verleend indien:
De bepalingen zoals opgenomen in lid 146.1 zijn niet van toepassing op anti-hagelgeneratoren.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen.
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bepalingen in dit artikel, indien naar hun oordeel een strikte toepassing daarvan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepaling(en) te dienen doelen, dan wel zou leiden tot onbillijkheden van zwaarwegende aard.
Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:
voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:
Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.
Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:
voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:
Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.
Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:
voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:
Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.
Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:
voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:
Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.
Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:
Op deze gronden gelden bij de bouw van enig bouwwerk de volgende hoogteregels:
Omgevingsvergunning om van de hoogteregels in 152.1 en/of het gestelde verbod in 152.2.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:
Bij de voorbereiding van de afwijking wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent het bepaalde onder a.
Op deze gronden gelden bij de bouw van enig bouwwerk de volgende hoogteregels:
Omgevingsvergunning om van de hoogteregels in 153.1 en/of het gestelde verbod in 153.2.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:
Bij de voorbereiding van de afwijking wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent het bepaalde onder a.
Het is verboden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de vliedberg.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de cultuurhistorische waarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de cultuurhistorische waarden en/of landschappelijke kwaliteiten.
Bij de toepassing van het bepaalde in '2 Wat mag ik op deze locatie bouwen (bouwregels)' geldt dat de bebouwing moet voldoen aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod in 155.2 af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan door het bevoegd gezag worden verleend, indien:
Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Bij de toepassing van het bepaalde in '2 Wat mag ik op deze locatie bouwen (bouwregels)' geldt dat de bebouwing moet voldoen aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.
Het is verboden een gemeentelijk monument:
Het verbod is niet van toepassing op:
De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod in lid 156.2 af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:
Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in lid 156.2, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het lid 156.2.1.
De omgevingsvergunning voor het afwijken zoals bedoeld in lid 156.2.2 kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken:
Bij de toepassing van het bepaalde in '2 Wat mag ik op deze locatie bouwen (bouwregels)' geldt dat de bebouwing moet voldoen aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de natuurwaarden en/of de landschappelijke waarden.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de natuurwaarden en/of landschappelijke kwaliteiten.
Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en/of de landschappelijke waarden.
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en/of landschappelijke kwaliteiten.
Deze gronden zijn aangewezen voor meerdere van de volgende medegebruiksfuncties: Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanning, Leiding - Hoogspanningsverbinding, Leiding - Leidingstrook, Leiding - Olie, Leiding - Propyleen, Leiding - Riool, Leiding - Water, Waterstaat - Waterkering, Beschermingszone waterkeringen, Waarde - Archeologie 1, Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3, Waarde - Archeologie waterbodems, Waarde - Vliedberg, Waarde - Landschappelijke openheid in agrarisch gebied, Waarde - Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied of Waarde - Natuur en landschapswaarden op dijken.
Hier geldt het volgende: er worden geen bouwwerken, werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden toegelaten indien deze op grond van één van de vormen van medegebruik niet toelaatbaar zijn.
het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 met identificatienummer NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0002 van de gemeente Borsele.
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0002
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
een aan het agrarisch buitengebied gelieerd bedrijf, nader te onderscheiden in:
een niet-industrieel bedrijf gericht op het opslaan en leveren van goederen aan agrarische bedrijven en/of het opslaan, bewerken en verwerken van producten, die afkomstig zijn van agrarische bedrijven, waaronder tevens wordt begrepen een zaadveredelingsbedrijf;
een bedrijf dat overwegend is gericht op het leveren van diensten aan agrarische bedrijven en groene en blauwe functies in het buitengebied, zo nodig met behulp van werktuigen en apparatuur, en op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van werktuigen of apparatuur; kenmerkende werkzaamheden zijn cultuurtechnische werken en grondverzet, mest(stoffen)bewerking en/of – distributie, onderhoud van (openbare) groenvoorzieningen, natuur- en bosbouw en ander daaraan gerelateerd (agrarisch) grondwerk.
