|
Artikel
11 |
|
Natuur (N) |
|
|
|
|
|
|
|
lid 11.1 |
|
Bestemmingsomschrijving |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
De voor “Natuur” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, herstel of versterking van de aan deze gronden eigen zijnde natuurwaarden, landschappelijke en cultuurhistorische waarden; b. de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden en land-schappelijke waarden; c. water en waterberging |
|
|
|
|
|
|
|
lid 11.2 |
|
Bouwregels |
|
|
|
|
|
|
|
gebouwen 1. |
|
Gebouwen zijn niet toegestaan. |
|
|
|
|
|
|
|
andere bouwwerken 2. |
|
Op de in lid 11.1 bedoelde gronden mogen, ten behoeve van de bescherming van de bestemming, uitsluitend erfschei-dingen worden gerealiseerd die vanaf de grond een open constructie hebben, met dien verstande dat 75% van de verticale projectie van de erfscheiding open moet zijn. |
|
|
|
|
|
|
|
3. |
|
De hoogte van
erfscheidingen mag maximaal |
|
|
|
|
|
|
|
recreatiewoning 4. |
|
Op een perceel met de aanduiding recreatiewoning (rw) is een recreatiewoning toegestaan, met dien verstande dat: |
|
|
|
|
a. de oppervlakte van een recreatiewoning niet groter mag zijn dan ten tijde van de vaststelling van het ontwerp van dit bestemmingsplan; b. de goot- en bouwhoogte van een recreatiewoning niet hoger mag zijn dan ten tijde van de vaststelling van het ontwerp van dit bestemmingsplan; c. bij een recreatiewoning geen bijgebouwen zijn toegestaan. |
|
|
|
|
|
|
|
lid 11.3 |
|
Nadere eisen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de plaats en de afmetingen van andere bouwwerken in relatie tot: |
|
|
|
|
a. de instandhouding van de aan de gronden eigen zijnde cultuurhistorische waarden, zoals vastgelegd in artikel 22; b. de natuur- en landschapswaarden die in het geding zijn; zoals bedoeld in artikel 23, waarbij gedacht moet worden aan accidentatie, waterstructuren, bos- en beplantings-structuren in samenhang met de landschappelijke hoofdstructuur. |
|