20.1 Bestemmingsomschrijving
De voor
'Waterstaat - Uiterwaardgebied' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar
voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:
a de afvoer
en doorstroming van rivierwater.
20.2 Bouwregels
a In of op de voor stroomvoerend rivierbed
bestemde gronden mag uitsluitend ten behoeve van de in lid 20.2 sub b genoemde
riviergebonden en de in lid 20.2 sub c genoemde niet-riviergebonden
activiteiten worden gebouwd, mits de andere aan deze gronden gegeven
bestemmingen dit toelaten.
b De
riviergebonden activiteiten zijn:
1 de aanleg of wijziging van
waterstaatkundige (kunst)werken;
2 de realisatie van voorzieningen
voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart;
3 de bouw of wijziging van
scheepswerven;
4 de vestiging of uitbreiding van
overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor
zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer over de rivier;
5 de aanleg of wijziging van scheepswerven;
6 de realisatie van natuur;
7 de uitbreiding van bestaande steenfabrieken;
8 de realisatie van voorzieningen die
onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden, of;
9 de winning van oppervlaktedelfstoffen.
c De niet-riviergebonden activiteiten betreffen:
1 een groot openbaar belang en de activiteit
kunnen redelijkerwijs niet buiten het rivierbed worden gerealiseerd;
2 een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang
voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit kan
redelijkerwijs niet uiten het rivierbed worden gerealiseerd;
3 een functieverandering binnen de bestaande
bebouwing; of
4 een activiteit die per saldo meer ruimte voor
de rivier oplevert op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie.
d De
activiteiten genoemd onder lid 20.2 sub b en c moeten voldoen aan de volgende
voorwaarden:
1 Er moet sprake zijn van een zodanige
situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren va het
waterstaatwerk gewaarborgd blijft.
2 Er mag geen sprake zijn van een feitelijke belemmering
voor vergroting van de afvoercapaciteit.
3 Er moet sprake zijn van een zodanige
situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging
of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is.
4 De resterende waterstandseffecten
of de afname van het bergend vermogen dienen duurzaam te worden gecompenseerd,
waarbij de financiering en tijdige realisering van de maatregelen gezekerd
zijn.
5 En specifiek voor het bepaalde in sub d onder
punt 4 geldt dat de gevraagde rivierverruimingsmaatregelen
genomen worden, waarbij de financiering en tijdige realisering van de
maatregelen gezekerd zijn.
e In
afwijking van het bepaalde in lid 20.2 sub a is een aantal kleine, tijdelijke
of voor het rivierbeheer noodzakelijke activiteiten toegestaan. Deze betreffen:
1
een eenmalige uitbreiding van ten hoogste 10% van de
bestaande bebouwing;
2
overige activiteiten van, vanuit rivierkundig opzicht,
ondergeschikt belang;
3
activiteiten ten behoeve van rivierbeheer- of
-verruiming;
4
tijdelijke activiteiten;
5
een en ander mits voldaan wordt aan het bepaalde in lid
19.2 sub d onder punt 1 tot en met 3.
f Medewerking kan slechts worden verleend na
het bereiken van overeenstemming met de rivierbeheerder.
20.3 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en
wethouders zijn bevoegd om de grenzen van deze dubbelbestemming te wijzigen dan
wel de dubbelbestemming geheel op te heffen, uitsluitend naar aanleiding van en
conform door de Staatssecretaris bekrachtigde wijzigingen in de kaartbijlage
van de 'Beleidsregels grote rivieren', Staatscourant 12 juli 2006.