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen (of veredelen) van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:
de Agrarische Adviescommissie Zeeland dan wel een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige, of commissie van deskundigen, op het gebied van land- en tuinbouw.
het gebruik van onbebouwde gronden voor:
een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.
een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van archeologie.
onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed (RCE) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten.
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten.
de in het kader van dit plan aan een gebouw toegekende waarde gekenmerkt door de opbouw en/of indeling van de gevels, de dakopbouw en het materiaal en/of kleurgebruik eventueel in samenhang met de omgeving.
een onderneming met winstoogmerk gericht op het uitvoeren van werkzaamheden en/of het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.
een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.
het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of bijbehorende bouwwerken voor bedrijfs- en/of beroepsmatige activiteiten of een praktijkruimte, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt.
de gezamenlijke vloeroppervlakte van verkoopruimten, magazijnen, bergingen, kantoren en verblijfsruimten en de overige voor de bedrijfsvoering benodigde vloeroppervlakte.
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de toegestane functie van het gebouw of het terrein.
de gezamenlijke oppervlakte van vaste vloeren in gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, – mestdoorlatende vloeren daaronder begrepen – die worden of kunnen worden gebruikt voor de huisvesting van dieren ten behoeve van intensieve veehouderij, waaronder begrepen de hok- of stalruimte, inclusief scheidingswanden en gangpaden, zoals die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen.
een beperkt kwetsbaar object zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, of diens rechtsopvolger.
beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
bomen opgenomen op de lijst van waardevolle bomen zoals deze is weergegeven op de website beschermwaardige bomen van de gemeente Borsele.
het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan, met dien verstande dat indien met verifieerbare informatie (zoals bedrijfsregister, identificatie en registratiesysteem) aangetoond kan worden dat op het moment van vaststelling van het plan het feitelijk, legaal aanwezige aantal dieren meer bedraagt dan het legaal aanwezige aantal dierplaatsen, de legaal aanwezige aantallen dieren bepalend zijn voor de bestaande ammoniakemissie.
de afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktemaat, die bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden.
bestaande aantal dierplaatsen voor de bestaande diersoorten, vermenigvuldigd met de ammoniakemissiefactoren van het bestaande stalsysteem.
de diersoorten waarvoor de legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan zijn gebouwd.
gebouwen die op het tijdstip van:
tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
het legaal gerealiseerde stalsysteem ten tijde van de vaststelling van het plan; bedoeld zijn de stalsystemen overeenkomstig de unieke stalbeschrijvingen van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav).
voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu de meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die – kosten en baten in aanmerking genomen – economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.
een bedrijf zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak, nader te onderscheiden in:
een, ter plaatse van en aansluitend aan een indicatieve aanduiding, gesitueerd denkbeeldig vlak met flexibele grenzen zoals in het plan beschreven waar de bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf, manege of een agrarisch aanverwant bedrijf is toegestaan; voor de toepassing wordt ook gewezen op de regels voor het suggestievlak voor bouwen.
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor de toegelaten functies geschikt of geschikt te maken is.
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de functie hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond bedoeld om ter plaatse te functioneren.
een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren.
een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van cultuurhistorie.
de in het kader van dit plan aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en gaafheid.
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting uitdrukkelijk is uitgesloten.
speciaal aangelegde accommodatie al dan niet overdekt ten behoeve van dagrecreatie.
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake beeldkwaliteit (welstand).
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek op het bezoekadres rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen zoals een reis- of uitzendbureau, kapsalon, pedicure, schoonheidssalon, medische of therapeutische praktijk, juridisch adviesbureau of bankfiliaal.
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van drank voor gebruik ter plaatse, waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dans een wezenlijk onderdeel vormen.
mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan niet vermengd met mors-, spoel-, reinigings- of regenwater.
al dan niet bebouwd bouwperceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat hoofdgebouw.
een gebeurtenis, gericht op een groot publiek, met betrekking tot kunst, sport, ontspanning en cultuur.
die vormen van dagrecreatie die zijn gericht op de beleving van en/of kennismaking met natuur, landschap en cultuur van het platteland dan wel de plattelandskernen, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, kanoën, zwemmen en natuurobservatie.
een ruimte gericht op het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide en al dan niet ter plaatse te nuttigen dranken en/of etenswaren en/of het exploiteren van zaalaccommodaties.
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan:
woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.
een overeenkomstig dit plan als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke commissie van deskundigen inzake monumentenzorg.
de lijst in de bijlage waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig dit plan als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in lid 162.61.
de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door een karakteristieke hogere dan wel lagere ligging, veroorzaakt door de ontstaansgeschiedenis van het grondgebied.
detailhandel in een of meer van de volgende categorieën:
een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige toegestane functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.
een onderneming gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van een zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.
een horecabedrijf, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met – al dan niet – als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse.
hakhout (een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen), een houtwal of een of meer bomen.
een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.
het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.
de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. M).
tent, tentwagen, kampeerauto, of caravan, dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor ingevolge artikel 2.1, lid 1, sub a van de Wabo een omgevingsvergunning vereist is, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor nachtverblijf door een persoon, één huishouden of daarmee gelijkgestelde groep personen.
het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek niet of slechts in beperkte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen zoals een administratiekantoor, ontwerp-technisch bureau, makelaarskantoor of assurantiekantoor.
een bouwwerk van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen.
terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en zoals blijkt uit die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen en, in beperkte mate voor permanent aanwezige kampeermiddelen, ten behoeve van recreatief nachtverblijf.
voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van extensief dagrecreatief medegebruik.
nevenfunctie die bij een andere hoofdfunctie op een bouwperceel – al dan niet door een bewoner, samen met personeelsleden – op bedrijfsmatige wijze wordt uitgeoefend, waarbij de hoofdfunctie in overwegende mate aanwezig blijft en het bouwperceel een ruimtelijke uitstraling behoudt die daarbij past.
een aan het plattelandstoerisme gerelateerde inrichting van geringe omvang bestemd voor het bedrijfsmatig, voor gebruik ter plaatse, verstrekken van alcoholische en/of niet-alcoholische dranken, eventueel in combinatie met het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren; verblijfsrecreatieve voorzieningen hieronder niet begrepen.
een kwetsbaar object zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, of diens rechtsopvolger.
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake landschap en natuur.
de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur.
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.
een woning welke geschikt is voor bewoning in alle levensfasen, waarbij alle primaire leefruimten (woonkamer, keuken, slaapkamer en badkamer met toilet) zich op de begane grond bevinden en waarbij deze leefruimten zowel inpandig als vanuit het aansluitende terrein drempelvrij toegankelijk zijn.
een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, ondergeschikt aan de (woon)bestemming.
met maatwerkvoorschriften worden de voorschriften bedoeld die aan een omgevingsvergunning kunnen worden gekoppeld op basis van artikel 2.22 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden of het zelf trainen met paarden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, al dan niet in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen:
een reservoir bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal.
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake milieu.
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake molens.
de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.
aanvullende, ondergeschikte activiteit ten opzichte van de hoofdactiviteit gelet op arbeidsbehoefte, financiële opbrengst, ruimtebeslag en/of milieuhinder.
verblijfsrecreatie waarbij uitsluitend van seizoensgebonden standplaatsen voor kampeermiddelen gebruik wordt gemaakt.
de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
bestemmingsplan met verruimde reikwijdte op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, artikel 2.4 Crisis- en herstelwet en artikel 7c Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet; het bestemmingsplan met verruimde reikwijdte bestaat uit de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
detailhandel die als nevenactiviteit een duidelijke relatie heeft met de toegestane hoofdactiviteit en in ruimtelijk en functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de toegestane hoofdactiviteit.
een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining; onder vergelijkbare voorzieningen worden verstaan paddocks (relatief kleine omheinde uitloop, veelal voorzien van een zandbodem, in aansluiting op de stalling en ten behoeve van de vrije uitloop van paarden en pony's), stap- en trainingsmolens zonder overkappingen en longeercirkels.
het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en/of pony's in pension te stallen en te weiden.
kampeermiddel of stacaravan, inclusief bij dat kampeermiddel of die stacaravan behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, die gedurende het gehele jaar op een standplaats aanwezig is of mag zijn.
maximaal geluidsniveau (LAmax) gemeten in de meterstand «F» of «fast», als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.
een horizontaal vlak, ter afdekking van een gebouw, dat meer dan tweederde van de grondoppervlakte van het gebouw beslaat.
alle vormen van kleinschalige recreatie en toerisme (met de nadruk op dagtoerisme en klein verblijfstoerisme), die plaatsvinden op en gebonden zijn aan het platteland.
een agrarische bedrijfswoning welke gebruikt mag worden door derden die geen binding hebben met het op hetzelfde perceel aanwezige agrarische bedrijfscomplex.
een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.
een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch verblijf, ondergeschikt aan de (woon)bestemming, zoals een recreatie appartement of het bieden van logies met ontbijt.
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van etenswaren voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken.
de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt.
de Staat van Horeca-activiteiten die van deze regels deel uitmaakt.
een gebouw dat in zijn geheel kan worden verplaatst en is bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.
een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel of stacaravan, inclusief bij dat kampeermiddel of die stacaravan behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.
een in het plan aangeduid vlak waar de bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf, manege of een agrarisch aanverwant bedrijf is toegestaan; voor de toepassing wordt ook gewezen op de regels voor een bouwblok.
voorzieningen of constructies die bij agrarische bedrijven worden toegepast ten behoeve van de bescherming van plantaardige agrarische teelten (tegen neerslag, zonlicht, vogelvraat) en/of de voorkweek van ten behoeve van het eigen bedrijf benodigd plantmateriaal en/of de voorkoming van verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, ten behoeve van grondgebonden agrarische teelten, nader te onderscheiden in:
een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, gedurende een beperkte tijd zoals enkele weken.
een voor publiek toegankelijke dagrecreatieve voorziening met gebouwen en bijbehorende buitenruimte en siertuin, waar vlinderpopulaties en andere dieren waaronder reptielen, insecten en vissen worden getoond.
een bedrijf, gericht op de teelt en de verhandeling van bomen, heesters, planten, bloemen en andere siergewassen en in samenhang daarmee op de verkoop van artikelen die met de tuinbewerking of de inrichting van tuinen verband houden, zoals tuingereedschap, tuinmeubilair en tuingrond.
de uiterlijke (ruimtelijke en architectonische) kenmerken van een bepaald type bouwwerk.
omhakken of -zagen van houtopstand; onder vellen wordt mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
de voor verblijf geschikte - al dan niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken - voer- en vaartuigen, arken, caravans, tenten en andere soortgelijke constructies, voor zover geen bouwwerken en geen kampeermiddelen zijnde.
de vloeroppervlakte van voor het publiek toegankelijke winkelruimten.
particuliere tuin of complex van particuliere tuinen die niet bij de eigen woning zijn gelegen en die gebruikt worden als moestuin of siertuin.
denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van het hoofdgebouw of de woning loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen; de voorgevellijn van het hoofdgebouw of de woning op het perceel die het dichtst bij de weg is gelegen is bepalend, tenzij anders aangegeven in het plan of door burgemeester en wethouders anders wordt bepaald.
gedurende een substantieel gedeelte van het jaar, nagenoeg dagelijks buiten laten lopen van dieren, op een substantiële oppervlakte landbouwgrond, waarbij een deel van de voerbehoefte door de dieren buiten verzameld wordt en waarbij meer dan 50% van de betreffende landbouwgrond is begroeid.
bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken.
Bij het toepassen van deze regels wordt als volgt gemeten:
van bouwwerken onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn.
vanaf het dichtst bij de bouwperceelsgrens gelegen punt van het gebouw en haaks op de bouwperceelsgrens.
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat.
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:
Op bouwwerken waarvoor in deze regels is bepaald dat de bestaande afstand, inhoud, (bebouwings)oppervlakte, dakhelling, goot- of bouwhoogte in afwijking van de algemeen geldende regels, als maximaal of minimaal toelaatbare maat mag gelden, is het Overgangsrecht bouwwerken zoals opgenomen in lid 165.1 niet van toepassing.
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: